Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM8560

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
67372 / HA ZA 06-2753,67373 / HA ZA 06-2754, 67374 / HA ZA 06-2755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij vaststelling van het begrenzingsplan is een weg die particulier eigendom was niet als te handhaven openbare weg aan het Waterschap toegewezen. Bij het plan van toedeling is de weg niet alsnog aan het Waterschap toegedeeld. In beide beslissingen heeft een rol gespeeld dat het Waterschap bestreed dat zij de onderhoudsverplichting van de weg had. De rechtbank stelt - na een eerder tussenvonnis, waarin al werd geoordeeld dat de weg openbaar is geweest - op grond van getuigebewijs vast dat het Watersschap de weg meer dan tien jaar lang feitelijk heeft onderhouden en daarom gelet op artikel 15, lid 2 van de Wegenwet de onderhoudsplicht had. Door de landinrichting is die onderhoudsplicht vervallen, zodat de eigenaren van de weg nu belast zijn met het onderhoud. De rechtbank behandelt het Waterschap al 'afgaand eigenaar' voor de lijst geldelijke regelingen en wenst een deskundigenbericht te gelasten om de omvang van de verrekenpost te kunnen bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummers / rolnummers: 67372 / HA ZA 06-2753,67373 / HA ZA 06-2754, 67374 / HA ZA 06-2755

vonnis op bezwaar van de meervoudige kamer van 16 juni 2010

in de gevoegde zaken van

[reclamant 1],

wonende te Strijensas,

B.V. Dordrechtse Landbouwonderneming,

gevestigd te Utrecht,

[reclamant 3],

wonende te Strijensas,

reclamanten,

gemachtigde mr. W.M. [getuige 3]oo, advocaat te Middelharnis,

tegen

de lijst der geldelijke regelingen, opgemaakt door de landinrichtingscommissie in de ruilverkaveling Hoeksche Waard-Oost, hierna te noemen: de commissie.

en

Waterschap Hollandse Delta: belanghebbende, hierna te noemen: het Waterschap.

Reclamanten worden verder ook aangeduid als [reclamant 1], DLO, respectievelijk [reclamant 3].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 april 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 september 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 oktober 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 januari 2008;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 19 mei 2008;

- de conclusie na getuigenverhoor tevens akte overlegging producties van reclamanten;

- de conclusie na getuigenverhoor van de Landinrichtingscommissie;

- de conclusie na getuigenverhoor tevens houdende akte overlegging producties van het Waterschap;

- de aanvullende akte van de Landinrichtingscommissie;

- de akte uitlating producties van reclamanten.

De zaken zijn mondeling behandeld op de zitting van 3 februari 2009.

- hierbij zijn door mr. W.M. Bijloo, mr. J.J. Jacobse en mr. J.G.M. Verhoeven pleitnotities overgelegd.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Ingevolge het vonnis van 11 april 2007 zijn reclamanten toegelaten tot het leveren van bewijs dat het Waterschap gedurende tien achtereenvolgende jaren, na 1 oktober 1922, op de voet van de artikel 4 aanhef lid 1 onder II en artikel 15 lid 2 van de Wegenwet de weg heeft onderhouden, anders dan het vullen van gaten en het eenmalig aanbrengen van een slijtlaag.

2.2. Voor zover het Waterschap betoogt dat het vonnis van 11 april 2007 ten aanzien van het Waterschap geen kracht van gewijsde heeft, omdat het op dat moment nog niet bij de zaak betrokken was, wordt deze stelling als feitelijk onjuist verworpen. Uit de processtukken volgt dat het Waterschap van meet af aan actief als belanghebbende bij de behandeling van het bezwaar betrokken is geweest. Het Waterschap is in de gelegenheid gesteld zijn standpunt ten aanzien van het bezwaar van reclamanten en de door de commissie voorgestelde oplossing kenbaar te maken en het heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Voor zover het Waterschap bedoelt te stellen dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast omdat de belangen van het Waterschap niet in de beoordeling zijn betrokken, mist die stelling derhalve feitelijke grondslag. Het Waterschap stelt verder dat het als belanghebbende aanvankelijk niet als volwaardige procespartij is aangemerkt, maar het onderbouwt die stelling in het geheel niet zodat daaraan wordt voorbij gegaan.

2.3. Aan de zijde van reclamanten zijn als getuigen gehoord de reclamanten [reclamant 1] en [reclamant 3] en voorts [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]. Voor zover van belang hebben zij het volgende verklaard.

Getuige [getuige 3] werkte vanaf 1945 voor DLO in de Mariapolder en was vanaf 1951 tot 1990 bedrijfsleider bij DLO.

Hij verklaarde: (…) “Over het onderhoud kan ik u zeggen dat dat voor de watersnoodramp door de DLO werd uitgevoerd. Na de watersnoodramp werden de dijken verzwaard en nam het waterschap het op zich. Ik heb gezien dat het bedrijf [getuige 5] regelmatig de gaten in de weg heeft gevuld en asfalteringswerk heeft uitgevoerd. Het vullen van gaten werd ook wel gedaan door personeel van het Waterschap. Ik weet niet hoe vaak gaten werden gevuld, maar ik heb gezien dat het gebeurde als er diepe gaten in de weg gekomen waren. Verder werd 1 keer per zoveel jaar een nieuwe slijtlaag aangebracht. In mijn herinnering is dat voor de laatste maal gebeurt in de jaren ’80. Ik denk dat de slijtlaag om de 4 of 5 jaar werd vernieuwd en 2 keer heb ik gezien dat het bedrijf [getuige 5] daarmee bezig was. (…) Ik neem aan dat het Waterschap die opdrachten gaf omdat ook mensen van het Waterschap zich bezighielden met het vullen van gaten. (…) De gladheidbestrijding in de winter werd door het Waterschap zelf gedaan. Dat heb ik zelf waargenomen. (…) Voor zover ik weet gebeurde het onderhoud aan de weg in de Mariapolder in dezelfde tijd dat ook het onderhoud aan de weg Het Schenkeltje werd uitgevoerd . En voor zover ik kan beoordelen gebeurde dat op dezelfde manier.”

