Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN5089

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
11/993012_08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte 1 heeft de Belastingdienst voor een bedrag van ruim 7,7 miljoen euro opgelicht door onterecht kinderopvangtoeslag aan te vragen. Verdachte heeft de Belastingdienst onder meer opgelicht door onjuiste informatie te verstrekken, contracten vals op te maken of vervalsen en deze in zijn administratie op te nemen. Daarom is verdachte ook veroordeeld vanwege valsheid in geschrift. Daarnaast heeft verdachte een bedrag van ruim 7,7 miljoen euro witgewassen.

De rechtbank heeft verdachte 1 voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4,5 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 51
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/993012-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [in 1976],

wonende te [adres en woonplaats],

(hierna: verdachte).

Raadsvrouw mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 22 en 23 juni 2010 (sluiting onderzoek d.d. 6 juli 2010), waarbij de officier van justitie mr. C.E.J. Backer, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, alleen of met anderen:

Feit 1

in de periode van mei 2006 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland de Belastingdienst voor tenminste € 4.977.657,- heeft opgelicht door kinderopvangtoeslag (afgekort: KOT) voor vraagouders aan te vragen, terwijl

- deze aanvragen (met terugwerkende kracht) onterecht waren,

- teveel opvanguren werden berekend,

- gedaan werd alsof er een uurtarief voor de oppas was overeengekomen,

- gedaan werd alsof aan de wettelijke voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen was voldaan en

- niet alle wijzigingen aan de Belastingdienst werden doorgegeven;

Feit 2

in de periode van 20 februari 2007 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland een bedrag van

(primair)

tenminste € 7.712.626,-, afkomstig van oplichting heeft witgewassen en daar een gewoonte van heeft gemaakt, omdat hij dit bedrag voortdurend voorhanden heeft gehad en naar eigen inzicht gebruikt, terwijl verdachte wist dat dit bedrag afkomstig was van oplichting;

(subsidiair)

tenminste € 7.712.626,-, afkomstig van oplichting heeft witgewassen, omdat hij dit bedrag voorhanden heeft gehad en naar eigen inzicht gebruikt, terwijl verdachte moest weten dat dit bedrag afkomstig was van oplichting;

Feit 3

in de periode van 15 november 2006 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland valsheid in geschrift heeft gepleegd door

A. Verklaringen Omtrent Gedrag (afgekort: VOG)

- heeft geantedateerd,

- in bezit heeft gehad en

- gebruikt ter onderbouwing van aanvragen kinderopvangtoeslag;

B. Overeenkomsten gastouderopvang heeft

- geantedateerd,

- voorzien van valse handtekeningen en

in die overeenkomsten

- een te hoog aantal opvanguren,

- een onjuiste of fictieve oppas,

- een onjuiste ingangsdatum,

- een te hoog uurtarief heeft vermeld;

C. In aanvragen voor kinderopvangtoeslag

- onjuiste ingangsdata,

- een te hoog aantal opvanguren en

- een te hoog uurtarief heeft vermeld;

Feit 4

in de periode van 15 november 2006 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland de onder feit 3 genoemde documenten in de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 1] heeft opgenomen;

Feit 5

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot oplichting van de Belastingdienst voor tenminste € 2.734.969,-, gepleegd door rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] door kinderopvangtoeslag voor vraagouders aan te laten vragen, terwijl

- deze aanvragen (met terugwerkende kracht) onterecht waren,

- teveel opvanguren werden berekend,

- gedaan werd alsof er een uurtarief voor de oppas was overeengekomen,

- gedaan werd alsof aan de wettelijke voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen was voldaan en

- niet alle wijzigingen aan de Belastingdienst werden doorgegeven;

Feit 6

(primair)

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008 in Nederland feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot valsheid in geschrift gepleegd door rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] door onderstaande documenten valselijk te laten opmaken en in de bedrijfsadministratie te laten opnemen, te weten

A. overeenkomsten gastouderopvang met daarin

- een te hoog aantal opvanguren,

- een onjuiste ingangsdatum,

- een te hoog uurtarief,

B. kwitanties met daarop vermelde bedragen die in werkelijkheid niet waren uitbetaald,

C. een fictieve urenregistratie;

(subsidiair)

in de periode van januari 2008 tot en met 19 september 2008 in Nederland feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot valsheid in geschrift gepleegd door rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] door de onder feit 6 primair genoemde documenten te laten opmaken.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard, omdat de woorden 'waaronder' en 'onder meer' in de feiten 1 en 5 onvoldoende feitelijk en daarmee te weinig specifiek zijn. De tenlastelegging voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. Daarom dient de tenlastelegging voor het meerdere dan de in de tenlastelegging opgesomde casussen nietig te worden verklaard.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenlastelegging wel voldoende specifiek is, omdat het oplichtingsbedrag de reikwijdte van het strafrechtelijk verwijt begrenst en dit bedrag met bewijs is onderbouwd, te weten alle KOT-aanvragen in de tenlastegelegde periode. De officier van justitie heeft betoogd dat in een omvangrijke zaak als deze, het onmogelijk is om elke casus in de tenlastelegging op te nemen.

De rechtbank overweegt dienaangaande. Het verweten oplichtingsbedrag heeft betrekking op KOT-aanvragen die onterecht zouden zijn uitgekeerd, welk verwijt door het Openbaar Ministerie met bewijs is onderbouwd. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo, dat het Openbaar Ministerie de verdachte verwijt dat de Belastingdienst is opgelicht door het indienen van onterechte aanvragen KOT. De geselecteerde en in de tenlastelegging opgenomen casussen zijn in de ogen van het Openbaar Ministerie illustratief voor de werkwijze van verdachte. Daarom zijn in de tenlastelegging de termen 'waaronder' en 'onder meer' gebruikt, om daarmee aan te geven dat 'onder meer' deze casussen aangeven hoe verdachte heeft gehandeld. De rechtbank ziet dat het voor het Openbaar Ministerie onmogelijk is elke individuele casus in de tenlastelegging op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de verdenking aldus voldoende feitelijk is en de dagvaarding ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd voor casus Seven en Seven, onderdeel van feit 5, omdat de Belastingdienst in dat geval niet tot uitkering van KOT is overgegaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle zes ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Zij baseert dit standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van verdachten en getuigen, ambtshandelingen en overige documenten. De officier van justitie heeft de door haar gekozen bewijsmiddelen in een bewijsmatrix aan het requisitoir gehecht.

Dat het KOT-systeem zodanig is ingericht dat de opvanguren later kunnen worden gecorrigeerd, doet niets af aan het feit dat verdachte opzet had op oplichting op het moment dat de KOT-aanvragen werden gedaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2, 5 en 6 wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Verder heeft de raadsvrouw opgemerkt dat volgens het KOT-systeem na afloop van het kalenderjaar het definitieve aantal opvanguren moet worden vastgesteld. Verdachte had daarom geen opzet, aangezien de opvanguren konden worden gecorrigeerd.

Verdachte heeft te goeder trouw gehandeld, omdat hij afhankelijk was van de gegevens die vraagouders hem aanreikten en hij daarop geen controle kon uitvoeren. Daarnaast hebben medewerkers van verdachte aanvragen KOT gedaan, waarop verdachte geen zicht had.

Volgens de raadsvrouw heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan oplichting, aangezien de Staat geen rechtsbescherming verdient tegen oplichting, nu de Belastingdienst geen deugdelijk controlemiddel heeft ingebouwd tegen fraude.

De raadsvrouw is van mening dat sprake is van samenloop tussen de verschillende feiten.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt voor het tenlastegelegde oplichtingsbedrag, omdat dit betrekking heeft op veel meer KOT-aanvragen dan in de tenlastelegging zijn opgenomen. Verdachte kan zich daartegen niet verdedigen.

Volgens de raadsvrouw is het tenlasteleggen van valsheid in geschrifte in een aantal verschillende varianten onmogelijk. Verdachte dient daarom in ieder geval van feit 3 of 4 te worden vrijgesproken, omdat deze beschuldigingen hetzelfde feit betreffen. Als de rechtbank tot bewezenverklaring komt, zou hier sprake moeten zijn van samenloop.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigen die tegen verdachte hebben verklaard onbetrouwbaar zijn. De getuigen hebben er belang bij om ten aanzien van zichzelf ontlastend en ten aan zien van verdachte belastend te verklaren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van casus Seven en Seven onder feit 5, omdat de Belastingdienst niet tot uitkering van KOT is overgegaan.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het onder feit 6 tenlastegelegde D-116, waar sprake is van een onjuiste ingangsdatum van dit contract. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2008, maar de feitelijke aanvraag KOT is ingegaan per 11 januari 2008. De rechtbank heeft derhalve niet de overtuiging dat dit bewust onjuist is genoteerd en zal verdachte daarom daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven. De processen-verbaal en ambtshandelingen van de FIOD-ECD waar de rechtbank naar verwijst, zijn in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 5653 en onderdeel van dossiernummer 43218. In de voetnoten wordt verwezen naar dossierpagina's.

De rechtbank merkt vooraf op dat getuigen of verdachte in de processen-verbaal afwisselend worden aangeduid met voor- of achternaam. De rechtbank zal deze personen steeds aanduiden bij hun achternaam. Daar waar bijvoorbeeld gesproken wordt over [voornaam x], zal de rechtbank [achternaam x] lezen. De rechtbank duidt verdachte [verdachte] aan als medeverdachte. [voornaam medeverdachte] is [medeverdachte] en wordt hier aangeduid als medeverdachte. Vraagouders zijn de ouders die willen dat op hun kinderen wordt opgepast. Dit oppassen wordt gedaan door gastouders. De gastouder is dus hetzelfde als een oppas.

Onbetrouwbaarheid getuigen

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de getuigen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De raadsvrouw heeft immers betoogd, zonder hier overigens een ondubbelzinnige conclusie aan te verbinden, dat sommige vraagouders onbetrouwbaar zijn omdat zij wisselend verklaren en een belang zouden hebben bij het belasten van verdachte en ontlasten van zichzelf, gezien de tegen hen aanhangige strafzaken.

Dat de vraagouders belang zouden hebben bij het belastend verklaren tegen verdachte is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. De raadsvrouw heeft daarnaast geen concrete voorbeelden genoemd, waarop zij haar standpunt heeft gebaseerd. De rechtbank heeft gezien dat de vraagouders onderling consistent en nagenoeg identiek verklaren over de werkwijze van verdachte en zijn gastouderbureau [bedrijfsnaam 1]. Zo verklaren vraagouders [X], [X], [X], [X], [X] en [X] afzonderlijk van elkaar dat verdachte degene was die de opvanguren berekende. Verder verklaren vraagouders [X] en [X] dat er nooit oppas via [BEDRIJFSNAAM 1] heeft plaatsgevonden. Daarnaast hebben vraagouders [X], [X], [X], [X], [X], [X], [X] en [X] verklaard dat wel is opgepast, maar dat zij de gastouder niets hebben betaald en evenmin de eigen bijdrage hebben betaald en dat verdachte met hen daar niet over heeft gesproken.

Wat er zij van het belang dat getuigen zouden hebben bij het afleggen van hun verklaringen zoals zij dit hebben gedaan, dit neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen voldoende aanknopingspunten hebben om als bewijs te dienen in de zaak van verdachte.

Samenloop

De raadsvrouw heeft betoogd dat er sprake is van samenloop tussen de verschillende tenlastegelegde feiten. Daarnaast is de valsheid in geschrift de basis voor de oplichting, terwijl het bedrag door oplichting verkregen tevens wordt aangemerkt als het bedrag dat door verdachte is witgewassen.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 3 en 4, beiden valsheid in geschrift, sprake is van meerdaadse samenloop. Ten laste is gelegd het valselijk opmaken en vervalsen van documenten én het opnemen in de bedrijfsadministratie van deze valse en vervalste documenten. Naar het oordeel van de rechtbank dienen het valselijk opmaken en vervalsen van documenten als op zichzelf staande handelingen te worden gezien. Op het moment van valselijk opmaken of vervalsen vindt een actieve handeling plaats om het geschrift een bepaalde bewijsbestemming te geven. Nadat deze formulieren zijn ingevuld of opgemaakt, is het een tweede stap om deze ook daadwerkelijk in de bedrijfsadministratie op te nemen. Op grond van artikel 11 van de Regeling Wet kinderopvang is een gastouderbureau verplicht administratie te voeren, ook om de Belastingdienst op verzoek bepaalde gegevens te verstrekken. In de administratie dienen onder meer de schriftelijke overeenkomsten en afschriften van Verklaring Omtrent Gedrag te worden opgenomen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van meerdaadse samenloop tussen valsheid in geschrift en oplichting. De Belastingdienst is in de tenlastegelegde gevallen overgegaan tot uitkering van kinderopvangtoeslag, nadat verdachte digitale aanvragen kinderopvangtoeslag naar de Belastingdienst had verzonden. In deze aanvragen vulde verdachte het aantal opvanguren en het uurtarief in, als ware dit op basis van een schriftelijke overeenkomst zo afgesproken. Volgens de raadsvrouw is de wetgever in gebreke gebleven door geen toetsingsmechanisme in te bouwen in het KOT-systeem, waarbij zou worden gecontroleerd of de aanvrager recht had op KOT. De rechtbank overweegt dat de valsheid in geschrift zelf geen basis vormde voor de oplichting. De KOT werd uitgekeerd op grond van digitale aanvragen, zonder controle van schriftelijke overeenkomsten. Pas achteraf, bij controle door de Belastingdienst, werden de overeenkomsten in dit verband relevant, omdat de geschriften pas dan een bewijsbestemming krijgen als ware de situatie zoals op de overeenkomsten stond vermeld.

Feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring voor feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde casussen. Deze casussen zullen afzonderlijk en in de volgorde zoals op de tenlastelegging vermeld aan de hand van de onderstaande punten worden besproken.

1. Verdachte heeft gedaan alsof [bedrijfsnaam 1] (afgekort: [BEDRIJFSNAAM 1]) vanaf op 1 januari 2006 stond ingeschreven in het gemeentelijk register;

2. Verdachte heeft formulieren voor de aanvraag van kinderopvangtoeslag (afgekort: KOT) bij de Belastingdienst ingeleverd en daarmee doen voorkomen dat de in de casussen genoemde ouders aanspraak hadden op KOT (met terugwerkende kracht);

3. Verdachte deed alsof de in de casus genoemde ouders

a. het in de aanvraag opgenomen aantal KOT-uren per kind nodig hadden en

b. een uurtarief was overeengekomen;

4. Verdachte deed alsof [BEDRIJFSNAAM 1] en de ouders aan de bij wet gestelde eisen voldeden, namelijk:

a. dat kinderopvang plaatsvond op basis van een getekende, schriftelijke overeenkomst tussen ouder en houder ([BEDRIJFSNAAM 1]),

b. dat gastouders in bezit waren van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG),

c. dat gastouders betaald werden voor het aantal uren en overeenkomstig het tarief zoals vastgelegd in de overeenkomst;

5. Verdachte wijzigingen in de situatie betreffende de KOT niet altijd aan de Belastingdienst heeft doorgegeven.

[BEDRIJFSNAAM 1] is gevestigd in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

Casus 1

1. De overeenkomst tussen vraagouders [X] en [BEDRIJFSNAAM 1] heeft een ingangsdatum van 1 januari 2006. Aangezien deze ingangsdatum voor de registratiedatum van [BEDRIJFSNAAM 1] van 15 november 2006 is gelegen, is de KOT onrechtmatig ontvangen.

