Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN5090

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
11/993020_08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte 2 heeft de Belastingdienst voor een bedrag van ruim 2,7 miljoen euro opgelicht door onterecht kinderopvangtoeslag aan te vragen. Verdachte heeft de Belastingdienst onder meer opgelicht door onjuiste informatie te verstrekken, contracten vals op te maken of vervalsen, kwitanties en urenregistraties vals op te maken en deze in zijn administratie op te nemen. Daarom is verdachte ook veroordeeld voor valsheid in geschrift. Daarnaast heeft verdachte een bedrag van ruim 2,7 miljoen euro witgewassen.

De rechtbank heeft verdachte 2 voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/993020-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [in 1979],

wonende te [adres en woonplaats],

(hierna: verdachte).

Raadsman mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 22 en 23 juni 2010 (sluiting onderzoek d.d. 6 juli 2010), waarbij de officier van justitie mr. C.E.J. Backer, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, alleen of met anderen:

Feit 1

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland de Nederlandse Staat voor tenminste € 2.734.969,-- heeft opgelicht door kinderopvangtoeslag voor vraagouders aan te vragen, terwijl

- deze aanvragen (met terugwerkende kracht) onterecht waren,

- teveel opvanguren werden berekend,

- gedaan werd alsof er een uurtarief voor de oppas was overeengekomen,

- gedaan werd alsof aan de wettelijke voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen was voldaan en

- niet alle wijzigingen aan de Belasting werden doorgegeven;

Feit 2

in de periode van 28 januari 2008 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland een bedrag van

(primair)

tenminste € 2.734.969,--, afkomstig van oplichting heeft witgewassen en daar een gewoonte van heeft gemaakt, omdat hij dit bedrag voortdurend voorhanden heeft gehad en naar eigen inzicht gebruikt, terwijl verdachte wist dat dit bedrag afkomstig was van oplichting;

(subsidiair)

tenminste € 2.734.969,--, afkomstig van oplichting heeft witgewassen, omdat hij dit bedrag voorhanden heeft gehad en naar eigen inzicht gebruikt, terwijl verdachte moest weten dat dit bedrag afkomstig was van oplichting;

Feit 3

in de periode van januari 2008 tot en met 19 september 2008 in Nederland

A. in overeenkomsten gastouderopvang

- een te hoog aantal opvanguren,

- een onjuiste ingangsdatum,

- een te hoog uurtarief

heeft vermeld,

B. kwitanties heeft opgemaakt met bedragen die in werkelijkheid niet waren uitbetaald,

C. een fictieve urenregistratie heeft opgemaakt

en in de periode van 9 september 2008 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland de bovengenoemde kwitanties en fictieve urenregistraties voorhanden heeft gehad en bij de Belastingdienst heeft afgeleverd;

Feit 4

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland

(primair)

in de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] heeft opgenomen

A. overeenkomsten gastouderopvang met daarin

- een te hoog aantal opvanguren,

- een onjuiste ingangsdatum,

- een te hoog uurtarief,

B. kwitanties met daarop vermelde bedragen die in werkelijkheid niet waren uitbetaald,

C. een fictieve urenregistratie;

(subsidiair)

feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder feit 4 primair genoemde gedragingen.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard, omdat het woord 'waaronder' in de feiten 1, 3 en 4 onvoldoende feitelijk en daarmee te weinig specifiek is. Het woord 'waaronder' duidt erop dat meer casussen worden aangeduid dan daadwerkelijk tenlastegelegd. Verdachte kan zich tegen deze niet nader aangeduide casussen niet verdedigen. Het woord 'waaronder' dient dan ook vervangen te worden door 'namelijk' of 'te weten'.

Subsidiair is de raadsman van mening dat het woord 'waaronder' weggestreept moet worden, zodat verdachte van dat woord wordt vrijgesproken.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenlastelegging wel voldoende specifiek is, omdat het oplichtingsbedrag de reikwijdte van het strafrechtelijk verwijt begrenst en dit bedrag met bewijs is onderbouwd, te weten alle KOT-aanvragen in de tenlastegelegde periode. De officier van justitie heeft betoogd dat in een omvangrijke zaak als deze, het onmogelijk is om elke casus in de tenlastelegging op te nemen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Het verweten oplichtingsbedrag heeft betrekking op KOT-aanvragen die onterecht zouden zijn uitgekeerd en door het Openbaar Ministerie met bewijs zijn onderbouwd. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo, dat het Openbaar Ministerie de verdachte verwijt dat de Belastingdienst is opgelicht door het indienen van onterechte aanvragen KOT. De geselecteerde en in de tenlastelegging opgenomen casussen zijn in de ogen van het Openbaar Ministerie illustratief voor de werkwijze van verdachte. Daarom zijn in de tenlastelegging de termen 'waaronder' en 'onder meer' gebruikt. De rechtbank ziet dat het voor het Openbaar Ministerie onmogelijk is om elke individuele casus in de tenlastelegging op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de verdenking aldus voldoende feitelijk omschreven is en de dagvaarding ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd voor casus Seven en Seven, onderdeel van feit 1, omdat de Belastingdienst in dat geval niet tot uitkering van KOT is overgegaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Zij baseert dit standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van verdachten en getuigen, ambtshandelingen en overige documenten. De officier van justitie heeft de door haar gekozen bewijsmiddelen in een bewijsmatrix aan het requisitoir gehecht.

Dat het KOT-systeem zodanig is ingericht dat de opvanguren later kunnen worden gecorrigeerd, doet niets af aan het feit dat verdachte opzet had op oplichting op het moment dat de KOT-aanvragen werden gedaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad op de oplichting, maar dat verdachte volledig heeft vertrouwd op hetgeen hij met betrekking tot de regelgeving en de wijze van toepassing daarvan van zijn medeverdachte heeft gehoord. Verdachte heeft zich bovendien niet schuldig gemaakt aan oplichting, aangezien de Staat geen rechtsbescherming verdient tegen oplichting, nu de Belastingdienst geen deugdelijk controlemiddel heeft ingebouwd tegen fraude.

Verder heeft de raadsman opgemerkt dat volgens het KOT-systeem na afloop van het kalenderjaar het definitieve aantal opvanguren moet worden vastgesteld. Verdachte had ook daarom geen opzet, aangezien de opvanguren konden worden gecorrigeerd. Verdachte heeft te goeder trouw gehandeld, omdat hij afhankelijk was van de gegevens die vraagouders hem aanreikten waarop hij geen controle kon uitvoeren. Daarnaast hebben medewerkers van verdachte aanvragen KOT gedaan, waarop verdachte geen zicht had.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt voor het tenlastegelegde oplichtingsbedrag, omdat dit betrekking heeft op veel meer KOT-aanvragen dan in de tenlastelegging zijn opgenomen. Verdachte kan zich daartegen niet verdedigen.

Volgens de raadsman is het tenlasteleggen van valsheid in geschrift in een aantal verschillende varianten, zoals het geval is bij de feiten 3 en 4, niet toegestaan. Als de rechtbank tot bewezenverklaring komt, zou hier sprake moeten zijn van samenloop.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigen die tegen verdachte hebben verklaard, onbetrouwbaar zijn. De getuigen hebben er belang bij om zichzelf te ontlasten en de verdachte te belasten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken, te weten van casus Seven en Seven onder feit 5, omdat de Belastingdienst in dit geval niet tot uitkering van KOT is overgegaan.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde D-116, waar sprake is van een onjuiste ingangsdatum van dit contract. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2008, maar de feitelijke aanvraag KOT is ingegaan per 11 januari 2008. De rechtbank heeft derhalve niet de overtuiging dat dit bewust onjuist is genoteerd en zal verdachte daarom daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

De rechtbank merkt vooraf op dat getuigen of verdachte in de processen-verbaal afwisselend worden aangeduid met voor- of achternaam. De rechtbank zal deze personen steeds aanduiden bij hun achternaam. Daar waar bijvoorbeeld gesproken wordt over [voornaam medewerker], zal de rechtbank [medewerker] lezen. [voornaam verdachte] is [verdachte] en wordt hier aangeduid als verdachte. De rechtbank duidt verdachte [medeverdachte] aan als medeverdachte.

Vraagouders zijn de ouders die willen dat op hun kinderen wordt opgepast. Dit oppassen wordt gedaan door gastouders. De gastouder is dus hetzelfde als een oppas.

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

Onbetrouwbaarheid getuigen

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vraagouders als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De raadsman heeft immers betoogd, zonder hier overigens een ondubbelzinnige conclusie aan te verbinden, dat sommige vraagouders onbetrouwbaar zijn, omdat zij wisselend verklaren en een belang zouden hebben bij het belasten van verdachte en ontlasten van zichzelf, gezien de tegen hen aanhangige strafzaken.

