Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM8776

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
82359 / FA RK 09-8428
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging van omstandigheden? Inkomensstijging van de vrouw is te kwalificeren als rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Deze inkomsten verminderen ook de alimentatiebehoefte van de vrouw.

De partneralimentatie is vastgesteld bij echtscheidingsbeschikking in het jaar 2001.

Uit de door de vrouw overgelegde financiële stukken blijkt dat de inkomensstijging vanaf het jaar 2003 te kwalificeren is als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

Op grond van artikel 1: 401 BW (vervaltermijn) wordt geen rekening gehouden met de onderhoudsuitkeringen die uitgekeerd waren vijf jaren voor het indienen van het wijzigingsverzoek van de man (3 augustus 2009).

Uit de overzichten (zie overwegingen beschikking) blijkt dat de inkomensstijgingen vanaf

3 augustus 2004 van de vrouw haar aanvullende behoefte verminderen, en dit de hoogte van de verschuldigde partneralimentatie beïnvloedt.

Omdat aannemelijk is dat de vrouw (een deel van) de te veel ontvangen alimentatie zal hebben aangewend voor haar levensonderhoud, acht de rechtbank het redelijk voor een deel hiermee rekening te houden.

Voorts speelt een rol dat de man bij het voldoen van de partneralimentatie belastingvoordeel heeft genoten. De vrouw daarentegen heeft over de ontvangen partneralimentatie belasting voldaan.

Thans bestaat nog steeds een aanvullende behoefte bij de vrouw van circa € 300,-- bruto per maand (was in het jaar 2001 € 982,--).

Rekeninghoudende met de maximumduur van de onderhoudsbijdrage van twaalf jaren en het lopen van deze termijn vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (in dit geval op 14 juni 2001) eindigt de onderhoudsverplichting op

14 juni 2013.

Vanaf de datum van de beschikking tot aan de maximumduur van de onderhoudsbijdrage kan de vrouw nog aanspraak maken op een onderhoudsbijdrage van € 300,-- per maand gedurende 36 maanden, dat wil zeggen 300 x 36 = € 10.800,--.

Dit bedrag dient verrekend te worden met de te veel ontvangen onderhoudsbijdragen, bij elkaar opgeteld van 2004 (€ 2.405 vanaf augustus tot en met december), het te veel betaalde van 2005 tot en met 2009 (€ 25.572), en 2010 (uitgaande van een vergelijkbaar verschil als 2009, dat wil zeggen van januari tot juni is omgerekend 5 x € 300 = € 1.500), komt neer op een totaal van circa € 29.477,--.

Het verschil bedraagt € 29.477 minus € 10.800 = € 18.677.

De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw aan de man de helft van € 18.677,-- terugbetaalt, dit komt neer op € 9.339,--, waarbij de onderhoudsverplichting eindigt op de datum van deze beschikking (omdat de nog te ontvangen onderhoudsbijdragen tot een bedrag van € 10.800 worden verrekend).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 82359 / FA RK 09-8428

beschikking van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2010

in de zaak van

[man],

wonende te [adres man],

advocaat mr. N.A. de Graaff, kantoorhoudende te Rotterdam,

tegen

[vrouw],

wonende te [adres vrouw],

advocaat mr. M. Haasnoot, kantoorhoudende te Dordrecht.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1. Het verdere procesverloop

1.1. Op 17 februari 2010 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenbeschikking gegeven. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.

1.2. Bij de hierboven vermelde tussenbeschikking is onder meer geoordeeld dat sprake is van een inkomensstijging van de vrouw. Die inkomensstijging is een wijziging in omstandigheden die aanleiding vormt te onderzoeken of de overeengekomen partneralimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, zodat deze dient te worden herzien.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld bescheiden te overleggen waaruit de netto inkomsten ten tijde van uiteengaan van partijen blijken. Voorts is de vrouw in de gelegenheid gesteld alle relevante inkomensbescheiden over de periode 2001 tot en met 2009 te overleggen.

