Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM7072

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
11/510274-09 [PROMIS]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man vrijgesproken van betrokkenheid bij schietpartij. Veroordeling voor dealen cocaïne en bezit pistool met munitie tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510274-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juni 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [1978],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - HvB De Torentijd, Torentijdweg 1 te Middelburg

(hierna: verdachte).

Raadsman G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 1 december 2009 en 20 mei 2010, waarbij de officier van justitie mr. D. van der Sluis, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Tussendoor, op 15 december 2009, heeft de rechtbank een vonnis gewezen, waarin zij het onderzoek heeft heropend. In dat vonnis heeft de rechtbank aan de rechter-commissaris en de officier van justitie nadere opdrachten gegeven.

De inhoud van dat vonnis, dat als bijlage aan dit vonnis is gehecht, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 20 maart 2009 te Dordrecht heeft geprobeerd om met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dood te schieten (primair), dan wel heeft gedreigd genoemde personen dood te schieten en/of een auto van een ander heeft beschadigd (subsidiair);

Feit 2:

in de periode van 1 november 2008 tot en met 22 juni 2009 te Dordrecht samen met een of meer ander(en) cocaïne heeft gedeald;

Feit 3:

op 22 juni 2009 te Dordrecht een pistool en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3.

Zij baseert zich ten aanzien van feit 1 primair op de aangifte en verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van doorzoeking van de woning aan de [straatnaam + huisnummer] te Dordrecht, de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6].

Feit 3 acht de officier van justitie bewezen verklaard uitgaande van de bekennende verklaring van verdachte ten overstaan van de politie, het proces-verbaal van doorzoeking van de woning aan de [straatnaam + huisnummer] te Dordrecht, het proces-verbaal van het technisch onderzoek en de verklaring van [getuige 3].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft bekend en ook bereid is om daar de consequenties voor te aanvaarden.

Ten aanzien van feit 2 geeft de raadsman aan dat de verdenking pas is ontstaan door een verklaring van aangever [slachtoffer 2]. De politie is naar aanleiding van deze verklaring een onderzoek gestart, waarbij een groot aantal personen is verhoord. Slechts drie personen, te weten [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5] herkennen verdachte als dealer. Deze personen worden vervolgens gehoord bij de rechter-commissaris. Getuige [getuige 4] geeft bij de politie aan dat zij meerdere malen bij verdachte heeft gekocht, maar bij de rechter-commissaris zegt ze dat ze het laatste jaar niet meer heeft gekocht bij verdachte. Hierdoor valt haar verklaring buiten de ten laste gelegde periode volgens de raadsman. Getuige [getuige 5] kent de naam van degene bij wie hij heeft gekocht niet en verdachte kent hem ook niet. Getuige [getuige 6] zegt aanvankelijk niet te hebben gekocht bij verdachte, maar verklaart later - nadat de politie druk op hem heeft uitgeoefend - dat hij dat wel heeft gedaan. In de tweede verklaring bij de politie zegt [getuige 6] dat hij twee maanden bij verdachte heeft gekocht, terwijl hij bij de rechter-commissaris aangeeft tweemaal bij verdachte te hebben gekocht. De verklaringen van getuige [getuige 6] bevatten niet alleen teveel inconsistenties, maar zijn bovendien onbetrouwbaar door zijn drugsgebruik, aldus de raadsman. Ook omtrent de periode waarin en de frequentie waarmee gedeald zou zijn zitten verschillende verklaringen in het dossier. Op basis van het bovenstaande kan geen van de getuigenverklaringen voor het bewijs worden gebezigd. Tot slot heeft de doorzoeking bij verdachte thuis volgens de raadsman niets opgeleverd. Er is immers geen voorraad aangetroffen.

In het kader van feit 1 heeft de raadsman de inconsistenties tussen de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de aanwezigheid bij het schietincident en het verloop daarvan aangekaart. Het enige dat consistent is in hun verhaal is de aanwezigheid van iemand bij het schietincident nààst de schutter. Echter, niemand van de gehoorde getuigen ondersteunt het verhaal van beide aangevers. Opvallend is dat aangever [slachtoffer 2] in zijn verklaring van 8 april 2009 zegt dat [slachtoffer 1] maar moet gaan verklaren. Dit deel van de verklaring wordt vervolgens door de politie getoond aan [slachtoffer 1], die daarna op 10 april 2009 over bepaalde zaken verklaart. Deze verklaring loopt echter niet in de pas met datgene wat [slachtoffer 2] verklaart op 15 april 2009. [slachtoffer 1] verklaart pas over de stiefvader van [medeverdachte 1], [bijnaam verdachte], op 19 augustus 2009, nadat hij het dossier heeft gezien en de politie hem een foto van verdachte laat zien.