Dat de vraagouders belang zouden hebben bij het belastend verklaren tegen verdachte is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. De raadsman heeft daarnaast geen concrete voorbeelden genoemd, waarop hij zijn standpunt heeft gebaseerd. De rechtbank heeft gezien dat de vraagouders onderling consistent en nagenoeg identiek verklaren over de werkwijze van verdachte en zijn gastouderbureaus. Zo verklaren vraagouders [X], [X], [X], [X], [X] en [X] dat zij geen contact hebben gehad met het gastouderbureau over het aantal opvanguren of dat het aantal opvanguren door [BEDRIJFSNAAM 2] is bepaald. Verder verklaren [X], [X] en [X] dat het aantal opvanguren door [BEDRIJFSNAAM 2] is verhoogd. Vraagouders [X], [X] en [X] bevestigen de verklaringen van [medewerker] en verdachte, aangezien de vraagouders verklaren dat het uurtarief € 6,10 was.

Wat er zij van het belang dat getuigen zouden hebben bij het afleggen van hun verklaringen zoals zij dit hebben gedaan, dit neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen voldoende aanknopingspunten hebben om als bewijs te dienen in de zaak van verdachte.

Samenloop

De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van samenloop tussen de verschillende tenlastegelegde feiten. Daarnaast is de valsheid in geschrift de basis voor de oplichting, terwijl het bedrag door oplichting verkregen tevens wordt aangemerkt als het bedrag dat door verdachte is witgewassen.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 3 en 4, beiden valsheid in geschrift, sprake is van meerdaadse samenloop. Ten laste is gelegd het valselijk opmaken en vervalsen van documenten én het opnemen in de bedrijfsadministratie van deze valse en vervalste documenten. Naar het oordeel van de rechtbank dienen het valselijk opmaken en vervalsen van documenten als op zichzelf staande handelingen te worden gezien. Op het moment van valselijk opmaken of vervalsen vindt een actieve handeling plaats om het geschrift een bepaalde bewijsbestemming te geven.

Nadat deze formulieren zijn ingevuld of opgemaakt, is het een tweede stap om deze ook daadwerkelijk in de bedrijfsadministratie op te nemen. Op grond van artikel 11 van de Regeling Wet kinderopvang is een gastouderbureau verplicht administratie te voeren, ook om de Belastingdienst op verzoek bepaalde gegevens te verstrekken. In de administratie dienen onder meer de schriftelijke overeenkomsten en afschriften van Verklaring Omtrent Gedrag te worden opgenomen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van meerdaadse samenloop tussen valsheid in geschrift en oplichting. De Belastingdienst is in de tenlastegelegde gevallen overgegaan tot uitkering van kinderopvangtoeslag, nadat verdachte digitale aanvragen kinderopvangtoeslag naar de Belastingdienst had verzonden. In deze aanvragen vulde verdachte het aantal opvanguren en het uurtarief in, als ware dit op basis van een schriftelijke overeenkomst zo afgesproken. Volgens de raadsman is de wetgever in gebreke gebleven door geen toetsingsmechanisme in te bouwen in het KOT-systeem, waarbij zou worden gecontroleerd of de aanvrager recht had op KOT. De rechtbank overweegt dat de valsheid in geschrift zelf geen basis vormde voor de oplichting. De KOT werd uitgekeerd op grond van digitale aanvragen, zonder controle van schriftelijke overeenkomsten. Pas achteraf, bij controle door de Belastingdienst, werden de overeenkomsten in dit verband relevant, omdat de geschriften pas dan een bewijsbestemming krijgen als ware de situatie zoals op de overeenkomsten stond vermeld.

Feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring voor feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde casussen. Deze casussen zullen afzonderlijk en in de volgorde zoals op de tenlastelegging vermeld aan de hand van de onderstaande punten worden besproken.

1. Verdachte heeft formulieren voor de aanvraag van kinderopvangtoeslag (afgekort: KOT) bij de Belastingdienst ingeleverd en daarmee doen voorkomen dat de in de casussen genoemde ouders aanspraak hadden op KOT (met terugwerkende kracht);

2. Verdachte deed alsof de in de casus genoemde ouders

a. het in de aanvraag opgenomen aantal KOT-uren per kind nodig hadden en

b. een uurtarief was overeengekomen;

3. Verdachte deed alsof [BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3] en de ouders aan de bij wet gestelde eisen voldeden, namelijk:

a. dat kinderopvang plaatsvond op basis van een getekende, schriftelijke overeenkomst tussen ouder en houder ([BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3]),

b. dat gastouders in bezit waren van een Verklaring Omtrent Gedrag (afgekort: VOG),

c. dat gastouders betaald werden voor het aantal uren en overeenkomstig het tarief zoals vastgelegd in de overeenkomst;

4. Verdachte wijzigingen in de situatie betreffende de KOT niet altijd aan de Belastingdienst heeft doorgegeven.

Voordat de rechtbank een oordeel geeft over de individuele casussen, zal de rechtbank de bewijsmiddelen uit de verklaringen van verdachte, [medewerker] en de freeelancers [freelancer 1] en [freelancer 2] weergeven, die betrekking hebben op de bovenstaande punten aan welke ook de casussen zullen worden getoetst.

Verklaring van verdachte

1. Verdachte heeft verklaard dat in alle gevallen de aanvraag KOT op het kantoor is gedaan aan de hand van verzamelde gegevens. De rechtbank leidt daaruit af dat deze aanvragen voor zowel [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] zijn gedaan op het kantoor te [vestigingsplaats 1]. De aanvragen werden gedaan door verdachte en de medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2]. Bij de aanvraag gaven zij het rekeningnummer op van [BEDRIJFSNAAM 2]. [BEDRIJFSNAAM 2] deed de aanvraag KOT door de DigiD of elektronische handtekening van de gastouders te gebruiken en deze in sommige gevallen voor vraagouders aan te vragen.

Verdachte heeft verklaard dat zij aanvragen KOT met één of twee maanden terugwerkende kracht hebben aangevraagd.

2.

(a) Verdachte heeft verklaard dat men normaliter de opvanguren samen met de ouders uitrekende. Volgens verdachte werd in ongeveer de helft van de gevallen de opvanguren op het kantoor ingevuld, aangezien de helft van de klanten geen opvanguren invulde. In die gevallen vulden verdachte, de freelancers en zijn medewerkers het (maximaal) aantal uren op de inschrijfformulieren in. Het aantal opvanguren werd met de volgende methode berekend. Voor kinderen van 0 tot 4 jaar oud werd 230 uren gehanteerd. In werkelijkheid vulde verdachte 190 uren in om niet bij de Belastingdienst op te vallen.

Voor kinderen van 5 tot 7/8 jaar was het landelijk gemiddelde 160 uren en verdachte hield 130 uren aan. Voor kinderen van 8 tot 13 jaar hanteerde verdachte 130 uren, maar in werkelijkheid werd 110 uur ingevuld.

Verdachte hanteerde steeds in werkelijkheid een lager aantal uren dan volgens hem zou mogen. Hij deed dit om niet op te vallen bij de Belastingdienst, niet in de problemen te komen met de Belastingdienst en om nog enigszins het werkelijke aantal opvanguren te benaderen.

(b) Verdachte heeft verklaard dat in de praktijk vraagouders niet tegen hem hebben gezegd wat zij de gastouder betaalden. Hij wist niet hoe zij dit precies regelden, maar ging er van uit dat de ouders meer dan € 6,10 betaalden aan de gastouder. Verdachte rekende altijd de maximale vergoeding van € 6,10 per uur. Verdachte heeft verklaard dat hij het maximale uurtarief berekende voor de gastouder, omdat hij dacht dat dit het wettelijke tarief was. Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij geen rekening heeft gehouden met de werkelijke opvanguren en de werkelijke uitbetaling aan de oppas.

Verdachte heeft verklaard dat geen van de ouders heeft gezegd dat zij minder dan het wettelijk maximum betaalden. Verdachte heeft wel altijd gezegd dat de ouders een ouderbijdrage moesten betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen zicht had op de feitelijke doorbetaling van de KOT aan de gastouder.

Volgens verdachte hanteerde hij het maximale uurtarief en opvanguren omdat hij dit van medeverdachte had gehoord. Die had al twee jaar een gastouderbureau en verdachte vertrouwde hem.

3.

(a) De aanvragen KOT werden in alle gevallen gedaan zonder dat een getekend contract aanwezig was. Zodra het inschrijfformulier binnenkwam werd de aanvraag KOT bij de Belastingdienst ingediend.

(b) De aanvragen KOT werden in alle gevallen gedaan zonder dat een VOG aanwezig was. Verdachte geeft aan volledig te zijn blindgevaren op de werkwijze van medeverdachte.

