Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BN0803

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
12-07-2010
Zaaknummer
79526 / HA ZA 09-2108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voormalig cliënte speekt (oud)advocaat aan uit onrechmatige daad (kopen van onroerende zaak cliënt in zwaar weer door Vastgoed B.V. van advocaat). Wel onrechtmatige daad maar geen schade. Roerende zaken moeten aan eiseres worden teruggegeven, anders waarde vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2010/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 79526 / HA ZA 09-2108

vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

1. [eiser 1]

wonende te Kedichem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] HOLDING B.V.,

gevestigd te Leerdam,

eisers,

verweerders in het incident en in reconventie,

advocaat: mr. W.J. van der Kroon,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN HERWAARDEN VAN KESSEL VASTGOED BEHEER B.V.,

gevestigd te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

gedaagde in conventie,

eiseres in het incident en in reconventie,

advocaat: mr. R. van Herwaarden.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser 1] (voor beide eisers) cq [eiser 1] en [eiser 2] en Vastgoed.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

vonnis in het incident van 1 april 2009 en de daarin genoemde stukken,

voorafgaand aan de op 20 mei 2009 gehouden comparitie van partijen heeft mr. Van der Kroon bij brief van 6 mei 2009 een productie overgelegd en heeft Vastgoed bij akte de incidentele eis gewijzigd;

twee akten van Vastgoed;

akte van [eiser 1];

proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2010 en de daarin genoemde stukken.

2. De vaststaande feiten

2.1 [eiser 1] heeft zich in verband met juridische problemen gewend tot mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2], beiden advocaat te Leerdam.

2.2 Schuldeisers (Meinhardt en de belastingdienst) hadden beslag doen leggen op de aan [eiser 1] toebehorende woning met bedrijfsruimte aan de [adres] te Leerdam (verder te noemen de woning met bedrijfsruimte). Door betalingsachterstand dreigde executoriale verkoop van de woning met bedrijfsruimte door Van der Hoop Bankiers N.V. (verder te noemen de bank), die hypotheekhoudster was.

2.3 [advocaat 1] heeft aan [eiser 1] voorgesteld dat (de rechtvoorgangster) van Vastgoed (verder wordt alleen van Vastgoed gesproken) de woning met bedrijfsruimte van [eiser 1] zou kopen voor een prijs van € 875.000,-- met het recht voor [eiser 1] de woning te huren en een deel van de bedrijfsruimte te huren. Vastgoed werd geleid door [advocaat 1] en [advocaat 2]. Hun advocatenkantoor zou eveneens intrek nemen in de bedrijfsruimte.

2.4 Per mailbericht van 21 september 2005 heeft [advocaat 2] een conceptkoopovereenkomst tussen [eiser 1] en [eiser 2] als verkoper en Vastgoed als koper aan [eiser 1] gestuurd (prod. 6 dagvaarding). Artikel 1.1 van deze overeenkomst luidt:

1.1 Verkoper verkoopt Koper de Onroerende zaak, die deze hierbij in koop aanvaardt, tegen een prijs van € 875.000,- (…) kosten koper.

2.5 Op 22 september 2005 heeft [eiser 1] (voor zichzelf en als directeur van [eiser 2] Holding) als verkoper een schriftelijke overeenkomst met Vastgoed als koper ondertekend. De volgende bepalingen zijn van belang:

1. Koop en verkoop Onroerende Zaak en Roerende Zaken; Koopprijs; Toezegging huur

1.1 Verkoper verkoopt aan Koper de Onroerende zaak en de Roerende Zaken, die deze hierbij in koop aanvaardt, tegen de volgende prijzen, hierna totaal genomen aangeduid met de Koopprijs:

- € 800.000,- (…) kosten koper, voor de Onroerende zaak;

- € 75.000,- (…) voor de Roerende Zaken.

(…)

1.4 Koper verplicht zich om met betrekking tot de vleugel van de Onroerende Zaak waarin zij thans haar woning heeft met ingang van de dag waarop de zaak aan Koper wordt geleverd een gemengde huurovereenkomst aan te gaan. De betreffende vleugel wordt verhuurd als woning en als bedrijfsruimte. (…)

2. Verrekening bij gedwongen hogere bieding

2.1 Beide partijen verklaren er van op de hoogte te zijn dat onzeker is of Koper er in slaagt om de Onroerende Zaak, inclusief de roerende zaken, geleverd te krijgen tegen de overeengekomen Koopprijs.