Er bevindt zich een grote uitdraai van de telefoontaps in het dossier, waaruit men geprobeerd heeft de looproute van verdachte te destilleren. De postcode van het plaats delict, de Pieter de Hooghstraat, is 3314, maar deze postcode komt niet overeen met de histoprints in het dossier.

De aangetroffen huls en patroon zijn van een ander kaliber dan het onder verdachte aangetroffen vuurwapen.

Het aangetroffen schot zit midden in de auto, terwijl [slachtoffer 2] zegt bij de voorruit van de auto te hebben gestaan en [slachtoffer 1] bij de laadbak. Als de schutter één van beiden had willen raken, had hij niet op het midden van de auto geschoten. Dit kan moeilijk gekwalificeerd worden als een poging tot doodslag, het is een ondeugdelijke poging.

Een dergelijk schot is hooguit bedoeld om iemand bang te maken, niet om iemand te raken. Stel dat verdachte de schutter was, dan levert dat de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging op. En de auto van [getuige 2] zou in dat geval door verdachte beschadigd zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vrijspraak

Uit het dossier blijkt dat er op de avond van 20 maart 2009 twee schietincidenten hebben plaatsgevonden. Het eerste heeft plaatsgevonden op de W.H. Vliegenstraat. Bij deze schietpartij is medeverdachte [medeverdachte 1] gewond geraakt. Inmiddels is vastgesteld dat [slachtoffer 1] de schutter is geweest. [slachtoffer 1] is voor dit misdrijf veroordeeld. Het onderzoek naar dit schietincident heeft de naam "Vliegen" gekregen. Later die avond heeft een tweede schietincident plaatsgevonden in de Pieter de Hooghstraat. Van dit schietincident is aangifte gedaan door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het onderzoek naar dit schietincident heeft de naam "Affodil" gekregen. Verdachte is aangewezen als de schutter. Verdachte ontkent echter stellig dat hij op de avond van 20 maart 2009 aanwezig is geweest in de Pieter de Hooghstraat en dat hij daar op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Door de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn meerdere verklaringen afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. Beide aangevers zijn voorafgaand aan deze verhoren bij de politie gehoord in het kader van het onderzoek "Vliegen". [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben over het schietincident waarvan zij aangifte hebben gedaan op belangrijke punten wisselende verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris afgelegd.

[slachtoffer 2] noemt meteen de naam van verdachte als de schutter. Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] in eerste instantie heeft gedacht dat [naam] hem beschoten heeft. [slachtoffer 1] heeft (later) verklaard dat hij beschoten is door de broer van medeverdachte [medeverdachte 1]. [slachtoffer 1] heeft tenslotte verklaard, nadat hij de naam van verdachte in het dossier heeft zien staan dat verdachte de schutter is geweest.

Beide aangevers verklaren consistent dat de schutter niet alleen was, maar dat hij werd vergezeld door een andere man. Dit wordt bevestigd door een onafhankelijke ooggetuige, de heer [getuige 2]. Deze getuige heeft verklaard dat hij de schutter en de tweede man zou herkennen. Tijdens een meervoudige fotoconfrontatie - die na een aanvullende opdracht van de rechtbank aan de officier van justitie heeft plaatsgevonden - heeft de heer [getuige 2] verdachte echter niet herkend.

De man die de schutter vergezelde, is evenmin geïdentificeerd, ook niet nadat in opdracht van de rechtbank door de rechter-commissaris en de officier van justitie nadere onderzoekshandelingen waren verricht.

Bovendien heeft het door de rechtbank gelaste nadere onderzoek naar de aanwezigheid van de volgens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter plaatse aanwezig geweest zijnde quad/trike geen informatie opgeleverd die verdachte belast.

Ten slotte komt het kaliber van de ter plaatse aangetroffen hulzen niet overeen met dat van het vuurwapen dat in de woning van verdachte is aangetroffen.

