Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN5940

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
261122 VV EXPL 10-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tussen Ondernemingsraad en Sociale Dienst. Het gaat om de vraag of bij het voeren van zgn. coachings- of maandgesprekken sprake is van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling, waartoe de Sociale Dienst op de voet van artikel 27 lid 1 sub g WOR de instemming van de Ondernemingsraad zou behoeven. De Ondernemingraad vordert schorsing van het volgens hem genomen besluit. De kern van het geschil tussen partijen is in feite de vraag of bij de maandgesprekken sprake is van een personeelsbeoordeling c.q. of het resultaat van de maandgesprekken wordt betrokken in een personeelsbeoordeling (standpunt van de Ondernemingsraad) of dat sprake is van coaching/begeleiding (standpunt van de Sociale Dienst). Het oordeel luidt dat de stelling van de Ondernemingsraad dat de maandgesprekken niet (zuiver) kunnen worden aangemerkt als coaching en dat de maandgesprekken voortgangselementen (resultaten) bevatten en derhalve deel uitmaken van de beoordelingscyclus van medewerkers, onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering wordt daarom afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/258
AR-Updates.nl 2010-0700
JAR 2010/258

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 261122 VV EXPL 10-78

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Dordrecht van 27 augustus 2010

in de zaak van:

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE SOCIALE DIENST DRECHTSTEDEN,

gevestigd te Dordrecht,

eiser,

gemachtigde: mr. S.A.J. van Riel,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING DRECHTSTEDEN,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J. Blanken.

Partijen worden hierna aangeduid als “de Ondernemingsraad” en “de Sociale Dienst”.

1. Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 29 juli 2010;

2. de pleitnotities van mr. Van Riel;

3. de pleitnotities van mr. Blanken;

4. de aantekeningen van de griffier van de op 13 augustus 2010 gehouden mondelinge behandeling;

5. de overgelegde producties.

2. Omschrijving van het geschil

2.1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist geldt tussen partijen het volgende.

2.1.1. De Sociale Dienst Drechtsteden, bij welke dienst ongeveer 330 ambtenaren werkzaam zijn, is een onderdeel van de gedagvaarde publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeenschappelijke Regeling Drechtstreden. Voor de Sociale Dienst is een ondernemingsraad ingesteld.

2.1.2. Bij de Sociale Dienst vinden personeelsbeoordelingen plaats door middel van het voeren van vier soorten gesprekken, te weten het jaargesprek, het voortgangsgesprek, het beoordelingsgesprek en het groepsgesprek, een en ander zoals nader omschreven in de “notitie personeelsgesprekken” die op 1 juni 2007 door het “MT GR Drechtsteden” (de kantonrechter begrijpt: managementteam Gemeenschappelijke Regeling Drechtstreden) is vastgesteld

2.1.3. Sinds februari 2010 worden bij twee afdelingen van de Sociale Dienst naast genoemde gesprekken ook “maandgesprekken” (ook wel “coachingsgesprekken” genoemd) gevoerd door senior medewerkers met medewerkers. Tot mei 2010 werd daartoe een “format” gebruikt (productie 2 Ondernemingsraad). Sinds mei 2010 wordt daarbij het formulier “caseloadgesprekken” (bijlage 4 Sociale Dienst) gebruikt.

2.1.4. Tijdens de overlegvergadering zijn de maandgesprekken (in ieder geval) aan de orde geweest.

2.1.5. Bij brief van 21 juni 2010 heeft de Ondernemingsraad de nietigheid ingeroepen van het volgens hem genomen besluit om maandgesprekken te gaan voeren omdat de volgens hem vereiste instemming van de Ondernemingsraad ontbrak.

2.1.6 De Ondernemingsraad heeft een procedure bij de Bedrijfscommissie aanhangig gemaakt. Op 9 augustus 2010 heeft de Sociale Dienst zijn verweerschrift bij genoemde commissie ingediend. De mondelinge behandeling in die procedure zal naar verwachting in oktober 2010 plaatsvinden.

2.2. De vordering

De Ondernemingsraad vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit tot wijziging van het personeelsbeoordelingsbeleid en in het bijzonder het houden van zogenaamde maandgesprekken te schorsen en de Sociale Dienst te verbieden verdere uitvoeringshandelingen in het kader van dit besluit uit te voeren totdat in de hoofdzaak is beslist en al hetgeen tot op heden is uitgevoerd terug te draaien, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per overtreding en € 5.000 per dag dat de overtreding voortduurt, althans een zodanige voorziening wordt getroffen die de kantonrechter noodzakelijk acht.

De Ondernemingraad stelt daartoe, kort gezegd, het volgende.

Het besluit van de Sociale Dienst om maandgesprekken te houden is een besluit waartoe hij de instemming van de Ondernemingraad behoeft, omdat het gaat om een besluit tot wijziging van de “notitie personeelsgesprekken”, zijnde een regeling op het gebied van personeelsbeoordeling zoals bedoeld in artikel 27 lid 1 sub g WOR. De maandgesprekken houden geen, althans niet uitsluitend coaching in, maar hebben (ook) invloed op de beoordeling van de medewerker; de daarvan opgemaakte verslagen worden in het personeelsdossier gestopt en worden aan de orde gesteld in de jaargesprekken.

