Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN5785

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
09/1657
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BV1990, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht als ongeschikt voor het politieambt aangemerkt. Verweerder komt derhalve de bevoegdheid toe om eiser ontslag te verlenen. Eisers beroep op de “Klokkenluidersregeling” kan aan deze ontslagbevoegdheid niet afdoen. De rechtbank ziet in de lengte van het dienstverband van eiser en de gevolgen van het ontslagbesluit voor hem geen grond voor de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij laat de rechtbank zwaar wegen dat eiser door verweerder keer op keer is aangesproken op zijn ongewenste gedrag en uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen als hij daarin zou blijven volharden, alsmede dat eiser heeft geweigerd gebruik te maken van het hem aangeboden coachingstraject om te komen tot een verbetering van zijn houding en gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1657

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. S. Hasanbegovic-Jusic, werkzaam bij COPGROEP B.V. te Leidschendam,

tegen

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.E. van Veeren, werkzaam bij Juridische diensten van de Servicedienst van de gemeente Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 1 december 2008, uitgereikt op 12 december 2008, aan eiser met ingang van 9 januari 2009 ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 december 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak van 9 juli 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht een verzoek om voorlopige voorziening van eiser afgewezen (procedurenummer: AWB 09/644).

Bij besluit van 3 september 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 12 oktober 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.

Op grond van artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, van de Awb heeft de rechtbank Rotterdam het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 15 april 2010 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld van [naam], waarnemend diensthoofd Executieve Ondersteuning bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.2. Verweerder heeft eiser met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag verleend uit zijn functie van hoofdmedewerker Parketpolitie, omdat eiser, gezien diens houding en gedrag, volgens hem niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor een goede vervulling van de functie van politieambtenaar zijn vereist. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser een coöperatieve werkhouding ontbeert en zich keer op keer weigert te conformeren aan de richtlijnen van zijn superieuren, zijn voorbeeldfunctie van hoofdmedewerker veronachtzaamt en beledigende dan wel discriminerende uitlatingen doet jegens en over zijn collega's, de politieregio Rotterdam-Rijnmond herhaaldelijk in een kwaad daglicht stelt en dat hij weigert zich te houden aan het met hem besproken ontwikkeltraject om zijn functie naar behoren te kunnen uitoefenen. Hierbij heeft verweerder zwaar laten wegen de in zijn ogen onaanvaardbare wijze waarop eiser zich publiekelijk tegen het beveiligingsbeleid van de parketpolitie (het niet dragen van het vuurwapen binnen het gerechtsgebouw) heeft gekeerd. Volgens verweerder is eiser voldoende gewaarschuwd en is hem voldoende de gelegenheid geboden zijn gedrag te verbeteren. Nadat eiser uitdrukkelijk een laatste - uitgebreid gemotiveerde - (schriftelijke) waarschuwing was gegeven, heeft hij echter direct weer bij diverse gelegenheden vergelijkbaar gedrag vertoond als dat waarop de waarschuwing zag, zodat aan de conclusie dat eiser niet geschikt is voor het politieambt niet meer viel te ontkomen, aldus verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de bezwaarschriftencommissie), zijn ontslagbesluit gehandhaafd en aan zijn standpunt dat eiser ongeschikt is voor het politieambt mede ten grondslag gelegd dat eiser door middel van "flipperen" onrechtmatig woningen is binnengetreden en op niet toelaatbare wijze collega's met aanzienlijk minder ervaring ervan heeft overtuigd dat zijn handelwijze juist was.