Getuige [getuige 5] was vanaf 1986 in het bedrijf met dezelfde naam werkzaam en betrokken bij acquisitie en het beoordelen van bestekken, later werd hij directeur van het bedrijf.

Hij verklaarde: “(…) Mijn vader is al vanaf de vijftiger of zestiger jaren hierbij betrokken geweest. Vroeger werd het werk onderhands gegund en op enig moment ongeveer halverwege of eind jaren negentig werd openbaar aanbesteed. Het waterschap maakte jaarlijks een bestek betreffende het onderhoud van wegen in de Hoeksche Waard. (…) Vanuit mijn werkzaamheden weet ik dat ook de weg in de Mariapolder, de toegangsweg in het verlengde van het Schenkeltje, met enige regelmaat moest worden onderhouden. De frequentie was in mijn herinnering eens in de vijf tot zeven jaar. Ik weet dat in de uitvoering – in overleg tussen de uitvoerder van het waterschap en de uitvoerder van mijn bedrijf – wel eens aanpassingen plaatsvonden in die zin dat in afwijking van het bestek meer- of minderwerk aan bepaalde wegen werd uitgevoerd. Ik kan mij niet precies herinneren in welke jaren de weg in de Mariapolder tot de te onderhouden wegen behoorde. (…) Ik weet niet precies of de eerdergenoemde frequentie in onderhoud van vijf tot zeven jaar al vanaf de vijftiger jaren zo gold (…), maar in mijn herinnering moet dat wel zo geweest zijn. (…) Jaarlijks inventariseerden de uitvoerder van het waterschap en onze uitvoerder de wegen en daarbij werd de Mariapolder ook meegenomen.(…)”

Getuige [getuige 6] was van 1984 tot en met 1999 lid van de directie en hoofduitvoerder bij het bedrijf [getuige 5] en hield zich bezig met calculatie, nacalculatie en uitvoering van werken).

Hij verklaarde: “(…) Ik weet wel dat het bedrijf werken uitvoerde in de Mariapolder uit het overleg met de verantwoordelijke uitvoerder en de directie. De heer [getuige 7] was verantwoordelijk uitvoerder. Ik weet dat er elk jaar een bestek was en dat tot dat bestek soms een stuk Mariapolder behoorde. Hoe vaak dat was weet ik niet precies maar ik denk zo eens in de zes à zeven jaar. Meestal ging het om het aanbrengen van een slijtlaag op de weg die ik op aangehechte tekening heb gemarkeerd met twee blauwe strepen. Ik weet niet dat het bedrijf andere werkzaamheden uitvoerde dan het aanbrengen van een slijtlaag. (…) kan ik verklaren dat mijn herinnering de periode begin 1980 tot begin 1990 betreft. (…)”

Getuige [getuige 7] verklaarde: “ Vanaf 1961 werkte ik voor het bedrijf [getuige 5]. De laatste 20 jaar tot mijn pensioen op 23 december 1990 was ik er uitvoerder. In die hoedanigheid ben ik betrokken geweest bij werkzaamheden van het bedrijf die aan de wegen in de Mariapolder werden verricht. Eens in de 5 of 6 jaar moest op de wegen in de Mariapolder een nieuwe slijtlaag worden aangebracht. Dit werk werd in opdracht van het waterschap uitgevoerd. Op de bijlage bij deze verklaring streep ik met blauwe pen de stukken aan waarop een nieuwe slijtlaag werd aangebracht. De ene keer was dat het stuk langs de dijk, gemarkeerd met “A” de andere keer de toegangsweg gemarkeerd met “B”. Ik weet niet meer wanneer het asfalt op die beide stukken is aangebracht. Wel ben ik drie of vier keer bij het aanbrengen van slijtlaag betrokken geweest. De laatste keer in 1988 of 1989. Tijdens de werkzaamheden was steeds een opzichter van het waterschap aanwezig. Dat was de heer Naaktgeboren. Heel vroeger was het de heer A. van der Giessen. Voordat de slijtlaag werd aangebracht moesten ook wel eens putten in de weg worden gevuld. Ik liep dan met vier of vijf mensen van het bedrijf de wegen na. Verder weet ik nog dat het stuk langs de dijk in de richting van De Wacht eenmaal met slakken werd verhard.(…) Ik weet dat eenmaal asfalt werd aangebracht vanaf Strijensas naar de polder op het stuk weg dat ik op bijgaande tekening, bijlage 2, markeer met twee blauwe strepen. Ik weet niet wanneer en door wie het asfalt elders op de wegen in de Mariapolder zelf is aangebracht. Dat moet in ieder geval voor 1970 geweest zijn omdat ik pas na die tijd uitvoerder was. Voor zover ik weet is het werk aan de wegen in de Mariapolder die ik als uitvoerder deed zowel in aard van de werkzaamheden als in frequentie gelijk aan de werkzaamheden aan de wegen elders in Hoeksche Waard. Alle werken die ik hier bedoel waren in opdracht van het waterschap. Over de uitvoering van de werkzaamheden werd onderling gesproken. Ik heb dus ook met de heer van der Wiel over de uitvoering van werkzaamheden gesproken en omdat die primair mijn verantwoordelijkheid waren, liet hij die aan mij over. (…)”

2.4. Aan de zijde van het Waterschap Hollandse Delta, als belanghebbende in onderhavige procedure, zijn gehoord [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11].

