Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN1270

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
11/860100-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een achtienjarige verdachte tot een gevangenisstraf van zestien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk voor het medeplegen van een overval op een cafetaria in Piershil. Tijdens de proeftijd van twee jaar komt verdachte onder toezicht van de reclassering te staan. Voorts dient hij aan de slachtoffers schadevergoeding te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860100-10 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

[geboorteplaats en geboortedatum],

[adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Rijnmond, De Schie, te Rotterdam,

(hierna: verdachte).

Raadsman mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni 2010, waarbij de officier van justitie mr. W.J. Struik, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 januari 2010 te Piershil, gemeente Korendijk, met anderen, [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van geld, door te dreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van de aangifte van mevrouw [benadeelde partij 2] en de verklaring van de verdachte, afgelegd tegenover de politie. De officier van justitie kwalificeert dit strafbare feit als medeplegen van afpersing.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, waarin hij verklaart dat hij op 26 januari 2010 te Piershil samen met [medeverdachte] in [bedrijfsnaam] het aanwezige personeelslid door middel van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, terwijl [betrokkene] hen de wapens had geleverd en mee in de buit heeft gedeeld;

- de aangifte van [benadeelde partij 2] waarin ze verklaart dat ze op 26 januari 2010 te Piershil in [bedrijfsnaam] door twee mannen met een pistool is gedwongen tot de afgifte van geld.

De rechtbank volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen, omdat verdachte dit feit heeft bekend en de situatie van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 januari 2010 te Piershil, gemeente Korendijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 240 euro), toebehorende aan [bedrijfsnaam] en/of [benadeelde partij 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte, en een van diens mededaders

- met bedekt gezicht [bedrijfsnaam], alwaar die [benadeelde partij 2] werkzaam was, hebben betreden en

- (vervolgens) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [benadeelde partij 2] hebben gericht en gericht gehouden en

- die [benadeelde partij 2] daarbij dreigend hebben toegevoegd: "Geef me al je geld".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

AFPERSING DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door drs. B.F. Hoek, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 27 mei 2010 komt naar voren dat verdachte beschikt over een bovengemiddelde intelligentie. Daarnaast is sprake van ADHD, een leesstoornis/dyslexie en misbruik van middelen, te weten cannabis en cocaïne. Wat betreft de persoonlijkheid van verdachte, kan gesproken worden van een onrijpe persoonlijkheid en een dreigende scheefgroei in zijn ontwikkeling. Dit beeld strekt zich over langere tijd uit en speelde dus ook ten tijde van het ten laste gelegde. Dit had invloed op gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde, volgens de psycholoog. Verdachte is beïnvloedbaar (verkeerde vrienden, erbij willen horen), hij laat zich gemakkelijk meeslepen en lijkt de gevolgen van zijn gedrag niet te overzien. Hij is wantrouwig, kan slecht tegen verveling (heeft een grote behoefte aan prikkels) en lijkt nog in de puberteit. Verdachte heeft volgens de psycholoog een emotioneel temperament, negatieve opvattingen en autoriteitsproblemen. Hij is gevoelig voor groepsdruk. Hij mist de assertiviteit en de alternatieven om te kiezen voor sociaal wenselijker gedrag in situaties waarin de andere groepsleden aan lijken te sturen op een mogelijk delict. Dit verhoogt de kans op antisociale gedragskeuzes in dergelijke situaties, volgens de psycholoog. Zijn impulsiviteit, onrijpheid en morele ontwikkeling lijken hier de motor tot zijn antisociale gedragskeuzes in groepssituaties.