2. Volgens verdachte en vraagouder [X] heeft verdachte KOT over 2006 aangevraagd voor [X].

Bij de Belastingdienst is op 5 maart 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met als ingangsdatum 1 januari 2006 voor drie kinderen voor respectievelijk 102, 152 en 152 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,03. Daarnaast is de KOT op 21 maart 2007 gewijzigd.

3.

(a) Het aantal opvanguren is berekend door verdachte. Verdachte heeft echter nooit gevraagd hoeveel opvanguren vraagouder [X] daadwerkelijk nodig had.

(b) Tussen 1 januari 2006 en 1 januari 2007 heeft gastouder [X] niet op de kinderen van vraagouder [X] gepast. De oppas heeft wel opgepast, maar hiervoor geen beloning ontvangen. In de overeenkomst is een uurtarief van € 6,03 opgenomen. Vraagouder [X] heeft verklaard dat verdachte wist dat de oppas niet werd betaald.

4.

(a) Door aanvragen in te dienen is gedaan alsof een schriftelijke overeenkomst bestond tussen ouders en [BEDRIJFSNAAM 1]. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de aanvraag KOT over 2006 met terugwerkende kracht is ingediend. De overeenkomst kwam pas later.

(b) Gastouder [X] heeft op 28 maart 2007 een VOG gekregen, maar heeft volgens de overeenkomst al sinds 1 januari 2006 opgepast.

(c) Gastouder [X] heeft wel opgepast, maar hiervoor geen beloning ontvangen. In de overeenkomst is een uurtarief van € 6,03 opgenomen. Vraagouder [X] heeft aan verdachte verteld dat de oppas in 2006 niet betaald is. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte gezegd dat de gastouder door de Belastingdienst zou worden betaald en dat zij zelf mocht weten wat zij met het geld zou doen.

Casus 2

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2006.

2. Verdachte heeft het formulier voor de aanvraag KOT ingevuld. Dat wordt bevestigd door het feit dat de KOT-aanvraag is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1].

Bij de Belastingdienst is op 27 maart 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor vijf kinderen respectievelijk 121, 121, 135, 191 en 191 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,03. Daarnaast hebben diverse wijzigingen in de KOT plaatsgevonden.

3.

(a) Volgens vraagouder [X] is de berekening van het aantal uren door verdachte uitgerekend.

(b) Vraagouder [X] heeft verklaard dat gastouder [X] net als haar schoonmoeder gratis heeft opgepast. In 2006 is er niets uitbetaald aan de gastouder. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte gezegd dat de bedragen van € 6,03 en

€ 5,72 standaardbedragen waren die men van de Belastingdienst kon ontvangen. Gastouder [X] is vanaf 2007 betaald voor het oppassen voor een bedrag van € 200,- per maand.

4.

(a) Door aanvragen in te dienen is gedaan alsof een schriftelijke overeenkomst bestond tussen ouders en [BEDRIJFSNAAM 1].

(b) Voor gastouder [X] is geen VOG aangevraagd of afgegeven. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte niets over een VOG gezegd.

(c) Vraagouder [X] heeft verklaard dat gastouder [X] net als haar schoonmoeder gratis heeft opgepast. In 2006 is er niets uitbetaald.

5. Gastouder [X] heeft van april 2008 tot en met juli 2008 opgepast. Gastouder [X] wordt als gastouder vermeld op het contract met datum 1 september 2008.

Casus 4

2. De aanvraag KOT is door verdachte in juni 2007 gedaan en het contract is toen ook opgemaakt. Vraagouder [X] wist niet dat verdachte de KOT-aanvraag met terugwerkende kracht liet ingaan vanaf 1 januari 2007 en kwam dit te weten toen hij zelf verdachte hierover belde.

Volgens vraagouder [X] beschikte verdachte over zijn elektronische handtekening en bijbehorende wachtwoorden.

Bij de Belastingdienst is op 12 juli 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2007 voor twee kinderen, eenmaal 121 en eenmaal 195 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,02.

3.

(a) Op het contract zijn meer uren ingevuld dan door vraagouder [X] opgegeven. Uit de email van vraagouder [X] aan verdachte blijkt dat [X] voor twee kinderen 25 en 42 opvanguren heeft berekend. Als de uren van beide kinderen bij elkaar worden opgeteld, komt dit uit op 67 opvanguren per week. Indien 67 opvanguren worden vermenigvuldigd met 52 weken betekent dit dat op jaarbasis 3484 opvanguren worden berekend. Op het contract van [BEDRIJFSNAAM 1] is staan voor beide kinderen gezamenlijk 3792 opvanguren per jaar ingevuld. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte niets gezegd over het feit dat hij meer uren op het contract zou zetten en heeft [X] nadat hij het contract had ontvangen, het aantal uren niet meer gecontroleerd.

(b) In de email is niets aangegeven dat betrekking heeft op een afgesproken uurtarief.

4.

(c) Verdachte heeft niets gezegd over een eigen te betalen bijdrage voor de gastouder.

Casus 5

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2006. Verdachte heeft verklaard dat deze KOT-aanvraag onterecht is geweest, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet geregistreerd was.

2. De aanvraag KOT is gedaan vanaf IP-adressen in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1].

Bij de Belastingdienst is op 14 februari 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor driemaal 130 opvanguren per maand per kind. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,03.

3.

(a) Volgens vraagouder [X] zijn er geen 1560 uren per jaar opgepast, want 1560 uren is teveel. Volgens vraagouder [X] is het aantal opvanguren veel te hoog. Volgens gastouder [X] is het aantal opvanguren wel veel.

(b) Volgens vraagouder [X] zijn er nooit afspraken gemaakt over uurtarieven, zoals op het contract vermeld staat. De gastouder is niet betaald door vraagouder [X].

4.

(c) Het oppassen op de kinderen gebeurde zonder vergoeding.

5. Vraagouder [X] heeft verdachte in december 2007 gevraagd de KOT te stoppen, wat niet is gebeurd.

Casus 6

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2006. Verdachte heeft verklaard dat deze KOT-aanvraag onterecht is geweest, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet geregistreerd was.

2. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte de administratieve zaken geregeld en de aanvraag voor toeslagen gedaan. De rol van verdachte was volgens vraagouder [X] het aanvragen van de vergoedingen bij de Belastingdienst. Verder blijkt dat op 6 november 2007, 13 en 19 maart 2008 van een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1] contact is geweest voor KOT. De aanvraag KOT is gedaan vanaf IP-adressen in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1].

Bij de Belastingdienst is op 14 februari 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor tweemaal 130 opvanguren per maand per kind. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,03.

3.

(a) Volgens vraagouder [X] is het aantal uren opvang door verdachte bedacht. Ook uren dat men een weekend weg was of boodschappen ging doen, telden mee. Vraagouder [X] verklaarde verder dat het werkelijke aantal uren van verdachte niet hoefde te worden opgegeven. Vraagouder [X] heeft verklaard dat verdachte voor 2007 veel te veel uren heeft aangevraagd.

Vraagouder [X] heeft zelf uitgerekend hoeveel opvanguren nodig waren en zag dat het aantal uren veel te veel was. Toen vraagouder [X] dit tegen verdachte zei, heeft verdachte gezegd dat hij de regels kende en dat vraagouder [X] niet moest zeuren.

(b) De vergoeding van het uurtarief was volgens verdachte wettelijk vastgesteld.

4.

(b) Verdachte heeft verklaard dat de KOT-aanvraag onterecht is geweest, aangezien de vereiste VOG niet aanwezig was.

(c) Volgens vraagouder [X] ging het bedrag dat van [BEDRIJFSNAAM 1] werd ontvangen naar de gastouder.

5. Volgens vraagouder [X] is in 2008 niet meer opgepast door gastouder [X]. Over 2008 is tweemaal een bedrag van € 2291 uitbetaald. Dit geld heeft vraagouder [X] niet van verdachte op zijn rekening ontvangen.

Volgens vraagouder [X] heeft hij bepaalde wijzigingen doorgegeven aan verdachte met betrekking tot de gezinssamenstelling, de gewijzigde opvanguren en de opleiding van zijn echtgenote. De wijzigingen werden niet doorgegeven aan de bevoegde instanties.

Casus 8

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 29 maart 2006. Volgens vraagouder [X] kon verdachte niet met zekerheid zeggen of er recht bestond op KOT met terugwerkende kracht over 2006. Verdachte zou de aanvraag wel doen en dan zou wel worden bekeken over de toeslag zou worden toegekend.

2. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte over 2006 een aanvraag KOT ingediend. Verder blijkt dat op 21 januari 2008 van een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1], contact is geweest voor KOT. De aanvraag KOT is gedaan vanaf IP-adressen in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 1]. Over 2006, 2007 en 2008 is toeslag ontvangen.

Bij de Belastingdienst is op 29 juni 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor een kind voor 240 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 5,86. Ook is de KOT per 1 januari 2008 gewijzigd.

3.

(b) Het uurtarief is besproken tussen vraagouder [X] en verdachte.

4.

(b) De VOG dateert van 15 mei 2007. Het contract ging in op 29 maart 2006, zodat een periode van ruim één jaar is opgepast zonder VOG.

(c) De gastouder is over 2006 niet betaald. Vraagouder [X] heeft met verdachte niet gesproken over de vraag of de gastouder was betaald. De bedragen over 2007 en 2008 zijn aan de zus van vraagouder [X] doorbetaald. Vraagouder [X] heeft geen eigen bijdrage aan de gastouder betaald.

Casus 10

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum voor het ene kind van 1 januari en van het andere kind, vanaf de geboortedatum 2 februari 2006.

2. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte de aanvragen KOT over 2006, 2007 en 2008 gedaan. Verdachte zou de overeenkomst en aanvraag naar de Belastingdienst sturen.

Bij de Belastingdienst is op 1 februari 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor twee kinderen 166 opvanguren per maand per kind. De uurtarieven zijn vastgesteld op € 5,72 en € 6,03.

3.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat verdachte een berekening heeft gemaakt van het aantal oppasuren. Urenregistraties werden niet bijgehouden.

(b) De commissie werd aangepast, zodat de studiefinanciering van de gastouder niet in gevaar werd gebracht. Verdachte heeft verklaard dat vraagouder [X] de commissie van verdachte wilde verhogen. De aangevraagde KOT komt niet overeen met de werkelijkheid, niet met de oppasuren, niet met de uitbetaling aan de gastouder en het tarief klopt niet. Verdachte heeft verklaard dat [X] dat wilde. Vraagouder [X] heeft verklaard dat verdachte een oplossing had: hij zou de commissie verhogen.

Casus 11

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomsten hebben een ingangsdatum van 1 januari 2006.

2. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij voor de KOT-aanvraag zijn elektronische handtekening aan verdachte heeft gegeven.

Bij de Belastingdienst is op 31 maart 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor eenmaal 195 opvanguren per maand.

3.

(a) Over 2006 is er nooit een gastouder geweest via een gastouderbureau. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de gastouder een familielid was en dat er nooit via [BEDRIJFSNAAM 1] is opgepast.

(b) De gastouder is niet betaald.

4.

(a) Gastouder [X] heeft verklaard dat op de overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] niet haar handtekening is geplaatst en deze niet te hebben ondertekend. Vraagouder [X] verklaart dat de handtekeningen van hem en zijn vrouw op deze overeenkomst niet van hen zijn. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de gastouder een familielid was en dat er nooit via [BEDRIJFSNAAM 1] is opgepast.

(c) De vraagouders kennen geen gastouder [X]. De rechtbank leidt hieruit af dat aangezien er nooit is opgepast, de gastouder ook niet betaald kan zijn.

Casus 13

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. De overeenkomst heeft een ingangsdatum van 1 januari 2006.

2. Vraagouder [X] heeft verklaard dat het eerste contact tussen hem en [BEDRIJFSNAAM 1] februari of maart 2007 is geweest. Verdachte heeft het aanvraagformulier KOT ingevuld en opgestuurd.

Bij de Belastingdienst is op 1 februari 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor een kind 180 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 5,72.

3.

(a) Volgens vraagouder [X] heeft verdachte de oppasuren berekend, maar weet hij niet hoe verdachte deze berekening heeft gemaakt. Het werkelijke aantal opvanguren dat is opgepast, is niet bijgehouden.

(b) Het uurtarief is door verdachte bepaald. Verdachte heeft tegen vraagouder [X] niets gezegd over het uurtarief dat aan de gastouder moest worden betaald.

4.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat de handtekeningen van hem en zijn vrouw op deze overeenkomst niet van hen zijn en de gastouder niet te kennen. Vraagouder [X] heeft verklaard dat in 2006 in het geheel niet is opgepast.

Gastouder [X] heeft verklaard het kind van de vraagouders niet te kennen en daar ook nooit op te hebben gepast. Ook het adres waar zou moeten worden opgepast is voor gastouder [X] onbekend. Verder is de handtekening op deze overeenkomst volgens gastouder [X] niet van haar.

Verdachte heeft verklaard dat aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] niet geregistreerd stond, er ook geen contract kon zijn.

(b) De eerste aanvraag van een VOG van gastouder [X] is gedaan op 23 februari 2007. Op 8 november 2007 is om 18:25 uur een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [X]. Bij deze overeenkomst is een VOG van gastouder [X] gevoegd met als afgiftedatum 23 februari 2006. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte nooit iets gezegd over voorwaarden waaraan moest worden voldaan in het kader van KOT. Ook is niets gezegd over een VOG.

(c) Vraagouder [X] heeft de gastouder nooit een eigen bijdrage betaald, omdat verdachte dat nooit heeft verteld. In 2006 heeft niemand op het kind van vraagouder [X] gepast. Het kind van vraagouder [X] werd opgevangen door zijn schoonmoeder.

Casus 14

1. [BEDRIJFSNAAM 1] is op 15 november 2006 geregistreerd in het Register Kinderopvang. Vraagouder [X] heeft aangegeven te willen stoppen met [BEDRIJFSNAAM 1]. Ondanks dit verzoek kreeg vraagouder [X] een KOT-beschikking over 2006, waarbij het rekeningnummer waarop de toeslag werd uitgekeerd van [BEDRIJFSNAAM 1] was.

2. Vraagouder [X] heeft verklaard dat verdachte begin 2007 allerlei formulieren heeft ingevuld, waarna vraagouder [X] een concept contract heeft getekend. Het contract op een A-4'tje, heeft vraagouder [X] teruggestuurd naar [BEDRIJFSNAAM 1].

Bij de Belastingdienst is op 27 maart 2007 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 januari 2006 voor twee kinderen 134 opvanguren per maand per kind. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,03. Daarnaast is de KOT op 28 maart 2007 gewijzigd.

3.

(a) Volgens vraagouder [X] zijn de opvanguren door verdachte uitgerekend.

(b) Volgens vraagouder [X] stond op het contract een door de Belastingdienst gehanteerde standaardvergoeding voor oppasuren.

4.

(a) Volgens verdachte moest de overeenkomst nog worden getekend. Er is wel geld binnengekomen op rekening van [BEDRIJFSNAAM 1].

(b) Volgens verdachte was er geen VOG van deze vraagouder zodat zij niet voldeden aan de voorwaarden voor KOT.

(c) Volgens vraagouder [X] heeft verdachte nooit gesproken over het betalen van een eigen bijdrage van de vraagouders. "Het voordeel was juist dat je een subsidie ontving voor de gastouder en dat je niets zelf hoefde te betalen."

5. Vraagouder [X] heeft aangegeven te willen stoppen met [BEDRIJFSNAAM 1]. Ondanks dit verzoek kreeg vraagouder [X] een KOT-beschikking over 2006, waarbij het rekeningnummer waarop de toeslag werd uitgekeerd van [BEDRIJFSNAAM 1] was. Ook uit een afgeluisterd telefoongesprek blijkt dat [X] de KOT heeft willen stopzetten, maar dat dit is doorgegaan, zonder dat[X] dit geld kreeg gestort. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld niet heeft doorbetaald aan de vraagouders, aangezien zij niet aan alle eisen voldeden. Verdachte wist dat er sprake was van onterechte KOT.

