Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM7661

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
10/55
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om vrijstelling artikel 19, tweede lid, van de WRO dateert van vóór 1 juli 2008, de bouwaanvraag van na 1 juli 2008. Het college van burgemeester en wethouders heeft bouwvergunning met vrijstelling krachtens artikel 19 WRO in één besluit verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college daartoe bevoegd was en verder dat op dat besluit de procedureregels van toepassing zijn die golden vóór 1 juli 2008.

Bezwaren tegen de aanleg van parkeerplaatsen zoals weergegeven in de bouwtekeningen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor deze parkeerplaatsen geen vrijstelling of bouwvergunning benodigd was, zodat de noodzaak daarvan slechts terughoudend kan worden getoetst als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/55

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3], wonende te [woonplaats], verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem, verweerder,

gemachtigde: mr. S.P.C. Bijlmakers, werkzaam bij de gemeente Gorinchem.

Derde partij:

Rivas Zorggroep, zetelend te Gorinchem, vergunninghoudster.

gemachtigde: mr. R. Smith, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 26 juni 2008 heeft vergunninghoudster bij verweerder een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingediend voor vervangende nieuwbouw voor woonzorgcentrum "De Schutse" aan de Mollenburgsestraat 14 te Gorinchem.

Op 19 maart 2009 heeft vergunninghoudster bij verweerder een bouwaanvraag ingediend voor het oprichten van een woonzorgcentrum aan de Mollenburgsestraat 14 te Gorinchem.

Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder vergunninghoudster vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning voor het bouwplan verleend.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 19 januari 2010, binnengekomen op 26 januari 2010, bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van eveneens 19 januari 2010 hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 9 februari 2010 ter zitting behandeld.

Namens verzoekers is verzoeker sub 1 in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam 1], architect, en [naam 2].

2. Overwegingen

2.1. Juridisch kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Stalkaarsen" 1993.

De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd, hebben daarin de bestemming "Verzorgingstehuis met bijbehorende erven" Mb(c).

Op de plankaart is voor de gronden waarop de nieuwbouw aan de Scheywijk is geprojecteerd, uitsluitend een maximale bouwhoogte van 12 meter bepaald.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 3 c, wordt onder bebouwingsvlak in de zin van de planvoorschriften verstaan: een op de kaart door bebouwinggrenzen aangegeven vlak, waarbinnen ingevolge de planvoorschriften bepaalde gebouwen mogen worden opgericht, tenzij in de planvoorschriften anders is bepaald.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 3 e, wordt onder bijbehorend erf in de zin van de planvoorschriften verstaan: gedeelten van een perceel met één bestemming gelegen buiten een op de kaart aangegeven bebouwingsvlak, waarop ten dienste van de bestemming bijgebouwen, uitbreidingen van de woonruimte en/of andere bouwwerken mogen worden gebouwd.

Artikel 13, lid A, van de planvoorschriften bepaalt dat de op de kaart als "Verzorgingstehuis met bijbehorende erven" Mb(c) aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden annex een verzorgingshuis, met bijbehorende voorzieningen en bouwwerken.

Ingevolge artikel 13, lid B, onder 1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mag de hoogte van de gebouwen niet meer bedragen dan de op de kaart aangegeven maximale bouwhoogte.

2.1.3. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en de WRO komen te vervallen.

Artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro bepaalt bij wijze van overgangsrecht:

"De Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen vóór dat tijdstip."

Artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro bepaalt bij wijze van overgangsrecht:

"Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip."

2.1.5. Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalde, voor zover hier van belang:

1. De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:

(...)

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening (...);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

(...)

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet zoals die wet luidde vóór 1 juli 2008 wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.1.6. Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalde, voor zover hier van belang:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Bij besluit van 9 oktober 2007, gepubliceerd in het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 24 oktober 2007, hebben gedeputeerde staten van de Provincie Zuid-Holland een lijst van categorieën van gevallen vastgesteld waarvoor vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden verleend (hierna: de provinciale lijst 2007).

Voor zover hier van belang, bepaalt de provinciale lijst 2007 onder categorie B, onder het kopje "Stedelijk gebied", zoals hier aan de orde: 1. Het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, ...).