2.3. Het verweer

De conclusie van Sociale Dienst strekt tot afwijzing van de vordering. De Sociale Dienst verwijst daartoe naar de inhoud van het door haar in de procedure bij de Bedrijfscommissie ingediende verweerschrift. Kort gezegd komt het verweer op het volgende neer.

De Ondernemingsraad heeft de nietigheid van het volgens haar genomen besluit niet tijdig ingeroepen. De maandgesprekken dienen slechts om medewerkers te coachen en niet om hen te beoordelen. Het van het gesprek opgemaakte caseloadformulier wordt niet in het personeels-dossier gedaan. Er vindt in de maandgesprekken geen beoordeling plaats. De informatie van dit formulier wordt niet gebruikt voor voortgangs-, jaar- of beoordelingsgesprekken. Er is geen sprake van een wijziging van een regeling op het gebied van personeelsbeoordeling, noch van enig besluit daartoe.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. De Ondernemingraad heeft een spoedeisend belang gelet op de aard van de ingestelde vordering. Terecht heeft de Sociale Dienst dit niet bestreden.

3.2. Het verweer dat de Ondernemingraad de nietigheid van het volgens haar door de Sociale Dienst genomen besluit niet tijdig heeft ingeroepen, wordt gepasseerd. Lid 5 van art 27 WOR bepaalt dat de ondernemingsraad slechts een beroep op de nietigheid kan doen binnen een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij – bij gebreke van deze mededeling – de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit. De situatie van het meedelen door de Sociale Dienst van het door hem te nemen besluit als bedoeld in de laatste volzin van artikel 27 lid 2 WOR doet zich hier niet voor, terwijl de enkele stelling van de Sociale Dienst dat de maandgesprekken vanaf februari 2010 plaatsvinden (ook met een lid van de Ondernemingsraad) en de Ondernemingraad de nietigheid eerst bij brief van 21 juni 2010 is ingeroepen, onvoldoende is om te kunnen oordelen dat de Ondernemingsraad als zodanig eerder dan één maand vóór 21 juni 2010 is gebleken dat (op structurele basis) maandgesprekken werden gevoerd.

3.3. Vooropgesteld wordt dat goed werkgeverschap met zich brengt dat een werkgever een werknemer de kans biedt om zijn functie – mede in het belang van de onderneming – optimaal uit te oefenen en dat een werkgever zonodig middelen als bijv. begeleiding, coaching en cursussen, dient aan te reiken; dat is dus iets anders dan een personeels-beoordeling. De Sociale Dienst heeft als achtergrond van de maandgesprekken aangevoerd dat medewerkers daarin door senior medewerkers, die beter als leidinggevenden bekend zijn met de dagelijkse gang van zaken op de werkvloer, worden begeleid en gecoacht bij het maken van keuzes, het stellen van prioriteiten en het bepalen van de aanpak bij hun werk-zaamheden en dat dit noodzakelijk was omdat het in verband de economische crisis steeds moeizamer werd om de economische doelstellingen van de onderneming te realiseren. De Ondernemingraad is op zich zelf ook niet tegen een dergelijke coaching.

3.4. In deze procedure gaat het echter om de vraag of bij het voeren van de maand-gesprekken sprake is van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling waartoe de Sociale Dienst de instemming van de Ondernemingsraad zou behoeven. De kern van het geschil tussen partijen is in feite de vraag of bij de maandgesprekken sprake is van een personeelsbeoordeling c.q. of het resultaat van de maandgesprekken wordt betrokken in een personeelsbeoordeling (standpunt van de Onder nemingsraad) of dat sprake is van coaching/begeleiding (standpunt van de Sociale Dienst).

3.5. De inhoud van het door van februari 2010 tot mei 2010 bij het voeren van maand-gesprekken gebruikte “format” (productie 2 Ondernemingsraad) duidt inderdaad meer op beoordeling dan op coaching; partijen zijn het hierover in feite eens. Volgens de Sociale Dienst wordt dit format (daarom) sinds mei 2010 niet meer gebruikt. De Sociale Dienst heeft toegegeven dat het format nadien nog één keer is gebruikt voor het maken van een verslag van een “caseloadgesprek” dat op 27 juli 2010 is gevoerd tussen [werknemer] (overigens lid van de Ondernemingraad) en twee senior medewerkers. De Sociale Dienst heeft daarbij aangegeven dat dit een betreurenswaardig incident was, dat zij het betreffende verslag zal laten vernietigen en dat zij er voor zorg zal dragen dat de maandgesprekken in de toekomst niet meer op deze wijze zullen worden gevoerd. Voor zover er vergelijkbare gevallen zouden zijn, zal de Sociale Dienst, zo gaf hij verder aan, de daarvan gemaakte verslagen laten vernietigen en de bewuste praktijk per direct laten stopzetten. De Ondernemingsraad heeft ter zitting gesteld dat het niet om een incident gaat en dat er meer van dergelijke gevallen zijn geweest, althans dat zij grote twijfels op dit punt heeft, maar zij heeft dit niet nader feitelijk onderbouwd. De kantonrechter houdt het er daarom op dat buiten het gesprek met [werknemer] na mei 2010 geen gebruik meer is gemaakt van de format.

