Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN9454

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
11/800111-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4022, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor bewijs van ‘wetende dat’ een geldig rijbewijs ontbreekt, voldoet dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet). De politierechter straft voor dronken rijden en dit feit, overeenkomstig landelijke oriëntatiepunten, zwaarder dan geëist wegens recidive en gevaarlijk weggedrag: 540 euro boete voor dronken rijden (i.p.v. 420 euro) en 2 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf en 12 maanden rijontzegging waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor rijden zonder geldig rijbewijs (i.p.v. 380 euro boete en 30 uur taakstraf). Verdachte is in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 11/800111-09

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting op 10 mei 2010

Aanwezig zijn:

mr. F. van Laanen, politierechter,

mr. L. Visser, officier van justitie, en

mr. M.P. Visser, griffier.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, opgeroepen als:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1974,

wonende te [huidig woonadres verdachte],

is niet verschenen.

De politierechter vangt het onderzoek, dat ter terechtzitting van 22 maart 2010 werd geschorst, opnieuw aan, omdat nu een andere politierechter zitting heeft.

De politierechter stelt vast dat de verdachte aanwezig was op de terechtzitting van 22 maart 2010, het onderzoek toen is geschorst tot vandaag zodat verdachte zich van rechtsbijstand kon voorzien, het tijdstip aan verdachte is aangezegd, de aanzegging als oproeping geldt en verdachte blijkens een GBA-overzicht d.d. 7 mei 2010 kennelijk niet is gedetineerd. Verdachte is dus op juiste wijze opgeroepen en heeft kennelijk afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het onderzoek ter terechtzitting vindt op tegenspraak plaats.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt de korte inhoud mee van:

- een proces-verbaal van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, dossiernummer [dossiernummer], d.d. 23 januari 2009, met daarin gerelateerde bijlagen;

- een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, kenmerk [kenmerknummer], d.d. 6 juli 2009 en de daaraan gehechte brief en beschikking, d.d. 31 januari 2007;

- een Uittreksel Justitiële Documentatie, verdachte betreffend, d.d. 15 april 2010.

De officier van justitie voert het woord. Hij vindt dat het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Hij vordert dat verdachte voor feit 1 wordt veroordeeld tot een geldboete van € 420,-, te vervangen door 8 dagen hechtenis, en voor feit 2 tot een geldboete van € 380,-, te vervangen door 7 dagen hechtenis, en een werkstraf voor de duur van 30 uur, te vervangen door 15 dagen hechtenis. De officier van justitie legt zijn vordering over.

De politierechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het in dit proces-verbaal aangetekende mondeling vonnis uit.

---------------------------------------------------------------------------------------------

A A N T E K E N I N G V A N H E T M O N D E L I N G V O N N I S

---------------------------------------------------------------------------------------------

Inhoud van de tenlastelegging

Overeenkomstig de dagvaarding met bovengenoemd parketnummer.

Bewijsbeslissing

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 09 januari 2009 te Zwijndrecht als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 305 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 09 januari 2009 te Zwijndrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM/B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Lindtsedijk, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gebruikte bewijsmiddelen

De bewezenverklaring berust op de onderstaande bewijsmiddelen. De feiten en omstandigheden die hieronder uit deze bewijsmiddelen worden aangehaald, geven daarvoor de redenen.

Voor feit 1:

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (nr. [verbaalnummer], d.d. 6 februari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Op 9 januari 2009 zagen wij dat een persoon een voertuig, personenauto, bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Lindtsedijk te Zwijndrecht. Wij namen waar dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook. De bestuurder gaf ons op te zijn [naam verdachte]. Het resultaat van het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 met ademanalysetestnummer [testnummer], dat onder leiding van mij, [verbalisant 2], is voltooid, was 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

2. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een ademonderzoekresultaat (serienr. [serienummer], d.d. 9 januari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Het resultaat van het ademonderzoek bij verdachte is 305 µg/l.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (nr. [verbaalnummer], d.d. 9 januari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Ik, verdachte, erken op 9 januari 2009 na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder te zijn opgetreden.

Voor feit 2:

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (nr. [verbaalnummer], d.d. 6 februari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Op 9 januari 2009 zagen wij dat een persoon een voertuig, personenauto, bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Lindtsedijk te Zwijndrecht. De bestuurder gaf ons op te zijn [naam verdachte]. Blijkens informatie ingewonnen bij het CBR is het rijbewijs met nummer [rijbewijsnummer-1] van de verdachte ongeldig verklaard vanaf 7 februari 2007. Op het bureau verscheen een vrouw die verklaarde de echtgenote te zijn van verdachte. Zij verklaarde dat haar man niet in het bezit is van een geldig rijbewijs. Zij legde een kopie van verdachtes rijbewijs over. Zij verklaarde dat het originele rijbewijs bij het CBR lag. Wij ontvingen bericht van het CBR dat verdachte op 9 januari 2009 een ongeldig verklaard rijbewijs had. De ongeldigheid liep tot 13 januari 2009.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (nr. [verbaalnummer], d.d. 9 januari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Ik, verdachte, erken op 9 januari 2009 als bestuurder te zijn opgetreden.

3. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een CBR-bevraging rijbewijsregister (d.d. 6 februari 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Rijbewijs [rijbewijsnummer-2], afgegeven aan verdachte op 13 januari 2009, vervangt rijbewijs [rijbewijsnummer-1]. Medio augustus 2006 ontvangt verdachte daadwerkelijk een mededeling van het CBR.

4. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een kopie van een rijbewijs (nr. [rijbewijsnummer-1]). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Het rijbewijs op naam van verdachte geldt vanaf 30 november 1993 voor categorie B.

5. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een besluit van het CBR (nr. [besluitnummer], d.d. 31 januari 2007). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Het CBR heeft verdachte een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid opgelegd. Bij aangetekende brief is verdachte opgeroepen voor het onderzoek. In deze brieven is vermeld dat het onderzoek uit twee onderdelen bestaat, namelijk een psychiatrisch en een laboratoriumonderzoek. Tevens is aangegeven dat in geval van niet-meewerken aan alle delen van het onderzoek, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard. Verdachte heeft zijn medewerking verleend aan het psychiatrisch onderzoek. Van de keurend arts heeft het CBR vernomen dat deze geen laboratoriumuitslagen heeft ontvangen. Het rijbewijs van verdachte wordt voor alle categorieën ongeldig verklaard. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van het besluit.

6. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een brief van het CBR (nr. [briefnummer], d.d. 31 januari 2007). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Aangetekend verzenden aan verdachte op het adres [toenmalig woonadres verdachte]. Verdachtes rijbewijs is ongeldig vanaf 7 februari 2007.

7. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een brief van het CBR (nr. [briefnummer], d.d. 6 juli 2009). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Het besluit van 31 januari 2007 is aangetekend verzonden. De aangetekende brief is niet retour gekomen.

8. Een geschrift, dat geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen, te weten een GBA-overzicht (nr. [overzichtnummer], d.d. 7 mei 2010). Dit houdt - zakelijk weergegeven - in:

Van 5 september 2006 tot 1 mei 2007 is verdachtes GBA-adres: [toenmalig GBA-adres verdachte].

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De politierechter overweegt het volgende wat betreft het bewijs van opzet bij een tenlastelegging die is geënt op artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Onder opzet is in het algemeen mede zogenaamd voorwaardelijk opzet begrepen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is in verscheidene gevallen aangenomen dat het bestanddeel 'wetende dat' opzet in voorwaardelijke vorm omvat (vgl. bijvoorbeeld HR 19 januari 1993, NJ 1993, 491 (art. 416 Sr), HR 21 november 2000, NJ 2001, 49 (art. 237 Sr), HR 3 december 2002, LJN AE8908 (art. 243 Sr), HR 30 mei 2008, LJN BC8673 (art. 362 en 363 Sr) en HR 13 april 2010, LJN BL5414 (art. 197a Sr)). De wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding daarover ten aanzien van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 anders te oordelen.

De politierechter overweegt omtrent de opzetvraag in dit geval het volgende. Uit de voor feit 2 gebruikte bewijsmiddelen 3 en 5 tot en met 8 leidt de politierechter af: a) dat verdachte in de tweede helft van 2006 correspondentie van het CBR heeft gekregen en daarvan - hij heeft daarop immers aan een onderdeel deelgenomen - kennelijk kennis heeft genomen, dat uit deze correspondentie, kort gezegd, blijkt dat verdachte aan twee onderdelen van een onderzoek moet voldoen alsook dat zijn rijbewijs ongeldig zal worden verklaard als hij dit niet doet, en dat verdachte vervolgens aan een van die onderdelen niet heeft voldaan; b) dat hem op 31 januari 2007, op het adres waarop hij stond ingeschreven, een aangetekende brief met een besluit is gestuurd, waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, welk schrijven niet retour is gekomen. Uit het voor feit 2 gebruikte bewijsmiddel 3 leidt de politierechter af dat verdachtes nieuwe rijbewijs op 13 januari 2009 is afgegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat de afgiftedatum op het rijbewijs staat vermeld en dat een rijbewijs niet wordt afgegeven op een eerdere datum dan die welke staat vermeld. Verdachtes stelling tegenover de politie op 6 februari 2009 dat hij op 6 januari 2009 (althans voor 9 januari 2009) een rijbewijs heeft afgehaald - welke stelling overigens, ook nadien, niet is onderbouwd en wat er ook zij van de betrouwbaarheid daarvan, nu verdachte op 9 januari 2009 nog bij de politie verklaart dat hij zijn rijbewijs in augustus 2008 heeft teruggekregen - acht de politierechter gelet hierop kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen.

