Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM7629

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
10/51
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geschil over de vraag of gebruik als dagopvang voor dak- en thuislozen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Bouwvergunning verleend ten behoeve van dat gebruik. Procedure over bouwvergunning loopt nog, maar bouwwerkzaamheden zijn afgerond, zodat geen spoedeisend belang bij voorlopige voorziening. Verzoek om handhavend optreden tegen aanstaande ingebruikname wegens gebruik in strijd met het bestemmingsplan en verzoek om voorlopige voorziening. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat het gebruik als dagopvang in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/51

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. H.A. Steendam, advocaat te Dordrecht,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Berendsen, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum Drechtsteden.

Derde partij:

Stichting [naam stichting], zetelend te [plaats], eigenaresse van het pand [adres 1 & adres 2]

gemachtigde: mr. N.B. de Neef, advocaat te Dordrecht.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 18 januari 2010 hebben verzoekers verweerder gevraagd per direct handhavend op te treden tegen de aanstaande ingebruikname van het pand [adres 1 & adres 2] door het [naam 1].

Bij brief van 19 januari 2010 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat de eerste verdieping pas op 1 februari 2010 in gebruik zal worden genomen en dat niet handhavend zal worden opgetreden tegen het gebruik van de begane grond van het pand [adres 1 & adres 2].

De rechtbank heeft deze brief van verweerder aan verzoekers toegezonden.

Verzoekers hebben deze brief aangemerkt als een weigering handhavend op te treden en daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder bij brief van 20 januari 2010.

Bij brief van eveneens 20 januari 2010 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht gevraagd bij wijze van voorlopige voorziening de ingebruikname van het pand [adres 1 & adres 2] door het [naam 1] tegen te gaan totdat op hun bezwaar is beslist.

Het verzoek om voorlopige voorziening is ter zitting behandeld op 26 januari 2010, tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening AWB 10/23.

Van verzoekers is [vezoeker 1] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [naam 2], werkzaam bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid.

De derde partij is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [naam 3], werkzaam bij de derde partij, en [naam 4], verbonden aan het [naam 1].

2. Overwegingen

2.1. Juridisch kader

2.1.1.Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Uit artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in samenhang gelezen met aritkel 7:1, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van de Awb.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 3:40 van de Awb bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.1.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot het oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.1.3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan " Schil-west" 1999.

De gronden waar het pand [adres 1 & adres 2] zich bevindt, hebben daarin (voor zover van belang) de bestemming "Gemengd woongebied" (GW).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor (voor zover hier van belang):

a. woondoeleinden; (...); d. maatschappelijke doeleinden; e. kantoren; (...).

Ingevolge artikel 7, vierde lid, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften zijn, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de onder b t/m h genoemde functies uitsluitend toegestaan met inachtneming van het volgende: deze functies mogen uitsluitend op de begane grond

worden ondergebracht en voorts onder de volgende voorwaarden: er mag geen sprake zijn van ontoelaatbare hinder voor de (woon-)omgeving; (...)

2.1.4. Bij besluit van 15 april 2008 heeft verweerder vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor de verbouw van de begane grond van [adres 1] tot centrum van dagopvang van dak- en thuislozen door het [naam 1]. Het bezwaar van verzoekers tegen dit besluit is bij besluit van 17 november 2009 door verweerder ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 17 november 2009 hebben verzoekers op 24 december 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

2.1.5. Bij besluit van 21 december 2009 heeft verweerder vergunninghoudster ontheffing verleend voor het gebruik van de eerste verdieping van [adres 2] als kantoor door het [naam 1] ten ondersteuning van het opvangcentrum op de begane grond van het pand [adres 1]. Tegen dit besluit hebben verzoekers op 11 januari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

2.2. Standpunt verweerder

Verweerder is van opvatting dat zijn brief van 19 januari 2010 slechts een reactie betreft op de vraag van de griffier naar de stand van zaken van ingebruikname door het [naam 1] van het pand [adres 1 & adres 2] en geen besluit behelst op het handhavingsverzoek van verzoekers van 18 januari 2010.

Voor zover hierin al een afwijzing van dit handhavingsverzoek zou moeten worden gelezen, is dat besluit naar de opvatting van verweerder niet in werking getreden, nu verweerder dit niet door toezending aan verzoekers heeft bekendgemaakt.

In zijn brief van 19 januari 2010 verklaart verweerder niet handhavend te zullen optreden tegen de ingebruikname per 22 januari 2010 van de begane grond ([adres 1]) als opvangcentrum door het [naam 1]. Dit gebruik is in overeenstemming met het bestemmingsplan en de verleende bouwvergunning, aldus verweerder in zijn toelichting ter zitting.