(c) Verdachte heeft verklaard dat hij het maximale uurtarief berekende voor de gastouder, omdat hij dacht dat dit het wettelijke tarief was. Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij geen rekening heeft gehouden met de werkelijke opvanguren en de werkelijke uitbetaling aan de oppas.

Verklaring medewerkster [medewerker]

[medewerker] heeft verklaard dat zij de administratie deed voor [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Zij heeft de administratie gedaan op de wijze zoals haar dit door verdachte en medeverdachte is verteld te doen. Verdachte gaf volgens [medewerker] leiding aan haar. Verdachte was de baas van [medewerker] en zij deed wat hij haar vroeg te doen. [medewerker] stelde haar vragen over KOT aan verdachte en bij diens afwezigheid aan medeverdachte. [medewerker] kreeg de instructies en informatie die aan vraag- en gastouders werd meegegeven van verdachte en medeverdachte.

1. [medewerker] verwerkte aanvraagformulieren, stelde contracten op, diende aanvragen KOT in bij de Belastingdienst, hield financiële overzichten bij en voerde klantgegevens in.

[medewerker] deed op basis van een inschrijfformulier een aanvraag KOT bij de Belastingdienst. Ook moest zij een contract opstellen en een VOG regelen. Eigenlijk alle aanvragen werden ingediend voordat het contract getekend en een VOG aanwezig was. Deze werkwijze heeft zij steeds zo gehanteerd omdat verdachte dit zo had opgedragen.

Volgens [medewerker] heeft verdachte haar gezegd dat zij KOT met drie maanden terugwerkende kracht kon aanvragen. Later kon KOT nog maar met twee maanden terugwerkende kracht worden aangevraagd.

2.

(a) [medewerker] berekende de opvanguren aan de hand van de uren die de vraagouders werkten, sportten of boodschappen deden. Ook als kinderen 's nachts bij opa en oma verbleven konden deze uren worden meegerekend voor het aantal opvanguren. Dit is [medewerker] verteld door medeverdachte.

(b) [medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte dit tarief had verteld.

3.

[medewerker] wist niet dat KOT pas kon worden aangevraagd als aan alle voorschriften was voldaan.

(a) [medewerker] heeft van verdachte en medeverdachte begrepen dat KOT kon worden aangevraagd als het inschrijfformulier was ingevuld en ondertekend door de vraagouders. [medewerker] heeft haar werkzaamheden uitgevoerd naar instructies van verdachte en medeverdachte.

Nagenoeg alle aanvragen werden ingediend voordat het contract getekend was. Deze werkwijze heeft [medewerker] steeds gehanteerd omdat verdachte dit zo had opgedragen.

(b) Vrijwel alle aanvragen werden ingediend voordat een VOG aanwezig was. Deze werkwijze heeft [medewerker] steeds gehanteerd, omdat verdachte dit zo had opgedragen.

(c) [medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, ongeacht het bedrag dat de vraagouders aan de gastouder betaalde. Het standaardtarief van € 6,10 is [medewerker] door verdachte verteld. [medewerker] heeft nooit aan ouders gevraagd wat zij de gastouder betaalden.

Verklaring freelancers [freelancer 1] en [freelancer 2]

Medeverdachte heeft workshops gegeven aan freelancers en dat had volgens verdachte wel wat grondiger gemoeten. [freelancer 1] heeft in 2008 bij [BEDRIJFSNAAM 2] gewerkt. [freelancer 1] heeft verklaard dat hij bij een informatiebijeenkomst is geweest die medeverdachte gaf aan de medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2]. Daar is gezegd dat de aanvraag KOT met een maand terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. Bij het aanbrengen van klanten heeft hij met deze informatie rekening gehouden.

[freelancer 2] heeft verklaard dat hij van verdachte moest zeggen dat de klant met terugwerkende kracht kon aanvragen. Volgens [freelancer 2] heeft medeverdachte gezegd dat [BEDRIJFSNAAM 2] het enige gastouderbureau was dat met terugwerkende kracht KOT kon aanvragen en zich hiermee onderscheidde van andere gastouderbureaus.

Volgens [freelancer 2] vulden de freelancers een inschrijfformulier in. In de helft van de gevallen vulden klanten het aantal opvanguren in. In andere gevallen werd het aantal uren op het kantoor ingevuld. Door verdachte is aan [freelancer 2] verteld dat het aantal uren werd gemaximeerd. Als klanten geen uren invulden, werd het maximaal aantal uren ingevuld.

[freelancer 2] heeft verklaard dat het aantal uren niet op het inschrijfformulier behoefde te worden ingevuld van medeverdachte en verdachte. Dit aantal uren werd door de binnendienst vervolgens gemaximeerd.

[freelancer 2] heeft verklaard dat inderdaad de Nederlandse Staat is opgelicht. Medeverdachte en verdachte boden het werk aan, maar hebben onvolledig opgeleid en geïnformeerd.

Casus 1

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. De aanvraag is gedaan zonder dat [X] dat wist en wilde. Toen verdachte bij [X] wegging, moest [X] een handtekening zetten, omdat verdachte aan zijn opdrachtgever moest verantwoorden dat hij bij [X] op bezoek was geweest. Volgens [X] heeft verdachte niet gesproken over het aanvragen van KOT met terugwerkende kracht.

Bij de Belastingdienst is op 20 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor 110 en 140 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. De aanvraag is tweemaal ingetrokken.

2.

(a) [X] heeft verklaard dat hij niet met verdachte heeft gesproken over het aantal uren.

(b) Toen de gastouder van [X] niet betaald wilde worden, heeft verdachte voorgesteld zelf een gastouder te zoeken en die naam op het contract te zetten. Toen [X] aangaf dat hij dit niet wilde, heeft verdachte gezegd dat dit niet meer kon, aangezien het allemaal al geregeld was. Alles gebeurde slechts op papier, terwijl in werkelijkheid niets gebeurde. Er was geen kinderopvang.

3.

(a) De overeenkomst is door [X] nooit ondertekend. [freelancer 1] heeft verklaard dat de aanvraag KOT nooit compleet is geweest, aangezien er geen contract was.

4. Toen [X] de KOT wilde laten stopzetten, aangezien hij helemaal geen machtiging aan verdachte had gegeven, heeft verdachte gezegd dat [X] zijn bek moest houden en dat hij van de KOT op vakantie kon.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat het niet waar is dat hij, zoals getuige [freelancer 1] heeft verklaard, zo graag de KOT wilde hebben en dat zelfs 's avonds laat een afspraak werd gemaakt. [X] heeft verklaard dat het niet logisch is dat als hij een aanvraag KOT doet, dat hij daarna het geld aan de Belastingdienst wil teruggeven.

Casus 2

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2].

Bij de Belastingdienst is op 2 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 110 opvanguren per maand per kind. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) [X] heeft in het gesprek met [freelancer 3] niet gesproken over het aantal opvanguren. [freelancer 3] was niet in dienst van [BEDRIJFSNAAM 2], maar heeft vraagouders wel advies gegeven.

(b) [X] heeft verklaard dat er volgens haar niet over een uurtarief is gesproken.

3.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij een formulier heeft ontvangen, niets heeft ingevuld en na drie weken een bedrag kreeg van de 'instantie' (de rechtbank begrijpt van het gastouderbureau). [X] heeft verder verklaard dat haar gegevens zijn opgenomen door een mevrouw, maar dat zijzelf niets heeft ondertekend. [X] heeft geen contract getekend met [BEDRIJFSNAAM 2].

Casus 3

1. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij een aantal formulieren naar [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gestuurd en dat hij daarna de toelage kreeg uitbetaald. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij de aanvraag KOT niet zelf heeft gedaan.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat zijn vrouw per eind januari 2008 zou stoppen met werken, waarop een vrouwelijke medewerker van [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gezegd dat zij dan toch recht hadden op KOT voor het hele jaar.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij tegen [voornaam medewerker] (de rechtbank begrijpt: [medewerker]) heeft gezegd dat zij zou stoppen met werken. [medewerker] heeft gezegd dat ze maar één dag hoefde te werken om recht te hebben op KOT. De KOT kon worden geregeld met terugwerkende kracht.

Bij de Belastingdienst is op 24 januari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 165 en 176 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij nooit contact heeft gehad over het aantal opvanguren, dat is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Volgens [X] zijn de uren op de overeenkomst veel te veel uren en heeft hij deze uren nooit doorgegeven.

Volgens vraagouder [X] heeft zij nooit gezegd 165 en 176 opvanguren nodig te hebben. Ze ging immers stoppen met werken en had zoveel uren helemaal niet nodig. Vraagouder [X] heeft niet met [medewerker] gesproken over het aantal uren.