2.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het ongeschiktheidsontslag niet in stand kan blijven, nu daar geen deugdelijk opgebouwd dossier aan ten grondslag ligt. Daarbij heeft eiser naar voren gebracht dat het dossier gedateerde informatie en geen recente verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken bevat. Volgens eiser bevat het dossier geen opmerkingen over zijn gedrag en uitlatingen zoals die thans ten grondslag zijn gelegd aan het ontslagbesluit. Voorts heeft verweerder hem naar zijn mening ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren. Het enkel aanspreken op zijn gedrag kan het ontslagbesluit niet rechtvaardigen, aldus eiser. Naar de mening van eiser heeft verweerder bovendien gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel, nu geen rekening is gehouden met zijn belangen en de nadelige gevolgen van het ontslagbesluit niet evenredig zijn aan de met dit besluit te dienen doelen. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hem op het punt van het wel of niet dragen van een vuurwapen binnen het gerechtsgebouw geen verwijt kan worden gemaakt, aangezien de richtlijnen van zijn superieuren daaromtrent in strijd waren met de wettelijke regeling dienaangaande. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij de politieregio Rotterdam-Rijnmond niet in een kwaad daglicht heeft willen stellen, maar enkel een discussie over de bewapening van de parketpolitie op gang heeft willen brengen. Zijn doorzettingsvermogen daarbij is volgens eiser voor verweerder aanleiding geweest om zijn functioneren aan de orde te stellen en in korte tijd dienaangaande een dossier op te bouwen. Ter zitting heeft eiser in dit verband - onder verwijzing naar het eerder overgelegde advies van de Commissie Integriteit Overheid (hierna: de CIO) van 16 december 2009 inzake zijn melding van een vermoeden van een misstand aangaande het niet bewapend zijn van de parketpolitie - een beroep gedaan op artikel 2 van de "Klokkenluidersregeling", waaruit naar zijn mening volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ten aanzien van de hem verweten beledigende dan wel discriminerende uitlatingen heeft eiser opgemerkt dat deze uit hun verband zijn gerukt en dat hij nimmer de bedoeling heeft gehad om daarmee iemand te kwetsen. Bovendien heerst binnen de parketpolitie een cultuur waarbinnen dergelijke uitlatingen mogelijk zijn en is hij nooit eerder aangesproken op de desbetreffende uitlatingen, aldus eiser. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser in beroep een verklaring van een aantal voormalige collega's overgelegd. Ten aanzien van het zogenoemde "flipperen" heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat, nu hij niet in de gelegenheid is gesteld om dienaangaande zijn zienswijze naar voren te brengen, verweerder dit aspect niet mede aan het ongeschiktheidsontslag ten grondslag heeft kunnen leggen in het bestreden besluit. Voor zover de rechtbank hierover anders zou oordelen, heeft eiser verklaard dat hij slechts eenmaal door middel van "flipperen" een woning is binnengetreden en dat hij dit achteraf heeft gemeld aan zijn leidinggevende met de vraag of dat onder de gegeven omstandigheden rechtmatig was. Eiser ontkent collega's onder bedreiging ertoe te hebben bewogen geen melding te maken van het onrechtmatig binnentreden van woningen.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geldt voor de rechterlijke beoordeling van een ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, als hier aan de orde, als toetsingskader dat de ongeschiktheid van de ambtenaar voor de door hem beklede functie - zich uitend in het ontbreken van de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist - moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar; hij moet tijdig met zijn tekortkomingen zijn geconfronteerd en in de gelegenheid zijn gesteld om zijn functioneren te verbeteren; voor zover nodig dient hem daarbij begeleiding te worden geboden. De enkele omstandigheid dat voorafgaande aan het ontslag van de ambtenaar geen formele functioneringsgesprekken en geen formele beoordelingen hebben plaatsgevonden, behoeft niet tot de conclusie te leiden dat er een onvoldoende feitelijke grondslag is voor een ongeschiktheidsontslag. Het ontbreken van (verslagen van) dergelijke gegevens brengt echter wel mee dat verweerder anderszins voor de ambtenaar en de rechter inzichtelijk moet maken dat voldoende grondslag voor een ongeschiktheidsontslag aanwezig is.