De psycholoog adviseert betrokkene enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van het voormelde rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in enigszins verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde strafbare feit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie geeft aan dat verdachte alleen heeft gedacht aan eigen behoeftebevrediging van spanning en financieel gewin. Berichten van dit soorten feiten wakkeren, volgens de officier van justitie, in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan. Daarom is volgens hem de enige passende straf een gevangenisstraf. Voor eenzelfde feit heeft de medeverdachte, die inmiddels berecht is, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk gehad. Daarbij is toen de jeugdige leeftijd in matigende zin meegewogen. Deze verdachte is first offender en enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Daarom vordert de officier van justitie op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact. Dat reclasseringscontact zou volgens de officier van justitie een ambulante behandeling bij polikliniek Het Dok moeten inhouden. Deze behandeling kan volgens hem al starten tijdens detentie.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met de beperkte rol die verdachte heeft gespeeld bij het feit. Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft dit volgens hem ook verklaard. De naïviteit van verdachte blijkt uit het feit dat hij geen gezichtsbedekking droeg.

De raadsman geeft aan dat de persoonlijkheid van verdachte nog niet helemaal ontwikkeld is. Hij verzoekt de rechtbank dan ook om de conclusies van de officier van justitie over te nemen, namelijk dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en een achterstand heeft in zijn geestelijke ontwikkeling. De raadsman geeft aan dat in het voordeel van verdachte pleit dat hij zelf het initiatief heeft genomen om een excuusbrief te schrijven aan het slachtoffer. Hij bepleit een matiging van de eis van de officier van justitie omdat hij achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk te zwaar vindt voor dit feit. Hij verzoekt de rechtbank een straf op te leggen die gelijk is aan de voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis duurt volgens hem ten tijde van uitspraak 134 dagen. Indien de rechtbank een dergelijke straf te laag vindt verzoekt hij het restant om te zetten in een werkstraf en een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hij is het eens met de officier van justitie dat de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact opgelegd dient te worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met zijn mededaders afspraken gemaakt over een overval op een snackbar. Vervolgens is hij samen met één mededader in de auto gestapt, hebben zijn mededader en hij allebei een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich gestoken, heeft zijn mededader een panty over zijn hoofd getrokken en zijn ze samen de snackbar binnengestapt. In de snackbar heeft de mededader zijn wapen gericht op het aanwezige personeelslid. Daarbij riep de mededader: “Geef me al je geld!”. Verdachte is bij de ingang van de snackbar blijven staan en heeft vooral in de gaten gehouden of er niemand aan kwam. Nadat het personeelslid het geld had overhandigd is verdachte er met zijn mededader vandoor gegaan en hebben ze later de buit met zijn drieën gedeeld.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Doordat een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het aanwezige personeelslid werd gericht, vreesde zij voor haar leven. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. De overval en de nasleep daarvan hebben geleid tot angst en spanningen bij het slachtoffer. Ook wekt een dergelijke overval in de samenleving verontwaardiging op en kan het gevoelens van onveiligheid oproepen. Verdachte heeft evenwel niet bij de consequenties van zijn gedrag stilgestaan.

Naast de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Blijkens het strafblad van verdachte d.d. 19 februari 2010 is hij niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Uit het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 13 april 2010 komt naar voren dat reclasseringsbegeleiding en een behandeling bij forensische polikliniek Het Dok noodzakelijk worden geacht en dat daarom wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Uit de rapportage van drs. B.F. Hoek, psycholoog, van 27 mei 2010, komt naar voren dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is. Met de conclusies van beide rapporten houdt de rechtbank rekening bij het opleggen van de straf. De rechtbank waardeert voorts de proceshouding van verdachte positief en heeft de indruk dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw.

De oriëntatiepunten voor soortgelijke feiten gaan uit van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden. Gelet op de ernst van het feit is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer gerechtvaardigd. De rechtbank ziet daarom geen ruimte voor een werkstraf. De eis van de officier van justitie acht de rechtbank op zich redelijk. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank echter reden om een enigszins lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht in overeenstemming met het advies van de reclassering een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk om verdachte na het uitzitten van zijn straf te brengen onder het toezicht van de reclassering en om een behandeling bij Het Dok mogelijk te maken. Ook wordt met deze voorwaardelijke straf beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.