2.1.7. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Gorinchem (hierna: de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verweerder in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan mocht verlenen en dat met die vrijstelling bouwvergunning voor het bouwplan diende te worden verleend. Volgens verweerder is de hoogte van het bouwplan aan de Scheywijck ruimtelijk gezien passend en leidt die niet tot noemenswaardig andere gevolgen voor zonlicht en uitzicht voor de daar gelegen woningen dan wanneer conform de mogelijkheden van het bestemmingsplan zou zijn gebouwd. Verweerder acht verder vanwege het bouwplan het aanleggen van 10 parkeerplaatsen langs de Scheywijck en een uitrit van de parkeerplaats bij de kerk op de Scheywijck nodig en verantwoord.

2.3. Standpunt verzoekers

Verzoekers betogen dat verweerder standpunt dat het bouwplan qua hoogte passend is in zijn omgeving, niet deugdelijk heeft onderbouwd.

Verzoekers betogen voorts dat de uitrit en de parkeerplaatsen die zijn voorzien op de Scheywijck, ten koste gaan van de woonkwaliteit van hun woningen doordat aanwezig groen daarvoor moet wijken. Ook zijn verzoekers van opvatting dat de aanleg van die uitrit en die parkeerplaatsen ten koste zullen gaan van de verkeersveiligheid op de Scheywijck. Verzoekers zien voorts de noodzaak niet in van het aanleggen van die uitrit en die extra 10 parkeerplaatsen.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Met het bouwplan wordt beoogd een vleugel van het woonzorgcentrum "De Schutse" te vernieuwen. De gevels langs de Scheywijck zijn drie bouwlagen hoog met een goot- en nokhoogte van 8,85 meter. Ongeveer 3,5 meter naar achteren wordt hoger gebouwd, en wel tot vier bouwlagen met een goothoogte van 11,8 meter en een nokhoogte van 13,9 meter. In de nieuwe vleugel worden 57 woonzorg-appartementen gerealiseerd.

Voor het parkeren ten behoeve van de nieuwbouw zijn blijkens de bouwtekeningen in aanmerking genomen 17 te realiseren parkeerplaatsen op de binnenplaats tussen de oude en nieuwe vleugel, 10 parkeerplaatsen die nieuw zullen worden aangelegd op eigen grond maar toegankelijk zijn vanaf de Scheywijck en 23 parkeerplaatsen op het bestaande parkeerterrein van de naastgelegen kerk waar ook het woonzorgcentrum gebruik van blijft maken. Verder zal er blijkens de bouwtekeningen een uitrit van dat parkeerterrein op de Scheywijck worden aangelegd.

De woningen van verzoekers liggen aan de overzijde van de Scheywijck, recht tegenover het bouwplan. De kortste afstand tot de gevels van de nieuwbouw langs de Scheywijck is ongeveer 26 meter tot de woningen van verzoekers. Vóór die gevels zijn de 10 parkeerplaatsen geprojecteerd.

Het heiwerk voor de bouw zal op korte termijn starten, zodat een spoedeisend belang een beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers rechtvaardigt.

2.4.2. Het verzoek om vrijstelling is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wro en daarmee samenhangende wijzigingen in de Woningwet, terwijl de bouwaanvraag dateert van na die datum. Bij het bestreden besluit is de gevraagde bouwvergunning, onder verlening van de gevraagde vrijstelling, verleend. Het overgangsrecht zoals neergelegd in de artikelen 9.5.1 en 9.1.10 van de Invoeringswet Wro, geeft geen duidelijkheid over de vraag welke van de twee aanvragen doorslaggevend is voor het toe te passen recht op zo'n besluit.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende redelijke wetsuitleg in relatie tot beide bepalingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijft op een bouwaanvraag die ziet op een bouwplan waarvoor vrijstelling is gevraagd vóór 1 juli 2008, de specifieke regelgeving voor zo'n combineerde aanvraag van toepassing zoals die gold onder het oude recht. De voorzieningenrechter ziet bevestiging voor dit voorlopige oordeel in de voorgenomen reparatie van artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, zoals voorgenomen in artikel 3.6 van de Crisis- en Herstelwet (Kamerstukken 2009/2010, 32 127). Daarmee wordt aan artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening een derde lid toegevoegd dat luidt: "3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid."

Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat verweerder, nu het verzoek om vrijstelling vóór 1 juli 2008 werd ingediend, na 1 juli 2008 nog gebruik kon maken van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO gegeven vrijstellingsbevoegdheid en bevoegd was met de aldus verleende vrijstelling voor de na 1 juli 2008 ingediende bouwaanvraag vergunning te verlenen. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verder dat voor de te volgen procedure voor het hier op beide aanvragen te nemen besluit de procedure van toepassing is zoals die gold onder de oude Woningwet. Deze procedure is hier ook gevolgd.

