Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN1186

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/646 & 09/677
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wwb / afwijzing aanvraag om bijstand / krediet bij commerciële bank in dit geval een passende en toereikende voorliggende voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/646 en AWB 09/677

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam verzoeker], wonende in [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Voorburg,

tegen

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden, verweerster,

gemachtigde: C.A.M. Nusteling, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 september 2008 heeft verweerster verzoekers aanvraag om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 5 november 2008 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 16 april 2009 heeft verweerster het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 27 mei 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van 26 mei 2010 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 21 juni 2010 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op de voet van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.2. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder "voorliggende voorziening": elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

2.2. het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om toekenning van een uitkering op grond van de WWB gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerster ten grondslag gelegd dat het door verzoeker in het kader van zijn opleiding tot verkeersvlieger afgesloten krediet bij ABN AMRO als voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB moet worden aangemerkt, zodat verzoeker geen recht heeft op bijstand.

2.3. de gronden van het verzoek

Verzoeker heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verzoeker is van opvatting dat een krediet bij een commerciële bank nooit een voorliggende voorziening kan zijn, gelet op het doel waartoe en de voorwaarden waaronder een dergelijk krediet wordt verstrekt. Het aan verzoeker verstrekte krediet kan niet op één lijn worden gesteld met een krediet bij een gemeentelijke kredietbank.

Voor zover een krediet bij een commerciële bank een voorliggende voorziening zou kunnen zijn, is dat in het geval van verzoeker anders, omdat het aan hem verstrekte krediet uitsluitend is verstrekt en bedoeld om de kosten van verzoekers opleiding te kunnen voldoen. Voor zover in de stukken de term "levensonderhoud" voorkomt, moet hieronder worden verstaan de bijkomende kosten van de opleiding en de kosten van het aflossen van zijn schuld. In ieder geval is het krediet niet toereikend, omdat het slechts voor beperkte duur kon worden aangewend. Het krediet is verder niet passend vanwege de commerciële voorwaarden van het krediet, te weten de hoge rentevergoeding en het te allen tijde moeten terugbetalen van dat krediet.

2.4. het oordeel van de voorzieningenrechter

2.4.1. Ter zitting heeft verzoeker de strekking van het verzoek om voorlopige voorziening gewijzigd. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter thans verweerster op te dragen verzoeker per direct alsnog bijstand te verstrekken over de periode van 3 juni 2008 tot 1 februari 2010. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een dergelijke voorziening.

2.4.2. Verweerster stelt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt dat een krediet bij een commerciële bank onder omstandigheden als een voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. Artikel 5 van de WWB definieert het begrip "voorliggende voorziening" als "elke voorziening buiten de WWB" en biedt daarmee geen aanknopingspunten voor het oordeel dat uitsluitend een krediet bij een gemeentelijke kredietbank als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. In de door verweerster aangehaalde uitspraak van 2 juni 1998 (LJN ZB7830) van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is geoordeeld dat, in de gegeven omstandigheden, de via het scholingsinstituut geboden mogelijkheid om voor de opleidingskosten een persoonlijke lening bij ABN AMRO af te sluiten, kan worden aangemerkt als voorliggende voorziening op bijzondere bijstand voor die opleidingskosten. De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom dit anders zou zijn als algemene bijstand wordt gevraagd. De tegenwerping van verzoeker dat de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak anders zijn dan in de zaak waarin de CRvB op 2 juni 1998 uitspraak heeft gedaan, laat onverlet dat uit genoemde uitspraak volgt dat een lening bij een commerciële instelling onder omstandigheden een voorliggende voorziening kan zijn.