2.2 Verkoper zal de juridische deskundigheid van haar bestuurders gebruiken en haar uiterste best doen om te bewerkstelligen dat de Onroerende Zaak, inclusief Roerende Zaken, tegen de overeengekomen Kooprijs kan worden geleverd.

2.3 Indien de inspanningen sub 2.2 bedoeld geen resultaat hebben, is het de Verkoper toegestaan -maar hij is daartoe niet verplicht- om de levering te bewerkstelligen tegen betaling van een hogere prijs dan de overeengekomen, sub 2.1 vermelde Koopprijs. Het verschil zal door Verkoper worden terugbetaald aan Koper. (…)

2.6 Op 28 september 2005 is een koopovereenkomst gesloten tussen de bank en Vastgoed, waarin de woning met bedrijfruimte wordt verkocht aan Vastgoed voor een prijs van € 875.000,--, kosten koper.

2.7 Op 4 november 2005 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank op verzoek van de bank en met als gerequestreerden o.a. [eiser 1] en [eiser 2] bepaald dat de koop en verkoop van de woning met bedrijfsruimte onderhands zal kunnen geschieden overeenkomstig het bij het verzoekschrift overgelegde koopovereenkomst van 28 september 2005 tussen de bank en Vastgoed. In deze overeenkomst is de koopprijs bepaald op € 875.000,-- voor de onroerende zaken. [eiser 1] heeft geen bezwaar gemaakt tegen toewijzing van het verzoek.

2.8 Bij akte van levering van 18 november 2005 is de woonruimte met bedrijfsruimte aan Vastgoed geleverd.

2.9 De belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar de waarde van door Vastgoed opgegeven roerende zaken behorende bij de aan Vastgoed geleverde woning met bedrijfsruimte. Vastgoed heeft aan de belastingdienst opgegeven dat de waarde van deze roerende zaken € 75.000,-- bedraagt, hetgeen de belastingdienst heeft geaccepteerd.

2.10 Met ingang van 1 december 2005 heeft [eiser 1] van Vastgoed de woning met bedrijfsruimte van Vastgoed gehuurd. Op 6 mei 2006 hebben zij een schriftelijke overeenkomst ondertekend, waarin een huurprijs van € 1.500,-- per maand voor woning en bedrijfsruimte en € 175,-- aan servicekosten is overeengekomen.

2.11 Op 10 december 2006 heeft [eiser 1] (eiseres sub 1) een klacht ingediend bij de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage tegen, voor zover thans van belang, mr. A.J. [advocaat 2], en mr. A.W.G. [advocaat 2], beiden advocaat te Leerdam.

Bij beslissing van 9 maart 2009 heeft de Raad van Discipline, voor zover thans van belang, het volgende geoordeeld:

(…) dat verweerders sub 2 en 3 (lees [advocaat 2] en [advocaat 1]; toevoeging rechtbank) zaken zijn gaan doen met een (voormalig) cliënte, die in de gegeven situatie afhankelijk van verweerders sub 2 en 3 was. Deze afhankelijkheid was althans had voor verweerders sub 2 en 3 duidelijk moeten zijn. Toen verweerders het voornemen hadden om de onroerende zaken van klaagster dan wel van de bank van klaagster te kopen en concrete vormen aannam, hadden verweerders sub 2 en 3 klaagster moeten verwijzen naar een andere advocaat, die haar in dat traject (objectief) terzijde had kunnen staan. Verweerders sub 2 en 3 hebben zulks niet gedaan. Ter zitting is gebleken dat verweerders sub 2 en 3 niet inzien althans onvoldoende dat zij terzake niet hebben gehandeld zoals een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De Raad is dan ook van oordeel dat verweerders sub 2 en 3 onvoldoende oog hebben gehad voor tegenstrijdige belangen en ten minste de schijn hebben gewekt misbruik te hebben gemaakt van de afhankelijkheid van klaagster in de (voormalige) relatie advocaat-cliënte. Deze klachtonderdelen zijn gegrond. (…)

De opstelling van verweerders sub 2 en 3 jegens klaagster is zozeer onbehoorlijk dat de Raad de maatregel van berisping passend en geboden acht. (…).