Voor zover van belang hebben zij het volgende verklaard.

Getuige [getuige 9] was van 1981 tot juli 1992 als opzichter wegen – en waterbeheersing verantwoordelijk voor district 3, in welk district de Mariapolder ligt.

Hij verklaarde: “(…) In de periode dat ik verantwoordelijk was voor het wegenonderhoud (…) is nooit structureel werk aan de weg in de Mariapolder verricht. (…) Bij mijn weten was het wel zo dat de wegenkantonniers op verzoek van bewoners sporadisch gaten in de weg hebben gedicht met koud asfalt. Die wegenkantonniers (…) voerden het klein onderhoud aan de wegen uit. Eén keer per jaar werd ook het wegenbestek gemaakt en dan werd het vastgelegd welke wegen een nieuwe asfaltlaag of een nieuwe slijtlaag kregen. (…) Een tijd lang werden de inspecties gedaan door een collega die geen andere taken meer had. Dat was de heer Naaktgeboren. Naar aanleiding van zijn inspecties of van de mijne – de laatste drie jaar deed ik dit naar mijn weten zelf – werd bekeken welke wegen welk onderhoud nodig hadden en in overleg met het hoofd van de technische dienst werd er dan een voorstel gemaakt dat binnen het budget moest passen. Bij mijn weten heeft [getuige 5] aan de wegen in de Mariapolder geen werkzaamheden in opdracht van het Waterschap uitgevoerd.(…) Het maaien van de bermen en het onderhoud van de dijksloot werd, naar ik aanneem, door het Waterschap uitgevoerd omdat dit volgens het Waterschap een dijksloot was.

Wanneer ik eerder heb gesproken over het over het vullen van gaten in de weg moet ik aanvullen dat ik niet altijd wist wanneer dat gebeurde. Het kan tien keer per jaar geweest zijn of twee keer. Het werd mij niet altijd verteld. Maar ik was daar ook niet bij.

Als door het bedrijf [getuige 5] werk aan de wegen werd uitgevoerd dan ging ik daar wel eens kijken. Ik had daar geen bemoeienis bij in het begin omdat mijn collega Naaktgeboren de contacten met [getuige 5] onderhield. Dat zal hij ongeveer tot 1987 hebben gedaan. Toen ik pas in dienst was, was [getuige 5] de huisaannemer en werd deze vast ingeschakeld. Later werd het werk openbaar aanbesteed (…). Hoewel Naaktgeboren de contacten met [getuige 5] onderhield, de bestekken deed en het werk afrekende kwam ik ook wel op het werk onder meer als de heer Naaktgeboren afwezig was. (…)”

Getuige [getuige 10] was van 1975 tot ongeveer 1983 opzichter waterkeringen op het eiland van Dordrecht. In mei 1989 werd hij hoofd waterkeringen en daarmee verantwoordelijk voor onder meer de hoofdwaterkering in de Mariapolder. Na een reorganisatie in 1991was hij tot juni 1999 hoofd van de afdeling planning en uitvoering en uit dien hoofde verantwoordelijk voor waterbeheersing, wegen en waterkeringen. Van juni 1999 tot januari 2005 was hij hoofd van de afdeling uitvoering en had gelijksoortige taken.

Hij verklaarde: (…) Van mijn collega De Groot – afdelingshoofd wegen en waterbeheer – hoorde ik dat zo af en toe wel gaten in de weg werden gevuld door collega’s. Dat gebeurde ten behoeve van de toegankelijkheid van de weg voor het onderhoud aan de dijk. (…)

Na de reorganisatie werd ik in 1991 hoofd afdeling planning en uitvoering en toen kreeg ik alle taken onder mijn verantwoordelijkheid: waterbeheersing, wegen en waterkeringen in het hele gebied. Ik had deze functie tot juni 1999 en kan verklaren dat in die tijd niets in opdracht van het Waterschap aan de wegen in de Mariapolder is gebeurd. Dat weet ik om dat de weg niet openbaar was omdat hij niet in de legger was genoemd (…).

Bij mijn weten werden tot het jaar 2000 door medewerkers van het waterschap gaten gevuld in de wegen in de Mariapolder. Dat is toen gestopt omdat duidelijk werd dat er windmolens zouden worden gebouwd en dan zou het onderhoud toch bij de eigenaar van de windmolens komen te liggen. Wel is nog een keer een slijtlaag gedraaid maar dat is geweest onder verantwoordelijkheid van de heer De Groot dus in ieder geval voor dat ik verantwoordelijk werd voor de wegen. (…)

Als een opdracht werd geven aan een aannemer dan stond mijn naam onder de brieven, namens het bestuur. Feitelijk kon de opdracht ook worden gegeven door een opzichter maar dan wist ik er wel van. (…)