Op grond van het voorgaande is de politierechter van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat, kort gezegd, zijn rijbewijs (op 9 januari 2009) ongeldig was verklaard en dat hem na deze ongeldigverklaring (maar voor 9 januari 2009) geen nieuw rijbewijs was afgegeven.

Kwalificatie

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

1. overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994

2. overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken, die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

Toegepaste wetsartikelen

Artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en 9, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

Strafoplegging

De politierechter veroordeelt verdachte:

voor feit 1, tot een GELDBOETE van € 540,- (vijfhonderdenveertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

voor feit 2, tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 (twee) weken

en

een ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID MOTORRIJTUIGEN TE BESTUREN voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

De politierechter heeft bij de strafoplegging gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd. Ook heeft de politierechter gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn financiële draagkracht.

Ten aanzien van feit 1, het dronken rijden, overweegt de politierechter het volgende. Iedereen weet dat dronken rijders een groot gevaar zijn voor de verkeersveiligheid; doden, gewonden en schade zijn het gevolg van aanrijdingen die zij door de werking van alcohol makkelijker veroorzaken. Door met alcohol op te rijden, heeft verdachte zich dus onverantwoord gedragen. Landelijk is door strafrechters afgesproken dat iemand die 305 µg/l blaast, in beginsel een boete van € 300,- krijgt. In verdachtes geval komt daar bij dat hij in 1997, 2005 en 2007 (2x) is veroordeeld voor dronken rijden en daarvoor in 1999 een transactie heeft betaald. Ook komt erbij dat hij, zo blijkt uit het proces-verbaal van Dubbeldam en Droogendijk, 's nachts 80 km/u reed waar 50 km/u is toegestaan, terwijl het wegdek bevroren en besneeuwd was, het acht graden vroor en het mistig was. De omstandigheden dat verdachte gewoontemisdadiger is waar het op dronken rijden aankomt en dat hij de verkeerssituatie extra onveilig heeft gemaakt, maakt dat de politierechter boven de eis van de officier van justitie uit - overigens overeenkomstig de landelijke afspraken - een geldboete van € 540,- oplegt.

Ten aanzien van feit 2, het rijden zonder geldig rijbewijs, overweegt de politierechter het volgende. Slechts die mensen van wie is vastgesteld dat zij vaardig en geschikt zijn om auto te rijden en die een geldig rijbewijs hebben, mogen rijden. Van verdachte staat het eerste niet vast, omdat hij nadat zijn rijbewijs van hem is afgenomen, niet volledig heeft meegewerkt aan een onderzoek naar rijgeschiktheid. Hij bezit bovendien geen geldig rijbewijs. Door toch te rijden stelt verdachte zijn opvatting boven de wet en de instantie die waakt over rijvaardigheid. Bovendien brengt hij de verkeersveiligheid in gevaar en creëert hij verzekerings-/aansprakelijkheidsproblemen in geval hij schade toebrengt. Zoals zonet in verband met feit 1 overwogen, geldt ook hier dat verdachte al eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten en daarbij komt dat hij in 2007 is veroordeeld voor rijden terwijl het rijbewijs was ingevorderd. Kennelijk geldt dus ook hier dat verdachte geen boodschap heeft aan regels die voor iedereen gelden en aan de overheid die ze afdwingt. Daarom is de politierechter van oordeel dat een geldboete en/of taakstraf niet meer voldoen. De gevangenisstraf van twee weken die landelijk als uitgangspunt geldt, past bij en is noodzakelijk voor dit feit en deze verdachte. Persoonlijke redenen om daarvan ten gunste van verdachte af te wijken, zijn niet naar voren gebracht en aan de politierechter ook niet uit het dossier gebleken. Omdat verdachte recidivist is, wordt hem zowel uit vergeldingsoogpunt als ter bescherming van de maatschappij een rijontzegging opgelegd. De helft daarvan is voorwaardelijk om verdachte ertoe te brengen zich vanaf nu wel aan de wet te houden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat is vastgesteld door de politierechter en de griffier en door hen is ondertekend.

Parketnummer: 11/800111-09

Proces-verbaal d.d. 10 mei 2010