2.4.2. De rechtbank stelt voorop dat het in bezwaar gehandhaafde ontslagbesluit moet worden geacht zijn grondslag te vinden in zowel hetgeen daaromtrent door verweerder in het voornemen daartoe van 4 november 2008 is overwogen als hetgeen verweerder eiser heeft verweten in de op 24 oktober 2008 gedateerde en aan hem op 29 oktober 2008 uitgereikte schriftelijke - laatste - waarschuwing. In zijn besluit op bezwaar heeft verweerder de grondslag voor het ongeschiktheidsontslag van eiser vervolgens uitgebreid met het verwijt dat eiser door middel van "flipperen" onrechtmatig woningen is binnengetreden en op niet toelaatbare wijze collega's met aanzienlijk minder ervaring ervan heeft overtuigd dat zijn handelwijze juist was. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid gehad om zijn zienswijze ten aanzien van dit verwijt naar voren te brengen. Reeds in het voormelde voornemen heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat naar de desbetreffende gedragingen een disciplinair onderzoek zal worden ingesteld, waarna eiser bij brief van 5 januari 2009 door verweerder in kennis is gesteld van de uitkomst van dit onderzoek en hem is medegedeeld dat een kopie van deze brief en het onderzoeksrapport zullen worden toegevoegd aan de stukken die onderdeel uitmaken van de bezwaarprocedure inzake het ongeschiktheidsontslag. Bovendien blijkt uit dit onderzoeksrapport dat eiser omtrent het "flipperen" en de verklaringen van zijn collega's daarover op 2 december 2008 uitgebreid is gehoord en zijn zienswijze daarop heeft kunnen geven. Voorts is eiser blijkens de gedingstukken tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie en de zitting van de voorzieningenrechter ingegaan op de verwijten omtrent het "flipperen". Er bestaat in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze verwijten, die zien op gedragingen van vóór (het voornemen tot) het ontslagbesluit, in zijn besluit op bezwaar niet mede ten grondslag heeft kunnen leggen aan het ongeschiktheidsontslag van eiser.

2.4.3. De voormelde op 29 oktober 2008 aan eiser uitgereikte schriftelijke waarschuwing bevat een uitgebreide samenvatting van recente gesprekken waarin eiser door zijn leidinggevenden is aangesproken op zijn gedrag en uitlatingen sinds zijn herintreden bij de parketpolitie in januari 2008. Deze gesprekken, waarvan de - merendeels door eiser ondertekende - verslagen zich bevinden in het ontslagdossier, hebben plaatsgevonden op 21 mei 2008, 19 juni 2008, 24 juni 2008, 17 juli 2008, 25 september 2008, 15 oktober 2008, 16 oktober 2008, 20 oktober 2008 en 22 oktober 2008. In het voormelde voornemen van 4 november 2008 is voorts melding gemaakt van het gesprek dat op 31 oktober 2008 met eiser is gevoerd naar aanleiding van een drietal incidenten die hebben plaatsgevonden na de voormelde waarschuwing. Het verslag van dit gesprek bevindt zich eveneens in het dossier. De stelling van eiser dat in het ontslagdossier actuele informatie en recente verslagen van functioneringsgesprekken ontbreken, kan de rechtbank dan ook niet volgen.

2.4.4. Gelet op de voormelde gesprekken die verweerder met eiser heeft gevoerd naar aanleiding van eisers ongewenste gedrag en uitlatingen, waarbij eiser telkens klip en klaar te kennen is gegeven wat van hem verlangd wordt in zijn functie van hoofdmedewerker parketpolitie, gold eiser als een (herhaaldelijk) gewaarschuwd man. Nu eiser in het gesprek op 19 juni 2008 door verweerder bovendien een coachingstraject is aangeboden om te komen tot een verbetering van zijn houding en gedrag, ziet de rechtbank geen grond om eiser te volgen in zijn stelling dat hem geen dan wel onvoldoende gelegenheid is geboden om zijn functioneren te verbeteren en aan verweerders verwachtingen te voldoen. Dat eiser, zoals blijkt uit het verslag van het gesprek op 17 juli 2008, geen gebruik heeft willen maken van het hem aangeboden coachingstraject dient voor zijn rekening te komen.