In zijn brief van 19 januari 2010 verklaart verweerder voorts dat de ingebruikname van de eerste verdieping als kantoor ten behoeve van het opvangcentrum op de begane grond door het [naam 1] zal zijn 1 februari 2010, de dag dat de daarvoor verleende ontheffing in werking treedt. Deze ingebruikname is conform de verleende ontheffing, zodat geen aanleiding bestaat handhavend op te treden vanwege gebruik door het [naam 1] van de eerste dan wel tweede verdieping ([adres 2]), aldus verweerder in zijn toelichting ter zitting.

2.3. Standpunt verzoekers

Verzoekers betogen dat het gebruik van het pand [adres 1 & adres 2] als centrum van dagopvang van dak- en thuislozen door het [naam 1] met bijbehorend kantoor in strijd is met de in artikel 7, vierde lid, van het bestemmingsplan gestelde voorwaarde dat gebruik voor maatschappelijke doeleinden en kantoren alleen dan is toegestaan als dat geen ontoelaatbare hinder veroorzaakt voor de woonomgeving, zodat verweerder gehouden was tegen dat gebruik handhavend op te treden. Bij het verlenen van de bouwvergunning en de ontheffing ten behoeve van de ingebruikname door het [naam 1] van het pand [adres 1 & adres 2] is verweerder ten onrechte aan deze voorwaarde voorbij gegaan, zodat deze niet hadden mogen worden verleend en dus geen basis kunnen zijn voor een weigering handhavend op te treden.

Voor zover verweerder niet gehouden was handhavend op te treden tegen de ingebruikname door het [naam 1] conform de verleende bouwvergunning en ontheffing van het pand [adres 1 & adres 2] dan nog had verweerder volgens verzoekers in redelijkheid het handhavingsverzoek niet mogen afwijzen. Verzoekers vrezen dat het kantoor op de eerste verdieping al vóór 1 februari 2010 in gebruik zal worden genomen. Verzoekers vrezen voorts dat de activiteiten op de begane grond en de bovenverdiepingen zullen worden uitgebreid dan wel geïntensiveerd, zodat, voor zover dat nog niet het geval is, alsnog ontoelaatbare hinder zal worden veroorzaakt voor de woonomgeving.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het standpunt dat verweerder in zijn brief van 19 januari 2010 in reactie op het handhavingsverzoek van verzoekers heeft neergelegd, mede een weigering bevat daaraan gevolg te geven. Deze weigering is gericht op rechtsgevolg en moet daarom worden aangemerkt als een besluit. Verweerder heeft dit besluit niet op juiste wijze bekend gemaakt door toezending aan verzoekers. De rechtbank heeft het besluit van verweerder alsnog toegezonden aan verzoekers en verzoekers hebben dit blijkens hun bezwaarschrift tegen dat besluit als bekendmaking opgevat. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het besluit tot weigering handhavend op te treden, zoals neergelegd in verweerders brief van 19 januari 2010, niet in werking is getreden.

2.4.2. Preventief handhavend optreden in geval niet eerder een overtreding plaatsvond, is alleen dan mogelijk als sprake is van gevaar van overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2009, LJN BJ8926). De voorzieningenrechter vindt in hetgeen verzoekers daarover hebben betoogd, geen aanknopingspunten dat het [naam 1] de begane grond dan wel de eerste en tweede verdieping voor gebruik gaat aanwenden anders dan dat waarvan is uitgegaan in de verleende bouwvergunning voor de begane grond ([adres 1]) en de verleende ontheffing voor de eerste verdieping ([adres 2]). Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat het [naam 1] de eerste verdieping van het pand vóór 1 februari 2010 in gebruik zal nemen als kantoor. Verweerder mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat geen aanleiding bestond om preventief handhavend op te treden.

2.4.3. Uit hetgeen onder 2.4.2 is overwogen volgt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat de ingebruikname van de begane grond door het [naam 1] in overeenstemming is met het gebruik dat bij het verlenen van de bouwvergunning voor de begane grond in aanmerking is genomen.

Aan zijn weigering handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grond heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn besluit op bezwaar van 17 november 2009 waarbij de bouwvergunning in stand is gelaten, ten grondslag gelegd dat het gebruik door het [naam 1] van de begane grond ten behoeve waarvan is gebouwd, in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. De voorzieningenrechter kan zich met dit standpunt verenigen. Te zijner tijd zal de rechtbank zich daaromtrent een oordeel vormen. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat een eventueel in te dienen schorsingsverzoek met betrekking tot die bouwvergunning geen kans van slagen heeft vanwege het ontbreken van enig spoedeisend belang nu de vergunde bouwwerkzaamheden inmiddels zijn afgerond.

2.4.4. Bij uitspraak van heden (procedurenummer AWB 10/23) is het verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de verleende ontheffing afgewezen omdat voorshands aannemelijk is dat die ontheffing in beroep in stand zal blijven. Hieruit volgt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat het (aanstaande) gebruik van de eerste verdieping door het [naam 1] legaal is, zodat de bevoegdheid daartegen handhavend op te treden ontbreekt.

2.4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.4.6. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. T. Damsteegt, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,