(b) [medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte dit tarief had verteld. Verdachte rekende altijd de maximale vergoeding van € 6,10 per uur.

Casus 4

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Vraagouder [X] heeft nooit een contract ondertekend. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij wel een formulier heeft ingevuld, maar dacht dat dit om de aanvraag van informatie ging. Vraagouder [X] heeft het formulier eind februari of begin maart ingevuld. [X] heeft dat formulier opgestuurd en daarna kwam de brief van de Belastingdienst, twee dagen later gevolgd door het contract van het gastouderbureau. Vraagouder [X] heeft pas later begrepen, na het bezoek van de Belastingdienst, dat er een aanvraag KOT was gedaan op zijn naam.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind, 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat op het aanvraagformulier 60 opvanguren waren aangevraagd. Het gastouderbureau heeft daar 200 uur van gemaakt. Volgens vraagouder [X] klopte het aantal uren op het contract niet met de werkelijkheid.

(b) Vraagouder [X] betaalde de gastouder tussen de € 60,- en €100,-.

3.

(a) Vraagouder [X] heeft nooit een contract ondertekend.

(b) Vraagouder [X] heeft geen VOG opgevraagd omdat eerst de uren moesten worden gecorrigeerd.

(c) Vraagouder [X] betaalde de gastouder tussen de € 60,- en €100,-.

4. Vraagouder [X] heeft contact gehad met het gastouderbureau en gezegd dat hij geen 200 uren wilde. Het gastouderbureau zei dat ze er desnoods nog 6 maanden mee zouden doorgaan en dan stoppen. Het gastouderbureau wilde de uren niet wijzigen, omdat 60 uur te weinig was.

Vraagouder [X] heeft gebeld naar [BEDRIJFSNAAM 2] om te zeggen dat zij de KOT niet wilden hebben. Daarop heeft een vrouw van [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat ze niet moesten zeuren en dat ze recht hadden op KOT.

Casus 7

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [X] heeft verklaard dat hij wel toestemming heeft gegeven om het allemaal te regelen.

Volgens [X] was het eerste gesprek met betrekking tot de aanvraag KOT in februari 2008. De ingangsdatum van het contract is 11 januari 2008.

Volgens [X] heeft [medewerker] gezegd dat de KOT met een maand terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. [medewerker] heeft verklaard dat zij alle klanten heeft uitgelegd dat KOT met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd.

Bij de Belastingdienst is op 7 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind, 120 opvanguren per maand. Ook is een aanvraag stopzetting gedaan op 2 maart 2008. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat de dame van [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gezegd dat opvanguren beschikbaar waren volgens procedure.

(b) De gastouder zou € 100,- a € 150,- ontvangen van het bedrag dat [X] aan KOT ontving.

3.

(a) Het contract heeft [X] nooit ondertekend en nooit teruggestuurd. Volgens [X] heeft de man van [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat de naam van de gastouder er alleen voor de vorm stond, om aan de eisen te voldoen. [X] heeft verklaard dat de gastouder volgens [BEDRIJFSNAAM 2] alleen op papier zou bestaan. Gastouder [X], die op het contract van [X] staat, heeft verklaard dat de naam [X] hem niet bekend voor komt.

(c) De gastouder is nooit geweest.

4. Toen [X] wilde stoppen en het contract wilde weggooien heeft [verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte) gezegd dat [X] te eerlijk was.

Casus 8

1. [X] is via [freelancer 3] (de rechtbank begrijpt dat [freelancer 3] dezelfde persoon is als [freelancer 3]) in contact gekomen met [BEDRIJFSNAAM 2]. Het contract is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG van de gastouder is van 27 februari 2008.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen voor een kind, 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) De gastouder [X], die oppast op haar broertje, heeft verklaard dat 200 uur gastouder per maand wel veel is en dat dit aantal uren niet werd opgepast. Het aantal uren is op initiatief van [BEDRIJFSNAAM 2] ingevuld. [freelancer 3] heeft nooit over uren gesproken met [X].

3.

(b) Het contract is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG van de gastouder is van 27 februari 2008.

Casus 9

1. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de aanvraag KOT is ingediend door [medewerker] van [BEDRIJFSNAAM 2].

Vraagouder [X] heeft verklaard dat [medewerker] de papieren heeft ingevuld. Op die papieren stond ook de naam [BEDRIJFSNAAM 2]. [medewerker] vulde volgens [X] vermoedelijk de aanvraag in en heeft een berekening gemaakt. [X] heeft de overeenkomst getekend.

Bij de Belastingdienst is op 20 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 120 en 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat [medewerker] het aantal opvanguren berekende. In totaal zijn er 120 en 200 opvanguren per maand berekend. Vraagouder [X] werkte echter 15 uur per week. De rechtbank leidt daaruit af dat meer dan het dubbele aantal opvanguren is berekend dan waar recht op bestond.

(b) [medewerker] heeft het uurtarief ingevuld en vraagouder [X] dacht dat dit een standaardbedrag was. [medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte dit tarief had verteld.

3.

(c) Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij de KOT aan de gastouder doorbetaalde, maar geen eigen ouderbijdrage.

Casus 11

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [X] heeft verklaard dat ergens in maart 2008 er contact is geweest tussen hem en [BEDRIJFSNAAM 2] en dat hem aanvraagformulieren zijn toegestuurd. Daarna is KOT ontvangen.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hem is verteld door [BEDRIJFSNAAM 2] dat KOT met drie maanden terugwerkende kracht kon worden teruggevraagd, maar dat hij dan wel een maand KOT aan het gastouderbureau moest betalen.

Bij de Belastingdienst is op 14 maart 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind, 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij op het inschrijfformulier 120 uur heeft ingevuld en dat dit doorgestreept is, waarna daar 200 uur van is gemaakt, aangezien ook uren voor het uitrusten en slapen moesten worden meegeteld. Dit is ook zichtbaar op het inschrijfformulier.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat haar man 120 opvanguren heeft opgegeven, dat die doorgestreept zijn en dat daar door die mensen 200 uren van was gemaakt.

Vraagouder [X] heeft verder verklaard dat was gezegd dat ook de uren dat de kinderen bij de gastouder sliepen meetelden. Ook dan echter kwam [X] niet aan 200 opvanguren.

3.

(b) De gastouder heeft vanaf 24 maart 2008 een VOG, terwijl volgens het contract de gastouder vanaf 11 januari 2008 actief was. Volgens [X] kon dit omdat met terugwerkende kracht voor drie maanden KOT worden aangevraagd.

Casus 13

1. Volgens [X] is de aanvraag KOT door [BEDRIJFSNAAM 2] gedaan. De gastouder heeft vanaf maart 2008 opgepast. Op de overeenkomst is te zien dat de ingangsdatum 11 januari 2008 is. De ingangsdatum van het contract is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 115 en 190 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) [X] heeft verklaard dat de uren al op het contract stonden toen dit werd toegestuurd. De uren op het contract kloppen volgens [X] niet, aangezien de gastouder minder uren oppast. Volgens vraagouder [X] is het aantal uren door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Freelancer [freelancer 2] heeft verklaard dat hij het aantal uren niet heeft ingevuld.

Gastouder [X] heeft verklaard dat hij gemiddeld 5 uur per week oppaste. De rechtbank ziet dat dit overeenkomt met ongeveer 20 uur per maand. [X] paste nooit de 190 en 115 uren op (de rechtbank begrijpt uren per maand), zoals die op het contract staan.

(b) [X] heeft verklaard dat hem verteld was dat het uurtarief € 6,10 zou zijn.

Gastouder [X] krijgt voor het oppassen ongeveer € 150,- per maand.

Volgens [X] is hem vanuit [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat hij met het geld mocht doen wat hij wilde.

Casus 14

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2].

Bij de Belastingdienst is op 15 mei 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 maart 2008 voor drie kinderen respectievelijk 110, 200 en 225 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. Daarnaast is de KOT op 1 september 2008 gewijzigd.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat het aantal opvanguren door het gastouderbureau is vastgesteld.

(b) Vraagouder [X] heeft verklaard dat medeverdachte heeft gezegd dat € 6,10 wordt vergoed. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de meneer van het gastouderbureau niet heeft verteld dat een bepaald uurtarief aan de gastouder moest worden betaald. De gastouder is nimmer betaald.

3.

(c) De gastouder is nimmer betaald.

Casus 18

1. Volgens [X] heeft [medewerker] alles voor de aanvraag KOT geregeld. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de toeslag voor kind '[naam kind]' pas in mei is aangevraagd. Daarnaast staat '[naam kind]' op de ingangsdatum al vermeld, terwijl het kind ruim een maand na de ingangsdatum geboren is. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de gastouder in januari en februari niet heeft opgepast, maar dat de KOT per 11 januari (de rechtbank begrijpt het jaar 2008) al is aangevraagd.