2.4.3. Verzoeker heeft de juistheid van zijn stelling dat het door ABN AMRO verstrekte krediet uitsluitend betrekking heeft op opleidingskosten en niet (mede) op de noodzakelijke kosten van bestaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. Uit de door verzoeker bij zijn bijstandsaanvraag overgelegde stukken volgt dat hij twee leningen heeft afgesloten bij ABN AMRO, een lening van € 101.000 en een lening van € 47.000. Kennelijk in verband met deze leningen heeft ABN AMRO twee deposito's beschikbaar gesteld aan verzoeker, een deposito met rekeningnummer [nummer1 ] onder de aanduiding "opleidingskosten stella" (saldo op 5 juni 2008: € 30.865,93) en een deposito met rekeningnummer [nummer2 ] onder de aanduiding "levensonderhoud" (saldo op 5 juni 2008: € 29.952,95). Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat op 3 maart, 1 april en 2 mei 2008 een bedrag van € 1.545 van laatstgenoemd deposito is overgemaakt naar de bankrekening van verzoeker. Op grond van deze gegevens mocht verweerster naar het oordeel van de voorzieningenrechter concluderen dat verzoeker ten tijde hier van belang beschikte over een krediet om te voorzien in zijn levensonderhoud. De stelling van verzoeker ter zitting dat geen sprake was van een krediet voor levensonderhoud, maar van een krediet om de indirecte opleidingskosten te kunnen voldoen, is niet onderbouwd met controleerbare gegevens en is ook niet in overeenstemming met wat in het normale spraakgebruik onder levensonderhoud wordt verstaan. Deze stelling wordt door de voorzieningenrechter dan ook niet gevolgd. Het argument van verzoeker dat het krediet niet toereikend is omdat het inmiddels is opgebruikt, terwijl hij zijn opleiding nog niet heeft afgerond, leidt niet tot een ander oordeel. Het bestreden besluit is genomen toen deze situatie nog niet aan de orde was. Overigens woont eiser sinds 8 april 2010 in [woonplaats], zodat hij vanaf die datum hoe dan ook geen recht meer heeft op bijstand.

2.4.4. Het betoog van verzoeker dat het met ABN AMRO overeengekomen krediet geen passende voorliggende voorziening is, wordt door de voorzieningenrechter evenmin gevolgd. Verzoeker heeft ervoor gekozen om een opleiding te gaan volgen waarvan de kosten zo hoog zijn dat vrijwel iedere student geld zal moeten lenen om de opleidingskosten te kunnen voldoen en tijdens de opleiding te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van verweerster dat uit telefonische informatie van Stella aviation academy is gebleken dat het kredietarrangement zoals verzoeker dat heeft afgesloten een gebruikelijke regeling is voor studenten die daar de opleiding tot verkeersvlieger volgen. Naar mag worden aangenomen, heeft verzoeker het kredietarrangement afgesloten in de verwachting na het afronden van zijn opleiding een inkomen te zullen verwerven waarmee hij ABN AMRO kan terugbetalen. Anders dan ter zitting is gesteld, kan de situatie waarin verzoeker zich bevindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op één lijn worden gesteld met die van een gemiddelde bijstandsaanvrager, van wie volgens verzoeker niet wordt verlangd een commercieel krediet af te sluiten. De gemiddelde bijstandsaanvrager volgt geen opleiding waarvan de kosten volgens de door verzoeker overgelegde overeenkomst per 1 maart 2007 € 98.500 bedragen. Nu verzoeker de keuze heeft gemaakt om deze opleiding te gaan volgen en hij een in dat kader niet ongebruikelijk kredietarrangement heeft afgesloten, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat dit kredietarrangement in het geval van verzoeker niet als een passende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorwaarden waaronder het krediet is verstrekt zo bezwarend zijn dat dit krediet niet als een passende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt.

2.4.5. Omdat nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de voorzieningenrechter het beroep van verzoeker met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb ongegrond verklaren.

Gelet op de ongegrondverklaring van het beroep van verzoeker is geen sprake meer van een met het verzoek om voorlopige voorziening connexe hoofdzaak. Het verzoek om voorlopige voorziening moet dan ook worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

2.4.6. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.