2.4.5. Gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft eiser de gedragingen en uitlatingen die verweerder hebben gebracht tot het nemen van het ontslagbesluit, niet betwist. De in het besluit op bezwaar door verweerder daaraan toegevoegde gedragingen omtrent het onrechtmatig binnentreden van woningen heeft eiser wel (gedeeltelijk) betwist. Die betwisting leidt de rechtbank evenwel niet tot het oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser zich aan deze gedragingen schuldig heeft gemaakt. Verscheidene collega's zijn blijkens hun verklaringen immers op verschillende momenten getuige geweest van het "flipperen" door eiser en eiser zelf heeft erkend dat hij in de zomer van 2008 door middel van "flipperen" een woning is binnengetreden. Voorts is gezien de verklaringen van verscheidene collega's voldoende komen vast te staan dat eiser op niet toelaatbare wijze collega's met aanzienlijk minder ervaring ervan heeft overtuigd dat zijn handelwijze juist was. Het door eiser aangevoerde biedt onvoldoende grond om de verklaringen van de collega's in twijfel te trekken.

2.4.6. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, gezien de hem verweten gedragingen en uitlatingen, als ongeschikt voor het politieambt moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de voormelde gespreksverslagen alsmede de overige gedingstukken rijst het beeld op van een werknemer, die zijn eigen gang gaat en zich in woord en daad weinig gelegen laat liggen aan hetgeen van hem door zijn leidinggevenden wordt verwacht. Eiser lijkt telkens weer bewust de confrontatie te zoeken met de (korps)leiding, waarbij hij van geen wijken weet en niet aanspreekbaar is op de eisen die aan hem in zijn functie gesteld mogen worden. Van de eiser verweten gedragingen en uitlatingen roept in het bijzonder de wijze waarop hij zich publiekelijk tegen het beveiligingsbeleid van de parketpolitie heeft gekeerd ernstige twijfels op over zijn geschiktheid voor het politieambt. Zeker in een hiërarchische organisatie als de politie mag van medewerkers worden verwacht dat zij zich conformeren aan de door hun leidinggevenden uitgezette beleidslijnen. Dit betekent niet dat, zoals ook verweerder heeft benadrukt, voor een politieambtenaar geen enkele ruimte aanwezig is om kritiek te uiten, maar daarmee moet wel binnen zekere grenzen worden gebleven. Eiser heeft die grenzen ruimschoots overschreden. Nadat hij met zijn kritiek op het beveiligingsbeleid geen weerklank had gevonden bij zijn leidinggevenden, heeft hij immers - zonder enig overleg vooraf en in weerwil van eerdere waarschuwingen om niet meer zoals eerder met kritiek op het korps naar buiten te treden - politici en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangeschreven omtrent dit onderwerp, om vervolgens, enkele dagen nadat hem de uitdrukkelijke dienstopdracht was gegeven zich te houden aan het beveiligingsbeleid zoals dat gold binnen het gerechtsgebouw, in een landelijk dagblad zijn kritiek op dit beleid onomwonden te herhalen en te verklaren dat hij weigert zich daaraan te houden, omdat hij vindt dat hij zijn werk niet kan doen zonder vuurwapen. Daarnaast heeft eiser op een gegeven moment zich in de openbare ruimten van het gerechtsgebouw begeven zonder portofoon en zonder enig geweldsmiddel - pepperspray en handboeien -, dit tegen de gegeven instructies in. Met zijn stelling dat hem op dit punt niets valt te verwijten, omdat dit beveiligingsbeleid in strijd was met hogere regelgeving, miskent eiser dat, wat er van deze gestelde strijdigheid ook zij, er andere manieren waren om de situatie aan de orde te stellen. Daarbij heeft te gelden dat eiser de kwestie al bij zijn leidinggevenden aan de orde had gesteld, waarna die hem te kennen hadden gegeven zijn kritiek niet te onderschrijven en dat het beveiligingsbeleid niet zou worden gewijzigd daar het dragen van wapens binnen het gerechtsgebouw onevenredig veel risico's met zich brengt.