Terugbetalen aan de Belastingdienst was volgens hem niet mogelijk. Verdachte heeft hierover niet gebeld met de Belastingdienst. Het probleem lag volgens verdachte deels bij hem, deels bij de Belastingdienst.

Opzet of oogmerk

Vervolgens dient de rechtbank te onderzoeken of verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling of opzet heeft gehandeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard weliswaar fouten te hebben gemaakt, maar nooit met boos opzet te hebben gehandeld.

Verdachte heeft bij de vraagouders [X], [X], [X] (zonder dat hij dit wist), [X], [X], [X], [X], [X], [X] en [X] (zonder dit te willen) de overeenkomsten met terugwerkende kracht over geheel 2006 of 2007 laten ingaan, terwijl verdachte met zijn bedrijf [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet geregistreerd was en hij wist dat er niet met terugwerkende kracht opgepast kon worden via zijn bedrijf.

Als vraagouders [X], [X] en [X] die de KOT wilden wijzigen, stopzetten of anderszins vraagtekens hadden bij het aantal opvanguren, werden deze wijzigingen niet door verdachte doorgevoerd of werd gezegd dat de vraagouder niet moest zeuren.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte geen opzet had, omdat hij de wet niet kende. Verdachte heeft zich echter naar vraagouders toe gepresenteerd als ter zake kundig. Zo heeft verdachte tegen vraagouders [X] en [X] gezegd, dat de Belastingdienst standaardbedragen hanteerde. Tegen [X] heeft verdachte gezegd de regels te kennen. In de andere casussen is te lezen dat verdachte berekeningen maakte voor het aantal opvanguren waar de vraagouders recht op hadden. Verdachte presenteerde zich als kenner van de regelgeving, hetgeen van verdachte, die tenslotte eigenaar was van meerdere gastouderbureaus, zou mogen worden verwacht.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat verdachte geen opzet had, omdat hij afhankelijk was van de informatie die hem door de vraagouders werd aangeleverd en dat door hem niet te controleren was. In de zaken van de vraagouders [X], [X], [X] en [X] heeft verdachte niet gevraagd naar het daadwerkelijk benodigde aantal uren KOT of hoefden deze uren niet te worden bijgehouden of heeft verdachte zelfs meer uren KOT aangevraagd dan werkelijk waren opgegeven of nodig waren. Verdachte wist dat er vraagouders waren die minder opvanguren nodig hadden dan er op het contract stonden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust meer uren heeft opgegeven dan in werkelijkheid nodig waren of door ouders waren opgegeven. Verdachte heeft tegen vraagouders gezegd dat het werkelijk aantal opvanguren niet hoefde te worden opgegeven en bijgehouden. Daaruit blijkt dat verdachte niet van plan was de situatie in overeenstemming te doen zijn met de werkelijkheid.

De rechtbank is op grond van deze feiten van oordeel dat verdachte welbewust en met opzet heeft gehandeld.

Tezamen en in vereniging met [BEDRIJFSNAAM 1]

[bedrijfsnaam 4] is sinds 29 januari 2008 aandeelhouder en bestuurder van gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1]. [bedrijfsnaam 4] is opgericht op 31 december 2007 en verdachte is sindsdien enig aandeelhouder en bestuurder van verdachte rechtspersoon [bedrijfsnaam 4] Verdachte is in loondienst van [bedrijfsnaam 4] Verdachte is sinds november 2006 actief geweest met zijn gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1]. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte alle gedragingen binnen [BEDRIJFSNAAM 1] heeft verricht en daar verantwoordelijk voor is. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met de [BEDRIJFSNAAM 1] heeft gehandeld.

Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn medewerkers aanvragen KOT indienden met behulp van DigiD's of elektronische handtekening van klanten. Verdachte heeft daarom ook in vereniging met anderen, zijn medewerkers, de Belastingdienst opgelicht.

Oplichting

Verdachte heeft door aanvragen KOT te doen en daarbij onder meer een te hoog aantal opvanguren, onjuist uurtarief en onterechte terugwerkende kracht op te voeren, gedaan alsof de vraagouders recht hadden op (die opvanguren en uurtarieven aan) KOT. De Belastingdienst was in de veronderstelling dat deze gegevens juist waren en heeft op basis van de door verdachte ingevulde aanvragen de KOT uitbetaald. Door dit handelen van verdachte is de Belastingdienst bewogen tot afgifte van de bedragen aan KOT. Als de Belastingdienst had geweten dat deze gegevens onjuist waren en bijvoorbeeld wist dat geen VOG's aanwezig waren en daarmee dus ook niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan, had de Belastingdienst de KOT niet uitbetaald.

De rechtbank heeft onderzocht voor welk bedrag verdachte de Belastingdienst heeft opgelicht. De FIOD heeft hiervan een berekening gemaakt door de aanvragen van [BEDRIJFSNAAM 1] in een drietal categorieën in te delen.

In de eerste categorie die betrekking heeft op de periode tot januari 2007 - toen [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet geregistreerd was en niet de beschikking had over de vereiste VOG's - is een bedrag van € 1.927.027,- onterechte KOT uitgekeerd. De eerste VOG voor [BEDRIJFSNAAM 1] is afgegeven op 30 januari 2007.

In de tweede categorie die betrekking heeft op de periode van februari 2007 tot en met oktober 2008 - waarbij geen vereiste VOG aanwezig was - is een bedrag van € 1.457.140,- onterechte KOT uitgekeerd.

De derde categorie heeft betrekking op de gevallen waarbij wel een VOG aanwezig was, maar ten onrechte met terugwerkende kracht KOT is aangevraagd. Het gaat hierbij om een bedrag van € 1.593.489,- aan onterecht uitgekeerde KOT.

De rechtbank leidt hieruit af dat de Belastingdienst een bedrag van € 4.977.656,- onterechte KOT heeft uitgekeerd en daardoor voor dit bedrag is opgelicht. Dit bedrag is ten goede gekomen aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

Verdachte is betrokken geweest bij diverse gastouderbureaus, waaronder [BEDRIJFSNAAM 1], [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. [BEDRIJFSNAAM 3] is de opvolger van [BEDRIJFSNAAM 2].

De door deze gastouderbureaus gedane aanvragen KOT zijn meestentijds op de rekening van het betreffende gastouderbureau gestort, waarna dit geld (al dan niet geheel of gedeeltelijk) door de gastouderbureaus werd doorgestort op rekening van de vraagouders, na inhouding van hun eigen commissie. Maandelijks werden bedragen aan KOT op de rekening van de GOB's gestort.

De periode in de tenlastelegging heeft betrekking op het moment van registratie van [BEDRIJFSNAAM 1] tot en met 13 oktober 2008, de dag van de aanhouding van verdachte.

[BEDRIJFSNAAM 1]

[BEDRIJFSNAAM 1] is gevestigd in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

Verdachte heeft verklaard dat hij als enige de betalingen van [BEDRIJFSNAAM 1] deed. Bij de aanvragen KOT werd altijd het bankrekeningnummer van [BEDRIJFSNAAM 1] opgegeven, zodat de KOT ook altijd op de rekening van [BEDRIJFSNAAM 1] werd gestort. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte degene is geweest die de beschikking had over deze rekening en dus de feitelijke zeggenschap had over dit geld. Verdachte is dan ook degene die de KOT (al dan niet geheel of gedeeltelijk) na ontvangst en inhouding van de commissie, heeft doorgestort naar de vraagouders.

De bedragen aan KOT zijn aan [BEDRIJFSNAAM 1] uitbetaald tussen 19 februari 2007 en 12 september 2008.

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 3], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 3] zijn verricht.

Zowel verdachte als medeverdachte konden betalingen verrichten en beschikten over het vermogen op de rekening van [BEDRIJFSNAAM 2]. Medeverdachte voerde de betalingen voor [BEDRIJFSNAAM 2] uit. Verdachte heeft de werkwijze, zoals de procedure van aanvragen en de (hoogte van de) toeslag, met medeverdachte besproken. Verdachte focuste zich vooral op de geldstromen en de administratie bij [BEDRIJFSNAAM 2].

Verdachte was als leidinggevende werkzaam bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Verdachte gaf workshops ter instructie aan medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2]. Verdachte hield zich binnen [BEDRIJFSNAAM 2] bezig met administratieve processen. Volgens medeverdachte handelde verdachte de inhoudelijke vragen over kwitanties en boekhouding af. Ook vragen over de regelgeving werden bij verdachte neergelegd. Het maximaal aantal opvanguren werd mede door verdachte vastgesteld.

[naam medewerker], medewerker van [BEDRIJFSNAAM 2], deed de administratie voor [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] op de manier zoals haar dit door verdachte was opgedragen.

De bedragen aan KOT zijn aan [BEDRIJFSNAAM 2] uitbetaald tussen 28 januari 2008 en 28 mei 2008 2008. De bedragen aan KOT zijn aan [BEDRIJFSNAAM 3] uitbetaald tussen 20 mei 2008 en 23 oktober 2008. Medeverdachte heeft verklaard dat [BEDRIJFSNAAM 2] elke maand de KOT kreeg uitgekeerd, die hij dan na inhouden van zijn commissie uitkeerde aan de vraagouders. Van deze commissie betaalde hij salarissen, huur en belastingen van [BEDRIJFSNAAM 2]. Het bedrag wat overbleef werd verdeeld en overgemaakt op rekening van [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5]

Van misdrijf afkomstig

De Belastingdienst heeft de KOT uitbetaald, omdat verdachte de Belastingdienst heeft opgelicht. De onterecht uitgekeerde KOT is daarom van misdrijf afkomstig. Omdat verdachte schuldig is aan oplichting van de Belastingdienst, wist verdachte ook dat dit geld wat hij voorhanden had en heeft overgedragen, door oplichting was verkregen. Verdachte is daarom schuldig aan witwassen.

Witwasbedrag

Op de rekeningen van deze drie gastouderbureaus is onterecht een bedrag van € 7.712.626,- aan KOT uitgekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, tezamen en in vereniging met medeverdachte, [BEDRIJFSNAAM 1], [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] een bedrag van € 7.712.626,- voorhanden heeft gehad, aangezien dit geld op de rekeningen van de gastouderbureaus is gestort. Verdachte had feitelijk zeggenschap over dit geld.

Gewoontewitwassen

De bedragen aan KOT zijn maandelijks en gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar op rekening van de GOB's gestort en (al dan niet geheel of gedeeltelijk) doorgestort. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 3

De rechtbank zal bij de beoordeling van het bewijs de structuur van de tenlastelegging nagaan en per document nagaan of en zo ja, welk bewijs daarvoor bestaat.

Verdachte is sinds november 2006 actief geweest met zijn gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1]. [BEDRIJFSNAAM 1] is gevestigd in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1] zijn verricht.

VOG's geantedateerd

De eerste aanvraag van een VOG ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is gedateerd 30 januari 2007.

VOG

Op 14 november 2007 is om 18:38 uur een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [X]. Van deze fax is een ontvangstbevestiging aangetroffen bij de doorzoeking op het bedrijfsadres van [BEDRIJFSNAAM 1]. Bij deze overeenkomst is een VOG van [X] gevoegd met als afgiftedatum 11 maart 2006. De eerste VOG van [X] ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is afgegeven 11 maart 2007.

VOG

Bij deze overeenkomst is een VOG van [X] gevoegd met als afgiftedatum 23 februari 2006. De eerste VOG van [X] ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is afgegeven op 23 februari 2007. Gastouder [X] heeft de datum op de VOG niet veranderd en weet niet wie dat wel heeft gedaan en om welke reden. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het niet mogelijk is een VOG uit 2006 in zijn administratie te hebben, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] toen nog niet bestond.

VOG

Op 27 juni 2006 zou een VOG zijn afgegeven op naam van [X]

De eerste VOG van [X] ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is afgegeven op 30 januari 2007.

Formulieren gastouderopvang geantedateerd

Gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1] is per 15 november 2006 geregistreerd als gastouderbureau bij de gemeente [vestigingsplaats 2]. Registratie bij de gemeente is een voorwaarde waaraan het gastouderbureau moet voldoen, alvorens vraagouders een KOT-aanvraag via het gastouderbureau kunnen doen. De KOT die is uitbetaald terwijl [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet stond geregistreerd is onterecht.

D-076

Op de overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [X] staat volgens vraagouder [X] niet haar handtekening. [X] heeft weliswaar ooit een contract getekend, maar dat is niet in 2006 gebeurd, terwijl de overeenkomst op 15 februari 2006 zou zijn getekend.

D-078

Op de overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [X] staat volgens [X] niet haar handtekening. Zij heeft weliswaar ooit een contract getekend, maar dat is niet in 2006 gebeurd, terwijl de overeenkomst op 15 februari 2006 zou zijn getekend.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij op 15 februari 2006 geen overeenkomst heeft getekend en verdachte pas eind 2006 voor het eerst te hebben ontmoet. [X] kende hij in februari 2006 niet eens, dus kon hij ook geen overeenkomst aangaan.

D-047

Op de overeenkomst staat dat deze op 5 januari 2006 is ondertekend. [X] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst niet op 5 januari 2006 heeft ondertekend. Het formulier is medio maart 2007 in zijn geheel door verdachte ingevuld. De overeenkomst is in maart 2007 ondertekend.

D-105

De overeenkomst zou op 14 april 2006 zijn ondertekend en ingaan voor een drietal kinderen per 1 januari 2006 en voor één van de kinderen op 9 april 2006. Dit kan feitelijk niet, nu [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet was opgericht en verdachte heeft verklaard dat hij sinds november 2006 actief is geweest met zijn gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1] en [BEDRIJFSNAAM 1] vanaf 15 november was geregistreerd.

D-244

Vraagouder [X] heeft verklaard dat de datum van ondertekening van de overeenkomst niet juist is. Het contract heeft zij namelijk pas eind 2006, begin 2007 gekregen. Begin 2006 kende vraagouder [X] verdachte niet eens.

Deze overeenkomst bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en kon niet vanaf 1 januari ingaan, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet was opgericht.

D-109

[X] heeft verklaard dat in 2006 in het geheel niet is opgepast. In februari of maart 2007 heeft vraagouder [X] contact gehad met verdachte. De overeenkomst bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2007 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] op 1 januari 2006 nog niet was opgericht.

D-098

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 1 januari 2006 en ondertekeningsdatum 25 januari 2006. Aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] niet eerder dan 15 november 2006 stond geregistreerd, is deze overeenkomst geantedateerd.

Formulieren gastouderopvang voorzien van valse handtekeningen

D-015

De handtekening van gastouder [X] op de overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] en gastouder [X] kent vraagouder [X] niet. Vraagouder [X] heeft deze overeenkomst nog nooit gezien. Volgens vraagouder [X] heeft verdachte de overeenkomst ingevuld, aangezien hij alles regelde en zij bij [BEDRIJFSNAAM 1] alleen contact met verdachte heeft gehad over de KOT.

Of de handtekening van [X] vals is, is onduidelijk, maar vraagouder [X] heeft verklaard dat de op de overeenkomst genoemde gastouder [X] op 1 januari 2006 helemaal niet in Nederland woonde. Als de gastouder niet in Nederland was op het moment van de ondertekening kan zij deze handtekening ook niet gezet hebben

Verdachte heeft verklaard dat de handtekening 'links' volgens hem niet van hem is.