Bij de Belastingdienst is op 7 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind, 185 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. Per 1 mei is een kind toegevoegd aan de KOT.

2.

(a) Volgens [X] paste de gastouder gemiddeld 53 uur per maand op. Op het contract staat 185 uur per kind vermeld. [Medewerker] heeft de uren op het inschrijfformulier verhoogd van 160 naar 185 uur.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal opvanguren op de overeenkomst veel te hoog is.

(b) Het uurtarief van € 6,10 is volgens [X] afgesproken met [medewerker], die vertelde dat dit een gangbaar tarief was.

3.

(b) De overeenkomst is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG is gedateerd op 10 maart 2008. [X] heeft verklaard dat zij niet wist dat een VOG binnen moest zijn, voordat KOT kon worden aangevraagd.

(c) Via [BEDRIJFSNAAM 2] kreeg gastouder [X] ongeveer € 200 per maand.

Opzet of oogmerk

Vervolgens dient de rechtbank te onderzoeken of verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling of opzet heeft gehandeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard weliswaar fouten te hebben gemaakt en slordig te zijn geweest, maar nooit met boos opzet te hebben gehandeld.

Verdachte en zijn medewerkers hebben voor de vraagouders [X], [X] en [X] KOT aangevraagd zonder dat zij dit wisten, wilden of een overeenkomst daartoe hadden ondertekend. Ditzelfde geldt voor de vraagouders [X], [X], [X], [X], [X], [X], [X] en [X] voor wat betreft het (te hoge) aantal uren dat werd bepaald, aangezien de vraagouders verklaren nooit contact te hebben gehad met verdachte over het aantal opvanguren.

Verdachte heeft verder zelf verklaard dat hij niet het maximale aantal uren aan KOT heeft aangevraagd om niet op te vallen bij en in de problemen te komen met de Belastingdienst en om nog enigszins het werkelijke aantal opvanguren te benaderen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust meer uren heeft opgegeven dan in werkelijkheid nodig waren of door ouders opgegeven. Daaruit blijkt dat verdachte niet van plan was de situatie in overeenstemming te doen zijn met de werkelijkheid.

De rechtbank is op grond van deze feiten van oordeel dat verdachte welbewust en met opzet heeft gehandeld.

Tezamen en in vereniging

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte de baas was van [BEDRIJFSNAAM 2]. De inhoudelijke, personele en financiële beslissingen namen zij samen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij ad hoc situaties met verdachte besprak en elke dinsdag op het kantoor van [BEDRIJFSNAAM 2] was. Volgens medeverdachte en verdachte lag de dagelijkse uitvoering van [BEDRIJFSNAAM 2] bij verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte in de werkverdeling van [BEDRIJFSNAAM 2] de wet- en regelgeving, manier van werken, layout, de werkwijze van het kantoor en de routing voor zijn rekening nam. Volgens verdachte, [freelancer 2] en [freelancer 1] heeft medeverdachte training gegeven aan medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2].

Verdachte heeft verklaard over de werkwijze bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Bij [BEDRIJFSNAAM 2] werkten verschillende medewerkers en freelancers. Freelancers gingen thuis bij vraagouders langs om een inschrijfformulier in te laten vullen. Zodra [BEDRIJFSNAAM 2] het inschrijfformulier ontving werd dit gecontroleerd.

De medewerkers [medewerker 1], [medewerker 2] en [medewerker] deden administratieve taken bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [medewerker 1] deed aanvragen KOT, stelde contracten KOT op en stond klanten te woord. [medewerker] deed hetzelfde werk als [medewerker 1]. De vrouw van verdachte, [medewerker 2], deed de boekhouding en controleerde de berekeningen en betalingen van de KOT aan nieuwe klanten.

De rechtbank leidt uit bovenstaande verklaringen af dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte, medewerkers en freelancers heeft gehandeld. Verdachte heeft hen namelijk geïnstrueerd en geïnformeerd.

Oplichting

Verdachte heeft door aanvragen KOT te doen en daarbij door een te hoog aantal opvanguren, onjuist uurtarief en onterechte terugwerkende kracht gedaan alsof de vraagouders recht hadden op (die opvanguren en uurtarieven aan) KOT. De Belastingdienst was in de veronderstelling dat deze gegevens juist waren en heeft op basis van de door verdachte ingevulde aanvragen de KOT uitbetaald. Door dit handelen van verdachte is de Belastingdienst bewogen tot afgifte van de bedragen aan KOT. Als de Belastingdienst had geweten dat deze gegevens onjuist waren en bijvoorbeeld wist dat geen VOG's aanwezig waren en daarmee dus ook niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan, had de Belastingdienst de KOT niet uitbetaald.

De rechtbank heeft onderzocht voor welk bedrag de Belastingdienst door verdachte is opgelicht. De FIOD heeft hiervan een berekening gemaakt door de aanvragen van [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] in een drietal categorieën in te delen.

In de eerste categorie die betrekking heeft op de periode tot januari 2007 toen [BEDRIJFSNAAM 2] nog niet geregistreerd was en niet de beschikking had over de vereiste VOG's, is een bedrag van € 7.628,- onterechte KOT uitgekeerd.

In de tweede categorie die betrekking heeft op de periode van februari 2007 tot en met oktober 2008, waarbij geen vereiste VOG aanwezig was is een bedrag van € 1.591.784,- onterechte KOT uitgekeerd.

De derde categorie heeft betrekking op de gevallen waarbij wel een VOG aanwezig was, maar ten onrechte met terugwerkende kracht KOT is aangevraagd. Het gaat hierbij om een bedrag van € 1.135.558,- aan onterecht uitgekeerde KOT.

De rechtbank heeft deze bedragen bij elkaar opgeteld en leidt hieruit af dat de Belastingdienst een bedrag van € 2.734.970,- onterechte KOT heeft uitgekeerd en daardoor voor dit bedrag is opgelicht. Dit bedrag is ten goede gekomen aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

Verdachte is betrokken bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. [BEDRIJFSNAAM 3] is de opvolger van [BEDRIJFSNAAM 2].

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 1] zijn verricht. De dagelijkse uitvoering van de gastouderbureaus lag volgens verdachte en medeverdachte bij verdachte. De door deze GOB's gedane aanvragen KOT zijn meestentijds op de rekening van het betreffende GOB gestort, waarna dit geld door de GOB's (geheel of gedeeltelijk) werd doorgestort, na inhouding van hun eigen commissie, op rekening van de vraagouders. Maandelijks werden bedragen aan KOT op de rekening van de GOB's gestort.

Verdachte heeft verklaard dat [BEDRIJFSNAAM 2] elke maand de KOT kreeg uitgekeerd, die hij dan na inhouden van zijn commissie uitkeerde aan de ouders. Van deze commissie betaalde hij salarissen, huur en belastingen van [BEDRIJFSNAAM 2]. Het bedrag wat dan overbleef werd verdeeld en overgemaakt op rekening van [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5]. Het geld dat op [bedrijfsnaam 5] was gestort, heeft verdachte opgenomen of overgemaakt naar zijn privé-spaarrekening. Van dit geld heeft hij in juni of juli 2008 een stuk grond, ter waarde van € 117000,- in Turkije gekocht. Verdachte merkt daarbij het volgende op:"Ik wilde mijn toekomst veilig stellen met eerlijk verdiend geld. Ik heb over al mijn gelden altijd belasting betaald." Dit geld voor het Turkse stuk grond is grotendeels afkomstig van voorschotten die van [BEDRIJFSNAAM 2] naar [bedrijfsnaam 5] werden overgeboekt en vervolgens contant werden opgenomen bij ABN-AMRO.

Van misdrijf afkomstig

De Belastingdienst heeft de KOT uitbetaald, omdat verdachte de Belastingdienst heeft opgelicht. De onterecht uitgekeerde KOT is daarom van misdrijf afkomstig. Omdat verdachte schuldig is aan oplichting van de Belastingdienst, wist verdachte ook dat dit geld wat hij voorhanden had en heeft overgedragen, door oplichting was verkregen. Verdachte is daarom schuldig aan witwassen.

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]

Zowel verdachte als medeverdachte konden betalingen verrichten en beschikten over het vermogen op de rekening van [BEDRIJFSNAAM 2]. Verdachte voerde de betalingen voor [BEDRIJFSNAAM 2] uit. Verdachte heeft de werkwijze, zoals de procedure van aanvragen en de toeslag, met medeverdachte besproken.

