Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM4994

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
11/510634-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ1112, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verkrachting en poging tot doodslag in het verkeer.

Vrijspraak voor aanranding, geen schakelbewijs.

Gedragsdeskundigen adviseren TBS met voorwaarden. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/510634-09 en 11/800613-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [1983],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

(hierna: verdachte)

Raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 mei 2010, waarbij de officier van justitie mr. A.K. Tiggelaar, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Een slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

Ter zitting van 18 februari 2010 zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1/510634-09

Feit 1: op 27 oktober 2009 [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft verkracht;

Feit 2: op 7 oktober 2009 [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen;

11/800613-08

Feit 3: (primair) op 14 september 2009 heeft geprobeerd opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], van het leven te beroven door op de Rijksweg N3 met te veel alcohol op en met een te hoge snelheid tegen hun auto te botsen, dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 4: op 14 september 2009 onder invloed van teveel alcohol een auto heeft bestuurd.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat in het geval dat het openbaar ministerie (hierna: OM) ontlastend bewijsmateriaal achterhoudt dat het OM niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte. In de herinnering van de raadsman hebben er namelijk fotoconfrontaties met aangeefster [slachtoffer 2] plaatsgevonden, maar heeft hij (kennelijk) daarvan geen stukken ontvangen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gesteld dat in de zaak tegen verdachte weliswaar sprake is geweest van fotoconfrontaties met aangevers maar dat zij er voor heeft gekozen om dit bij [slachtoffer 2] niet te doen, omdat zij in de krant al een afbeelding van "de Utrechtse serieverkrachter" had gezien en meende hem te herkennen als de dader.

Het oordeel van de rechtbank

In het onderhavige geval mag van de verdediging worden verwacht dat zij concrete feiten en omstandigheden ten grondslag legt aan het verweer. Nu de officier van justitie uitleg heeft gegeven op welke wijze een en ander is verlopen en de reden van haar beslissing heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging nu niet is gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 baseert zij zich op de aangifte van [slachtoffer 2] en de overeenkomsten met de zaak van [slachtoffer 1], zoals - kort samengevat - de plaats van het incident, de witte bestelauto, de wijze van benaderen van de slachtoffers, en het signalement van de dader qua huidskleur haardracht en leeftijd. Ook heeft de officier van justitie de verklaring van verdachte in aanmerking genomen dat hij op 27 oktober 2009 heeft verklaard dat hij een paar weken voor die dag eerder was gaan rondrijden om het te doen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft met het oog op zijn voorgenomen plan om zelfmoord te plegen een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken, wat volgt uit de verklaring van verdachte en het bloedonderzoek. Met dat doel is verdachte in een auto gestapt en is met een te hoge snelheid over de N3 gaan rijden, wat volgt uit het proces-verbaal ongevallenanalyse en de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Ook acht zij bewezen dat verdachte tijdens de autorit meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd. Vervolgens is verdachte zonder snelheid te minderen op de auto van [slachtoffer 3 en 4] gereden. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet alleen hijzelf maar dat hij daarmee ook het leven van [slachtoffer 3 en 4] zou nemen.

Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van bevindingen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman bepleit dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, behalve dat verdachte zijn penis bij de mond van [slachtoffer 1] heeft gebracht en hij tegen haar heeft gezegd dat zij haar mond moest houden omdat hij anders haar zou slaan. Verdachte heeft dit immers ontkend.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer 2] een andere auto beschrijft dan verdachte heeft. Daarnaast ontkent verdachte het feit. Er zijn geen andere bewijsmiddelen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3 primair en subsidiair heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op het ongeval heeft gehad. Van een welbewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans is geen sprake geweest.

De raadsman is van mening dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van verkrachting op 27 oktober 2009 op de Zuidendijk te Dordrecht. [slachtoffer 1] is geboren op 18 november 1994. Zij heeft verklaard dat zij op de Zuidendijk fietste en daar een jongen zag lopen. Op het stuk dijk waar zij fietste stonden geen huizen. Op het moment dat zij de jongen bijna voorbij was begon deze te rennen en pakte hij haar bij haar tennistas vast en tilde haar op. De jongen had met zijn trui de mond van [slachtoffer 1] bedekt. Vervolgens gooide hij [slachtoffer 1] en haar fiets over het prikkeldraad. De jongen stapte over het prikkeldraad en deed de broek van [slachtoffer 1] tot ongeveer aan haar knieën naar beneden. De jongen zei dat ze haar mond moest houden, omdat hij anders zou slaan. De jongen betaste met zijn hand de vagina van [slachtoffer 1]. Vervolgens ging hij met zijn hand naar binnen. De jongen had zijn andere hand op de mond van [slachtoffer 1]. De jongen ging daarna masturberen. De jongen pakte de hand van [slachtoffer 1] om zijn penis aan te raken. [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat de jongen over haar heen ging zitten en zijn penis in haar mond wilde stoppen. [slachtoffer 1] voelde warme vloeistof op haar buik. Hieruit concludeerde [slachtoffer 1] dat de jongen klaar was gekomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 27 oktober 2009 op Zuidendijk een meisje zag fietsen en dat hij haar met zijn auto is voorbijgereden. Vervolgens heeft hij het meisje met haar fiets tegengehouden. Hij heeft haar en haar fiets over het prikkeldraad getild. Verdachte heeft gezegd dat ze haar mond moest houden. Verdachte heeft haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken. Hierbij heeft hij zijn met zijn trui bedekte hand voor haar mond gehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij toen met een vinger in haar vagina is gegaan en haar vagina heeft betast. Ook heeft hij de hand van het meisje gepakt en naar zijn penis geleid. Hij heeft vervolgens gemasturbeerd en is op haar buik klaargekomen.