D-001

Verdachte heeft alle gegevens ingevuld. Volgens vraagouder [X] zijn de handtekeningen van hem, zijn vrouw en de gastouder, niet van hen. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn eigen handtekening op de overeenkomst herkent, terwijl vraagouder [X] verklaard heeft dat haar handtekening en die van haar man niet van hen zijn. Verdachte heeft geen verklaring voor de reden dat zijn handtekening op deze overeenkomst staat, maar hij geeft wel aan dat hij daar verantwoordelijk voor is.

D-061

Volgens gastouder [X] is de handtekening op de overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X], niet haar handtekening en heeft zij deze overeenkomst niet ondertekend.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat de handtekeningen van hem en zijn vrouw op deze overeenkomst niet van hen zijn.

D-067

Gastouder [X] kent deze overeenkomst niet. De handtekeningen op deze formulieren zijn niet van gastouder [x].

D-066

Volgens vraagouder [X] zijn de handtekeningen van hem en zijn vrouw op deze overeenkomst niet van hen. Gastouder [X] kent hij niet. Gastouder [X] heeft verklaard dat de handtekening op deze overeenkomst niet van haar is.

Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat de handtekening op deze overeenkomst wel van hem is. Volgens verdachte lijkt het of iemand zomaar iets krast, maar hij heeft daar geen verklaring voor.

Teveel opvanguren

D-015

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij deze overeenkomst nog nooit heeft gezien en niets heeft ingevuld. Volgens vraagouder [X] werden de uren door verdachte berekend. Verdachte heeft een hoger aantal oppasuren verzonnen.

D-001

Vraagouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren op deze overeenkomst onjuist is en dat verdachte alle gegevens heeft ingevuld.

D-076

Volgens vraagouder [X] zijn er geen 1560 uren per jaar opgepast, want dat is teveel. Volgens vraagouder [X] is het aantal opvanguren veel te hoog en volgens gastouder [X] is het aantal opvanguren wel veel.

D-078

Gastouder [X] heeft niet het aantal uren opgepast zoals dat op de overeenkomst staat vermeld.

Volgens vraagouder [X] heeft verdachte voor 2007 veel te veel uren aangevraagd.

Onjuiste en fictieve oppas

D-015

Vraagouder [X] heeft verklaard dat de op de overeenkomst genoemde gastouder [X] op 1 januari 2006 helemaal niet in Nederland woonde. Gastouder [X] heeft in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2007 niet opgepast. Vanaf 2006 tot begin 2007 heeft [X] opgepast.

D-066

Vraagouder [X] kent gastouder [X] niet. Volgens vraagouder [X] is in 2006 in het geheel niet opgepast.

Gastouder [X] kent het kind en het adres van de vraagouders niet en heeft ook nooit op dit kind gepast. De handtekening op deze overeenkomst is niet van gastouder [X].

Onjuiste ingangsdatum van overeenkomst

Gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1] is per 15 november 2006 geregistreerd als gastouderbureau bij de gemeente [vestigingsplaats 2]. Registratie bij de gemeente is een voorwaarde waaraan een GOB moet voldoen, alvorens vraagouders recht hebben op KOT.

D-015

De overeenkomst bestrijkt de periode van 1 januari 2006 en 1 januari 2007. De datum van 1 januari 2006 ligt, gezien bovenstaande, te vroeg.

D-001

De aanvraag KOT over 2006 is in maart 2007 ingevuld, waarbij verdachte alle gegevens heeft ingevuld. Volgens vraagouder [X] is de aanvraag achteraf opgemaakt om over het jaar 2006 KOT te kunnen aanvragen. Verdachte heeft verklaard dat de datum van 22 april 2006 op de overeenkomst niet juist kan zijn, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet geregistreerd was.

D-076

Vraagouder [X] heeft ooit een contract getekend, maar dat is niet in 2006 gebeurd. Deze overeenkomst zou zijn getekend op 15 februari 2006. Verdachte heeft verklaard dat hij ervan uit ging, dat de vraagouders opvang hadden over 2006 en de waarheid spraken.

D-078

Volgens [X] heeft hij de overeenkomst niet op 15 februari 2006 getekend. Verdachte heeft de verkeerde datum op de overeenkomst gezet, want die is pas eind 2006 getekend. [X] heeft verdachte pas eind 2006 voor het eerst ontmoet. [X] kende verdachte in februari 2006 niet, dus kon hij ook geen overeenkomst aangaan.

D-047

Vraagouder [X] heeft de overeenkomst niet op 5 januari 2006 ondertekend. De overeenkomst is medio maart 2007 in het geheel door verdachte ingevuld en in maart 2007 ondertekend.

D-105

De overeenkomst zou op 14 april 2006 zijn ondertekend en ingaan voor een drietal kinderen per 1 januari 2006 en voor één van de kinderen op 9 april 2006. Dit kan feitelijk niet, nu [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet was opgericht en verdachte heeft verklaard dat hij sinds november 2006 actief is geweest met zijn gastouderbureau [BEDRIJFSNAAM 1] en [BEDRIJFSNAAM 1] vanaf 15 november 2006 was geregistreerd.

D-244

Vraagouder [X] heeft verklaard dat de datum van ondertekening van de overeenkomst niet juist is. Het contract heeft zij namelijk pas eind 2006, begin 2007 gekregen. Begin 2006 kende [X] verdachte niet eens.

Deze overeenkomst bestrijkt de periode 1 januari 2006 tot 31 december 2006 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] nog niet was opgericht.

D-061

Deze overeenkomst bestrijkt de periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd.

D-067

Deze overeenkomst bestrijkt de periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd.

D-046

Deze overeenkomst bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2012 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd. De datum van ondertekening van deze overeenkomst is 5 februari 2007. Verdachte heeft tegen vraagouder [X] gezegd hij recht had op KOT met terugwerkende kracht over 2006.

D-066

Deze overeenkomst bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2007 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd.

Daarnaast is het kind van de vraagouders volgens de overeenkomst op 25 januari 2006 geboren en kan niet eerder opgepast worden dan dat het kind geboren is.

D-109 i

Vraagouder [X] heeft verklaard dat in 2006 in het geheel niet is opgepast. In februari of maart 2007 heeft vraagouder [X] contact gehad met verdachte.

Deze overeenkomst bestrijkt de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2007 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd.

D-098

Deze overeenkomst heeft als ingangsdatum 1 januari 2006 en kon nog niet bestaan, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd.

Te hoog uurtarief

D/076 en D/077

Het uurtarief is volgens [X] en [X] nooit afgesproken zoals op de overeenkomst staat vermeld.

KTO-aanvraag

D-011

De datum van aanvraag KOT zou zijn gedaan op 1 januari 2006. Dit kan niet, omdat [BEDRIJFSNAAM 1] pas per 15 november 2006 was geregistreerd. Vraagouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren op deze overeenkomst onjuist is en dat verdachte alle gegevens heeft ingevuld.

Gebruik van vervalste VOG's

De eerste aanvraag van een VOG ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is van 30 januari 2007. Een tweetal VOG's is naar de Belastingdienst gefaxt, waarbij het faxopschrift '[naam]' betrof. Een testfax vanaf het bedrijfsadres van [BEDRIJFSNAAM 1] naar de Belastingdienst geeft het bovenstaande opschrift aan, wat aangeeft dat de faxen met dit opschrift door [BEDRIJFSNAAM 1] zijn gefaxt.

VOG

Op 14 november 2007 is om 18:38 uur een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [X]. Van deze fax is een ontvangstbevestiging aangetroffen bij de doorzoeking op het bedrijfsadres van [BEDRIJFSNAAM 1]. Bij deze overeenkomst is een VOG van [x] gevoegd met als afgiftedatum 11 maart 2006. De eerste VOG van [x] ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is echter afgegeven op 11 maart 2007.

VOG

Op 8 november 2007 is om 18:25 uur een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X], en als gastouder [X]. Bij deze overeenkomst is een VOG van [X] gevoegd met als afgiftedatum 23 februari 2006. De eerste VOG van [X] ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM 1] is echter afgegeven op 23 februari 2007.

Gastouder [X] heeft de datum op de VOG niet veranderd en weet niet wie dat heeft gedaan en om welke reden. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het niet mogelijk is een VOG uit 2006 in zijn administratie te hebben, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] toen nog niet bestond.

Valsheid in geschrift

De VOG's, overeenkomsten gastouderopvang en aanvragen KOT zijn geschriften. Deze documenten hadden een bewijsbestemming, nu de Belastingdienst de gegevens kon opvragen om te controleren of de documenten in overeenstemming waren met de werkelijkheid en dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Verdachte heeft het oogmerk gehad deze documenten als echt en onvervalst te gebruiken bij een eventuele controle door de Belastingdienst om daarmee te kunnen aantonen welke basisgegevens voor de KOT-aanvraag zijn gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat feit 3 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 4

Verdachte is verweten dat hij de in feit 3 genoemde valse en vervalste documenten in de administratie van [BEDRIJFSNAAM 1] heeft opgenomen.

De overeenkomsten over 2006 zijn op de [adres en woonplaats] in beslag genomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte deze overeenkomsten in zijn administratie heeft opgenomen. Aangezien het opnemen van de overeenkomsten in de administratie een verplichting was op grond van de Regeling Wet kinderopvang en deze documenten, waarvan verdachte wist dat deze vals of vervalst waren in de administratie zijn opgenomen, heeft hij het oogmerk gehad deze te gebruiken bij een eventuele controle door de Belastingdienst.

Een tweetal VOG's is naar de Belastingdienst gefaxt, waarbij het faxopschrift '[naam]' betrof. Een testfax vanaf het bedrijfsadres van [BEDRIJFSNAAM 1] in [vestigingsplaats 1] naar de Belastingdienst geeft het bovenstaande opschrift aan, wat aangeeft dat de faxen met dit opschrift door [BEDRIJFSNAAM 1] zijn gefaxt.

Op 14 november 2007 is een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X] met als gastouder [x].

Van deze fax is een ontvangstbevestiging aangetroffen bij de doorzoeking op het bedrijfsadres van [BEDRIJFSNAAM 1].

Op 8 november 2007 is een fax gestuurd naar de Belastingdienst met een overeenkomst tussen [BEDRIJFSNAAM 1], vraagouders [X] en [X], en als gastouder [X]. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het niet mogelijk is een VOG uit 2006 in zijn administratie te hebben, aangezien [BEDRIJFSNAAM 1] toen nog niet bestond.

De documenten zijn in beslag genomen in [vestigingsplaats 2] en [vestigingsplaats 1], waaruit de rechtbank afleidt dat dit de plaatsen zijn waar deze documenten in de bedrijfsadministratie aanwezig zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 5

Verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot oplichting gepleegd door verdachten, rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] De rechtbank zal allereerst de verschillende casussen bespreken, zoals deze op de tenlastelegging zijn vermeld. Daarna zal de rechtbank een conclusie trekken of verdachte binnen [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot oplichting van de Belastingdienst.

Betrouwbaarheid getuigen

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vraagouders als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De raadsman heeft immers, zonder overigens een ondubbelzinnige conclusie hieraan te verbinden, betoogd dat sommige vraagouders onbetrouwbaar zijn, omdat zij wisselend verklaren en een belang zouden hebben bij het belasten van verdachte en ontlasten van zichzelf, gezien de tegen hen aanhangige strafzaken.

Dat de vraagouders belang zouden hebben bij het belastend verklaren tegen verdachte is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. De raadsman heeft daarnaast geen concrete voorbeelden genoemd, waarop hij zijn standpunt heeft gebaseerd. De rechtbank heeft gezien dat de vraagouders onderling consistent en nagenoeg identiek verklaren over de werkwijze van het gastouderbureau. Zo verklaren vraagouders [X], [X], [X], [X], [X] en [X] dat zij geen contact hebben gehad met het gastouderbureau over het aantal opvanguren of dat het aantal opvanguren door [BEDRIJFSNAAM 2] is bepaald. Verder verklaren [X], [X] en [X] dat het aantal opvanguren door [BEDRIJFSNAAM 2] is verhoogd. Vraagouders [X], [X] en [X] bevestigen de verklarigen van [naam medewerker], aangezien de vraagouders verklaren dat het uurtarief € 6,10 was.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de getuigen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en dat deze verklaringen derhalve voor het bewijs kunnen dienen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring voor feit 5 uit van de in de tenlastelegging genoemde casussen. Deze casussen zullen afzonderlijk en in de volgorde zoals op de tenlastelegging vermeld aan de hand van de onderstaande punten worden besproken.

1. Verdachte heeft formulieren voor de aanvraag van kinderopvangtoeslag (afgekort: KOT) bij de Belastingdienst ingeleverd en daarmee doen voorkomen dat de in de casussen genoemde ouders aanspraak hadden op KOT (met terugwerkende kracht);

2. Verdachte deed alsof de in de casus genoemde ouders

a. het in de aanvraag opgenomen aantal KOT-uren per kind nodig hadden en

b. een uurtarief was overeengekomen;

3. Verdachte deed alsof [BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3] en de ouders aan de bij wet gestelde eisen voldeden, namelijk:

c. dat kinderopvang plaatsvond op basis van een getekende, schriftelijke overeenkomst tussen ouder en houder ([BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3]),

d. dat gastouders in bezit waren van een Verklaring Omtrent Gedrag (afgekort: VOG),

e. dat gastouders betaald werden voor het aantal uren en overeenkomstig het tarief zoals vastgelegd in de overeenkomst;

4. Verdachte wijzigingen in de situatie betreffende de KOT niet altijd aan de Belastingdienst heeft doorgegeven.

Casus 1

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. De aanvraag is gedaan zonder dat [X] dat wist en wilde. Toen medeverdachte bij [X] wegging, moest [X] een handtekening zetten, omdat medeverdachte aan zijn opdrachtgever moest verantwoorden dat hij bij [X] op bezoek was geweest. Volgens [X] heeft medeverdachte niet gesproken over het aanvragen van KOT met terugwerkende kracht.

Bij de Belastingdienst is op 20 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor 110 en 140 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. De aanvraag is tweemaal ingetrokken.

2.

(a) [X] heeft verklaard dat hij niet met medeverdachte heeft gesproken over het aantal uren.

(b) Toen de gastouder van [X] niet betaald wilde worden, heeft medeverdachte voorgesteld zelf een gastouder te zoeken en die naam op het contract te zetten. Toen [X] aangaf dat hij dit niet wilde, heeft verdachte gezegd dat dit niet meer kon, aangezien het allemaal al geregeld was. Alles gebeurde slechts op papier, terwijl in werkelijkheid niets gebeurde. Er was geen kinderopvang.

3.

(a) De overeenkomst is door [X] nooit ondertekend. [naam Freelancer] heeft verklaard dat de aanvraag KOT nooit compleet geweest, aangezien er geen contract was.

4. Toen [X] de KOT wilde laten stopzetten, aangezien hij helemaal geen machtiging aan medeverdachte had gegeven, heeft medeverdachte gezegd dat [X] zijn bek moest houden en dat hij van de KOT op vakantie kon.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat het niet waar is dat hij, zoals getuige [X] heeft verklaard, zo graag de KOT wilde hebben en dat zelfs 's avonds laat een afspraak werd gemaakt. [X] heeft verklaard dat het niet logisch is dat als hij een aanvraag KOT doet, dat hij daarna het geld aan de Belastingdienst wil teruggeven.

Casus 2

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2].

Bij de Belastingdienst is op 2 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 110 opvanguren per maand per kind. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) [X] heeft in het gesprek met [X] niet gesproken over het aantal opvanguren. [X] was niet in dienst van [BEDRIJFSNAAM 2], maar heeft vraagouders wel advies gegeven.