Het aannemingsbedrijf [getuige 5] ken ik. Dit was een tijd de huisaannemer voor het Waterschap bij wegenonderhoud. (…) dat ik alleen maar zelf heb meegemaakt dat het werd aanbesteed en in mijn herinnering was mijn voorganger De Groot al begonnen met aanbesteden zodat het in ieder geval voor 1991 moet zijn geweest. (…)

De wegenkantonniers hebben bij mijn weten tot 2000 incidenteel gaten gevuld in de weg aan de Mariapolder. (…)

In aanvulling op hetgeen ik eerder heb gezegd merk ik op dat ik heb bedoeld te zeggen dat ik aanneem dat de bouwer van de windmolens overleg zal hebben met de eigenaren van de weg en de kosten van de verbetering van de weg zal hebben betaald. (…)

Getuige [getuige 11] werkte vanaf 1972 als opzichter-coördinator district west. Na de fusie waarbij het Waterschap Hollandse Delta ontstond werkte hij drie jaar als opzichter beheer.

Hij verklaarde: “(…) Met mijn collega opzichters, eerst was dat Arnold [getuige 9] en later Cees van Twist, had ik ongeveer wekelijks overleg en van [getuige 8] heb ik wel eens iets gehoord over het aanbrengen van een slijtlaag. (…) Het werk aan de wegen werd aanvankelijk door [getuige 5] verricht en later door KWS. (…) U houdt mij voor dat meerdere mensen van het bedrijf [getuige 5] hebben verklaard dat zij op grond van een bestek werk hebben uitgevoerd aan de weg in de Mariapolder. Ik weet daar niet van ik heb het niet gezien en ik heb er niet van gehoord. (…) Toen ik van de medewerkers hoorde dat zij af en toe een putje vulde gaven zij als reden op dat het een inspectieweg was. Die reden volstond voor mij ook al omdat ik die medewerkers niet aanstuurde en dus er de verantwoordelijkheid niet voor had. Ik heb niet van hen gehoord hoe vaak zij dit hebben gedaan. (…)”

Getuige [getuige 8] hield zich van 1979 tot 1991 als opzichter Uitvoering bezig met onderhoud van de waterkering, in het oostelijk deel van de Hoekse Waard. Van 1991 tot 2000 was hij als opzichter Uitvoering samen met collega’s [getuige 11] en Kunst verantwoordelijk voor uitvoerend onderhoudswerk op meerdere terreinen.

Hij verklaarde: “(…) Na een interne reorganisatie was het zo dat de afdeling Beleid-Beheer ten behoeve van de afdeling Uitvoering bepaalde welk werk mocht gebeuren. (…) Vanaf 1991 werd er consequent met bestekken gewerkt. (…) Voor 1991 was het gebruikelijk te werken met locale aannemers. Vaak werd het bedrijf [getuige 5] als huisaannemer ingehuurd. Misschien was dat begin 1991 ook nog wel zo. Op uw vraag of het mogelijk is dat na 1991 nog onderhoudswerk aan wegen in de Mariapolder werd uitgevoerd kan ik u zeggen dat dat misschien zo is maar dan niet in opdracht van het Waterschap. (…) Ik heb in ieder geval nooit afgerekend voor werk in de Mariapolder. Dat afrekenen behoorde ook tot mijn taak. Wel weet ik dat ik zelf uit praktische overwegingen de scheiding tussen werkvlakken heb genegeerd. Na asfalteringswerkzaamheden aan de weg aan het Schenkeltje was er asfalt over. Dat heb ik laten leggen op het stuk van de toegangsweg in de Mariapolder dat ik op bijgaande tekening met een accolade heb gemarkeerd. Ik moet eigenlijk zeggen dat ik de beheersgrens van het Waterschap heb overschreden; het betrof niet de scheiding tussen verschillende werkvlakken. Dit stuk van de weg hoort niet tot de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het Waterschap heeft een beheersregister waarin de wegen staan vermeld waarvan het waterschap het beheer heeft. Dat register staat los van de wegenlegger die onder verantwoordelijkheid van de Provincie valt.

De sloot langs de dijk naast het Hollands Diep werd door het Waterschap onderhouden. Dit is een sloot naast een hoofdwaterkering en (…) valt daarom binnen de taak van het Waterschap. Op uw vraag of het Waterschap ook opdracht heeft gegeven voor het aanbrengen van verhardingen kan ik zeggen dat dat niet in de periode 1991 tot 2000 is gebeurd. Of het daarvoor of daarna is gebeurd weet ik niet. Dat kan wel.

Het opvullen van gaten in de wegen gebeurde in beginsel doordat eens per maand alle wegen in het gebied werden opgenomen, waarna dat werd aangetekend op een kaart en de plaatsen waar zoiets moest gebeuren werden doorgegeven aan de districtsmedewerkers. Die reden ook zelf rond in het gebied en vulden ook op eigen initiatief gaten in wegen. (…)