De rechtbank is als gevolg van het bovenstaande van oordeel dat feit 1 niet bewezen kan worden verklaard om de reden dat de overtuiging ontbreekt dat verdachte de schutter is geweest van het schietincident dat op 20 maart 2009 in de Pieter de Hooghstraat te Dordrecht heeft plaatsgevonden. Ondanks de diverse verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de getuigenverklaringen en de aanvullende getuigenverklaringen zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, blijven er onduidelijkheden bestaan over de aanwezige personen ten tijde van het schietincident en met name omtrent de aanwezigheid van verdachte. Ook ontbreekt technisch bewijs dat een link legt tussen verdachte en de schietpartij. Aldus kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die schoten heeft afgevuurd op de aangevers.

De rechtbank heeft derhalve niet de overtuiging gekregen dat verdachte feit 1 heeft gepleegd en zal hem vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaarde feiten

Reeds in november 2007 komt via een informant informatie binnen dat door [medeverdachte 1] cocaïne wordt verkocht en dat de drugs door zijn stiefvader aan hem wordt verstrekt. Uit onderzoek blijkt dat de stiefvader van [medeverdachte 1] verdachte is. In juni 2009 komt via een informant informatie binnen dat "de Antilliaan [medeverdachte 1] inmiddels is uitgegroeid tot een redelijk grote jongen op het gebied van cocaïnehandel. Indien [medeverdachte 1] grotere hoeveelheden op bestelling levert, wordt hij bijgestaan door zijn stiefvader, bijgenaamd [bijnaam verdachte] (fonetisch). [bijnaam verdachte] houdt dan bij de overdracht de omgeving en de klanten in de gaten. [medeverdachte 1] en zijn stiefvader kunnen altijd wel over vuurwapens beschikken." Deze informatie is in maart respectievelijk juni 2009 ter beschikking gesteld aan het Informatie- en Coördinatiecentrum van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid ter operationele afhandeling. Er wordt een grootschalig onderzoek gestart dat onderdeel uitmaakt van het onderzoek genaamd "Affodil".

In het kader van het onderzoek Affodil wordt [slachtoffer 2] gehoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 2] dat hij veelvuldig aanwezig is op de kruising Colijnstraat/W.H. Vliegenstraat/Frank van der Goesstraat te Dordrecht. "Er staat meestal een groep van 20 tot 25 personen, bijna allemaal Antilliaanse jongens, die dealen. De drugs die daar verkocht wordt, komt van [medeverdachte 1]. Als [medeverdachte 1] niets meer heeft, dan komt zijn stiefvader [verdachte], met zijn witte Polo en brengt dan nieuwe."

Ook een aantal druggebruikers wordt verhoord en onderworpen aan een meervoudige fotoconfrontatie. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt dat zij ongeveer een jaar voorafgaand aan het verhoor d.d. 1 juli 2009 cocaïne kocht bij medeverdachte [medeverdachte 1] en in die periode verdachte leerde kennen op straat. Zij belde dan met verdachte en dan kwam medeverdachte [medeverdachte 1] met de drugs.

Ongeveer één keer in de twee weken kocht ze bij verdachte. Getuige [getuige 5] verklaart dat verdachte de jongen is die cocaïne aan hem verkocht en dat hij vaak met een witte auto kwam. Getuige [getuige 6] verklaart dat hij verdachte "[bijnaam verdachte]" noemt en vanaf het begin van 2009 cocaïne bij hem koopt. Totaal zou hij ongeveer drie keer bij hem hebben gekocht. Verdachte zelf geeft in zijn verklaring d.d. 24 juni 2009 aan dat hij "[bijnaam verdachte]" genoemd wordt door zijn vrienden.

In het kader van dit onderzoek hebben tevens telefoontaps plaatsgevonden. Uit de telefoongesprekken tussen verdachte en getuige [getuige 4], [getuige 4], kan worden opgemaakt dat het gaat om drugs en de afspraken die gemaakt worden tussen afnemer en dealer. Deze tapgesprekken, waarin gesproken wordt over "4 appeltjes nodig hebben", "op de koffie komen", "doe maar vijf", "ik heb niet, maar zodra ik wat heb bel ik" en "hoeveel heb je er nodig, doe maar vijf" ondersteunen de verklaring van getuige [getuige 4] dat zij verdachte belde als zij drugs nodig had. De verdediging heeft het verweer aangevoerd dat de politie veelal onjuiste vertalingen heeft gemaakt van de in het Papiamento gevoerde telefoongesprekken. De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien getuige [getuige 4] niet van Antilliaanse afkomst is en er met betrekking tot de bedoelde telefoontaps derhalve geen sprake kan zijn van foutieve vertalingen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met een ander, te weten medeverdachte [medeverdachte 1], gedurende de gehele ten laste gelegde periode cocaïne heeft gedeald.