(b) [X] heeft verklaard dat er volgens haar niet over een uurtarief is gesproken.

3.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij een formulier heeft ontvangen, niets heeft ingevuld en na drie weken een bedrag kreeg van de 'instantie' (de rechtbank begrijpt van het gastouderbureau). [X] heeft verder verklaard dat haar gegevens zijn opgenomen door een mevrouw, maar dat zijzelf niets heeft ondertekend. [X] heeft geen contract getekend met [BEDRIJFSNAAM 2].

Casus 3

1. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij een aantal formulieren naar [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gestuurd en dat hij daarna de toelage kreeg uitbetaald. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij de aanvraag KOT niet zelf heeft gedaan.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat zijn vrouw per eind januari 2008 zou stoppen met werken, waarop een vrouwelijke medewerker van [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gezegd dat zij dan toch recht hadden op KOT voor het hele jaar.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij tegen [naam medewerker] (de rechtbank begrijpt: [naam medewerker]) heeft gezegd dat zij zou stoppen met werken. [naam medewerker] heeft gezegd dat ze maar één dag hoefde te werken om recht te hebben op KOT. De KOT kon worden geregeld met terugwerkende kracht.

Bij de Belastingdienst is op 24 januari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 165 en 176 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij nooit contact heeft gehad over het aantal opvanguren, dat is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Volgens [X] zijn de uren op de overeenkomst veel te veel uren en heeft hij deze uren nooit doorgegeven.

Volgens vraagouder [X] heeft zij nooit gezegd 165 en 176 opvanguren nodig te hebben. Ze ging immers stoppen met werken en had zoveel uren helemaal niet nodig. Vraagouder [X] heeft niet met [naam medewerker] gesproken over het aantal uren.

(b) [naam medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte dit tarief had verteld. Verdachte rekende altijd de maximale vergoeding van € 6,10 per uur.

Casus 4

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Vraagouder [X] heeft nooit een contract ondertekend. Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij wel een formulier heeft ingevuld, maar dacht dat dit om de aanvraag van informatie ging. Vraagouder [X] heeft het formulier eind februari of begin maart ingevuld. [X] heeft dat formulier opgestuurd en daarna kwam de brief van de Belastingdienst, twee dagen later gevolgd door het contract van het gastouderbureau. Vraagouder [X] heeft pas later begrepen, na het bezoek van de Belastingdienst, dat er een aanvraag KOT was gedaan op zijn naam.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind; 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat op het aanvraagformulier 60 opvanguren waren aangevraagd. Het gastouderbureau heeft daar 200 uur van gemaakt. Volgens vraagouder [X] klopte het aantal uren op het contract niet met de werkelijkheid.

(b) Vraagouder [X] betaalde de gastouder tussen de € 60,- en €100,-.

3.

(a) Vraagouder [X] heeft nooit een contract ondertekend.

(b) Vraagouder [X] heeft geen VOG opgevraagd omdat eerst de uren moesten worden gecorrigeerd.

(c) Vraagouder [X] betaalde de gastouder tussen de € 60,- en €100,-.

4. Vraagouder [X] heeft contact gehad met het gastouderbureau en gezegd dat hij geen 200 uren wilde. Het gastouderbureau zei dat ze er desnoods nog 6 maanden mee zouden doorgaan en dan stoppen. Het gastouderbureau wilde de uren niet wijzigen, omdat 60 uur te weinig was.

Vraagouder [X] heeft gebeld naar [BEDRIJFSNAAM 2] om te zeggen dat zij de KOT niet wilden hebben. Daarop heeft een vrouw van [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat ze niet moesten zeuren en dat ze recht hadden op KOT.

Casus 7

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [X] heeft verklaard dat hij wel toestemming heeft gegeven om het allemaal te regelen.

Volgens [X] was het eerste gesprek met betrekking tot de aanvraag KOT in februari 2008. De ingangsdatum van het contract is 11 januari 2008.

Volgens [X] heeft [naam medewerker] gezegd dat de KOT met een maand terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. [naam medewerker] heeft verklaard dat zij alle klanten heeft uitgelegd dat KOT met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd.

Bij de Belastingdienst is op 7 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind; 120 opvanguren per maand. Ook is een aanvraag stopzetting gedaan op 2 maart 2008. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat de dame van [BEDRIJFSNAAM 2] heeft gezegd dat opvanguren beschikbaar waren volgens procedure.

(b) De gastouder zou € 100,- a € 150,- ontvangen van het bedrag dat [X] aan KOT ontving.

3.

(a) Het contract heeft [X] nooit ondertekend en nooit teruggestuurd. Volgens [X] heeft de man van [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat de naam van de gastouder er alleen voor de vorm stond, om aan de eisen te voldoen. [X] heeft verklaard dat de gastouder volgens [BEDRIJFSNAAM 2] alleen op papier zou bestaan. Gastouder [X], die op het contract van [X] staat, heeft verklaard dat de naam [X] hem niet bekend voor komt.

(c) De gastouder is nooit geweest.

4. Toen [X] wilde stoppen en het contract wilde weggooien heeft [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt medeverdachte) gezegd dat [X] te eerlijk was.

Casus 8

1. [X] is via [X] (de rechtbank begrijpt dat [X] dezelfde persoon is als [X]) in contact gekomen met [BEDRIJFSNAAM 2]. Het contract is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG van de gastouder is van 27 februari 2008.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen voor een kind 200; opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) De gastouder [X], die oppast op haar broertje, heeft verklaard dat 200 uur gastouder per maand wel veel is en dat dit aantal uren niet werd opgepast. Het aantal uren is op initiatief van [BEDRIJFSNAAM 2] ingevuld. [X] heeft nooit over uren gesproken met [X].

3.

(b) Het contract is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG van de gastouder is van 27 februari 2008.

Casus 9

1. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de aanvraag KOT is ingediend door [naam medewerker] van [BEDRIJFSNAAM 2].

Vraagouder [X] heeft verklaard dat [naam medewerker] de papieren heeft ingevuld. Op die papieren stond ook de naam [BEDRIJFSNAAM 2]. [naam medewerker] vulde volgens [X] vermoedelijk de aanvraag in en heeft een berekening gemaakt. [X] heeft de overeenkomst getekend.

Bij de Belastingdienst is op 20 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 120 en 200 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat [naam medewerker] het aantal opvanguren berekende. In totaal zijn er 120 en 200 opvanguren per maand berekend. Vraagouder [X] werkte echter 15 uur per week. De rechtbank leidt daaruit af dat meer dan het dubbele aantal opvanguren is berekend dan waar recht op bestond.

(b) [naam medewerker] heeft het uurtarief ingevuld en vraagouder [X] dacht dat dit een standaardbedrag was. [naam medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat verdachte heeft dit tarief had verteld.

3.

(c) Vraagouder [X] heeft verklaard dat zij de KOT aan de gastouder doorbetaalde, maar geen eigen ouderbijdrage.

Casus 11

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. [X] heeft verklaard dat ergens in maart 2008 er contact is geweest tussen hem en [BEDRIJFSNAAM 2] en dat hem aanvraagformulieren zijn toegestuurd. Daarna is KOT ontvangen.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hem is verteld door [BEDRIJFSNAAM 2] dat KOT met drie maanden terugwerkende kracht kon worden teruggevraagd, maar dat hij dan wel een maand KOT aan het gastouderbureau moest betalen.

Bij de Belastingdienst is op 14 maart 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind 200; opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij op het inschrijfformulier 120 uur heeft ingevuld en dat dit doorgestreept is, waarna daar 200 uur van is gemaakt, aangezien ook uren voor het uitrusten en slapen moesten worden meegeteld. Dit is ook zichtbaar op het inschrijfformulier.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat haar man 120 opvanguren heeft opgegeven, dat die doorgestreept zijn en dat daar door die mensen 200 uren van was gemaakt.

Vraagouder [X] heeft verder verklaard dat was gezegd dat ook de uren dat de kinderen bij de gastouder sliepen meetelden. Ook dan echter kwam [X] niet aan 200 opvanguren.

3.

(b) De gastouder heeft vanaf 24 maart 2008 een VOG, terwijl volgens het contract de gastouder vanaf 11 januari 2008 actief was. Volgens [X] kon dit omdat met terugwerkende kracht voor drie maanden KOT worden aangevraagd.

Casus 13

1. Volgens [X] is de aanvraag KOT door [BEDRIJFSNAAM 2] gedaan. De gastouder heeft vanaf maart 2008 opgepast. Op de overeenkomst is te zien dat de ingangsdatum 11 januari 2008 is. De ingangsdatum van het contract is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald.

Bij de Belastingdienst is op 13 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor twee kinderen, 115 en 190 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10.

2.

(a) [X] heeft verklaard dat de uren al op het contract stonden toen dit werd toegestuurd. De uren op het contract kloppen volgens [X] niet, aangezien de gastouder minder uren oppast. Volgens vraagouder [X] is het aantal uren door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Freelancer [naam Freelancer] heeft verklaard dat hij het aantal uren niet heeft ingevuld.

Gastouder [X] heeft verklaard dat hij gemiddeld 5 uur per week oppaste. De rechtbank ziet dat dit overeenkomt met ongeveer 20 uur per maand. [X] paste nooit de 190 en 115 uren op (de rechtbank begrijpt uren per maand), zoals die op het contract staan.

(b) [X] heeft verklaard dat hem verteld was dat het uurtarief € 6,10 zou zijn.

Gastouder [X] krijgt voor het oppassen ongeveer € 150,- per maand.

Volgens [X] is hem vanuit [BEDRIJFSNAAM 2] gezegd dat hij met het geld mocht doen wat hij wilde.

Casus 14

1. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2].

Bij de Belastingdienst is op 15 mei 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 1 maart 2008 voor drie kinderen respectievelijk 110, 200 en 225 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. Daarnaast is de KOT op 1 september 2008 gewijzigd.

2.

(a) Vraagouder [X] heeft bij verklaard dat het aantal opvanguren door het gastouderbureau is vastgesteld.

(b) Vraagouder [X] heeft verklaard dat medeverdachte heeft gezegd dat € 6,10 wordt vergoed. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de meneer van het gastouderbureau niet heeft verteld dat een bepaald uurtarief aan de gastouder moest worden betaald. De gastouder is nimmer betaald.

3.

(c) De gastouder is nimmer betaald.

Casus 18

1. Volgens [X] heeft [naam medewerker] alles voor de aanvraag KOT geregeld. De aanvraag KOT is gedaan vanaf een IP-adres in gebruik bij [BEDRIJFSNAAM 2]. Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de toeslag voor kind '[naam kind]' pas in mei is aangevraagd. Daarnaast staat '[naam kind]' op de ingangsdatum al vermeld, terwijl die blijkbaar ruim een maand na de ingangsdatum geboren is. Vraagouder [X] heeft verklaard dat de gastouder in januari en februari niet heeft opgepast, maar dat de KOT per 11 januari (de rechtbank begrijpt het jaar 2008) al is aangevraagd.

Bij de Belastingdienst is op 7 februari 2008 een aanvraag KOT binnengekomen met ingangsdatum 11 januari 2008 voor een kind; 185 opvanguren per maand. Het uurtarief is vastgesteld op € 6,10. Per 1 mei is een kind toegevoegd aan de KOT.

2.

(a) Volgens [X] paste de gastouder gemiddeld 53 uur per maand op. Op het contract staat 185 uur per kind vermeld. [X] heeft de uren op het inschrijfformulier verhoogd van 160 naar 185 uur.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal opvanguren op de overeenkomst veel te hoog is.

(b) Het uurtarief van € 6,10 is volgens [X] afgesproken met [naam medewerker], die vertelde dat dit een gangbaar tarief was.

3.

(b) De overeenkomst is ingegaan op 11 januari 2008. De VOG is gedateerd op 10 maart 2008. [X] heeft verklaard dat zij niet wist dat een VOG binnen moest zijn, voordat KOT kon worden aangevraagd.

(c) Via [BEDRIJFSNAAM 2] kreeg gastouder [X] ongeveer € 200 per maand.

Oplichting

De Belastingdienst is opgelicht, doordat in de aanvragen KOT onder meer een te hoog aantal opvanguren, een onjuist uurtarief en onterechte terugwerkende kracht is vermeld en werd gedaan alsof de vraagouders recht hadden op (die opvanguren en uurtarieven aan) KOT. De Belastingdienst was in de veronderstelling dat deze gegevens juist waren en heeft op basis van de namens de verdachte rechtspersoon ingevulde aanvragen KOT uitgekeerd. De Belastingdienst is bewogen tot afgifte van de bedragen aan KOT. Als de Belastingdienst had geweten dat deze gegevens onjuist waren en bijvoorbeeld wist dat geen VOG's aanwezig waren en daarmee dus ook niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan, had de Belastingdienst de KOT niet uitgekeerd.

De rechtbank heeft onderzocht voor welk bedrag verdachte de Belastingdienst heeft opgelicht. De FIOD heeft hiervan een berekening gemaakt door de aanvragen van [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] in een drietal categorieën in te delen.

In de eerste categorie die betrekking heeft op de periode tot januari 2007 toen [BEDRIJFSNAAM 2] nog niet geregistreerd was en niet de beschikking had over de vereiste VOG's, is een bedrag van € 7.628,- onterechte KOT uitgekeerd.

In de tweede categorie die betrekking heeft op de periode van februari 2007 tot en met oktober 2008, waarbij geen vereiste VOG aanwezig was is er een bedrag van € 1.591.784,- onterechte KOT uitgekeerd.

De derde categorie heeft betrekking op de gevallen waarbij wel een VOG aanwezig was, maar ten onrechte met terugwerkende kracht KOT is aangevraagd. Het gaat hierbij om een bedrag van € 1.135.558,- aan onterecht uitgekeerde KOT.

De rechtbank heeft deze bedragen bij elkaar opgeteld en leidt hieruit af dat de Belastingdienst een bedrag van € 2.734.970,- heeft uitgekeerd en daardoor voor dit bedrag is opgelicht. Dit bedrag is ten goede gekomen aan verdachte.

Aansprakelijkheid rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]

Vervolgens rijst de vraag of de oplichting aan rechtspersonen [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] kan worden toegerekend.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden danwel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op voorkoming van de gedraging.

De rechtbank overweegt voor het antwoord op deze vraag het volgende.

Verdachte is bestuurder van [BEDRIJFSNAAM 2] en middels zijn holding aandeelhouder van [BEDRIJFSNAAM 2].

[bedrijfsnaam 4] is in de periode van 8 mei 2008 tot en met 1 juli 2008 voor de helft aandeelhouder en bestuurder van gastouderbureau [bedrijfsnaam 3] geweest.

Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 4] Verdachte heeft zelf verklaard dat hij onder meer betrokken is bij [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] Verdachte en medeverdachte hebben samen [bedrijfsnaam 3] opgericht in mei/juni 2008. Verdachte was als leidinggevende werkzaam bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Verdachte heeft zich - naar eigen zeggen - achteraf te weinig bemoeid met [BEDRIJFSNAAM 2].

De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte direct, hetzij indirect via zijn holding, verantwoordelijk is voor gedragingen verricht bij en door [BEDRIJFSNAAM 2].

De vraag die opkomt is om welk handelen of nalaten van verdachte het gaat. Medeverdachte heeft verklaard dat hij de werkwijze heeft overgenomen van verdachte. Bij [BEDRIJFSNAAM 2] deden medeverdachte en de medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2] de aanvraag KOT bij de Belastingdienst. Zij gaven daarbij het bankrekeningnummer op van [BEDRIJFSNAAM 2]. [BEDRIJFSNAAM 2] deed dit door de DigiD of elektronische handtekening te gebruiken en deze soms voor klanten aan te vragen.