Ik kan verklaren dat er wel gaten in de wegen in de Mariapolder zijn gedicht door medewerkers. Dat gebeurde zeker vóór 1991. Na 1991 kwam er een instructie van de Afdeling Beleid en Beheer dat dat geen taak van het Waterschap was. (…) Die medewerkers vielen voor wat dat werk betreft onder mijn verantwoordelijkheid maar omdat zij dat werk zelfstandig uitvoerden en omdat ik er niet bij was als ze dat werk uitvoerden, kan ik niet verklaren hoe vaak zij in de Mariapolder gaten hebben gevuld en tot wanneer precies dat is gebeurd. Zij deden daarvan aan mij ook geen mededeling. Ze zijn daar zeker mee gestopt in de negentiger jaren naar aanleiding van een strijd tussen de afdeling Beheer en de afdeling Uitvoering over onderhoud buiten de taak van het Waterschap. (…) Ik heb er geen zicht op of die medewerkers of vanaf wanneer die medewerkers zich aan die instructie hebben gehouden. Ik heb wel gehoord dat na de periode dat ik in de afdeling Uitvoering werkte – dus na 2000 – een drainage bij de dijk is aangelegd waarvoor de weg gedeeltelijk is ontgraven en ik heb begrepen dat er toen een nieuwe slijtlaag is aangebracht. (…) dat ik er zelf nooit bij was wanneer de districtsmedewerkers gaten in de wegen in de Mariapolder vulden. Ik heb nog contact gehad met (…), de medewerkers die dat werk deden en ik heb van hen gehoord dat zij ook die wegen in de Mariapolder altijd hebben meegenomen. (…)’

2.5. Uit de verklaringen van de door reclamanten naar voren gebrachte getuigen volgt dat genoegzaam is aangetoond dat het bedrijf [getuige 5] meerdere malen in opdracht van het Waterschap werkzaamheden aan de weg in de Mariapolder heeft uitgevoerd. Die werkzaamheden bestonden uit het op meer dan incidentele basis vullen van gaten en aanbrengen van een slijtlaag. Voorts volgt met name uit de verklaring van [getuige 3] dat ook medewerkers van het Waterschap zelf met enige regelmaat gaten vulden en dat ook gedurende vele jaren hebben gedaan.

Voldoende aangetoond is dat het bedrijf [getuige 5] meerdere malen een slijtlaag heeft aangebracht op de weg en dat dit met een frequentie van eens in de vijf tot zeven jaar gebeurde, voor het laatst aan het eind van de tachtiger jaren van de twintigste eeuw. Uit de verklaringen blijkt voorts dat de uitvoerder van [getuige 5], de heer [getuige 7], jaarlijks de te onderhouden wegen inspecteerde samen met de verantwoordelijke opzichter van het Waterschap, de heer Naaktgeboren. Voorts blijkt dat medewerkers van [getuige 5] over een langere periode regelmatig gaten in de weg hebben gevuld in opdracht van het Waterschap.

Wat dat betreft zijn de verklaringen in overeenstemming met elkaar en, voor zover ze op detailniveau verschillen, zoals voor wat betreft de frequentie waarmee op de weg een slijtlaag is aangebracht of voor wat betreft het precieze tijdstip waarop dat is gebeurd, betreft dat details waarop de verklaringen niet zodanig van elkaar verschillen of onduidelijk zijn dat dat tot de conclusie moet leiden dat de verklaringen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden gevolgd.

Daarenboven worden de verklaringen van de door reclamanten naar voren gebrachte getuigen op belangrijke punten nog ondersteund door de getuigen die door het Waterschap zijn voorgebracht.

Zo verklaart [getuige 9] dat zijn collega Naaktgeboren tot omstreeks 1987 zelfstandig jaarlijks de wegen in het gebied inspecteerde ten behoeve van het wegenbestek waarbij werd vastgelegd welke wegen een nieuwe asfaltlaag of een nieuwe slijtlaag kregen. Volgens [getuige 9] had hij met de uitvoering van dit onderhoud geen bemoeienis, omdat Naaktgeboren geheel zelfstandig de contacten met [getuige 5] onderhield, de bestekken deed en ook afrekende.

Getuige [getuige 11], die vanaf 1972 als opzichter-coördinator district west werkte en derhalve verantwoordelijk was voor een ander gebied, verklaart dat hij van zijn collega [getuige 8] wel eens iets had gehoord over het aanbrengen van een slijtlaag en voorts dat het werk aan de wegen door [getuige 5] werd verricht en later door KWS. Hij verklaart uitdrukkelijk dat hij zelf niet weet dat [getuige 5] op grond van een bestek werk heeft uitgevoerd, het niet heeft gezien en er ook niet van gehoord heeft.

Blijkens de verklaring van [getuige 8] werd er vanaf 1991 met bestekken gewerkt en was voor die tijd [getuige 5] de huisaannemer. Hij stelt dat na 1991 door [getuige 5] geen werk meer in opdracht van het Waterschap aan de weg in de Mariapolder is uitgevoerd, behoudens één maal toen overtollig asfalt is aangebracht op een deel van de weg aansluitend aan de weg Het Schenkeltje. Voorts verklaart [getuige 8] dat hij niet kan verklaren of er voor 1991 of na 2000 verhardingen zijn aangebracht, maar dat dat wel kan en dat na 2000 bij gelegenheid van het aanleggen van een drainage bij de dijk een slijtlaag is aangebracht op de weg in de polder.

Voor wat betreft het vullen van gaten in de weg bevestigen de door het Waterschap voorgebrachte getuigen de verklaringen van de getuigen die door reclamanten zijn voorgebracht met dien verstande dat uit de verklaring van [getuige 8] nog volgt dat ook de eigen buitendienstmedewerkers van het Waterschap (wegkantonniers) geheel zelfstandig gaten in de weg hebben gevuld en dat dat is geëindigd nadat de afdeling Beleid-Beheer in 1991 de instructie gaf dat dat geen taak van het Waterschap was, doch tot wanneer die medewerkers met die werkzaamheden zijn doorgegaan kon ook de heer [getuige 8] niet verklaren.