1.3. Na de tussenbeschikking heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

2 maart 2010;

- de akte overlegging producties, van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 4 maart 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 9 maart 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

22 maart 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 25 maart 2010.

1.4. De rechtbank zal de verzoeken op de stukken afdoen.

2. De verdere beoordeling

2.1. De behoefte van de vrouw

2.1.1. Maatgevend voor de beoordeling van de welstand van partijen tijdens het huwelijk is het gezinsinkomen dat partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk ter beschikking stond.

De man (geboren op 2 mei 1948) is sinds 28 september 1970 werkzaam bij [werkgever man] als chauffeur.

De vrouw (geboren op 27 oktober 1949) is sinds 1 oktober 1999 werkzaam bij [werkgever vrouw] als administratief medewerker.

Bij de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 25 april 2001 is een partneralimentatie bepaald van f. 2.160,-- (€ 982,--) bruto per maand.

Uit het overgelegde verzoekschrift echtscheiding, ingekomen ter griffie d.d. 7 februari 2001, blijkt dat partijen van de volgende inkomens zijn uitgegaan. Het inkomen van de man bedroeg in het jaar 2001 f. 98.000,-- (€ 44.545,--) bruto op jaarbasis. Het inkomen van de vrouw bedroeg in het jaar 2001 gemiddeld f. 1.250,-- (€ 568,--) netto per maand. Bij brief d.d. 8 maart 2001 heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw. De rechtbank heeft dienovereenkomstig de partneralimentatie c.q. de aanvullende behoefte van de vrouw op f. 2.160,-- (€ 982,--) bruto per maand vastgesteld.

Uitgaande van de aanvullende behoefte van de vrouw per maand (in het jaar 2001), en daarbij opgeteld haar bruto maand inkomen (in het jaar 2001, zoals hieronder vermeld bij punt 2.2.1) komt haar totale behoefte neer op € 1.999,-- bruto per maand.

2.2. De inkomensstijging van de vrouw

2.2.1. Op verzoek van de rechtbank heeft de vrouw haar jaaropgaven over de jaren 2001 tot en met 2008 overgelegd om zodoende te kunnen beoordelen wanneer zich een inkomensstijging heeft voorgedaan die gekwalificeerd kan worden als een wijziging in de omstandigheden.

Als uitgangspunt hanteert de rechtbank de totale behoefte van de vrouw in het jaar 2001, dat wil zeggen het loon volgens jaaropgave (2001), omgerekend per maand, en daarbij opgeteld haar aanvullende behoefte: € 12.203 is omgerekend € 1.017 (per maand) + € 982 = € 1.999.

Om de aanvullende behoefte van de vrouw te berekenen is haar behoefte ad € 1.999,-- jaarlijks geïndexeerd.

Hieronder volgt het overzicht van het loon over de jaren 2002 tot en met 2009.

De bedragen zijn in euro’s vermeld en afgerond, en omgerekend bruto per maand

Jaar Loon (jaaropgave, en per maand) totale behoefte geïndexeerd aanvullende behoefte

2002 14.207 = 1.184 2.091 907

2003 19.707 = 1.642 2.173 531

2004 20.715 = 1.726 2.227 501

2005 20.531 = 1.711 2.251 540

2006 20.627 = 1.719 2.272 553

2007 22.082 = 1.840 2.312 472

2008 21.986 = 1.832 2.363 531

2009 (*)21.273 = 1.773 2.456 683

(*) van het jaar 2009 is geen jaaropgave overgelegd, aan de hand van de overgelegde salarisspecificatie van september 2009 is op basis van de cumulatieven het loon omgerekend op jaarbasis.

2.2.2. De conclusie is dat de inkomensstijging vanaf het jaar 2003 te kwalificeren is als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Deze inkomsten verminderen ook de alimentatiebehoefte van de vrouw.

2.2.3. De vast te stellen alimentatie mag de aanvullende behoefte noch de draagkracht overstijgen. De laagste van de twee vormt dus het maximum, tenzij de omstandigheden van partijen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen. Zodanige omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank zal dus bij de vaststelling van de alimentatie van de laagste van de twee uitgaan, in dit geval de aanvullende behoefte.