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie en zijn verklaring afgelegd tijdens de zitting van 1 december 2009;

- het proces-verbaal van doorzoeking in de woning aan de [straatnaam + huisnummer] te Dordrecht;

- het proces-verbaal van technisch onderzoek naar het bij de doorzoeking in het pand [straatnaam + huisnummer] in beslag genomen wapen en de toen in beslag genomen munitie.

De rechtbank volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen, omdat verdachte dit feit heeft bekend en de situatie van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van strafvordering zich voordoet.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 01 november 2008 tot en met 22 juni 2009 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd , een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 22 juni 2009, te Dordrecht, een vuurwapen van categorie III, onder 1, in de vorm van een pistool , te weten een pistool (kaliber 6.35 mm) en munitie van categorie III, te weten één of meerdere patronen (te weten: 3) (kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

2.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, meermalen gepleegd;

3.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie ziet zich naar aanleiding van de nieuwe informatie als gevolg van de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen niet genoopt om haar standpunt te wijzigen.

Zij persisteert derhalve bij de door haar ter terechtzitting van 1 december 2009 neergelegde vordering, inhoudende dat zij - het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen achtend - heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft tevens gepersisteerd bij de reeds gevoerde verweren ter terechtzitting van 1 december 2009 en ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. De raadsman is van mening dat de officier van justitie het zwaartepunt op het schietincident legt. [slachtoffer 1] heeft een langer en indrukwekkender strafblad dan verdachte en hij heeft een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren gekregen. Verdachte heeft in 2000 een fout begaan en zijn straf daarvoor uitgezeten. Inmiddels heeft hij zijn leven op orde, een gezin en werk. Dit moet, naar het oordeel van de raadsman, allemaal worden meegenomen om hem een lichtere straf op te leggen. Tenslotte verzoekt de raadsman om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 en feit 3. Nu de rechtbank slechts bewezen acht wat verdachte onder feit 2 en 3 ten laste is gelegd, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een periode van ruim zeven maanden schuldig gemaakt aan het verhandelen van cocaïne. Het is algemeen bekend dat het gebruik van een verdovend middel als cocaïne een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. De handel in verdovende middelen gaat bovendien gepaard met overlast in de samenleving. Daarnaast genereert het gebruik van verdovende middelen op zijn beurt strafbare feiten. Verdachte heeft door zijn handelen zijn afnemers en de maatschappij in haar algemeenheid bewust aan deze risico's blootgesteld. Tenslotte rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij samen met zijn stiefzoon, medeverdachte [medeverdachte 1], cocaïne heeft gedeald. Van verdachte als stiefvader had juist verwacht mogen worden dat hij op zijn minst getracht zou hebben [medeverdachte 1] hiervan te weerhouden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder, te weten in 2005, is veroordeeld voor een Opiumwetdelict.

De rechtbank gebruikt als uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat de straffen die veelal voor het dealen op straat gedurende zes tot twaalf maanden (te weten twaalf maanden gevangenisstraf) en voor het thuis voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie (te weten drie maanden gevangenisstraf). Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten drie maanden voorwaardelijk op te leggen. Met het voorwaardelijke deel van deze straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op deze gevangenisstraf bestaan er geen gronden om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. G.A.J.M. van Vugt en mr. H.M. Dunsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juni 2010.