Dat verschillende getuigen verklaren dat de weg niet op de legger stond en niet in de bestekken was opgenomen vormt, gelet op hetgeen is verklaard, geen ontkrachting van het bewijs dat het werk (het meerdere malen aanbrengen van een slijtlaag en vullen van gaten) is uitgevoerd door of in opdracht van het Waterschap. Ten eerste omdat, naar de rechtbank begrijpt, het vullen van gaten geheel buiten het bestek om gaat. Ten tweede omdat uit de verklaringen van vrijwel alle getuigen wel blijkt dat er lange periodes zijn geweest waarin niet of niet strikt op grond van bestekken werk werd aanbesteed.

Op grond van de getuigenverklaringen is komen vast te staan dat het Waterschap gedurende 10 achtereenvolgende jaren de weg in de Mariapolder feitelijk heeft onderhouden.

De weg werd in ieder geval tussen 1970 en 1991 betrokken in maandelijkse inspecties in het kader van klein onderhoud. Gaten in de betreffende weg werden door medewerkers van het Waterschap of door [getuige 5] in opdracht van het Waterschap gerepareerd. Uit de verklaringen van de getuigen van het Waterschap volgt dat dit klein onderhoud werd uitgevoerd omdat de weg door het Waterschap werd aangemerkt als een zogenaamde inspectieweg.

Voorts is komen vast te staan dat het Waterschap tussen 1970 en 1987 groot onderhoud aan de betreffende weg heeft verricht door meer dan eenmaal een slijtlaag aan te brengen op de weg, althans een gedeelte van de weg. [getuige 7] verklaart dit op basis van eigen waarnemingen. Zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 6], [getuige 3], [getuige 10] en [getuige 9]. [getuige 10] en [getuige 6] verklaren dat tot 1991 [getuige 5] als huisaannemer van het Waterschap jaarlijks het onderhoud aan wegen uitvoerde. [getuige 3] heeft in de genoemde periode tweemaal direct waargenomen dat het bedrijf [getuige 5] op de weg in de Mariapolder bezig was met het aanbrengen van een slijtlaag. [getuige 9] verklaart dat uitvoerder Naaktgeboren tot 1987 zelfstandig jaarlijks de bestekken deed en afrekende. [getuige 10] verklaart dat opzichters zelfstandig bevoegd waren om opdrachten voor groot onderhoud aan aannemers te geven.

Tenslotte is in dit verband van belang dat [getuige 8] verklaart dat in 1991 de Afdeling Beleid en Beheer van het Waterschap erop heeft gewezen dat onderhoud buiten de beheersgrenzen niet was toegestaan. Dat wijst er op dat er een aanleiding voor een dergelijke instructie was, die goed kan zijn gelegen in het onderhoud dat door het Waterschap aan de weg in de Mariapolder werd uitgevoerd.

[getuige 8] verklaart verder dat ook onder zijn verantwoordelijkheid (dus na 1991) om praktische redenen ook wel onderhoud is uitgevoerd buiten het eigenlijke beheersgebied van het Waterschap en op een gedeelte van de weg in de Mariapolder een slijtlaag is aangebracht.

2.6. Artikel 15 lid 2 van de Wegenwet schept voor het openbaar gezag een onderhoudsplicht wanneer het gedurende tien achtereenvolgende jaren na inwerkingtreding van de wet (op 1 oktober 1922) de weg heeft onderhouden. Die periode moet in dit geval noodzakelijkerwijs eindigen voor of op 8 augustus 2000, de datum waarom het begrenzingenplan werd vastgesteld omdat op dat moment een rechtsplicht ten aanzien van de weg voor het Waterschap wordt verbroken door dat plan.

In de uitspraak van 22 juni 1938, Beslissingen 1938, p 917 overwoog de Hoge Raad dienaangaande “dat aan deze uitlegging niet in de weg staat, dat aldus onverplichte handelingen een door den handelenden niet te voorzienen rechtsplicht kunnen scheppen, immers juist uit hoofde van deze mogelijkheid, zij het meer bepaaldelijk met het oog op art. 4, de inwerkingtreding van de wet destijds zoodanig is geregeld, dat alsnog de gelegenheid bestond de intreding van dit gevolg door onderbreking van de onverplichte handelingen te voorkomen; dat de wet voorts niet onderscheidt, of t.a.v. een door het openbaar gezag onverplicht onderhouden weg een ander den onderhoudsplicht had, integendeel art. 23, tweede lid, veronderstelt, dat zoodanige onderhoudsplicht kon bestaan; dat al evenmin de wet onderscheid maakt, of de onderhouden weg aan een particulier in eigendom toebehoorde, trouwens die onderscheiding kwalijk in overeenstemming zou zijn met de strekking van de wet, welke blijkens de verdere bepalingen van Hoofdstuk IV onderhoud door het openbaar gezag van de openbare wegen den aangewezen toestand acht; (…).”

Anders dan van de zijde van het Waterschap als belanghebbende is gesuggereerd, is het volgens voornoemd arrest van de Hoge Raad dus niet van belang dat de weg in de Mariapolder niet tot het beheersgebied van het Waterschap behoorde en het Waterschap het onderhoud aan de weg onverplicht heeft uitgevoerd. Evenmin is relevant of de weg op de legger stond.

