Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6771

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
86677 - KG ZA 10-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter verklaart zich op grond van de omstandigheden van het geval onbevoegd en verwijst de zaak naar het overeengekomen arbitraal kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 86677 / KG ZA 10-107

Vonnis in kort geding van 3 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Dordrecht,

eiser,

advocaat mr. B.D. Bos,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRIX HOUWELINGEN PROJECTEN XIV B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam en kantoorhoudende te Sliedrecht,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Roepel.

Partijen zullen hierna [eiser] en BHP genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 10 mei 2010, met producties,

- de bief van mr. B.D. Bos d.d. 18 mei 2010, met productie,

- de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 20 mei 2010,

- de pleitnota van BHP.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 27 maart 2008 (verder: de koop- en aannemingsovereenkomst) heeft [eiser] van BHP gekocht twee in aanbouw zijnde bedrijfsunits, units 41 en 42, gelegen aan de [adres] (verder: de bedrijfsunits). Van de koop- en aannemingsovereenkomst maakt deel uit de verkoopbrochure met errata 1.a d.d. 12 februari 2008, 1.b en 1.c en 2.a d.d. 5 oktober 2007.

2.2. Pagina 41 van de verkoopbrochure vermeldt – voor zover hier van belang – :

“bedrijfspaviljoens: units 37 t/m 45

Alle bedrijfsruimte beschikken over […]

Verwarming en koeling kantoren d.m.v. cassette-units in plafond, balansventilatie.”

2.3. Op 12 oktober 2009 zijn de bedrijfsunits opgeleverd. Daarbij is gebleken van een afzuigventilatie in plaats van een balansventilatie. [eiser] heeft daartegen geprotesteerd. Tevens heeft [eiser] er tegen geprotesteerd dat de bedrijfsunits zouden zijn voorzien van verwarming en koeling via cassette-units in het plafond, maar van verwarming via radiatoren en koeling via airconditioning.

2.4. Artikel 11 van de koop- en aannemingsovereenkomst bepaalt dat alle geschillen die naar aanleiding van deze overeenkomst tussen partijen ontstaan worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor Bouwbedrijven in Nederland.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat –:

primair:

BHP te gebieden herstel c.q. vervanging te bewerkstelligen in de zin dat zij zorg draagt voor:

I. verwarming en koeling door middel van cassette-units in het plafond;

II. balansventilatie,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

BHP te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 60.000,- vermeerderd met wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum.

Dit alles met veroordeling van BHP in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de volgende stellingen.

De geleverde units voldoen niet aan hetgeen [eiser] op grond van de koop- en aannemingsovereenkomst mocht verwachten. [eiser] heeft recht op herstel c.q. vervanging. Voor zover het herstel geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, maakt [eiser] aanspraak op vermindering van de koopprijs naar analogie van artikel 7:22 BW, althans door wijziging van de gevolgen van de koop- en aannemingsovereenkomst ex artikel 6:230 lid 2 BW, althans maakt hij aanspraak op een vergoeding van de schade die hij door de toerekenbare tekortkoming van BHP lijdt. Het bedrag waarmee de koopprijs moet worden verminderd c.q. het voorschot op de geleden schade begroot [eiser] op € 60.000,-.

3.3. BHP voert verweer. De inhoud van haar verweer zal voor zover nodig hierna nader worden weergegeven.

4. De beoordeling

4.1. BHP heeft voor alle weren een beroep op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter gedaan. In dat kader heeft zij een beroep op artikel 11 van de koop- en aannemingsovereenkomst gedaan en aangevoerd dat de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouw voorzien in een arbitraal kort geding en dat deze Raad van Arbitrage bij uitstek is uitgerust om het geschil tussen partijen te beslechten. [eiser] heeft niet bestreden dat de vorenbedoelde statuten voorzien in een arbitraal kort geding, maar bestrijdt wel dat het arbitraal beding – gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval – een beletsel oplevert voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in kort geding.

4.2. Ingevolge artikel 1022 lid 2 jo. 1051 Rv. belet een arbitragebeding niet dat een partij zich wendt tot de voorzieningenrechter in kort geding, maar kan de voorzieningenrechter in kort geding in het geval dat de wederpartij zich op het arbitragebeding beroept en dat beding ook de mogelijkheid van een arbitraal kort geding behelst, alle omstandigheden in aanmerking nemende zich onbevoegd verklaren door de zaak te verwijzen naar het overeengekomen arbitraal kort geding. Daarbij dient, afgezien van de belangen van partijen, in aanmerking te worden genomen of de verlangde voorziening met het arbitraal kort geding spoedig genoeg kan worden verkregen en of speciale expertise nodig is voor beslechting van het geschil.

4.3. Als inhoudelijk verweer is door BHP onder meer aangevoerd dat de bedrijfsunits wel zijn voorzien van verwarming via cassette-units en dat de aangebrachte afzuiginstallatie gelijkwaardig is aan balansventilatie. Deze verweren kunnen niet, zoals door [eiser] bepleit, als chicaneus ter zijde worden gesteld, nu door BHP uitvoerig is betoogd dat zij deze verweren weliswaar niet eerder schriftelijk heeft gevoerd, maar wel mondeling en het laatste een verdergaand onderzoek vergt dan waarvoor het kort geding zich leent. De Raad van Arbitrage voor de Bouw is beter dan de voorzieningenrechter uitgerust om over deze voor de beslechting van het onderhavige geschil relevante technische aspecten te oordelen.

4.4. Dat de verlangde voorziening in een arbitraal kort geding niet spoedig genoeg kan worden verkregen is onvoldoende gebleken. Niet in geschil is dat het primair gevorderde herstel mogelijk is. Een verbintenis van [eiser] jegens zijn huurder om de in gebruik te geven bedrijfsunits te voorzien van verwarming van cassette-units en balansventilatie is niet aan de orde. Zijn spoedeisend belang bij de uitvoering van het primair gevorderde herstel is, zoals uit zijn ter zitting afgelegde verklaring blijkt, gelegen in het voorkomen van hinder die zijn huurder zal ondervinden wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd nadat de huurder de bedrijfsunits in gebruik heeft genomen. Dat deze hinder zal worden voorkomen indien in dit kort geding de primaire vordering zou worden toegewezen, heeft [eiser], gelet op de door hem ter zitting opgegeven termijn van twee à drie weken waarbinnen de huurder de bedrijfsunits wil betrekken, echter onvoldoende duidelijk gemaakt. Daarbij komt dat in het geval dat de in de bedrijfsunits aangebrachte verwarming en balansventilatie niet voldoen aan hetgeen [eiser] op grond van de koop- en aannemingsovereenkomst mocht verwachten en [eiser] schade lijdt doordat de herstelwerkzaamheden niet binnen bekwame tijd worden uitgevoerd, BHP daarvoor jegens [eiser] aansprakelijk zal zijn. Het risico dat BHP geen verhaal zal bieden voor die eventuele schade is, tegenover de betwisting van BHP, onvoldoende door [eiser] onderbouwd.

4.5. Belangen aan de zijde van [eiser] die onder de voormelde omstandigheden kunnen meebrengen dat de voorzieningenrechter de zaak aan zich dient te houden, zijn niet gesteld.

4.6. Het vorenstaande geeft de voorzieningenrechter aanleiding zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar het tussen partijen overeengekomen arbitraal beding.

4.7. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van BHP worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.079,00.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen en verwijst de zaak naar het overeengekomen arbitraal kort geding,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BHP tot op heden bepaald op € 1.079,00,

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2010.?