2.12 Vastgoed heeft op 14 en 19 juni 2007 beslag doen leggen op roerende zaken genoemd in het als prod. 3 bij antwoord in conventie overgelegde proces-verbaal. De beslagen goederen zijn in gerechtelijke bewaring gegeven bij de heer [betrokkene 1] te Culemborg.

2.13 Vastgoed heeft bij de kantonrechter te Gorinchem een procedure aanhangig gemaakt tegen [eiser 1], welke procedure is geëindigd door een op 3 juli 2007 ten overstaan van de kantonrechter gesloten vaststellingsovereenkomst met, voor zover thans van belang, de navolgende inhoud:

(…)1. De huurovereenkomst tussen partijen zal met wederzijds goedvinden worden ontbonden per 31 juli 2007. Uiterlijk op die datum zal mevrouw [eiser 1] het gehuurde leeg en ontruimd (…) aan de verhuurder ter beschikking stellen (…)

5. De gelegde beslagen zullen worden opgeheven en de goederen zullen op 31 juli 2007 op een door mevrouw [eiser 1] aan te geven plaats (…) worden thuisbezorgd.

6. Na voldoening van vorenstaande hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen en zij verlenen elkaar over en weer finale kwijting.(…)

2.14 Vastgoed heeft [betrokkene 2], een schuldeiser van [eiser 1], laten weten dat hij beslag kon leggen op roerende zaken die [betrokkene 1] in bewaring waren gegeven. [betrokkene 2] heeft op 31 juli 2007 beslag doen leggen op een aantal zaken van [eiser 1], die zich bij [betrokkene 1] bevonden, waarover daags daarna [betrokkene 1] wederom als bewaarder is aangesteld.

2.15 Op 5 januari 2009 heeft [eiser 1] ten laste van Vastgoed conservatoir derdenbeslag doen leggen onder notaris Van der Wiel, die bedrijfsruimte van Vastgoed huurt. Het beslag is in overleg tussen partijen opgeheven met ingang van 1 juni 2009, zodat er nog drie huurtermijnen van elk € 3.800,-- onder het beslag vallen.

3. De vorderingen

De vordering in conventie

3.1 [eiser 1] vordert, na wijziging van eis, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I de overeenkomst van 22 september 2005 wordt vernietigd wegens misbruik van omstandigheden;

II Vastgoed wordt veroordeeld om aan [eiser 1] te betalen een schadevergoeding van € 115.000,-- met wettelijke rente over € 110.000,-- vanaf 12 april 2007 en over € 5.000,-- vanaf 1 augustus 2007;

met veroordeling van Vastgoed in de proceskosten.

3.2 Aan de vorderingen legt [eiser 1] het volgende ten grondslag.

Ad I

Artikel 1.1 van de overeenkomst van 22 september 2005 moet worden vernietigd, omdat de overeenkomst ten aanzien van de levering van roerende zaken onder druk door [eiser 1] is getekend. [advocaat 2] was [eiser 1]s advocaat en tevens bestuurder van Vastgoed. [advocaat 2] heeft gezegd dat zij snel moest tekenen omdat het anders niet door zou gaan, zodat zij met haar kinderen op straat zou komen te staan. [eiser 1] veronderstelde dat de prijs van € 875.000,-- alleen voor de onroerende zaken bedoeld was, zoals in de op 21 september 2005 toegezonden overeenkomst stond.

Daardoor zijn de roerende zaken, die zijn vermeld op de lijst van de notaris (prod 23 antwoord in conventie) aan Vastgoed geleverd, terwijl dit niet de bedoeling was. Omdat de zaken niet meer teruggeleverd kunnen worden dient de waarde, € 75.000,--, te worden vergoed.