Wanneer bij het vorenstaande de algehele negatieve houding van eiser, het onrechtmatig binnentreden van woningen en de intimiderende houding naar collega's in dit verband, alsmede de beledigende dan wel discriminerende uitlatingen jegens en over collega's in ogenschouw worden genomen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden ontkomen aan de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist voor een goede vervulling van het politieambt. Eisers stellingen ten aanzien van de beledigende dan wel discriminerende uitlatingen leiden niet tot een ander oordeel, nu eiser daarmee eraan voorbijgaat dat hij op 29 oktober 2008 door verweerder uitdrukkelijk is gewaarschuwd zich in het vervolg van dergelijke uitlatingen te onthouden, waarna hij zich nog diezelfde dag wederom een beledigende dan wel discriminerende opmerking richting een collega heeft veroorloofd. De in beroep overgelegde verklaring van een aantal voormalige collega's maakt dit niet anders, nu zij niet weerspreken dat dergelijke opmerkingen zijn gedaan. Dat eiser, naar hij stelt, zijn "flipperen" in de zomer van 2008 achteraf heeft gemeld aan zijn leidinggevende met de vraag of dat onder de gegeven omstandigheden rechtmatig was, doet geen afbreuk aan de ernst van het onrechtmatig binnentreden van de woning en de mate waarin hem dit kan worden verweten. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, zoals blijkt uit het eerder genoemd onderzoeksrapport, reeds in april 2008 een discussie tussen eiser en zijn leidinggevende had plaatsgevonden omtrent het binnentreden van woningen, waarna het eiser zonder meer duidelijk moet zijn geworden dat het door middel van "flipperen" binnentreden van woningen niet rechtmatig is.

Gezien het vorenoverwogene heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser terecht als ongeschikt voor het politieambt aangemerkt en komt hem derhalve de bevoegdheid toe om eiser ontslag te verlenen.

2.4.7. Eisers beroep op artikel 2 van de "Klokkenluidersregeling" kan aan deze ontslagbevoegdheid niet afdoen. Met dit beroep heeft eiser kennelijk beoogd een beroep te doen op artikel 2 van het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie, waarin - kort gezegd - is bepaald dat een ambtenaar die een vermoeden van een misstand meldt niet als gevolg daarvan ontslag mag worden verleend. Dit besluit is eerst in werking getreden op 1 januari 2010 en is op het onderhavige geval derhalve niet van toepassing. Artikel 50, derde lid, van de Politiewet 1993, welk artikel wel reeds gold ten tijde van belang, biedt een melder van een vermoeden van een misstand, zoals eiser, evenwel vergelijkbare bescherming. In dit artikellid is, voor zover thans van belang, bepaald dat de ambtenaar van politie die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt, als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie zal ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure. Nog daargelaten de vraag of verweerder ten tijde van (zijn voornemen tot) het ontslagbesluit van 1 december 2008 op de hoogte was van de melding van het vermoeden van een misstand van de zijde van eiser, heeft eiser geenszins aannemelijk gemaakt dat zijn ontslag het gevolg is van deze melding en niet van de in het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende ontslagbesluit genoemde gedragingen. Dat de CIO het advies heeft gegeven de melding van eiser gegrond te verklaren is in deze dan ook niet van belang. Overigens blijkt uit dit advies dat de CIO dit advies heeft uitgebracht nadat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een aan haar gerichte brief van eiser aan de CIO heeft doorgestuurd, waarna de CIO deze brief als melding heeft opgevat. Ook blijkt uit dit advies dat de CIO enkel de wijze van besluitvorming met betrekking tot de bewapening van de parketpolitiemedewerkers als ondeugdelijk heeft aangemerkt en dat zij niet de mening van eiser deelt dat het niet dragen van een vuurwapen binnen het gerechtsgebouw op geen enkele wijze is toegestaan.

2.4.8. De onderhavige ontslagbevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit houdt in dat, nadat is vastgesteld dat de ambtenaar onbekwaam of ongeschikt is voor de vervulling van zijn ambt, vervolgens de vraag aan de orde komt of het bevoegd gezag na afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid het ontslagbesluit heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in de lengte van het dienstverband van eiser en de gevolgen van het ontslagbesluit voor hem geen grond voor de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij laat de rechtbank zwaar wegen dat eiser door verweerder keer op keer is aangesproken op zijn ongewenste gedrag en uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen als hij daarin zou blijven volharden, alsmede dat eiser heeft geweigerd gebruik te maken van het hem aangeboden coachingstraject om te komen tot een verbetering van zijn houding en gedrag.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.6.Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb bestaat geen aanleiding.

2.7. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mrs. P. Putters en B. van Velzen, leden, en door de voorzitter en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier, ondertekend.