3.6. De inhoud van het “caseloadformulier” geeft op zich zelf niet direct aanleiding om te veronderstellen dat in de maandgesprekken een beoordeling plaats vindt. Wat er meer of anders wordt besproken in de maandgesprekken dan de Sociale Dienst heeft aangevoerd, heeft de Ondernemingraad ook niet aangegeven. Dat het caseloadformulier wordt gebruikt om vast te leggen wat er tijdens een maandgesprek is besproken zodat er tijdens een volgend maand-gesprek op teruggegrepen kan worden zoals de Sociale Dienst aanvoert, komt de kantonrechter niet onaannemelijk en niet onjuist voor.

3.7. De Ondernemingraad stelt verder dat de maandgesprekken invloed hebben op de beoordeling van medewerkers. Volgens hem worden verslagen van de maandgesprekken in het personeelsdossier gedaan, althans betwijfelt hij of dat toch niet worden gedaan, worden de maandgesprekken aan de orde gesteld in de jaargesprekken, wordt door senior medewerkers onderling over de inhoud van de maandgesprekken gesproken, kan hij zich niet aan de indruk onttrekken dat de senior medewerkers de inhoud van het maandgesprekken bespreken met hun leidinggevenden en wordt de inhoud van de maandgesprekken in het management team besproken. Ook zijn jaargesprekken gepland waarbij senior medewerkers aanwezig zullen zijn, althans weet de Ondernemingraad niet of er geen senior medewerkers meer bij jaargesprekken zitten

Een en ander wordt gemotiveerd betwist. Volgens de Sociale Dienst worden verslagen van maandgesprekken niet in het personeelsdossier gedaan (alleen de medewerker en de senior medewerker hebben een exemplaar van het verslag), worden maandgesprekken niet gehanteerd als informatiebron voor de overige gesprekken (jaargesprek, voortgangsgesprek, beoordelings-gesprek en groepsgesprek) en is dat ook niet nodig omdat gegevens over de voortgang van een medewerker uit het systeem kunnen worden gehaald en is de inhoud van de maandgesprekken nog nooit binnen het managementteam besproken. De Sociale Dienst heeft ook gevolg gegeven aan het verzoek van de Ondernemingsraad om, in afwachting van het in werking treden van de nieuwe regeling personeelsgesprekken, geen senior medewerkers aanwezig te laten zijn bij met medewerkers te voeren jaargesprekken.

In het licht van de hiervoor weergegeven gemotiveerde betwisting door de Sociale Dienst had het op de weg van de Ondernemingraad gelegen om haar stelling dat de maandgesprekken invloed hebben op de beoordeling van medewerkers, concreet en feitelijk te onderbouwen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij is blijven steken in algemene stellingen, twijfels en vermoedens en dat is onvoldoende.

3.8. Dat de maandgesprekken niet vrijblijvend zijn omdat daartegen bezwaar makende medewerkers een schriftelijke waarschuwing hebben gekregen, is evenmin aannemelijk geworden. De Ondernemingsraad stelt dat wel, maar na het verweer van de Sociale Dienst dat slechts één keer een lid van de Ondernemingraad is gewaarschuwd om een voortgangsgesprek (dus geen maandgesprek) te hebben, heeft hij die stelling niet nader feitelijk onderbouwd.

3.9. Gelet op het voorgaande luidt het oordeel dat de stelling van de Ondernemingsraad dat de maandgesprekken niet (zuiver) kunnen worden aangemerkt als coaching en dat de maand-gesprekken voortgangselementen (resultaten) bevatten en derhalve deel uitmaken van de beoordelingscyclus van medewerkers, onvoldoende aannemelijk is geworden. De omstandig-heid dat de maandgesprekken geen onderdeel vormen van de in de “notitie personeels-gesprekken” omschreven beoordelingscyclus en de omstandigheid dat (vooralsnog) iedere medewerker ieder maand een dergelijk gesprek met een senior medewerker (niet zijnde een leidinggevende) heeft, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De kantonrechter gaat er bij dit alles vanuit dat de Sociale Dienst de toezeggingen die hij heeft gedaan met betrekking tot het niet langer gebruiken van het eerdere “format” (zie 3.5) en het vooralsnog niet aanwezig laten zijn van de senior medewerker bij het jaargesprek (zie 3.7), gestand zal doen.

3.10. Gelet op het bepaalde in de WOR bestaat geen aanleiding voor een proceskosten-veroordeling. Terecht maakt de Sociale Dienst daar ook geen aanspraak op.

Beslissing

De kantonrechter:

weigert de gevraagde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2010, in aanwezigheid van de griffier.