Ad II

Het bedrag van € 115.000 is gespecificeerd als volgt:

- waardevergoeding roerende zaken € 75.000,-- (zie hiervoor onder I)

- minderprijs roerende zaak € 35.000,--

- niet voldoen aan afgifte beslag € 5.000,--

ad € 35.000,--

[eiser 1] heeft de onroerende zaken aan Vastgoed verkocht voor € 875.000,--, terwijl het van aanvang de bedoeling was om [eiser 1] het pand uit te werken. [eiser 1] lijdt door dit onrechtmatig handelen van Vastgoed schade, aangezien ze een hoger bod van € 910.000,-- had kunnen accepteren, maar daarvan ten behoeve van Vastgoed en onder druk van haar toenmalig advocaat [advocaat 2] heeft afgezien. De schade bedraagt het verschil tussen de gerealiseerde prijs van € 875.000,-- en € 910.000,-- dus € 35.000,--.

ad € 5.000,--

Op 19 juni 2007 heeft Vastgoed beslag doen leggen op roerende zaken van [eiser 1]. Partijen hebben een schikking getroffen, maar er werd opnieuw beslag gelegd door een derde. Uit beide processen-verbaal blijkt dat er de tweede maal minder in beslag is genomen. Er zijn dus zaken ten onrechte niet aan [eiser 1] teruggeven. Vastgoed dient de waarde daarvan, te stellen op € 5.000,--, te vergoeden.

Het verweer in conventie

3.3 De conclusie van Vastgoed strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser 1] in de kosten van het geding.

Als verweer voert zij het volgende aan.

a. De vordering op grond van misbruik van omstandigheden is verjaard. De verjaringstermijn van drie jaar is aangevangen op de beschikking van 4 november 2005, zodat de vordering was verjaard op 3 november 2008.

b. Niet [eiser 1] en [eiser 2] zijn verkopende partij, maar Van der Hoop Bankiers hebben als hypotheekhouder executoriaal verkocht.

c. [eiser 1] en [eiser 2] waren niet beschikkingsbevoegd om de onroerende zaken te verkopen;

d. De overeenkomst van 22 september 2005 had als doel prijszekerheid: € 875.000,-- (wat kon Vastgoed maximaal financieren) en huurzekerheid (voor [eiser 1] en haar bedrijf). Deze overeenkomst is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat als Vastgoed meer dan € 875.000 aan de bank (die nooit roerende zaken mee verkoopt) diende te betalen, [eiser 1] het meerdere terug zou moeten betalen aan Vastgoed. Deze voorwaarde is niet in vervulling gegaan, zodat de overeenkomst niet is ontstaan, hetgeen tot gevolg heeft dat geen vernietiging gevorderd kan worden.

De vorderingen van Vastgoed

in het incident

3.4 Vastgoed vordert in het incident -kortweg- opheffing van het beslag onder haar huurder (op drie huurtermijnen van elk € 3.800,--).

3.5 Vastgoed stelt dat zij onevenredig zwaar getroffen wordt door dit beslag. [eiser 1] betwist het gestelde.

in reconventie

3.6 Vastgoed vordert dat

a. [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk worden veroordeeld bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om aan Vastgoed te betalen € 1.000,-- over de maand januari 2009; € 4.924,85 exclusief BTW met de wettelijke rente daarover vanaf 21 augustus 2007; schade op te maken bij staat;

b. de beslagen worden opgeheven;

c. voor recht wordt verklaard dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd;

met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure.

3.7 Vastgoed stelt dat de gelegde beslagen onrechtmatig zijn en dat [eiser 1] een aan Vastgoed toebehorend keukenblok uit het gehuurde heeft meegenomen.

het verweer in reconventie

3.7 [eiser 1] heeft de vordering weersproken.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie

4.1 Roerende zaken

4.1.1 De gevorderde verklaring voor recht heeft betrekking op artikel 1 van de overeenkomst van 22 september 2005, zo heeft [eiser 1] ter comparitie verduidelijkt.

4.1.2 Vastgoed betoogt dat de overeenkomst voorwaardelijk is aangegaan, namelijk voor het geval Vastgoed gedwongen zou zijn een hogere prijs te betalen dan € 875.000,--. [eiser 1] heeft de juistheid van deze uitleg niet betwist. Wat daar van zij, beide partijen gaan er van uit dat artikel 1 ten aanzien van de roerende zaken niet geldt c.q. niet behoort te gelden en dat alleen de onroerende zaken moesten worden geleverd voor € 875.000,--. De rechtbank zal dat ook als uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling.