2.7. Ten gevolge van de landinrichting, meer specifiek doordat de weg niet als te handhaven openbare weg in het begrenzingenplan is opgenomen en is toegewezen aan het Waterschap en doordat de weg niet alsnog bij het plan van toedeling is toegedeeld aan het Waterschap is de verplichting tot het onderhouden van de weg aan reclamanten toegevallen en vervolgens bij hen blijven berusten. Daardoor zijn reclamanten in een nadeliger positie gekomen. De onderhoudsplicht rustte immers voorafgaand aan het begrenzingenplan op het Waterschap.

2.8. Weliswaar bestrijdt het Waterschap dat reclamanten schade hebben geleden, omdat reclamanten niet tot enig onderhoud gehouden zouden zijn, doch dat is op voorhand niet aannemelijk nu het hier gaat om een weg die dient als ontsluitingsweg voor ten minste 13 percelen en woningen en voorzienbaar is dat het nalaten van onderhoud de bereikbaarheid van die percelen en woningen op enige termijn zal verminderen.

Nu het Waterschap haar stelling niet nader onderbouwt, zal de rechtbank daaraan voorbij gaan.

2.9. Voor zover het Waterschap betwist dat reclamanten door de ruilverkaveling in een nadeliger positie zijn komen te verkeren, snijdt deze stellingname rechtens geen hout. Reclamanten zijn als direct gevolg van de ruilverkaveling met onderhoud en beheer van de betreffende weg belast. Uitgangspunt uit een oogpunt van algemeen belang is dat eigendom, onderhoud en beheer van een openbare weg in beginsel wordt toegewezen aan een daarvoor in aanmerking komende openbare rechtspersoon. Vanuit die notie heeft de commissie de betrokken weg aanvankelijk in het ontwerp Begrenzingenplan opgenomen. Uit het procesverbaal Plan van Toedeling bezwaarnr 05 volgt dat het Waterschap de eigendom van de weg niet wilde accepteren wegens de slechte onderhoudstoestand van de weg, waarna het College van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland het Begrenzingenplan gewijzigd heeft vastgesteld, daartoe onder meer overwegend:

“Naar aanleiding van uw bedenking is er nogmaals getracht met u en de andere partijen tot een voor allen aanvaardbare oplossing te komen, hetgeen niet gelukt is. Daarom is besloten het Schenkeltje ten zuiden van de Hoge Dijk en de weg langs de Oude Dijk/ Mariapolder te laten vervallen als te handhaven plattelandsweg. Deze wegen zullen niet openbaar blijven. De wegen worden via het Plan van toedeling toegedeeld aan de huidige eigenaar, de Dordtsche Landbouwmaatschappij.”

Bij het vaststellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland van het begrenzingenplan (8 augustus 2000) is onder “wijzigingen, 3E aandachtspunt” expliciet opgenomen: “in staat 1a (blad 5) en deelkaart 1B zijn het Schenkeltje ten zuiden van de Hoge Dijk /Wachtdijk (wegnummer 158) en de Oude Dijk/Mariapolder (wegnummer 159) vervallen. Deze wegen blijven niet openbaar en derhalve zal toewijzing van de eigendom, beheer en onderhoud in het kader van het begrenzingenplan niet plaatsvinden.”

Op de vastgestelde Begrenzingenplankaart komt de weg dan ook niet voor.

In haar vonnis van 18 december 2002 heeft deze rechtbank in dit verband, voor zover thans van belang, overwogen dat:

“(…) de betreffende wegen middels het besluit van Gedeputeerde Staten van 8 augustus 2000, waarbij het begrenzingenplan voor de onderhavige ruilverkaveling is vastgesteld, niet opgenomen zijn in het Begrenzingenplan, hetgeen met zich brengt dat ingevolge het bepaalde in artikel 132 lid 1 Landinrichtingswet deze wegen aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. Reeds op grond van het vorenstaande stond het de landinrichtingscommissie in onderhavige ruilverkaveling niet meer vrij om de betreffende wegen, ongeacht de staat daarvan, bij gebreke van overeenstemming toe te delen aan het waterschap. Naar het oordeel van de rechtbank restte de landinrichtingscommissie onder deze omstandigheden slechts toedeling van de betreffende wegen aan de eigenaar DLO.”

2.10. De commissie heeft aangevoerd dat in de Lijst der Geldelijke Regelingen een verrekenpost tussen reclamanten en het Waterschap dient te worden opgenomen, aangezien het Waterschap door toedoen van de landinrichting van een onderhoudsplicht is bevrijd en die is komen te liggen bij reclamanten.

Voor zover het Waterschap bestrijdt dat artikel 210 lid 1 sub c Landinrichtingswet een grondslag biedt voor het opnemen van een zodanige verrekenpost en voor het overige bestrijdt dat artikel 210 Landinrichtingswet in casu een grondslag biedt voor een geldelijke compensatie aan reclamanten in welke vorm dan ook, verwerpt de rechtbank deze stellingname.

Voor de toepassing van artikel 210 lid 1 sub c Landinrichtingwet is het Waterschap in dit geval te beschouwen als afgaand eigenaar. Vast is komen te staan dat de weg voorafgaand aan het begrenzingenplan openbaar was. Voorts is komen vast te staan dat het Waterschap was belast was met het onderhoud. Die last weegt bij een (openbare) weg zeer zwaar en was in dit geval te beschouwen als zodanig bepalend voor de positie van de bij de weg betrokken partijen, dat het Waterschap een vergelijkbare positie had als die van eigenaar. Door de openbaarheid van de weg had de juridisch eigenaar immers niet de mogelijkheid anderen het gebruik van de weg te ontzeggen. Die bevoegdheid had het Waterschap evenmin. Voorts had het Waterschap door de weg feitelijk te onderhouden gedurende een periode van tien jaar de verplichting om de weg te onderhouden op zich genomen. Dat de onderhoudsverplichting van een weg in algemene zin ook als bepalende last voor een weg wordt beschouwd, komt tot uitdrukking in artikel 133, lid 5 van de Landinrichtingswet. De eigenaar ontvangt immers voor het afstaan van de weg geen vergoeding. Hij wordt voor het verlies van het eigendom als het ware gecompenseerd doordat hij ook de last van het onderhoud verliest.