Mr. G.A.J.M. van Vugt en mr. H.M. Dunsbergen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

(incidenten 2 en 3)

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, de

heer [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad

en rustig overleg, één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het

kaliber 9 mm) heeft geschoten op, althans in de richting van, die [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, de

heer [slachtoffer 2], van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad

en rustig overleg, één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het

kaliber 9 mm) heeft geschoten op, althans in de richting van, die [slachtoffer 2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, de heer [slachtoffer 1] en/of

de heer [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

- een vuurwapen (van het kaliber 9 mm) getrokken en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen één of meerdere ma(a)l(en) afgevuurd op, althans

in de richting van, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2];

en/of

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, opzettelijk en

wederrechtelijk een motorrijtuig (te weten: een auto, merk: Ford, type:

Escort, kleur: wit, kenteken: [KENTEKEN]), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan de heer [getuige 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt door één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het kaliber 9

mm) op, althans in de richting van, voornoemd motorrijtuig te schieten;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(incident 1)

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 22 juni 2009 te

Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

(incident 5)

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2009 tot en met 22 juni 2009,

althans op 22 juni 2009, te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een

ander(en), althans alleen, een vuurwapen van categorie III, onder 1, in de

vorm van een pistool of revolver, te weten een pistool (kaliber 6.35 mm) en/of

munitie van categorie III, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (te weten:

3) (kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Parketnummer: 11/510274-09

Vonnis d.d. 3 juni 2010

------------------------------------------------------------------------------------------------------------

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510274-09

verkort tussenvonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [1978],

wonende aan [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Rijnmond - HvB De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 september en 1 december 2009.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1. en 2. vrijspraak bepleit.

4 De beraadslaging

Verdachte heeft tijdens de verhoren door de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in de dagvaarding onder

3. ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen. Afgezien van de juridische beoordeling en kwalificatie van dit misdrijf is het niet ondenkbeeldig dat aan verdachte hiervoor een straf zal worden opgelegd.

In de onderhavige strafzaak heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1. en 2. kennis genomen van het dossier. Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek naar de feiten 1., 2. en 3. niet volledig is geweest. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat nader onderzoek plaats vindt.

Uit het dossier blijkt dat er op de avond van 20 maart 2009 twee schietincidenten hebben plaatsgevonden. Het eerste heeft plaatsgevonden op de W.H. Vliegenstraat. Bij deze schietpartij is medeverdachte [medeverdachte] gewond geraakt. Inmiddels is vastgesteld dat [slachtoffer 1] de schutter is geweest. [slachtoffer 1] is voor dit misdrijf veroordeeld. Het onderzoek naar dit schietincident heeft de naam "Vliegen" gekregen. Later die avond heeft een tweede schietincident plaatsgevonden in de Pieter de Hooghstraat. Van dit schietincident is aangifte gedaan door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het onderzoek naar dit schietincident heeft de naam "Affodil" gekregen. Verdachte is aangewezen als de schutter. Verdachte ontkent echter stellig dat hij op de avond van 20 maart 2009 aanwezig is geweest in de Pieter de Hooghstraat en dat hij daar op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Door de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn meerdere verklaringen afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. Beide aangevers zijn voorafgaand aan deze verhoren bij de politie gehoord in het kader van het onderzoek "Vliegen". [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben over het schietincident waarvan zij aangifte hebben gedaan, op belangrijke punten, wisselende verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris afgelegd.

[slachtoffer 2] noemt meteen de naam van verdachte als zijnde de schutter. Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] in eerste instantie heeft gedacht dat [naam 1] hem beschoten heeft. [slachtoffer 1] heeft (later) verklaard dat hij beschoten is door de broer van medeverdachte [medeverdachte]. [slachtoffer 1] heeft tenslotte verklaard, als hij de naam van verdachte in het dossier heeft zien staan en dat verdachte de schutter is geweest. [naam 1] is in het kader van deze strafzaak niet ver- of gehoord.

Beide aangevers verklaren consistent dat de schutter niet alleen was, maar dat hij werd vergezeld door een andere man. Dit wordt bevestigd door een onafhankelijke ooggetuige, de heer [getuige 2]. Deze getuige heeft verklaard dat hij de schutter zou herkennen. De heer [getuige 2] is echter niet door de politie benaderd om zijn medewerking te verlenen aan een fotoconfrontatie waarin onder anderen een foto van verdachte is opgenomen.

De man die de schutter vergezelde is niet geïdentificeerd. Er zijn aanwijzingen in het dossier dat dit mogelijk '[bijnaam naam 2]', [naam 2], zou zijn geweest. [naam 2] is echter niet in het kader van dit onderzoek gehoord. [naam 2] is wel gehoord in het kader van het onderzoek "Vliegen". Zijn verklaringen zijn niet aan het dossier "Affodil" toegevoegd. Aan ooggetuige [getuige 2] is evenmin gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan een fotocon-frontatie waarin een foto van onder anderen [naam 2] is opgenomen.