Hieronder volgt een overzicht van de aanvullende bruto behoefte van de vrouw in de jaren 2003 tot en met 2009, de bruto partneralimentatie (niet geïndexeerd) die de man heeft voldaan, en het verschil tussen beide op maand- en op jaarbasis (bruto).

Jaar partneralimentatie excl. indexatie -/- aanv behoefte = op maand- en jaarbasis te veel betaald

2003 982 531 451 5.412

2004 982 501 481 5.772

2005 982 540 442 5.304

2006 982 553 429 5.148

2007 982 472 510 6.120

2008 982 531 451 5.412

2009 982 683 299 3.588

2.3. Slotsom ten aanzien van de partneralimentatie

2.3.1. Op grond van artikel 1: 401 van het Burgerlijk Wetboek (vervaltermijn) wordt geen rekening gehouden met de onderhoudsuitkeringen die uitgekeerd waren vijf jaren voor het indienen van het verzoek 3 augustus 2009.

Uit de hiervoor vermelde overzichten blijkt dat de inkomensstijgingen

(vanaf 3 augustus 2004) van de vrouw haar aanvullende behoefte verminderen, en dit de hoogte van de verschuldigde partneralimentatie beïnvloedt. Dat wil zeggen dat dit leidt tot een vermindering van de partneralimentatie.

De vrouw heeft als onderhoudsgerechtigde de taak deze gevolgen aan de man als onderhoudsplichtige te melden.

Omdat aannemelijk is dat de vrouw (een deel van) de te veel ontvangen alimentatie zal hebben aangewend voor haar levensonderhoud, acht de rechtbank het redelijk voor een deel hiermee rekening te houden.

Voorts speelt een rol dat de man bij het voldoen van de partneralimentatie belastingvoordeel heeft genoten. De vrouw daarentegen heeft over de ontvangen partneralimentatie belasting voldaan.

Thans bestaat nog steeds een aanvullende behoefte bij de vrouw van circa € 300,-- bruto per maand.

Rekeninghoudende met de maximumduur van de onderhoudsbijdrage van twaalf jaren en het lopen van deze termijn vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (in dit geval op 14 juni 2001) eindigt de onderhoudsverplichting op 14 juni 2013.

Vanaf de datum van de beschikking tot aan de maximumduur van de onderhoudsbijdrage kan de vrouw nog aanspraak maken op een onderhoudsbijdrage van € 300,-- per maand gedurende 36 maanden, dat wil zeggen 300 x 36 = € 10.800,--.

Dit bedrag dient verrekend te worden met de te veel ontvangen onderhoudsbijdragen, bij elkaar opgeteld van 2004 (€ 2.405 vanaf augustus tot en met december), het te veel betaalde van 2005 tot en met 2009 (€ 25.572), en 2010 (uitgaande van een vergelijkbaar verschil als 2009, dat wil zeggen van januari tot juni is omgerekend 5 x € 300 = € 1.500), komt neer op een totaal van circa € 29.477,--.

Het verschil bedraagt € 29.477 minus € 10.800 = € 18.677.

2.3.2. Alle omstandigheden zoals hiervoor vermeld overziend acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw aan de man de helft van € 18.677,-- terugbetaalt, dit komt neer op

€ 9.339,--, waarbij de onderhoudsverplichting eindigt op de datum van deze beschikking (omdat de nog te ontvangen onderhoudsbijdragen tot een bedrag van € 10.800 worden verrekend).

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2001 aan de man ten behoeve van de vrouw opgelegde alimentatieverplichting;

3.2. bepaalt, dat de verplichting van de man om een alimentatie ten behoeve van de vrouw te betalen eindigt op de datum van deze beschikking, met dien verstande dat zijn alimentatieverplichting tot 14 juni 2013 is verrekend met het deel van de terugbetalingsverplichting van de vrouw zoals hiervoor onder punt 2.3.2 is overwogen;

3.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Eerdhuijzen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 23 juni 2010.