Verdachte heeft de werkwijze, zoals de procedure van aanvragen en de toeslag, met medeverdachte besproken. Medeverdachte heeft verklaard dat hij de werkwijze omtrent aanvragen KOT met terugwerkende kracht van verdachte heeft overgenomen.

Medeverdachte heeft verklaard dat alle aanvragen KOT zijn gedaan zonder ondertekend contract en zonder VOG. Zodra het inschrijfformulier binnenkwam werd de aanvraag KOT bij de Belastingdienst ingediend. Medeverdachte geeft aan volledig te zijn blindgevaren op de werkwijze van verdachte. Medeverdachte hanteerde het maximale oppastarief en aantal opvanguren, omdat hij dit van verdachte had gehoord. Verdachte had al 2 jaar een GOB en medeverdachte vertrouwde hem. Medeverdachte heeft verklaard dat het maximaal aantal uren door verdachte en hem werd vastgesteld.

Vragen omtrent de regelgeving werden volgens verdachte en medeverdachte bij verdachte neergelegd.

Verdachte heeft ook workshops gegeven aan freelancers ter instructie over de gang van zaken en de procedures. Volgens medeverdachte dat had wel wat grondiger gemoeten. Freelancer [naam Freelancer] heeft in 2008 bij [BEDRIJFSNAAM 2] gewerkt. [naam Freelancer] heeft verklaard dat hij bij een informatiebijeenkomst is geweest die verdachte gaf aan de medewerkers van [BEDRIJFSNAAM 2]. Daar is gezegd dat de aanvraag KOT met een maand terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. Bij het aanbrengen van klanten heeft hij met deze informatie rekening gehouden.

Ook [naam Freelancer] heeft verklaard dat hij voorlichting heeft gehad over de KOT van verdachte. Als opa's of oma's of wie dan ook oppasten, wanneer ouders werkten, studeerden, sportten of boodschappen gingen doen, kon KOT worden aangevraagd. Volgens [naam Freelancer] heeft verdachte gezegd dat [BEDRIJFSNAAM 2] het enige gastouderbureau was dat met terugwerkende kracht KOT kon aanvragen en zich hiermee onderscheidde van andere gastouderbureaus.

[naam Freelancer] heeft verklaard dat bij de voorlichting door verdachte niets is gezegd over het feit dat KOT een bijdrage is in de kosten van de gastouder. [naam Freelancer] heeft de informatie en instructies die hij aan vraag- en gastouders doorgaf, gekregen van verdachte tijdens de voorlichting.

Het aantal opvanguren hoefde volgens [naam Freelancer] van verdachte en medeverdachte niet op het inschrijfformulier te worden ingevuld. Dit aantal uren werd door de binnendienst vervolgens gemaximeerd. De Nederlandse Staat is volgens [naam Freelancer] opgelicht. Verdachte en medeverdachte boden het werk aan maar hebben onvolledig opgeleid en geïnformeerd.

[naam medewerker] heeft de administratie gedaan op de wijze zoals haar dit door verdachte en medeverdachte is verteld. [naam medewerker] stelde haar vragen over KOT aan medeverdachte en bij diens afwezigheid aan verdachte. [naam medewerker] heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte haar de intakeprocedure omtrent KOT hebben uitgelegd. [naam medewerker] heeft van verdachte en medeverdachte begrepen dat KOT kon worden aangevraagd als het inschrijfformulier was ingevuld en ondertekend door de vraagouders.

[naam medewerker] heeft haar werkzaamheden uitgevoerd naar instructie van verdachte en medeverdachte.

Medeverdachte heeft [naam medewerker] verteld dat € 6,10 het standaardtarief was. Medeverdachte heeft verklaard dat hij het maximale oppastarief en uren hanteerde omdat hij dit van verdachte had gehoord. Die had al twee jaar een GOB en verdachte vertrouwde hem.

[BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 3], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 3] zijn verricht.

De rechtbank leidt uit bovenstaande verklaringen af dat verdachte tezamen en in vereniging met [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3], de medewerkers en free-lancers heeft gehandeld, door hen te instrueren en onvolledig te informeren.

De gedragingen pasten binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] waren immers gastouderbureaus die bemiddelden tussen vraag- en gastouders teneinde opvang van kinderen te laten plaatsvinden. Daarvoor moesten overeenkomsten worden opgesteld. De gedragingen zijn de verdachte rechtspersonen dienstig geweest, € 0,97 per opvanguur aan commissie werd berekend.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen die zijn verricht door verdachte aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven

Nu is vastgesteld dat de gedragingen aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend, dient te worden onderzocht of verdachte is aan te merken als feitelijk leidinggevende. Dit is mogelijk indien verdachte maatregelen ter voorkoming van dit gedrag achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en gehouden was én de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte als feitelijk leidinggevende heeft gefunctioneerd bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Hij was daar leidinggevende en vraagbaak omtrent de regelgeving. Samen met medeverdachte bestuurde hij deze gastouderbureaus. Verdachte heeft niet alleen gehandeld door medewerkers te instrueren, maar ook nagelaten de medewerkers adequaat te informeren.

Verdachte was bevoegd en gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van de strafbare gedragingen, aangezien hij de bevoegdheid had instructies aan medewerkers te geven. Verdachte heeft niet alleen aanvaard dat de strafbare gedragingen zich zouden voordoen, maar deze bovendien welbewust en opzettelijk bevorderd. De verklaringen van medeverdachte en [naam medewerker] wijzen verdachte aan als degene die instructies gaf om het maximale oppastarief te hanteren, het maximale aantal opvanguren te hanteren en met terugwerkende kracht KOT aan te vragen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij halverwege 2007 wist dat KOT niet met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. Verdachte heeft zich hiervan evenwel niets aangetrokken, aangezien hij ook in 2008 heeft verteld dat met terugwerkende kracht KOT kon worden aangevraagd, terwijl hij wist dat dit onrechtmatig was.

De rechtbank leidt uit bovenstaande verklaringen af dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan en opdracht gegeven tot oplichting, door de medewerkers van de rechtspersonen te instrueren en onvolledig te informeren.

De rechtbank is van oordeel dat feit 5 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 6

De rechtbank zal bij de beoordeling van het bewijs de structuur van de tenlastelegging aanhouden en per document nagaan of en zo ja, welk bewijs daarvoor bestaat. Verdachte wordt verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan en opdracht gegeven tot valsheid in geschrift door documenten vals te laten opmaken en in de bedrijfsadministratie op te nemen.

Vanaf 11 januari 2008 stond [BEDRIJFSNAAM 2] geregistreerd als gastouderbureau bij de gemeente [vestigingsplaats 3]. [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 3], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 3] zijn verricht.

Teveel opvanguren

D-116

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij nooit contact heeft gehad over het aantal opvanguren. Dat is door [BEDRIJFSNAAM 2] bepaald. Volgens [X] zijn de uren op de overeenkomst veel te veel uren en heeft hij deze uren nooit doorgegeven aan [BEDRIJFSNAAM 2].

D-158

Vraagouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren door [naam medewerker] is bepaald.

D-193

Vraagouder [X] heeft verklaard dat hij op het inschrijfformulier 120 uur heeft ingevuld, dat dit doorgestreept is en dat er daarna 200 uur van is gemaakt, aangezien ook uren voor het uitrusten en slapen moesten worden meegeteld. Dit is doorgestreept zichtbaar op het inschrijfformulier.

Vraagouder [X] heeft verklaard dat haar man 120 uren had opgegeven, dat die doorgestreept waren en dat daar door die mensen 200 uur van was gemaakt.

D-284

[X] heeft verklaard dat de uren al op het contract stonden toen dit werd toegestuurd. De uren op het contract kloppen volgens [X] niet, aangezien de gastouder minder uren oppast.

D-295

Volgens [X] is het werkelijke aantal opgepaste uren ongeveer 10-16 uur per week. De rechtbank leidt daaruit af dat het werkelijke aantal opvanguren per maand ongeveer tussen de 40 en 64 uur heeft gelegen. Op het contract is voor twee kinderen tweemaal 115 opvanguren per maand ingevuld.

D-300

[X] heeft verklaard dat hij de gastouder voor het opgegeven aantal uren niet nodig heeft. Het aantal uren is volgens [X] vastgesteld door medeverdachte.

D-285

Op de overeenkomst staan 140 opvanguren per maand per kind. Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal uren niet klopt.

D-290

Volgens [X] paste de gastouder gemiddeld 53 uur per maand op. Op het contract staat 185 uur per kind vermeld. [naam medewerker] heeft de uren op het inschrijfformulier aangepast van 160 naar 185 uur. Volgens [X] heeft [naam medewerker] het formulier ingevuld en het aantal uren gewijzigd, aangezien er ook gewinkeld moest worden en het kon zijn dat zij boven aan het voorbereiden was en de gastouder beneden oppaste.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het aantal opvanguren niet klopt.

Onjuiste ingangsdatum van overeenkomst

D-284

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. Volgens [X] heeft de gastouder vanaf maart 2008 opgepast.

D-295

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. [X] heeft verklaard dat het contract eind januari 2008 is ondertekend en de gastouder begin februari 2008 is gaan oppassen.

D-300

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. [X] heeft verklaard dat de gastouder begin februari 2008 is gaan oppassen. De ingangsdatum klopt volgens [X] niet.

D-285

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. Gastouder [X] heeft verklaard dat dit niet kan, aangezien hij toen nog niet begonnen was als gastouder.

D-290

Op de overeenkomst staat als ingangsdatum 11 januari 2008. [X] heeft verklaard dat de toeslag voor kind '[naam kind]' pas in mei is aangevraagd. Daarnaast staat '[naam kind]' op de ingangsdatum al vermeld, terwijl die blijkbaar ruim een maand na de ingangsdatum geboren is. Vraagouder [x] heeft verklaard dat de gastouder in januari en februari niet heeft opgepast, maar dat de KOT per 11 januari al is aangevraagd.

Gastouder [X] heeft verklaard dat dit niet kan, aangezien hij toen nog niet begonnen was als gastouder.

Te hoog uurtarief

Medeverdachte rekende altijd de maximale vergoeding van € 6,10 per uur. [naam medewerker] heeft verklaard dat zij steeds een uurtarief van € 6,10 invulde, omdat medeverdachte dit tarief had verteld. [X] heeft verklaard dat hem verteld was dat het uurtarief € 6,10 zou zijn.

Medeverdachte heeft verklaard dat hij het maximale oppastarief en uren hanteerde omdat hij dit van verdachte had gehoord. Die had al twee jaar een GOB en medeverdachte vertrouwde hem.

Gastouder [X] heeft verklaard dat het uurtarief niet klopt, aangezien hij € 5,00 per uur kreeg uitbetaald.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte in alle gevallen een onjuist, namelijk te hoge, uurvergoeding bij de Belastingdienst heeft aangevraagd.

Valse kwitanties en een urenregistratie en het gebruik daarvan

Vraagouder [X] heeft verklaard de kwitanties niet te kennen, deze niet te hebben geschreven en de betalingen zoals op de kwitanties zijn vermeld niet door hem of zijn vrouw zijn gedaan. Vraagouders [X] en [X] hebben verklaard de handtekeningen op de kwitanties niet te herkennen.

Medeverdachte heeft verklaard dat de kwitanties door een personeelslid van hem zijn gemaakt, zonder dat de klanten die kwitanties hebben gezien. Verdachte heeft hiertoe opdracht gegeven. De kwitanties zijn valselijk opgemaakt en verzonnen. Dit was nodig, omdat de Belastingdienst naar informatie vroeg.

[naam medewerker] heeft valse kwitanties opgemaakt als vraagouders niet konden bewijzen dat zij de gastouder daadwerkelijk hadden betaald. De vraag- en gastouder tekenden deze vervolgens, waarna de kwitanties naar de Belastingdienst werden verstuurd. [naam medewerker] controleerde niet of de ouders de gastouder daadwerkelijk betaalden. De datum op de kwitantie die de ouders doorgaven was de datum dat geld ontvangen was door de gastouder. Toen de Belastingdienst de vraagouders om betaalbewijzen vroeg, heeft [naam medewerker] verdachte gebeld. Verdachte kwam toen met het idee om alsnog kwitanties te maken met de datum waarop het geld aan de gastouder was betaald en de kwitanties daarna te laten ondertekenen door de vraagouders. [naam medewerker] ging ervan uit dat verdachte veel ervaring had en wist wat hij deed.

Vraagouder [X] heeft geen oppasuren bijgehouden. Het urenoverzicht heeft [X] nog nooit gezien. Vraagouder [X] heeft bij de RC verklaard dat hij die urenregistraties niet heeft opgesteld.

Deze kwitanties en urenregistratie zijn in de administratie van [BEDRIJFSNAAM 2]/[BEDRIJFSNAAM 3] aangetroffen.

Deze gegevens zijn naar de Belastingdienst gezonden en ingeboekt.

Valsheid in geschrift

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat er sprake is van valsheid in geschrift, nu meerdere documenten valselijk opgemaakt of vervalst zijn en in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte het oogmerk had deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Aansprakelijkheid rechtspersonen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]

Vervolgens rijst de vraag of de valsheid in geschrift aan de rechtspersonen [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] kan worden toegerekend.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden danwel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op voorkoming van de gedraging.

De rechtbank overweegt voor het antwoord op deze vraag het volgende.

Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 4] Verdachte is bestuurder van [BEDRIJFSNAAM 2] en middels [bedrijfsnaam 4] aandeelhouder van [BEDRIJFSNAAM 2]. [bedrijfsnaam 4] is in de periode van 8 mei 2008 tot en met 1 juli 2008 voor de helft aandeelhouder en bestuurder van gastouderbureau [bedrijfsnaam 3]

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij onder meer betrokken is bij [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]. Verdachte en medeverdachte hebben samen [bedrijfsnaam 3] opgericht in mei/juni 2008. Verdachte was als leidinggevende werkzaam bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Verdachte heeft zich - naar eigen zeggen - achteraf te weinig bemoeid met [BEDRIJFSNAAM 2]. [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] hielden kantoor in [vestigingsplaats 3], waaruit de rechtbank afleidt dat de activiteiten van deze gastouderbureaus in ieder geval in [vestigingsplaats 3] zijn verricht.

[naam medewerker] heeft de administratie gedaan op de wijze zoals haar dit door verdachte en medeverdachte is verteld. [naam medewerker] stelde haar vragen over KOT aan medeverdachte en bij diens afwezigheid aan verdachte.

Medeverdachte heeft verklaard dat hij het maximale oppastarief en aantal opvanguren hanteerde omdat hij dit van verdachte had. Die had al 2 jaar een gastouderbureau en medeverdachte vertrouwde hem.

Verdachte heeft de werkwijze, zoals de procedure van aanvragen en de toeslag, met medeverdachte besproken. Medeverdachte heeft verklaard dat hij de werkwijze omtrent aanvragen KOT met terugwerkende kracht van verdachte heeft overgenomen.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, tezamen en in vereniging met [naam medewerker] en medeverdachte, de ingangsdata op overeenkomsten gastouderopvang te vroeg heeft laten ingaan, een te hoog aantal opvanguren en uurtarief heeft laten invullen, valse kwitanties en een urenregistratie heeft laten opmaken en naar de Belastingdienst laten verzenden.

De overeenkomsten gastouderopvang, kwitanties en de urenregistratie zijn geschriften. Deze documenten hadden een bewijsbestemming, nu de Belastingdienst de gegevens kon opvragen om te controleren of de documenten in overeenstemming waren met de werkelijkheid. Verdachte heeft het oogmerk gehad deze documenten als echt en onvervalst te gebruiken en heeft dat ook gedaan door een aantal documenten naar de Belastingdienst te faxen, om daarmee te kunnen aantonen welke basisgegevens voor de KOT-aanvraag zijn gehanteerd.

