Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN4164

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/1539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het aanwijzingsbesluit zelf en uit de publicatie daarvan blijkt niet dat de [plaats van parkeren] als zodanig is aangewezen als gebied waar parkeerbelasting wordt geheven. Zulks wordt door verweerder ook niet betwist. Ook is niet gebleken dat de [plaats van parkeren] is aan te merken als één van de in het aanwijzingsbesluit genoemde parkeerdekken.

De enkele vermelding van de [plaats van parkeren] op de door verweerder overgelegde kaart maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de [plaatas van parkeren] – in afwijking van de tekst van het aanwijzingsbesluit – toch zou zijn aangewezen. Uit het aanwijzingsbesluit, noch uit de kaart blijkt dat de kaart onderdeel uitmaakt van het aanwijzingsbesluit.

In dit geval kan dan ook niet worden geconcludeerd dat ten aanzien van de belanghebbende het belastbare feit zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub a, van de Verordening zich heeft voorgedaan. Het beroep van eiser is reeds hierom gegrond. De door hem aangevoerde beroepsgronden behoeven geen behandeling. De in het geding zijnde heffingsaanslag moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1437

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1539

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zwijndrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. [naam], juridisch medewerker van [naam bedrijf] te

'[plaatsnaam].

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is met dagtekening [datum], om [tijdstip] een naheffingsaanslag parkeerbelasting (inclusief verschuldigde parkeerbelasting € [bedrag]) opgelegd (verbaal nummer [nummers])

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief, ingekomen op 16 september 2008, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak van 26 november 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 december 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 17 februari 2010 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Verweerder heeft op 22 februari 2010 nadere stukken ingediend.

De zaak is op 15 juni 2010 ter zitting, met goedkeuring van partijen, voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In artikel 225 van de Gemeentewet is - voor zover voor het onderhavige geschil van belang - het volgende bepaald:

"1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

4. (...)"

Artikel 2 van de Verordening parkeerbelastingen Zwijndrecht 2005 (hierna: de Verordening) luidt als volgt:

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Bij besluit van 21 maart 2005, bekend gemaakt in het plaatselijke huis-aan-huisblad op 24 maart 2005 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zwijndrecht besloten betaald parkeren in te voeren.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Verordening is de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

2.2. De bestreden uitspraak strekt tot handhaving van de aanslag. Ter plaatse is geconstateerd dat parkeerbelasting verschuldigd was, en dat deze niet voldaan was. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan één van de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften, namelijk dat de (tijdelijke) parkeervergunning tijdens het parkeren binnen een betaald-parkerengebied duidelijk zichtbaar/leesbaar achter de voorruit van de auto dient te zijn aangebracht.

2.3. Eiser voert aan dat er geen sprake is van (kwade) opzet. Aangezien eiser schade had geleden aan zijn auto, is deze voor reparatie aangeboden en heeft eiser een leenauto gekregen. Deze leenauto heeft eiser gebruikt zonder er erg in te hebben gehad dat hij alleen een parkeervergunning had voor zijn eigen auto. Direct nadat eiser een boete heeft gehad, heeft eiser het verzuim goed gemaakt en een tijdelijke vergunning gevraagd en gekregen.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil vast dat eiser als bestuurder van de personenauto [merk auto] met kenteken [kenteken], op [datum] om [tijdstip] heeft geparkeerd aan de [plaats van parkeren] zonder het gebruik van een parkeerkaartje voor de parkeerbelasting. Voorts is niet in geschil dat eiser op dat moment (nog) geen tijdelijke vergunning had voor de door hem gebruikte leenauto.

2.4.2. De rechtbank dient zich allereerst ambtshalve te buigen over de vraag of de [plaats van parkeren] door verweerder is aangewezen als gebied waar parkeerbelasting geheven kan worden.

Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft verweerder overgelegd het besluit van

21 maart 2005 van de Burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht waarbij de volgende gebieden zijn aangewezen waarbij parkeren slechts toegestaan is tegen betaling van parkeerbelasting of met gebruikmaking van een vergunning:

- alle openbare parkeerplaatsen gelegen op het Norderstedtplein;

- alle openbare parkeerplaatsen gelegen op de Wadden;

- alle openbare parkeerplaatsen gelegen op het gedeelte van IJsselmeer direct ten zuiden van de Wadden tussen de Laan van Walburg en de parkeerdekken;

- alle openbare parkeerplaatsen gelegen op de Biesbos;

- alle openbare parkeerplaatsen gelegen op het zuidelijk gedeelte van het Popradplein direct ten oosten van de Biesbos.

Deze aanwijzing is vervolgend gepubliceerd in Stadsnieuws van 24 maart 2005 van de gemeente Zwijndrecht.

Voorts heeft verweerder een kaart overgelegd waaruit blijkt binnen welke sectoren er geparkeerd mag worden en onder welke voorwaarden. Op deze kaart is de [plaats van parkeren] ingetekend als het gebied waarop geparkeerd zou mogen worden tegen betaling en waar het vergunninghouders toegestaan is daar te parkeren.

2.4.3. Uit het aanwijzingsbesluit zelf en uit de publicatie daarvan blijkt niet dat de [plaats van parkeren] als zodanig is aangewezen als gebied waar parkeerbelasting wordt geheven. Zulks wordt door verweerder ook niet betwist. Ook is niet gebleken dat de [plaats van parkeren] is aan te merken als één van de in het aanwijzingsbesluit genoemde parkeerdekken.

De enkele vermelding van de [plaats van parkeren] op de door verweerder overgelegde kaart maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de [plaats van parkeren] - in afwijking van de tekst van het aanwijzingsbesluit - toch zou zijn aangewezen. Uit het aanwijzingsbesluit, noch uit de kaart blijkt dat de kaart onderdeel uitmaakt van het aanwijzingsbesluit.

In dit geval kan dan ook niet worden geconcludeerd dat ten aanzien van de belanghebbende het belastbare feit zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub a, van de Verordening zich heeft voorgedaan. Het beroep van eiser is reeds hierom gegrond. De door hem aangevoerde beroepsgronden behoeven geen behandeling. De in het geding zijnde heffingsaanslag moet worden vernietigd.

2.5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op de voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die voor vergoeding op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- beveelt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 39,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.