Beide aangevers verklaren tevens over een quad/trike die ter plaatse zou zijn geweest. In dat kader is '[bijnaam naam 3]', [naam 3], gehoord. [naam 3] heeft verklaard dat hij op de avond van het schietincident op zijn quad heeft gereden. Hij heeft verklaard dat

[naam 4] die avond ook gebruik heeft gemaakt van zijn quad. Deze [naam 4] is in het kader van het onderzoek niet gehoord.

Nu de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris op belangrijke punten niet overeenkomen, is de rechtbank van oordeel dat het voor een behoorlijke oordeelsvorming noodzakelijk is dat [naam 2], [naam 1], [naam 3] en [naam 4] bij de rechter-commissaris worden gehoord.

Voorts acht de rechtbank het noodzakelijk dat getuige [getuige 2] door de politie aan twee meervoudige fotoconfrontaties wordt onderworpen. Tenslotte beveelt de rechtbank aan de officier van justitie de toevoeging van de verklaringen van [naam 2] in het kader van het onderzoek "Vliegen" aan het dossier met betrekking tot verdachte.

Gelet op het vorenstaande zal het onderzoek worden heropend en geschorst en zullen de stukken in handen van de rechter-commissaris, respectievelijk officier van justitie worden gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

- heropent het gesloten onderzoek ter terechtzitting;

- schorst het onderzoek in deze zaak voor onbepaalde tijd en verwijst de zaak naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde het hiervoor onder 4. omschreven onderzoek te laten plaatsvinden;

- de rechter-commissaris wordt voorts verzocht al datgene te doen wat hem in het belang van het onderzoek geraden voorkomt;

- stelt de stukken met dat doel in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank;

- verzoekt de officier van justitie om getuige [getuige 2] door de politie aan twee meervoudige fotoconfrontaties te laten onderwerpen, met in de ene een foto van verdachte en in de andere een foto van [naam 2];

- verzoekt de officier van justitie om de verklaringen die getuige [naam 2] in het kader van het onderzoek Vliegen heeft afgelegd, toe te voegen aan het dossier met betrekking tot verdachte;

- stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie;

- schorst het onderzoek ter terechtzitting met klemmende redenen voor een langere periode dan één maand, doch niet langer dan drie maanden, nu het onderzoek een eerdere behandeling ter terechtzitting niet toelaat;

- (voorzover mogelijk aanbrengen bij een meervoudige kamer in dezelfde samenstelling, maar in ieder geval bij een meervoudige kamer waarvan mr. G.A.F.M. Wouters deel uitmaakt;)

- beveelt de oproeping van verdachte en de kennisgeving daarvan aan zijn raadsman tegen het tijdstip, waarop met het onderzoek ter terechtzitting in de zaak zal worden hervat.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

(incidenten 2 en 3)

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, de

heer [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad

en rustig overleg, één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het

kaliber 9 mm) heeft geschoten op, althans in de richting van, die [slachtoffer 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, de

heer [slachtoffer 2], van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad

en rustig overleg, één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het

kaliber 9 mm) heeft geschoten op, althans in de richting van, die [slachtoffer 2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, de heer [slachtoffer 1] en/of

de heer [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

- een vuurwapen (van het kaliber 9 mm) getrokken en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- (vervolgens) dit vuurwapen één of meerdere ma(a)l(en) afgevuurd op, althans

in de richting van, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2];

en/of

hij op of omstreeks 20 maart 2009, te Dordrecht, opzettelijk en

wederrechtelijk een motorrijtuig (te weten: een auto, merk: Ford, type:

Escort, kleur: wit, kenteken: [KENTEKEN]), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan de heer [getuige 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt door één of meerdere ma(a)l(en) met een vuurwapen (van het kaliber 9

mm) op, althans in de richting van, voornoemd motorrijtuig te schieten;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(incident 1)

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 22 juni 2009 te

Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

3.

(incident 5)

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2009 tot en met 22 juni 2009,

althans op 22 juni 2009, te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een

ander(en), althans alleen, een vuurwapen van categorie III, onder 1, in de

vorm van een pistool of revolver, te weten een pistool (kaliber 6.35 mm) en/of

munitie van categorie III, te weten één of meerdere patro(o)n(en) (te weten:

3) (kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/510274-09

Tussenvonnis d.d. 15 december 2009