De bedragen aan KOT zijn aan [BEDRIJFSNAAM 2] uitbetaald tussen 28 januari 2008 en 28 mei 2008 2008. De bedragen aan KOT zijn aan [BEDRIJFSNAAM 3] uitbetaald tussen 20 mei 2008 en 23 oktober 2008.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, tezamen en in vereniging met medeverdachte, [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] een bedrag van € 2.734.969,- voorhanden heeft gehad, omdat dit geld op de rekeningen van de GOB's is gestort. Verdachte had feitelijk zeggenschap over dit geld. Daarnaast heeft verdachte dit geld ook overgedragen door de ontvangen KOT, na inhouding van de commissie (al dan niet geheel of gedeeltelijk) door te (laten) storten naar de vraagouders en naar de holdings van verdachte en medeverdachte.

Witwasbedrag

Op de rekeningen van deze twee gastouderbureaus is onterecht een bedrag van € 2.734.969,- aan KOT uitgekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit bedrag voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en overgedragen aangezien dit geld op de rekeningen van de gastouderbureaus is gestort, en verdachte had feitelijk zeggenschap over dit geld.

Gewoontewitwassen

De bedragen aan KOT zijn maandelijks en gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar op rekening van de GOB's gestort en doorgestort. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 3

De rechtbank zal bij de beoordeling van het bewijs de structuur van de tenlastelegging nagaan en per document nagaan of en zo ja, welk bewijs daarvoor bestaat.

Vanaf 11 januari 2008 stond [BEDRIJFSNAAM 2] geregistreerd als gastouderbureau bij de gemeente [vestigingsplaats 1]. [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

Teveel opvanguren

D-116

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij nooit contact heeft gehad over het aantal opvanguren. Dat is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Volgens [X] zijn de uren op de overeenkomst veel te veel uren en heeft hij deze uren nooit doorgegeven aan [BEDRIJFSNAAM 2].

D-158

Vraagouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren door [medewerker] werd bepaald.

D-193

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij op het inschrijfformulier 120 uur heeft ingevuld en dat dit doorgestreept is en dat er 200 uur van is gemaakt, aangezien ook uren voor het uitrusten en slapen moesten worden meegeteld. Dit is ook zichtbaar op het inschrijfformulier.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat haar man 120 uren had opgegeven, dat die doorgestreept waren en dat daar door die mensen 200 uur van was gemaakt.

D-284

[X] heeft verklaard dat de uren al op het contract stonden toen dit werd toegestuurd. De uren op het contract kloppen volgens [X] niet, aangezien de oppas minder uren oppast.

D-295

Volgens [X] is het werkelijk aantal opgepaste uren ongeveer 10-16 uur per week. De rechtbank leidt daaruit af dat het werkelijke aantal opvanguren per maand ongeveer tussen de 40 en 64 uur heeft gelegen. Op het contract is voor twee kinderen tweemaal 115 opvanguren per maand ingevuld.

D-300

[X] heeft verklaard dat hij de oppas voor het opgegeven aantal uren niet nodig heeft. Het aantal uren is volgens [X] vastgesteld door verdachte [verdachte].

D-285

Op de overeenkomst staan 140 opvanguren per maand per kind. Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren niet klopt.

D-290

Volgens [X] paste de gastouder gemiddeld 53 uur per maand op. Op het contract staat 185 uur per kind vermeld. [medewerker] is een vriendin van [X] en werkt bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [Medewerker] heeft de uren op het inschrijfformulier aangepast van 160 naar 185 uur. Volgens [X] heeft [medewerker] het formulier ingevuld en het aantal uren gewijzigd, omdat er ook gewinkeld moest worden en het kon zijn dat zij boven aan het voorbereiden was en, terwijl de gastouder beneden oppaste.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal opvanguren niet klopt.

Onjuiste ingangsdatum van overeenkomst

D-284

Volgens [X] heeft de oppas vanaf maart 2008 opgepast. Op de overeenkomst is te zien dat de ingangsdatum 11 januari 2008 is.

D-295

[X] heeft verklaard dat het contract eind januari 2008 is ondertekend en de oppas begin februari 2008 is gaan oppassen. Op het contract staat dat de ingangsdatum 11 januari 2008 is.

D-300

[X] heeft verklaard dat de oppas begin februari 2008 is gaan oppassen. Op het contract staat dat de ingangsdatum 11 januari 2008 is. De ingangsdatum klopt volgens [X].

D-285

Op de overeenkomst staat in een ingangsdatum van 11 januari 2008. Gastouder [X] heeft verklaard dat dit niet kan, aangezien hij toen nog niet begonnen was als gastouder.

D-290

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. [X] heeft verklaard dat de toeslag voor het kind '[naam kind] ' pas in mei is aangevraagd. Daarnaast staat '[naam kind]' op de ingangsdatum al vermeld, terwijl het kind ruim een maand na de ingangsdatum geboren is. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de oppas in januari en februari niet heeft opgepast, maar dat de KOT per 11 januari al is aangevraagd.

Gastouder [X] heeft verklaard dat dit niet kan, aangezien hij toen nog niet begonnen was als gastouder.

De rechtbank leidt uit bovenstaande documenten af dat onjuiste, namelijk te vroeg gelegen, ingangsdata zijn ingevuld.

Te hoog uurtarief

Verdachte rekende altijd de maximale vergoeding van € 6,10 per uur. [medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte dit tarief had verteld. [X] heeft verklaard dat hem verteld was dat het uurtarief € 6,10 zou zijn.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het uurtarief niet klopt, aangezien hij € 5,00 per uur kreeg uitbetaald.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte in alle gevallen een onjuist, namelijk te hoge, uurvergoeding bij de Belastingdienst heeft aangevraagd.

Valse kwitanties en een urenregistratie en het gebruik daarvan

Vraagouder [X] heeft verklaard de kwitanties niet te kennen, deze niet te hebben geschreven en dat de betalingen zoals op de kwitanties vermeld zijn niet door hem of zijn vrouw zijn gedaan. Vraagouders [X] en [X] hebben verklaard de handtekeningen op de kwitanties niet te herkennen.

Verdachte heeft verklaard dat de kwitanties door een personeelslid van hem zijn gemaakt, zonder dat de klanten die kwitanties hebben gezien. Dit heeft verdachte in opdracht van medeverdachte gedaan. De kwitanties zijn valselijk opgemaakt en verzonnen. Dit was nodig, omdat de Belastingdienst naar informatie vroeg.

[medewerker] heeft verklaard dat medeverdachte met het idee kwam alsnog kwitanties te maken met de datum waarop het geld aan de gastouder was betaald en de kwitantie te laten ondertekenen door de vraagouders.

[medewerker] ging ervan uit dat medeverdachte veel ervaring had en wist wat hij deed. [medewerker] heeft verklaard dat verdachte dit ook van medeverdachte heeft gehoord en denkt dat verdachte ook zulke kwitanties heeft opgemaakt.

Vraagouder [X] heeft geen oppasuren bijgehouden. Het urenoverzicht heeft [X] nog nooit gezien. Vraagouder [X] heeft bij de RC verklaard dat hij die urenregistraties niet heeft opgesteld.

Verdachte heeft verklaard dat de urenoverzichten door een personeelslid van hem zijn gemaakt, zonder dat de klanten die hebben gezien. Dit heeft verdachte in opdracht van medeverdachte gedaan. De kwitanties zijn valselijk opgemaakt en verzonnen. Dit was nodig, omdat de Belastingdienst naar informatie vroeg.

Deze kwitanties en urenregistraties zijn in de administratie van [BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3] aangetroffen.

Deze gegevens zijn naar de Belastingdienst gezonden en ingeboekt.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, tezamen en in vereniging met [medewerker] en medeverdachte, valse kwitanties en een urenregistraties heeft laten opmaken en naar de Belastingdienst laten verzenden.

De overeenkomsten gastouderopvang, kwitanties en de urenregistraties zijn geschriften. Deze documenten hadden een bewijsbestemming, nu de Belastingdienst de gegevens kon opvragen om te controleren of de documenten in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Verdachte heeft het oogmerk gehad deze documenten als echt en onvervalst te gebruiken en heeft dat ook gedaan door een aantal documenten naar de Belastingdienst te faxen, om daarmee te kunnen aantonen welke basisgegevens voor de KOT-aanvraag zijn gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen feit 3 wettig en overtuigend bewezen is.

Feit 4

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

De administratie van [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] is op de [adres] te [vestigingsplaats 1] in beslag genomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte deze overeenkomsten, zoals deze zich in het dossier bevinden, in zijn administratie heeft opgenomen.