4.1.3 Vast staat, dat [eiser 1] niet gehouden was roerende zaken aan Vastgoed te leveren. Als zij dat toch gedaan heeft, dient Vastgoed deze zaken aan [eiser 1] terug te geven en als dat niet mogelijk is, dient zij de waarde daarvan te vergoeden.

4.1.4 Eveneens staat vast dat Vastgoed zelf een lijst heeft opgesteld met zaken, behorende bij de geleverde onroerende zaken, die zij zelf aanduidt als roerende zaken. Zij stelt echter in deze procedure, dat de zaken op deze lijst ofwel door natrekking ofwel op grond van verkeersopvattingen behoren bij de onroerende zaak. [eiser 1] betwist dit.

4.1.5 Een zaak is roerend of onroerend. Het kan een punt van discussie zijn of een zaak al dat niet door natrekking of verkeersopvatting roerend is of onroerend. Het kan echter niet zo zijn, dat een zaak fiscaalrechtelijk roerend is, en civielrechtelijk niet. Vastgoed wordt gehouden aan de opgave die zij heeft gedaan aan de belastingdienst en die door deze dienst is geaccepteerd. Zij heeft in deze procedure onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat haar eerder ingenomen standpunten en het standpunt van de fiscus onjuist zijn en evenmin geeft zij een uitleg hoe zij, bestuurd door juristen, tot een dergelijke misslag heeft kunnen komen. De lijst die is overgelegd (prod. 23 bij antwoord in conventie) noopt bovendien evenmin tot de conclusie dat de zaken niet roerend zijn.

4.1.6 [eiser 1] vordert de waardevergoeding van de roerende zaken. Bij de door haar gekozen grondslag (vernietiging) past in de eerste plaats ongedaanmaking. Hetzelfde geldt als Vastgoed de zaken onder zich heeft zonder dat daarvoor een titel bestaat.

Vastgoed zal eerst in de gelegenheid worden gesteld de op de als productie 23 bij antwoord in conventie overgelegde lijst genoemde zaken aan [eiser 1] terug te geven.

4.1.7 Als het niet mogelijk is zaken terug te geven, dient Vastgoed daarvan in zoverre de waarde aan [eiser 1] te vergoeden. De waardebepaling die Vastgoed zelf heeft gedaan moet daarbij uitgangspunt zijn.

4.1.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [eiser 1] bij de onder I gevorderde vernietiging geen belang. In zoverre wordt de vordering afgewezen.

De verweren onder a t/m d behoeven geen verdere bespreking.

Het gevorderde bedrag van € 75.000,-- zal na eventuele teruggave van zaken aan [eiser 1] nader beoordeeld moeten worden. Beide partijen mogen zich nog uitlaten in dit verband. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol.

4.2 Onrechtmatig handelen (€ 35.000,--)

4.2.1 Vast staat dat Vastgoed ten tijde van de koop van het voorheen aan [eiser 1] toebehorende pand werd bestuurd door [advocaat 2] en [advocaat 1], die [eiser 1] bijstonden als advocaat. Gelet op de uitspraak van de Raad van Discipline moet worden geoordeeld dat het handelen van [advocaat 1]s en [advocaat 2] maatschappelijk onzorgvuldig was. Terecht voert Vastgoed aan, dat de Raad van Discipline geen oordeel heeft gegeven over haar handelen. Vast staat echter dat haar bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld en dat Vastgoed daarvan heeft geprofiteerd door de woning met bedrijfsruimte te verwerven. Reeds dat is onrechtmatig jegens [eiser 1]. Of Vastgoed het vooropgezette plan had [eiser 1] uit de woning en bedrijfsruimte “weg te werken”, zoals [eiser 1] stelt kan dus in het midden blijven.

4.2.2 [eiser 1] stelt dat zij door het onrechtmatig handelen van Vastgoed schade lijdt, gelegen in de mindere prijs die zij gerealiseerd heeft voor het pand.

4.2.3 Zelfs indien [eiser 1] een prijs van € 910.000,-- had kunnen realiseren, zoals zij stelt en Vastgoed betwist, heeft zij onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat zij door het onrechtmatig handelen van Vastgoed schade lijdt.