De gedragingen pasten binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3] waren immers gastouderbureaus die bemiddelden tussen vraag- en gastouders teneinde opvang van kinderen te laten plaatsvinden. Daarvoor moesten overeenkomsten worden opgesteld. De gedragingen zijn de verdachte rechtspersonen dienstig geweest, € 0,97 per opvanguur aan commissie werd berekend.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen die zijn verricht door verdachte aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven

Nu is vastgesteld dat de gedragingen aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend, dient te worden onderzocht of verdachte is aan te merken als feitelijk leidinggevende. Dit is mogelijk indien verdachte maatregelen ter voorkoming van dit gedrag achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en gehouden was én de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte als feitelijk leidinggevende heeft gefunctioneerd bij [BEDRIJFSNAAM 2] en [BEDRIJFSNAAM 3]. Hij was daar leidinggevende en vraagbaak omtrent de regelgeving. Samen met medeverdachte bestuurde hij deze gastouderbureaus. Verdachte heeft niet alleen gehandeld door medewerkers te instrueren, maar ook nagelaten de medewerkers adequaat te informeren.

Verdachte was bevoegd en gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van de strafbare gedragingen, aangezien hij de bevoegdheid had instructies aan medewerkers te geven. Verdachte heeft niet alleen aanvaard dat de strafbare gedragingen zich zouden voordoen, maar deze bovendien welbewust en opzettelijk bevorderd. De verklaringen van medeverdachte en [naam medewerker] wijzen verdachte aan als degene die instructies gaf om het maximale oppastarief te hanteren, het maximale aantal opvanguren te hanteren en met terugwerkende kracht KOT aan te vragen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij halverwege 2007 wist dat KOT niet met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. Verdachte heeft zich hiervan evenwel niets aangetrokken, aangezien hij ook in 2008 heeft verteld dat met terugwerkende kracht KOT kon worden aangevraagd, terwijl hij wist dat dit onrechtmatig was.

De rechtbank leidt uit bovenstaande verklaringen af dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de medewerkers door hen te instrueren en onvolledig te informeren.

De rechtbank is van oordeel dat feit 6 wettig en overtuigend is bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij

-al dan niet handelend onder de handelsnaam [bedrijfsnaam 1]-

op tijdstippen

in de periode van mei 2006 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 2] en/of [vestigingsplaats 1] en/of Heerlen ,

tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [bedrijfsnaam 1] (vanaf 29

januari 2008) en/of anderen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van

(totaal) euro 4.977.657,--,

te weten een geldbedrag in het kader van (kinderopvang)toeslag

op grond van de Wet kinderopvang,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

gepresenteerd en/of voorgedaan dat het gastouderbureau genaamd "[bedrijfsnaam 1]"

een (reeds) op 1 januari 2006 geregistreerd gastouderbureau betrof

(in werkelijkheid per 15 november 2006 opgenomen in het Register kinderopvang)

en/of

(telkens)

(een) (digita(a)l(e)) formulier(en) "Aanvragen kinderopvangtoeslag" en/of (een) formulier(en) wijziging kinderopvangtoeslag opgemaakt

en/of ingevuld en/of verzonden en/of doen toekomen aan de Belastingdienst

aan de hand waarvan en/of door middel waarvan

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

deed/deden voorkomen

dat een of meer ouder(s)/perso(o)n(en),

waaronder

== [X] en/of [X] (casus 1) en/of

== [X] en/of [X] (casus 2) en/of

== [X] en/of [X] (casus 4) en/of

== [X] en/of [X] (casus 5) en/of

== [X] en/of [X] (casus 6) en/of

== [X] en/of [X] (casus 8) en/of

== [X] en/of [X] (casus 10) en/of

== [X] en/of [X] (casus 11) en/of

== [X] en/of [X] (casus 13) en/of

== [X] en/of [X] (casus 14),

-al dan niet met terugwerkende kracht-

aanspraak had(den) en/of maakt(en) op een tegemoetkoming in de door die

ouder(s) en/of hun/zijn/haar partner(s) te betalen kosten van kinderopvang

en/of

(voor de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag)

een aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar -vermeld op het

aanvraagformulier- nodig zouden hebben en/of een werkelijk (naar individuele

situatie) uurtarief was/waren overeengekomen en/of had(den) vastgesteld

en/of

dat hij, verdachte, (Gastouderbureau [bedrijfsnaam 1]) en/of zijn mededader(s)

en/of de (vraag)ouder(s) als bedoeld in artikel 1 onder i van de Wet

kinderopvang (ten tijde van de aanvraag en/of voor de periode waarop die

aanvraag van toepassing was) volde(e)d(en) aan de eis(en) en/of voorwaarden

zoals gesteld in de Wet kinderopvang en aanverwante Regelingen en/of Besluiten,

bestaande die eis(en) en/of voorwaarde(n)

(onder meer) hierin dat

de registratie en/of opneming in het register als bedoeld in artikel 46 van

de Wet kinderopvang van het gastouderbureau (i.c.[bedrijfsnaam 1]) had

plaatsgevonden

en/of

de betreffende Kinderopvang geschiedt op basis van een ((reeds) opgestelde

en/of getekende) schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder

als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang

en/of

de gastouder(s) in het bezit was/waren van een verklaring omtrent het

gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,

als bedoeld in artikel 50 van de Wet kinderopvang

en/of

aan de gastouder het oppastarief en/of de opvanguren betaald

werd(en) / zou(den) worden betaald zoals vastgelegd in de

(oppas)overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang,

en/of

(telkens) (vervolgens) (na afgifte/toewijzing in beschikking)

niet alle wijzigingen in bij de Belastingdienst bekend zijnde

gegevens/situatie met betrekking tot de aanvrager van kinderopvangtoeslag

en/of welke van belang zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de

kinderopvangtoeslag doorgegeven,

waardoor (telkens) de Belastingdienst werd bewogen tot de afgifte

van een geldbedrag;

2.

hij

op tijdstippen

in de periode van 20 februari 2007 tot en met 13 oktober 2008,

te [vestigingsplaats 2] en/of [vestigingsplaats 3] en/of [vestigingsplaats 1],

tezamen en in vereniging met een ander,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededader

totaal euro 7.712.626,--,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wist

dat bovenomschreven geldbedrag

- onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij

op tijdstippen

in de periode van 15 november 2006 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 2] en/of [vestigingsplaats 1] en/of [vestigingsplaats 3] en/of Eindhoven en/of Tegelen en/of

Leiden en/of Papendrecht en/of Etten-Leur en/of Moordrecht en/of Leerdam

en/of Alkmaar en/of Meppel en/of 's-Gravenhage en/of Barendrecht en/of

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met de rechtspersoon [bedrijfsnaam 1] (vanaf 29

januari 2008)

meermalen,

A.

zogenaamde "Verklaringen Omtrent het Gedrag",

waaronder

A11. een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[x] ( [geboortedatum en plaats])

Datum 11 maart 2006

(Bijlage D-067 4/4)

en/of

A13. een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] ([geboortedatum en plaats])

Datum 23 februari 2006

(Bijlage D-066 3/3)

en/of

A121. een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] (geboortejaar en land])

Datum 27 juni 2006

(Bijlage D-121)

en/of

B.

formulieren "overeenkomsten gastouderopvang",

waaronder

B1a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum overeenkomst 01-01-2006

(Bijlage D-015)

en/of

B3. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum overeenkomst 22-04-2006

(Bijlage D-001)

en/of

B5. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 15-02-2006

(Bijlage D-076)

en/of

B6. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 15-02-2006

(Bijlage D-078)

en/of

B7a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 22-06-2006

datum ondertekening 05-01-2006

(Bijlage D-047)

en/of

B9. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en mw. N. [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 09-04-2006

datum ondertekening 14-04-2006

(Bijlage D-105)

en/of

B10a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 02-02-2006

datum ondertekening 29-02-2006

(Bijlage D-244)

en/of

B11a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) S. Tahiri-el Osruti en A. Lazam en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-061)

en/of

B11b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-067)

en/of

B12. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 05-02-2007

(Bijlage D-046)

en/of

B13a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-066)

en/of

B13b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 25-01-2006

datum ondertekening 25-01-2006

(Bijlage D-109)

en/of

B98. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 25-01-2006

(Bijlage D-098)

en/of

C.

(digitale) formulieren "Aanvragen kinderopvangtoeslag",

waaronder

C3. een KTO-aanvraag datum ontvangst 05-03-07

Aanvrager [X]

Intermediair [bedrijfsnaam 1]

Ingangsdatum aanvraag 01012006

(Bijlage D-011),

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, en/althans valselijk

heeft/hebben doen en/of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen door

(een) ander(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader

toen en daar telkens valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

die "Verklaringen Omtrent het Gedrag"

geantedateerd en/of doen en/of laten antedateren

en/of

die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

geantedateerd

(te weten D/076 en/of D/078 en/of D/047 en/of D/105 en/of D/244 en/of

D/109 en/of D/098)

en/of

voorzien en/of doen en/of laten voorzien van (een) valse handtekening(en)

(te weten D/015 ([X] en/of [X] en/of [X]) en/of

D/001 ([X] en/of [X] en/of [X]) en/of

D/061 ([X] en/of [X] en/of

[X]) en/of

D/067 ([X]) en/of

D/066 ([X] en/of [X] en/of [X])

en/of

in die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

een te hoog aantal opvanguren

(te weten D/015 en/of D/001 en/of D/076 en/of D/078)

en/of

een onjuiste en/of fictieve naam van de oppas

(te weten D/015 en/of D/66)

en/of

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangs- en/of begindatum van de

overeenkomst

(te weten D/015 en/of D/001 en/of D/076 en/of D/078 en/of D/047 en/of

D/105 en/of D/244 en/of D/061 en/of D/067 en/of D/046 en/of D/66 en/of

D/109 en/of D/098)

en/of

een onjuist (te hoog) uurtarief

vermeld en/of geschreven en/of opgenomen, en/althans door die ander(en)

doen en/of laten vermelden en/of schrijven en/of opnemen,

en/of

in die KTO-aanvra(a)g(en)

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangsdatum aanvraag en/of een te hoog aantal

opvanguren en/of een te hoog uurtarief

vermeld en/of geschreven en/of opgenomen, en/althans door die ander(en) doen

en/of laten vermelden en/of schrijven en/of opnemen,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

en/of

hij

op tijdstippen

in de periode van 8 november 2007 tot en met 14 november 2007,

in elk geval in of omstreeks de periode van de maand september 2007 tot en met

de maand november 2007,

te [vestigingsplaats 1] en/of Heerlen en/of [vestigingsplaats 2],

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of een ander gebruik

heeft doen maken van

(een) vals(e) of vervalst(e) zogenaamde "Verklaring(en) omtrent het Gedrag",

te weten

een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] ([geboortedatum en plaats])

Datum 11 maart 2006

en/of

een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] (geboortejaar en land)

Datum 23 februari 2006,

zijnde (een )geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen,

als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat (doen) gebruikmaken (telkens) hierin dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

die/dat geschrift(en) heeft/hebben gefaxt en/of toegezonden en/of doen faxen

en/of toezenden aan de Belastingdienst Toeslagen voor de onderbouwing van

en/of de beoordeling van de aanspraak op en/of de rechtmatige verstrekking van

Kinderopvangtoeslag

en

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat

die Verklaring(en) omtrent het Gedrag was/waren geantedateerd

(immers was de datum/data van opmaak van die verklaring(en),

te weten 11 maart 2007 gewijzigd in 11 maart 2006 en/of

23 februari 2007 gewijzigd in 23 februari 2006),

en/of

(telkens) opzettelijk

bovenbedoelde/genoemde vals(e) of vervalst(e) geschrift(en)

heeft/hebben voorhanden gehad en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben

doen afleveren bij de Belastingdienst / Toeslagen

terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader

wisten dat deze geschriften

bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

4.

hij

op tijdstippen

in de periode van 15 november 2006 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 2] en/of [vestigingsplaats 1],

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

(telkens) geschriften (te weten bedrijfsadministratie(s)) die bestemd zijn om

tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk

heeft doen opmaken en/of doen vervalsen,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededaders

toen daar

(telkens) opzettelijk

in

zijn, verdachtes, bedrijfsadministratie en/of de bedrijfsadministratie van de

eenmanszaak [bedrijfsnaam 1]

en/of

de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 1] (vanaf 29 januari 2008),

zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het

daarin vermelde te dienen,

één of meer van hierna genoemde geschrift(en)

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken

en/of doen verwerken,

A.

vervalste (afschriften van)

een (zogenaamde) "Verklaring Omtrent het Gedrag",

waaronder

A11. een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] ([geboortedatum en plaats])

Datum 11 maart 2006

(Bijlage D-067 4/4)

en

A13. een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] (geboortedatum en plaats])

Datum 23 februari 2006

(Bijlage D-066 3/3)

en

A121 een Verklaring Omtrent het Gedrag

betreffende de betrokkene

[X] (geboortejaar en land))

Datum 27 juni 2006

(Bijlage D-121)

en

B.

vervalste (afschriften van)

een formulier "overeenkomst gastouderopvang",

waaronder

B1a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum overeenkomst 01-01-2006

(Bijlage D-015)

en

B3. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum overeenkomst 22-04-2006

(Bijlage D-001)

en

B5. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 15-02-2006

(Bijlage D-076)

en

B6. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 15-02-2006

(Bijlage D-078)

en

B7a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 22-06-2006

datum ondertekening 05-01-2006

(Bijlage D-047)

en

B9. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 09-04-2006

datum ondertekening 14-04-2006

(Bijlage D-105)

en

B10a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [x] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006 en 02-02-2006

datum ondertekening 29-02-2006

(Bijlage D-244)

en

B11a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-061)

en

B11b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-067)

en

B12. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 05-02-2007

(Bijlage D-046)

en

B13a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

overeenkomst periode 01-01-2006 / 01-01-2007

(Bijlage D-066)

en

B13b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 25-01-2006

datum ondertekening 25-01-2006

(Bijlage D-109)

en

B98. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 1], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

ingangsdatum overeenkomst(en) 01-01-2006

datum ondertekening 25-01-2006

(Bijlage D-098),

bestaande die valsheid telkens hierin dat

-in werkelijkheid-

die "Verklaringen Omtrent het Gedrag"

waren geantedateerd

en

die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

waren geantedateerd

(te weten D/076 en D/078 en D/047 en D/105 en D/244 en

D/109 en D/098)

en

waren voorzien van (een) valse handtekening(en)

(te weten D/015 ([X] en/of [X] en/of [X]) en/of

D/001 ([X] en/of [X] en/of [X]) en/of

D/061 ([X] en/of [X] en/of

[X]) en/of

D/067 ([X]) en/of

D/066 ([X] en/of [X] en/of [X])

en

in die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

een te hoog aantal opvanguren was vermeld en/of opgenomen

(te weten D/015 en D/001 en D/076 en D/078)

en/of

een onjuiste en/of fictieve naam van de oppas was vermeld en/of

opgenomen

(te weten D/015 en D/66)

en/of

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangs- en/of begindatum van de

overeenkomst was/waren vermeld en/of opgenomen

(te weten D/015 en D/001 en D/076 en D/078 en D/047 en

D/105 en D/244 en D/061 en D/067 en D/046 en D/66 en

D/109 en D/098)

en/of

een onjuist (te hoog) uurtarief,

zulks telkens met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken;

5.