Feit 4 ziet op het in de administratie voorhanden hebben van valse of vervalste documenten. Het opnemen van de overeenkomsten in de administratie is een verplichting op grond van de Regeling Wet kinderopvang en deze documenten, waarvan verdachte wist dat deze vals of vervalst waren, zijn in de administratie opgenomen. Door deze documenten in de administratie op te nemen heeft verdachte bij een eventuele controle deze documenten willen overleggen om daarmee de basis van de KOT-aanvragen aan te tonen en hij heeft daarmee het oogmerk gehad deze te gebruiken bij een eventuele controle door de Belastingdienst. Verdachte wilde dit niet alleen in de administratie hebben ingeval bijvoorbeeld een boekenonderzoek zou plaatsvinden, maar heeft dit ook, zoals bij feit 3 bewezen is verklaard, daadwerkelijk gebruikt door valse kwitanties en urenregistraties naar de Belastingdienst (te laten) faxen.

De rechtbank is van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend is bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 1] en/of [vestigingsplaats 2] en/of Heerlen ,

tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (vanaf 8 mei 2008) en een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

de Belastingdienstheeft bewogen tot de afgifte van

totaal euro 2.734.969,--, te weten een geldbedrag in het kader van kinderopvangtoeslag op

grond van de Wet kinderopvang,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders

telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

telkens

digitale formulieren "Aanvragen kinderopvangtoeslag" en formulieren wijziging kinderopvangtoeslag opgemaakt

en ingevuld en verzonden en doen toekomen aan de Belastingdienst

aan de hand waarvan en door middel waarvan

hij, verdachte, en zijn mededaders

deden voorkomen

dat meer ouders,

waaronder

== [X] en [X] (casus 1) en

== [X] (casus 2) en

== [X] en [X] (casus 3) en

== [X] en[X] (casus 4) en

== [X] (casus 7) en/of

== [X] en [X] (casus 8) en

== [X] (casus 9) en

== [X] en [X] (casus 11) en

== [X] en [X] (casus 13) en

== [X] en [X] (casus 14) en

== [X] en [X] (casus 18),

-al dan niet met terugwerkende kracht-

aanspraak hadden enmaakten op een tegemoetkoming in de door die

ouders enhunpartners te betalen kosten van kinderopvang

en

voor de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag

een aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar -vermeld op het

aanvraagformulier- nodig zouden hebben eneen werkelijk naar individuele

situatie uurtarief waren overeengekomen enhadden vastgesteld

en

dat hij, verdachte, en[bedrijfsnaam 2] en[bedrijfsnaam 3]

enmededaders ende vraagouders als bedoeld in artikel 1

onder i van de Wet kinderopvang ten tijde van de aanvraag en voor de

periode waarop die aanvraag van toepassing was voldeeden aan de eisen

envoorwaarden zoals gesteld in de Wet kinderopvang en aanverwante

Regelingen enBesluiten,

bestaande die eisen envoorwaarden

onder meer hierin dat

de registratie in het register als bedoeld in artikel 46 van

de Wet kinderopvang van het gastouderbureau had plaatsgevonden

en

de betreffende Kinderopvang geschiedt op basis van een reeds opgestelde

engetekende schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder

als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang

en

de gastouders in het bezit waren van een verklaring omtrent het

gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,

als bedoeld in artikel 50 van de Wet kinderopvang

en

aan de gastouder het oppastarief en de opvanguren betaald

werdenzouden worden betaald zoals vastgelegd in de

oppasovereenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang,

en

telkensna afgifte/toewijzing in beschikking

niet alle wijzigingen in bij de Belastingdienst bekend zijnde

gegevens/situatie met betrekking tot de aanvrager van kinderopvangtoeslag

enwelke van belang zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de

kinderopvangtoeslag doorgegeven,

waardoor telkens de Belastingdienst werdbewogen tot de afgifte

van een geldbedragen;

2.

op tijdstippen

in de periode van 28 januari 2008 tot en met 13 oktober 2008,

te [vestigingsplaats 1],

tezamen en in vereniging met een ander,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededader

totaal euro 2.734.969,--,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten

dat bovenomschreven geldbedrag

- onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

op tijdstippen

in de periode van januari 2008 tot en met 19 september 2008

te [vestigingsplaats 1] en/of Rijssen en/of Bergen op Zoom en/of [vestigingsplaats 2],

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

formulieren "overeenkomst gastouderopvang",

waaronder

C3. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 01-01-2008

(Bijlage D-116);

en

C9. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder [X] en [X]

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-158);

en

C11. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-193);

en

C13. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-284);

en

C16a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-295);

en

C16b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-300);

en

C18a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-285);

en

C18b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-290);

en

kwitanties,

waaronder

een kwitantie gedateerd 25-5-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-6-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel & vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-7-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149),

en

een urenregistratie

(bijlage D/151),

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, en valselijk

heeft/hebben doen en/of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen door

(een) ander(en),

immers hebben hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader

toen en daar telkens valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

in die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

een te hoog aantal opvanguren

(te weten D/116 en D/158 en D/193 en D/284 en D/295 en

D/300 en D/285 en D/290)

en

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangs- en/of begindatum van de

overeenkomst

(te weten D/116 en D/284 en D/295 en D/300 en D/285 en

D/290)

en

een onjuist (te hoog) uurtarief

vermeld en/of geschreven en/of opgenomen, en door die ander(en)

doen en/of laten vermelden en/of schrijven en/of opnemen,

en

op die kwitanties

telkens een ontvangst van euro 879,55 opgenomen en/of vermeld en/of doen

opnemen en/of vermelden en/of een handtekening geplaatst voor ontvangst,

terwijl in werkelijkheid dat/die bedragen niet door

[X], waren betaald,

en

een fictieve urenregistratie opgesteld ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en

onvervalst te gebruiken ,

en

in de periode van 9 september 2008 tot en met 13 oktober 2008,

te [vestigingsplaats 1] en/of [vestigingsplaats 2],

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk heeft afgeleverd en/of doen afleveren bij de Belastingdienst

Toeslagen en/of voorhanden heeft/hebben gehad

valse kwitanties,

waaronder

een kwitantie gedateerd 25-5-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-6-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel & vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-7-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149),

en

een valse en/of vervalste urenregistratie

(bijlage D/151),

zijnde geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit

te dienen,

bestaande die valsheid telkens hierin dat in strijd met de

waarheid

op die kwitanties

telkens een ontvangst van Euro 879,55 was opgenomen en/of vermeld

en/of een handtekening was geplaatst voor ontvangst,

terwijl in werkelijkheid die bedragen niet door

[X]waren betaald,

en

die urenregistratie fictief was,

terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader wisten dat deze geschriften bestemd

waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

4.

op tijdstippen

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 1],

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

telkens geschriften (te weten bedrijfsadministraties) die bestemd zijn om

tot bewijs van enig feit te dienen

telkens opzettelijk valselijk hebben opgemaakt en/of vervalst en/of

valselijk hebben doen opmaken en/of doen vervalsen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

toen daar

telkens opzettelijk

in

de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 2]

en

de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 3] (vanaf 8 mei 2008),

zijnde telkens een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het

daarin vermelde te dienen,

hierna genoemde geschriften

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken

en/of doen verwerken,

formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

waaronder

C9. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-158);

en

C11. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-193);

en

C13. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-284);

en

C16a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-295);

en

C16b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-300);

en

C18a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-285);

en

C18b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-290);

en

kwitanties,

waaronder

een kwitantie gedateerd 25-5-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-6-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel & vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-7-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149),

en

een urenregistratie

(bijlage D/151),

bestaande die valsheid telkens hierin dat

-in werkelijkheid-

in die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

een te hoog aantal opvanguren

(te weten D/158 en D/193 en D/284 en D/295 en D/300 en

D/285 en D/290)

en

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangs- en/of begindatum van de

overeenkomst

(te weten D/284 en D/295 en D/300 en D/285 en D/290)

en

een onjuist (te hoog) uurtarief

was vermeld en/of geschreven en/of opgenomen

en

op die kwitanties

telkens een ontvangst van Euro 879,55 was opgenomen en/of vermeld

en/of een handtekening geplaatst voor ontvangst,

terwijl in werkelijkheid die bedragen niet door

[X]waren betaald,

en

die urenregistratie

een fictieve opgestelde urenregistratie betrof,

zulks telkens met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1.

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD

2. (primair)

MEDEPLEGEN VAN:

VAN HET PLEGEN VAN WITWASSEN EEN GEWOONTE MAKEN

3.

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD

en

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS OF VERVALST GESCHRIFT, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225, EERSTE LID, VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD

4. (primair)

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD.