Indien immers deze hogere prijs zou zijn gerealiseerd, had [eiser 1], met haar kinderen en haar bedrijf, het pand bij levering moeten verlaten. Het voordeel dat zij woon- en bedrijfsruimte behield voor een redelijke huurprijs moet bij de beoordeling van de schade betrokken worden. Destijds vond zij zelf deze situatie te verkiezen boven op straat gezet worden. Zij lijdt door het enkele feit dat een lagere koopprijs werd gerealiseerd geen schade.

Dat zij uiteindelijk uit het gehuurde moest vertrekken, moet worden toegeschreven aan het feit dat zij zelf haar sterke positie als huurder heeft verzwakt door de huur niet of niet tijdig te betalen. Dat is evenwel een omstandigheid die aan [eiser 1] zelf moet worden toegerekend.

4.2.4 Dit onderdeel van de vordering moet worden afgewezen.

4.3 Onrechtmatige daad (€ 5.000,--)

4.3.1 Vast staat dat Vastgoed op 14 en 19 juni 2007 beslag heeft doen leggen op roerende zaken genoemd in het als prod. 3 bij antwoord in conventie overgelegde proces-verbaal. De beslagen goederen zijn in gerechtelijke bewaring gegeven bij de heer [betrokkene 1] te Culemborg.

4.3.2 Voor zover de tweede maal geen beslag is gelegd, had Vastgoed op grond van de vaststellingsovereenkomst de aan [eiser 1] toebehorende zaken moeten terugbrengen. Vast staat dat Vastgoed niets heeft teruggegeven. Zij dient voor niet teruggegeven zaken een vergoeding te betalen.

4.3.3 Terecht voert Vastgoed aan, dat niet duidelijk is gesteld welke zaken ten onrechte niet zijn teruggeven. [eiser 1] wordt in de gelegenheid gesteld aan te tekenen op het eerste proces-verbaal welke zaken Vastgoed terug had moeten geven met vermelding van de daaraan toe te kennen waarde.

in reconventie en in het incident

4.4 De door [eiser 1] gelegde beslagen.

Uit de in conventie weergegeven rechtsoverwegingen volgt dat het zeer wel mogelijk is dat [eiser 1] een vordering op Vastgoed heeft die het bedrag dat is getroffen door het beslag zal overtreffen. De vordering in het incident moet worden afgewezen.

In reconventie wordt de beoordeling over de rechtmatigheid van het gelegde beslag en de hoogte van de schade aangehouden.

4.5 Keukenblok (€ 4.688,62 exclusief BTW)

Vast staat dat [eiser 1] het keukenblok dat aanvankelijk in het gehuurde stond zelf heeft vervangen door een ander keukenblok. Niet valt in te zien dat zij dit blok, dat zij gebruikte bij de uitoefening van haar bedrijf (een schoonheidssalon) niet mocht meenemen. Dit onderdeel van de vordering moet worden afgewezen. Bovendien kon Vastgoed het eerder door [eiser 1] verwijderde keukenblok eenvoudig terugplaatsen, zodat ook daarom de vordering niet toewijsbaar is.

4.6 Recapitulatie

De zaak wordt verwezen naar de rol.

Van Vastgoed wordt verwacht dat zij de roerende zaken van de lijst (prod. 23 bij antwoord in conventie) aan [eiser 1] teruggeeft. Daartoe heeft zij de gelegenheid tot twee weken vóór na te melden roldatum.

[eiser 1] mag bij akte reageren op na te melden roldatum. Van haar wordt verwacht dat zij een akte neemt met als producties na te melden stukken:

- de lijst (prod. 23 bij antwoord in conventie) waarop zij aantekent wat nog niet is teruggegeven en wat in haar visie de waarde is van de niet teruggegeven zaken;

- de eerste processen-verbaal van gerechtelijke bewaring (prod. 3 bij conclusie van antwoord in conventie) waarop zij aantekent wat niet onder het tweede beslag valt en wat niet is teruggegeven alsmede de waarde van deze zaken.

Vastgoed mag op deze akte reageren.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2010 voor het nemen van een akte door [eiser 1] (zie 4.6)

in conventie,in reconventie en in het incident

houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 juli 2010.