8 De benadeelde partij

8.1 [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van in totaal € 1.515,12, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.000,= wat betreft het immateriële deel, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige verzoekt hij de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Hij geeft daarbij aan dat in de strafzaak tegen een medeverdachte de rechtbank tot dezelfde beslissing als die hij voorstelt, is gekomen.

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij voor het materiële deel niet-ontvankelijk te verklaren omdat dit deel niet onderbouwd is. Het immateriële deel van de vordering is volgens de raadsman niet te vergelijken met het voorbeeld uit de ANWB-Smartengeldgids omdat er in het onderhavige geval geen sprake is geweest van doodsbedreigingen. Daarom verzoekt hij de rechtbank de vergoeding voor het immateriële deel van de vordering te beperken tot een bedrag van € 1.000,=.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,= een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag van € 1.500,= heeft de rechtbank gematigd tot € 1.000,= omdat het voorbeeld uit de Smartengeldgids van de ANWB niet overeenkomt met het onderhavige delict, nu er in het onderhavige geval door verdachte en zijn mededader geen doodsbedreigingen zijn geuit richting het slachtoffer. De rechtbank zal de vordering dus tot een bedrag van € 1.000,= toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Nu verdachte het desbetreffende strafbare feit met anderen heeft gepleegd en er derhalve van moet worden uitgegaan dat deze personen mede aansprakelijk zijn voor de door dit feit veroorzaakte schade, zal worden bepaald dat verdachte terzake hoofdelijk is verbonden.

Voor het overige immateriële gedeelte, acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

In het materiële gedeelte van de vordering verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat dit gedeelte niet (voldoende) onderbouwd is.

Het gedeelte van de vordering waarin de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8.2 [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 675,03, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 375,=, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige vordert hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu het rechtstreeks verband tussen het gepleegde feit en de aanschaf van beveiligingscamera’s ontbreekt.

De verdediging heeft bepleit de vordering toe te wijzen tot het gedeelte wat is verdwenen uit de kassa, namelijk € 240,=. Voor het overige verzoekt de raadsman de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren omdat deze voor dat gedeelte niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 240,= een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Dit is het bedrag dat door de rechtbank bewezen is verklaard als ontvreemd van de benadeelde partij. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering nu de gederfde omzet onvoldoende onderbouwd is en het onduidelijk is of er sprake is van aftrek van kosten. Voorts ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het rechtstreekse verband tussen het bewezen verklaarde feit en de aanschaf van beveiligingscamera’s.

Nu verdachte het desbetreffende strafbare feit met anderen heeft gepleegd en er derhalve van moet worden uitgegaan dat deze personen mede aansprakelijk zijn voor de door dit feit veroorzaakte schade, zal worden bepaald dat verdachte terzake hoofdelijk is verbonden.

Het gedeelte van de vordering waarin de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 312 en 317, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden, waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt poliklinische behandeling bij forensische polikliniek Het Dok of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], van € 1000,= ter zake van immateriële schade; vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van € 240,= ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- [benadeelde partij 2]: € 1000,=, 20 dagen hechtenis,

- [benadeelde partij 1]: € 240,=, 4 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M.R.M. Edelhauser – van Vlijmen, voorzitter,

mr. G.A.F.M. Wouters en mr. H.M. Dunsbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. den Besten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 juli 2010.

Mr. H.M. Dunsbergen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 26 januari 2010 te Piershil, gemeente Korendijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 275 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte,

en/of diens mededader

- met (deels) bedekt(e) gezicht(en) [bedrijfsnaam], alwaar die [benadeelde partij 2] werkzaam was, heeft/hebben betreden en/of

- (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [benadeelde partij 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of

- die [benadeelde partij 2] (daarbij) (dreigend) meermalen, althans eenmaal heeft/hebben toegevoegd: "Geef me al je geld", althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en/of strekking;