Hoewel DLO juridisch eigenaar was, had die positie gelet op het feit dat het een openbare weg betrof en gelet op het feit dat het onderhoud bij het Waterschap lag, weinig gevolgen. Weliswaar is de weg door het begrenzingenplan niet meer openbaar, doch zij dient nog steeds als ontsluitingsweg en zij dient te worden onderhouden, zodat hetgeen ten gevolge van de landinrichting is gebeurd, gelijk te stellen is aan de situatie dat het Waterschap als afgaand eigenaar de weg bij toedeling verliest en DLO deze bij toedeling verkrijgt. Dan is een verrekening tussen het Waterschap en DLO ter zake van de last die samenhangt met het onderhoud op zijn plaats. Een andere uitleg zou afbreuk doen aan het doel en strekking van de Landinrichtingswet en de daarin opgenomen Lijst der Geldelijke regelingen. Het systeem van de wet gaat er immers van uit dat te handhaven wegen in beginsel aan een openbaar lichaam worden toegewezen behoudens wanneer dat leidt tot onredelijke gevolgen voor het openbaar lichaam. Met een beroep op deze grond en met gebruikmaking van de onjuiste stelling dat zij door de wijziging zou worden belast met de onderhoudsplicht heeft het Waterschap toewijzing van de weg in het begrenzingenplan weten te voorkomen en heeft zij ook bij totstandkoming van het plan van toedeling alsnog toedeling van de grond tegengehouden.

Hierbij is van belang dat reclamanten niet de mogelijkheid hebben gehad de beslissing tot vaststelling van het begrenzingenplan en meer bijzonder ter zake van het niet als een aan een openbaar lichaam toe te wijzen weg opnemen van de weg daarin, ter toetsing aan een onafhankelijke rechter voor te leggen. Nu vast staat dat het Waterschap de onderhoudsplicht voor de weg had en derhalve ook verantwoordelijk was voor de slechte onderhoudstoestand van de weg, had voor de hand gelegen dat het Waterschap toewijzing van eigendom, onderhoud en beheer van de weg aan het Waterschap niet op grond van onredelijke gevolgen had geblokkeerd. Nu dit niet is geschied dient het Waterschap reclamanten financieel te compenseren voor het nadeel dat zij door toedeling van het onderhoud en beheer van de weg hebben ondervonden en nog zullen ondervinden.

2.11. De rechtbank zal daarom bepalen dat in de Lijst der geldelijke regelingen een verrekenpost tussen reclamanten en het Waterschap wordt opgenomen. De door reclamanten gestelde kosten voor het verrichten van het achterstallig onderhoud aan de weg zijn door de commissie en het Waterschap niet bestreden, zodat deze vaststaan. Voor het bepalen van de omvang van de schade welke reclamanten nog zullen lijden doordat zij belast zijn met het regulier en groot onderhoud en het beheer van de weg zal de rechtbank één of meer deskundigen aanwijzen.

2.12. De rechtbank wenst de volgende vragen aan de deskundige(n) voor te leggen:

- Welke kosten dient elk van de belanghebbenden op (kortere en langere termijn en op welke termijnen) te maken om regulier en groot onderhoud te plegen aan de weg in de Mariapolder teneinde deze weg in zodanige redelijke staat van onderhoud te houden dat deze goed en veilig bruikbaar is als ontsluitingsweg voor de aan de weg gelegen percelen, bedrijven en woningen, hierbij uitgaande van het ten tijde van de vaststelling van het plan van toedeling bestaande wegprofiel en het op dat moment bestaande gebruik van de door de weg ontsloten percelen, bedrijven en woningen?

- Kunnen die kosten worden omgezet naar een jaarlijkse reservering? Hoeveel bedraagt deze dan per reclamant?

- Kan de vergoeding worden gekapitaliseerd? Zo ja, welke wijze van kapitaliseren is dan aangewezen?

2.14. De zaken worden verwezen naar de rol van 21 juli 2010 opdat partijen zich uitlaten over het aantal (één of drie), de kwaliteit en deskundigheid, de persoon (of personen) van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Partijen kunnen hiertoe ook gezamenlijk een voorstel doen.

2.15. In het vorenstaande is een beslissing gegeven op de kernpunten van het geschil tussen partijen. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank van deze tussenbeslissing toestaan.

3. De beslissing

De rechtbank

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 juli 2010 voor uitlating partijen inzake de benoeming van een deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen, eerst aan de zijde van reclamanten, vervolgens op de rol van 18 augustus aan de zijde van de commissie, de minister en het Waterschap;

- bepaalt dat van deze tussenbeslissing beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat de eindbeslissing is gegeven;

- houdt elke nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.A.M. van den Berk, P.W. van Baal en R.P. Broeders en uitgesproken door mr. R.P. Broeders ter openbare terechtzitting van 16 juni 2010.