6

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat verdachte, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor alle tenlastegelegde feiten, aangezien voor alle feiten een beroep wordt gedaan op afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). AVAS is gericht op de wederrechtelijkheid van bevoordeling. Verdachte heeft slechts beoogd toeslag te verkrijgen voor de vraagouders en heeft niet gehandeld ter bevoordeling van hemzelf of zijn rechtspersonen. De raadsman heeft zijn stelling onderbouwd door aan te voeren dat de wet onduidelijk was en overheidscontrole op het toekennen van de toeslag niet heeft gefunctioneerd. Verder heeft verdachte zich in voldoende mate geïnformeerd omtrent de regelgeving, omdat hij vertrouwde op de informatie van medeverdachte, de Belastingtelefoon en het Handboek Wet Kinderopvang heeft geraadpleegd.

Volgens de raadsman ligt in het KOT-systeem besloten dat aanvragen onjuist kunnen zijn geweest, omdat door de Belastingdienst pas na het kalenderjaar een definitieve afrekening wordt gemaakt van de hoogte van de KOT. Als teveel opvanguren waren berekend, konden deze achteraf worden gecorrigeerd. Dit heeft door de aanhouding van verdachte, voor afloop van het kalenderjaar, niet plaats kunnen vinden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep kan doen op afwezigheid van alle schuld, nu verdachte het opzet had te frauderen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Een beroep op AVAS kan slechts worden gehonoreerd, indien verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de regelgeving omtrent KOT. Hiervan kan sprake zijn indien verdachte de maximale voorzorgsmaatregelen heeft genomen om zich te voorzien van voldoende en juiste informatie.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet verontschuldigbaar heeft gedwaald, maar bewust en met opzet heeft gefraudeerd. Een beroep op AVAS kan daarom niet slagen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de regelgeving omtrent KOT onduidelijk was en dat hij sommige regels helemaal niet kende. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de regelgeving omtrent KOT helemaal niet kende. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij zich niet heeft verdiept in de regelgeving omtrent KOT en ook niet de moeite heeft genomen om alles goed na te pluizen. Verdachte heeft zich daarbij verlaten op de kennis van medeverdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij slordig is geweest en onvoldoende controle heeft uitgevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij zich de afgelopen weken eigenlijk voor het eerst heeft verdiept in de regelgeving door kennisneming van het Handboek Wet Kinderopvang. De stelling van de raadsman dat verdachte zich tijdig en in voldoende mate zou hebben verdiept in de regelgeving acht de rechtbank dan ook volstrekt onhoudbaar.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die zich beroepsmatig met de regeling bezig hield, zich (vooraf) in de door hem als complex ervaren materie had moeten verdiepen. Verdachte heeft verder door net minder dan het maximaal aantal opvanguren op overeenkomsten in te vullen met opzet een situatie voorgesteld die in werkelijkheid niet bestond en heeft daarmee de Belastingdienst opgelicht op een geraffineerde wijze. Dat verdachte de aanvragen KOT onvoldoende heeft gecontroleerd is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk onjuist, aangezien hij zijn medewerkers juist heeft geïnstrueerd een standaarduurtarief te hanteren en kwitanties te vervalsen.

Het verweer van de raadsman dat verdachte door zijn aanhouding in oktober 2008 niet in staat is geweest om het aantal opvanguren te corrigeren gaat niet op, nu verdachte de feitelijke situatie niet relevant vond en het hem alleen te doen was niet op te vallen met de urenopgave.

Verdachte heeft enerzijds actief gehandeld door tegen vraagouders te zeggen dat het daadwerkelijk aantal opvanguren niet relevant was en anderzijds nagelaten om het daadwerkelijke aantal benodigde opvanguren in de aanvraag of wijziging KOT te verwerken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet heeft bekommerd om de regelgeving omtrent KOT en deze zelfs bewust heeft genegeerd.

Het verweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte een geldboete zal worden opgelegd van € 75.000,-, te vervangen door 365 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft betoogd dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar dat de oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de verdediging een extreem groot aantal getuigen wilde laten horen. De verdediging dient dan ook de consequentie te aanvaarden dat het onderzoek langer heeft geduurd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf naar zijn mening passender is. Volgens de raadsman is de eis van de officier van justitie ten opzichte van vergelijkbare gevallen buitengewoon hoog en hij begrijpt de eis niet als hij deze vergelijkt met de eis ten opzichte van de medeverdachte en de oplichtings- en witwasbedragen. Daarnaast is de eis, naar de mening van de raadsman, ten onrechte gebaseerd op alle KOT-aanvragen. De tenlastegelegde casussen brengen een aanzienlijk lager bedrag met zich mee, wat impliceert dat de eis veel te hoog is. Indien de officier van justitie dit in haar eis had willen meewegen, had zij de deze zaken ad informandum dienen te voegen.

De lange tijd dat verdachte heeft moeten wachten op zijn berechting zal volgens de raadsman moeten worden meegewogen in een eventueel op te leggen straf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, evenals op grond van de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van ongeveer tien maanden tijd telkens de Belastingdienst opgelicht voor een bedrag van enkele miljoenen euro's middels de KOT. Deze regeling is in het leven geroepen om door middel van bijdragen aan de kosten van kinderopvang de (kans op) arbeidsparticipatie te vergroten voor vraagouders.

Verdachte heeft op grote schaal misbruik gemaakt van kinderopvangtoeslag. Verdachte heeft meerdere gastouderbureaus opgericht. Het idee daarachter was dat verdachte zou bemiddelen tussen de vraagouders en gastouders. Verdachte heeft echter stelselmatig aanvragen KOT voor vraagouders ingediend, waarbij hij veel te veel opvanguren en het maximale uurtarief door de Belastingdienst liet uitbetalen. Daarnaast liet verdachte (met terugwerkende kracht) KOT uit betalen, terwijl hij wist dat feitelijk geen opvang of onbetaalde opvang plaatsvond. Verdachte liet ook KOT uitbetalen met terugwerkende kracht, door de overeenkomst tussen zijn gastouderbureaus en de vraagouders bijvoorbeeld een jaar eerder in te laten gaan dan de datum waarop met de kinderopvang werd gestart. Verdachte had toen geen overeenkomst met de vraagouders en had al helemaal niet gezorgd voor de oppas (als die er al was). Verdachte ging daarbij zo ver dat hij ondanks verzoeken van vraagouders om het aantal opvanguren te matigen, het aantal opvanguren verhoogde, dit niet wijzigde of als ouders wilden stoppen de KOT nog enige tijd liet doorgaan. Verdachte lijkt maar een doel te hebben gehad: eenvoudig, oneerlijk en snel zoveel mogelijk geld verdienen.

Verdachte heeft niet alleen de Staat gedupeerd, maar ook en juist de hardwerkende burger die zijn belasting afdraagt om kinderopvang mogelijk te maken. De KOT wordt immers betaald uit gemeenschapsgeld. Verdachte heeft zich daar op geraffineerde, agressieve en egoïstische wijze onrechtmatig mee verrijkt.

Ook zijn vraagouders gedupeerd. Verdachte heeft hen immers voorgehouden dat KOT geld opleverde, niets zou kosten en dat ouders zelf mochten weten wat zij met dit geld deden. Door toedoen van verdachte worden deze vraagouders geconfronteerd met naheffingen en dienen zij grote bedragen terug te betalen aan de Belastingdienst.

Verdachte heeft het geld dat hij door de oplichting ontving witgewassen door dit voorhanden te hebben en naar vrije besteding te gebruiken. Dit deed verdachte door dit geld naar zijn persoonlijke holding te storten. Daarna heeft verdachte dit geld opgenomen of overgemaakt naar zijn privé-spaarrekening. Van dit geld heeft hij een stuk grond in Turkije gekocht ter waard van € 117.000,-. Verder betaalde verdachte van dit geld de huur en de salarissen van de medewerkers.

Verdachte heeft de oplichting van de Belastingsdienst vorm gegeven door valse en vervalste documenten te gebruiken om deze bij een eventuele controle te kunnen overleggen en te doen alsof ze echt en onvervalst waren. Deze documenten zijn in de administratie van verdachte teruggevonden.

De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij ook nu nog niet bereid is het laakbare van zijn handelen in te zien, maar blijft volharden in het afschuiven van de schuld naar anderen. Illustratief voor de houding van verdachte is de opmerking welke hij in het verhoor bij de politie heeft gemaakt: "Ik wilde mijn toekomst veilig stellen met eerlijk verdiend geld. Ik heb over al mijn gelden altijd belasting betaald."

De rechtbank heeft gezien dat verdachte, volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 april 2010, niet eerder door een strafrechter is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 12 maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voor het daarnaast opleggen van een geldboete zoals door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 225, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. M.A. Waals, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. drs. M.P. Visser griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juli 2010.

Mr. M.A. Waals is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 11/993020-08

Vonnis d.d. 20 juli 2010