2.4.3. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling voor het bouwen tot een grotere hoogte dan het bestemmingsplan toelaat, had mogen besluiten. Verweerder wijst erop dat volgens het bestemmingsplan ter plaatse mag worden gebouwd tot een hoogte van 12 meter. Waar het bouwplan in hoogte die toegestane maat overschrijdt, gebeurt dat niet direct tegenover de woningen aan de Scheywijck maar meer naar achteren door middel van een geleidelijk hoger oplopende kap. Verweerder wijst er verder op dat tegenover de woningen aan de Scheywijck tot drie bouwlagen hoog wordt gebouwd. De woningen van verzoekers en de oudbouw van het woonzorgcentrum zijn eveneens drie bouwlagen hoog. De naastgelegen kerk heeft een grotere hoogte dan vier bouwlagen. Aldus bezien is verweerders standpunt dat de met het bouwplan voorziene hoogte langs de Scheywijck ruimtelijk passend is, niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders, als de overweging van verweerder dat er zich in de directe omgeving van het bouwplan ook bebouwing bevindt van vier bouwlagen hoog feitelijk onjuist zou zijn. Ten slotte acht de voorzieningenrechter, gelet op het door verweerder verrichte onderzoek naar de impact op de omgeving van het bouwplan afgezet tegen de bebouwing die volgens het bestemmingsplan mocht worden gerealiseerd, diens standpunt niet onbegrijpelijk dat die twee qua bezonning en qua uitzicht voor de woningen van verzoekers vrijwel gelijke gevolgen hebben.

2.4.4. Uit de bouwtekeningen moet worden opgemaakt dat vergunninghoudster het voornemen heeft 10 parkeerplaatsen te realiseren langs de Scheywijk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ziet de door verweerder verleende vrijstelling niet op de aanleg van deze parkeerplaatsen. Die parkeerplaatsen worden gerealiseerd op gronden met bestemming "Verzorgingstehuis met bijbehorende erven". Deze gronden zijn onder meer bestemd voor een verzorgingshuis met bijbehorende voorzieningen. In zijn algemeenheid worden daaronder mede parkeervoorzieningen begrepen. De parkeerplaatsen worden ten behoeve van woonzorgcentrum "De Schutse" aangelegd. Verder zijn de gronden deels aangemerkt als "erf" en deels als "bouwvlak". Er is geen regel aan te wijzen die maakt dat gronden aangemerkt als bouwvlak, niet tevens mogen worden gebruikt als erf.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de door verweerder verleende bouwvergunning voorts geen betrekking op de aanleg van de 10 parkeerplaatsen aan de Scheywijck, nu het aanleggen van deze parkeerplaatsen op zichzelf niet als "bouwen" kan worden aangemerkt.

Uit de bouwtekeningen moet voorts worden opgemaakt dat vergunninghoudster het voornemen heeft een uitrit te realiseren van het bestaande parkeerterrein bij de kerk op de Scheywijck. Dit parkeerterrein is gelegen op gronden die blijkens het bestemmingsplan zijn bestemd als "Maatschappelijke doeleinden met bijbehorende erven", waarbij deze zijn aangemerkt als "erf". Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verzet het bestemmingsplan zich niet tegen een gezamenlijk gebruik door kerk en verzorginghuis van deze gronden als parkeervoorziening, en daarmee evenmin tegen het aanleggen van een uitrit daarvoor. Het aanleggen van een uitrit is evenmin aan te merken als "bouwen". Ook hier geldt dus dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning geen betrekking hebben op het aanleggen van deze uitrit als zodanig.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter de aanleg van de 10 parkeerplaatsen en de uitrit aan de Scheywijck slechts terughoudend mag toetsen, en wel voor zover deze zijn betrokken door verweerder in zijn ruimtelijke onderbouwing voor de verleende vrijstelling. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers daarover hebben aangevoerd, onvoldoende aanleiding om het standpunt van verweerder dat deze voorzieningen nodig en verantwoord zijn, kennelijk onjuist te achten.

2.4.5. Ook in hetgeen verzoekers overigens over de aantasting van hun woon- en leefklimaat hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

2.4.6. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen verzoekers hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit van 17 december 2009, niet leidt tot het oordeel dat dat besluit onrechtmatig is. Het belang van verzoekers bij schorsing van die bouwvergunning weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van vergunninghoudster bij onmiddellijke gebruikmaking daarvan. Het verzoek om voorlopige voorziening is om die reden ongegrond.

2.5. Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,