[bedrijfsnaam 2]

en

[bedrijfsnaam 3] (vanaf 8 mei 2008)

op tijdstippen

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 3] en/of [vestigingsplaats 1] en/of Heerlen ,

tezamen en in vereniging met elkaar en een ander,

telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

de Belastingdienstheeft bewogen tot de afgifte van

totaal euro 2.734.969,--,

te weten een geldbedrag in het kader van (kinderopvang)toeslag op

grond van de Wet kinderopvang,

hebbende genoemde rechtspersonen en/of hun mededader

telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

telkens

(digitale) formulieren "Aanvragen kinderopvangtoeslag" en/of formulieren wijziging kinderopvangtoeslag opgemaakt

en/of ingevuld en/of verzonden en/of doen toekomen aan de Belastingdienst

aan de hand waarvan en/of door middel waarvan

genoemde rechtspersonen en/of hun mededader

deed/deden voorkomen

dat een of meer ouder(s)/perso(o)n(en),

waaronder

== [X] en/of [X] (casus 1) en/of

== [X] (casus 2) en/of

== [X] en/of [X[ (casus 3) en/of

== [X] en/of [X] (casus 4) en/of

== [X] (casus 7) en/of

== {X] en/of [X] (casus 8) en/of

== [X] (casus 9) en/of

== [X] en/of [X] (casus 11) en/of

== [X] en/of [X] (casus 13) en/of

== [X] en/of [X] (casus 14) en/of

== [X] en/of [X] (casus 18),

-al dan niet met terugwerkende kracht-

aanspraak had(den) en/of maakt(en) op een tegemoetkoming in de door die

ouder(s) en/of hun/zijn/haar partner(s) te betalen kosten van kinderopvang

en/of

(voor de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag)

een aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar -vermeld op het

aanvraagformulier- nodig zouden hebben en/of een werkelijk (naar individuele

situatie) uurtarief was/waren overeengekomen en/of had(den) vastgesteld

en/of

dat genoemde rechtsperso(o)n(en) en/of haar/hun mededader(s) en/of de

(vraag)ouder(s) als bedoeld in artikel 1 onder i van de Wet kinderopvang

(ten tijde van de aanvraag en/of voor de periode waarop die aanvraag van

toepassing was)

volde(e)d(en) aan de eis(en) en/of voorwaarden zoals gesteld in de Wet

kinderopvang en aanverwante Regelingen en/of Besluiten,

bestaande die eis(en) en/of voorwaarde(n)

(onder meer) hierin dat

de registratie en/of opneming in het register als bedoeld in artikel 46 van

de Wet kinderopvang van het gastouderbureau had plaatsgevonden

en/of

de betreffende Kinderopvang geschiedt op basis van een ((reeds) opgestelde

en/of getekende) schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder

als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang

en/of

de gastouder(s) in het bezit was/waren van een verklaring omtrent het

gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,

als bedoeld in artikel 50 van de Wet kinderopvang

en/of

aan de gastouder het oppastarief en/of de opvanguren betaald

werd(en) / zou(den) worden betaald zoals vastgelegd in de

(oppas)overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang,

en/of

(telkens) (vervolgens) (na afgifte/toewijzing in beschikking)

niet alle wijzigingen in bij de Belastingdienst bekend zijnde

gegevens/situatie met betrekking tot de aanvrager van kinderopvangtoeslag

en/of welke van belang zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de

kinderopvangtoeslag doorgegeven,

waardoor telkens de Belastingdienst werd bewogen tot de afgifte

van een geldbedrag;

hebbende hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander,

tot de vorenstaande feiten opdracht gegeven en/of feitelijke leiding

gegeven aan de vorenstaande gedragingen;

6.

[bedrijfsnaam 2]

en

[bedrijfsnaam 3] (vanaf 8 mei 2008),

op tijdstippen

in de periode van 10 december 2007 tot en met 13 oktober 2008

te [vestigingsplaats 3],

tezamen en in vereniging met elkaar en een ander,

meermalen,

telkens geschriften (te weten bedrijfsadministratie(s)) die bestemd zijn om

tot bewijs van enig feit te dienen

telkens opzettelijk valselijk hebben opgemaakt en/of vervalst en/of

valselijk hebben doen opmaken en/of doen vervalsen,

hebbende genoemde rechtspersonen en/of hun mededader

toen daar

telkens opzettelijk

in

de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 2]

en/of

de bedrijfsadministratie van [bedrijfsnaam 3] (vanaf 8 mei 2008),

zijnde telkens een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het

daarin vermelde te dienen,

hierna genoemde geschriften

opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken

en/of doen verwerken,

formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

waaronder

C9. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-158);

en

C11. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-193);

en

C13. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-284);

en

C16a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-295);

en

C16b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-300);

en

C18a. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-285);

en

C18b. een formulier overeenkomst gastouderopvang aangegaan door de partijen

[bedrijfsnaam 2], de ouder(s) [X] en [X] en

de oppas [X]

Ingangsdatum periode overeenkomst 11-01-2008

(Bijlage D-290);

en

kwitanties,

waaronder

een kwitantie gedateerd 25-5-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-6-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel & vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149)

en

een kwitantie gedateerd 25-7-08

waarop (onder meer) vermeld

ontvangen van [X] betaling ouderdeel en vergoeding gastouderburo

bedrag Euro 879,55

(Bijlage D-149),

en

een urenregistratie

(bijlage D/151),

bestaande die valsheid telkens hierin dat

-in werkelijkheid-

in die formulieren "overeenkomst gastouderopvang"

een te hoog aantal opvanguren

(te weten D/158 en D/193 en D/284 en D/295 en D/300 en

D/285 en D/290)

en/of

een onjuiste (te vroeg gelegen) ingangs- en/of begindatum van de

overeenkomst

(te weten D/284 en D/295 en D/300 en D/285 en D/290)

en/of

een onjuist (te hoog) uurtarief

was/waren vermeld en/of geschreven en/of opgenomen

en/of

op die kwitanties

telkens een ontvangst van Euro 879,55 was opgenomen en/of vermeld

en/of een handtekening geplaatst voor ontvangst,

terwijl in werkelijkheid die bedragen niet door

[X] betaald,

en/of

die urenregistratie

een fictieve opgestelde urenregistratie betrof,

zulks telkens met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken,

hebbende hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander,

tot de vorenstaande feiten opdracht gegeven en/of feitelijke leiding

gegeven aan de vorenstaande gedragingen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1.

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD

2. (primair)

MEDEPLEGEN VAN:

VAN HET PLEGEN VAN WITWASSEN EEN GEWOONTE MAKEN

3.

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD

en

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS OF VERVALST GESCHRIFT, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225, EERSTE LID, VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD

4. (primair)

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, MEERMALEN GEPLEEGD

5.

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, TERWIJL VERDACHTE TOT HET FEIT OPDRACHT HEEFT GEGEVEN EN/OF FEITELIJKE LEIDING HEEFT GEGEVEN AAN DE VERBODEN GEDRAGING, MEERMALEN GEPLEEGD

6. (primair)

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, TERWIJL VERDACHTE TOT HET FEIT OPDRACHT HEEFT GEGEVEN EN/OF FEITELIJKE LEIDING HEEFT GEGEVEN AAN DE VERBODEN GEDRAGING, MEERMALEN GEPLEEGD

6

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor alle tenlastegelegde feiten, vanwege afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). AVAS ziet op de wederrechtelijkheid van de bevoordeling. Verdachte heeft slechts beoogd toeslag te verkrijgen voor de vraagouders en heeft niet ter bevoordeling van hemzelf of zijn rechtspersonen gehandeld.

De raadsvrouw heeft haar stelling onderbouwd door aan te voeren dat de wet onduidelijk was en overheidscontrole op het toekennen van de toeslag niet heeft gefunctioneerd. Verdachte heeft herhaaldelijk de Belastingdienst geraadpleegd, vertrouwd op de door hen gegeven adviezen en daardoor feitelijk gedwaald. Hij kreeg daar op dezelfde vragen verschillende antwoorden.

Volgens de raadsvrouw ligt in het KOT-systeem besloten dat aanvragen onjuist kunnen zijn geweest, omdat door de Belastingdienst pas na het kalenderjaar een definitieve afrekening wordt gemaakt van de hoogte van de KOT. Als teveel opvanguren waren berekend, konden deze achteraf worden gecorrigeerd. Door de aanhouding van verdachte voor het einde van het kalenderjaar is dit niet mogelijk geweest.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep kan doen op afwezigheid van alle schuld, nu verdachte het opzet had te frauderen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Een beroep op AVAS kan slechts worden gehonoreerd, indien verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de regelgeving omtrent KOT. Hiervan kan sprake zijn indien verdachte de maximale voorzorgsmaatregelen heeft genomen om zich te voorzien van voldoende en juiste informatie.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet verontschuldigbaar heeft gedwaald, maar bewust en met opzet heeft gefraudeerd. Een beroep op AVAS kan daarom niet slagen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de regelgeving omtrent KOT onduidelijk was en dat hij sommige regels helemaal niet kende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die zich beroepsmatig met de regeling bezig hield, zich (vooraf) in de door hem als complex ervaren materie had moeten verdiepen. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat hij informatie heeft ingewonnen omtrent KOT bij de Belastingtelefoon, maar tegelijkertijd heeft hij verklaard dat hij op dezelfde vragen, verschillende antwoorden kreeg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte onvoldoende voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Hij had bijvoorbeeld een persoonlijke afspraak kunnen maken met de Belastingdienst om deze onduidelijkheden op te helderen. Dit gebrek aan inzet van de zijde van verdachte steekt des te meer gezien het aantal KOT-aanvragen en de bedragen die daarmee waren gemoeid. Dat verdachte via de Belastingtelefoon de antwoorden heeft gehad, welke hij zegt te hebben gehad, is door verdachte overigens niet nader onderbouwd.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte door zijn aanhouding in oktober 2008 niet in staat is geweest om het aantal opvanguren te corrigeren gaat niet op. Verdachte heeft de aanvragen immers niet gebaseerd op de aanvragen van de ouders, maar op het toegestane maximum aantal uren. Verdachte heeft enerzijds actief gehandeld door tegen vraagouders te zeggen dat het daadwerkelijk aantal opvanguren niet relevant was en anderzijds nagelaten om het daadwerkelijke aantal benodigde opvanguren in de aanvraag of wijziging KOT te verwerken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet heeft bekommerd om de regelgeving omtrent KOT en deze regelgeving zelfs bewust heeft genegeerd. Verdachte had kennelijk slechts ten doel eenvoudig en snel veel geld te verdienen.

Het verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte een geldboete zal worden opgelegd van € 75.000,-, te vervangen door 365 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft betoogd dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar dat de oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de verdediging een extreem groot aantal getuigen wilde laten horen. De verdediging dient dan ook de consequentie te aanvaarden dat het onderzoek langer heeft geduurd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, een voorwaardelijke gevangenisstraf of werkstraf passender is. De raadsvrouw is van mening dat het onderzoek erg lang heeft geduurd en dat dit een zware wissel heeft getrokken op verdachte en zijn ondernemingen. De raadsvrouw heeft betoogd dat strafvermindering moet worden toegepast.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, evenals op grond van de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar op zeer grove wijze misbruik gemaakt van de regeling kinderopvangtoeslag en daardoor de Belastingdienst opgelicht voor een bedrag van enkele miljoenen euro's. Deze regeling (KOT) is in het leven geroepen om door middel van bijdragen aan de kosten van kinderopvang de (kans op) arbeidsparticipatie te vergroten voor vraagouders.

Verdachte heeft op grote schaal misbruik gemaakt van kinderopvangtoeslag. Verdachte heeft meerdere gastouderbureaus opgericht. Verdachte heeft stelselmatig aanvragen KOT voor vraagouders ingediend, waarbij hij veel te veel opvanguren en het maximale uurtarief door de Belastingdienst liet uitbetalen. Daarnaast liet verdachte KOT uit betalen, terwijl hij wist dat feitelijk geen opvang of onbetaalde opvang plaatsvond. Verdachte liet ook KOT uitbetalen met terugwerkende kracht, door de overeenkomst tussen zijn gastouderbureaus en de vraagouders bijvoorbeeld een jaar eerder in te laten gaan dan de datum waarop met de kinderopvang werd gestart. Verdachte ging daarbij zelfs zo ver dat hij, ondanks verzoeken van vraagouders om het aantal opvanguren te matigen, het aantal opvanguren verhoogde, dit niet wijzigde of als ouders wilden stoppen de KOT nog enige tijd liet doorgaan. Verdachte lijkt maar een doel te hebben gehad: eenvoudig, oneerlijk en snel zoveel mogelijk geld verdienen.

Verdachte heeft daarbij de Staat gedupeerd, en daarbij ook en juist de hardwerkende burger die belasting afdraagt om kinderopvang mogelijk te maken. De KOT wordt immers betaald uit gemeenschapsgeld. Verdachte heeft zich daar op geraffineerde wijze onrechtmatig mee verrijkt.

Ook zijn vraagouders gedupeerd. Verdachte heeft hen immers voorgehouden dat KOT geld opleverde, niets zou kosten en dat ouders zelf mochten weten wat zij met dit geld deden. Door toedoen van verdachte worden deze vraagouders geconfronteerd met naheffingen en dienen zij grote bedragen terug te betalen aan de Belastingdienst.

Verdachte heeft de Belastingdienst opgelicht door valse en vervalste documenten te gebruiken. Deze zijn in de administratie van verdachte teruggevonden. Het doel daarvan was om bij een eventuele controle deze documenten te kunnen overleggen en dan te doen alsof dit echte en onvervalste documenten waren.

Daarnaast heeft verdachte de miljoenen die hij deels ten onrechte op rekening kreeg van zijn gastouderbureaus naar vrije besteding kunnen gebruiken. Dit heeft verdachte gedaan, door bedragen naar vraagouders over te maken, maar ook naar zijn eigen bankrekeningen, waarna dit geld uit het zicht verdween.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond en alle feiten, ondanks overweldigend bewijs, heeft ontkend en de schuld naar anderen heeft geschoven.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte, volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2010, niet eerder door een strafrechter is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Voor het daarnaast opleggen van een geldboete zoals door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, derhalve een delict waarvoor een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de overwegingen die aan dit vonnis ten grondslag liggen, blijkt van ernstige bezwaren tegen verdachte. Voorts is de rechtbank van oordeel dat blijkt van gevaar voor recidive. Immers, verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij nog steeds werkzaam is in de gastouderopvang.

De rechtbank zal dan ook ambtshalve de gevangenneming van verdachte bevelen, welke beslissing afzonderlijk zal worden geminuteerd.

8

De benadeelde partij

In onderhavige zaak heeft een drietal benadeelde partijen zich gevoegd.

De vordering van de benadeelde partij 1 strekt tot toekenning van een vergoeding van de materiële schade van € 4.520,00.

De vordering van de benadeelde partij 2 strekt tot toekenning van een vergoeding van de materiële schade van € 5.297,00.

De vordering van de benadeelde partij 3 strekt tot toekenning van een vergoeding van de materiële schade van € 32.916,00.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet van eenvoudige aard zijn en dat de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De raadsvrouw is primair van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de vorderingen niet van eenvoudige aard zijn en daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De rechtbank acht de vorderingen niet van zo eenvoudige aard dat deze zich lenen voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Zij kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 47, 51, 57, 225, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- beveelt de gevangenneming van verdachte.

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. M.A. Waals, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. drs. M.P. Visser griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juli 2010.

Mr. M.A. Waals is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 11/993012-08

Vonnis d.d. 20 juli 2010