Verdachte ontkent weliswaar dat hij zijn penis bij de mond van [slachtoffer 1] heeft gebracht en ontkent dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij haar zou gaan slaan.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel geloofwaardig, en is van oordeel dat niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging in deze context meerdere bewijsmiddelen moeten zijn. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte over haar heen ging zitten en hij zijn penis in haar mond wilde doen. Omdat zij dit niet wilde heeft zij haar hoofd weggedraaid.

Ten aanzien van het slaan heeft zij verklaard dat verdachte zei dat ze haar mond moest houden omdat hij anders zou slaan. Volgens [slachtoffer 1] heeft verdachte zelfs gevraagd of zij wilde dat hij sloeg. Hierop heeft ze ontkennend geantwoord.

Feit 2

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van aanranding op 7 oktober 2009 op de Zuidendijk te Dordrecht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld - zoals verwoord onder 4.1- dat de overeenkomsten uit de aangifte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als schakelbewijs kunnen dienen.

Verdachte heeft in elk stadium van het proces ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten gedraging.

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd betrekt de rechtbank de aangifte van [slachtoffer 1] niet bij (de beoordeling van) het bewijs in het onderhavig feit tegen verdachte. Daargelaten de vraag of een door de officier van justitie voorgestane of mogelijk geachte bewijsconstructie (schakelbewijs) in een zaak als de onderhavige in zijn algemeenheid wenselijk is gezien de daaraan verbonden risico's, is de rechtbank van oordeel dat het enkele gegeven dat er overeenkomsten zijn met de aangifte van [slachtoffer 1] die tegen verdachte is gedaan, onvoldoende is om van een specifieke handelwijze van verdachte te kunnen spreken die - als het gaat om het benaderen van zijn slachtoffer - op essentiële punten overeenkomt met de aangifte van [slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 3 en 4

Van de volgende feiten en omstandigheden wordt uitgegaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 september 2008 op de N3 te Dordrecht een auto heeft bestuurd terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed 1.13 milligram per milliliter bloed bleek te zijn, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting;

- het proces-verbaal rijden onder invloed waaruit blijkt dat aan alle formaliteiten met betrekking tot het bloedonderzoek is voldaan;

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie.

De heer [slachtoffer 3] reed als bestuurder van een motorrijtuig op 14 september 2008 omstreeks 00.30 uur over de N3 te Dordrecht richting de Kiltunnel. Zijn vrouw zit naast hem. Op het moment dat zijn vrouw zich voorover buigt voelen zij een enorm klap van achteren. Na de klap bleef de auto maar rechtuit gaan. Vervolgens gingen zij met een klap over een vluchtheuvel heen, door de vangrail tegen een verkeerslicht aan. Vervolgens zagen zij takken en bomen en zijn zij met hun voertuig beneden tot stilstand gekomen. De ter plaatse gekomen verbalisant trof de voertuigen onderaan het talud aan.

Uit de letselverklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] volgt dat zij beide letsel hebben opgelopen.

Verdachte heeft verklaard dat hij een einde aan zijn leven wilde maken en met hoge snelheid tegen iets aan wilde rijden. Dat verdachte zelfmoord wilde plegen volgt niet alleen uit zijn verklaring maar ook uit de verklaring van getuige [getuige 3]. Op het moment dat zij verdachte telefonisch sprak zei verdachte tegen haar "Ik rijd nu 160 en jij gaat horen hoe ik mezelf kapot rijd".

Getuige [getuige 1] reed die dag als buschauffeur richting de kiltunnel. Hij zag dat hij werd ingehaald door een donker busje. [getuige 1] schatte de snelheid van het busje in tussen de 120 en 140 kilometer per uur. Het busje ging vervolgens voor de bus rijden. [getuige 1] zag dat het busje op een andere auto inreed en op dat voertuig botste. [getuige 1] zag bij het busje geen remlichten branden en heeft ook geen remgeluiden gehoord. Uit het onderzoek, verricht door de Regionale Verkeersondersteuning van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, zoals neergelegd in het "proces-verbaal Verkeersongevals-analyse", is gebleken, dat de snelheid waarmee verdachte kort voor de botsing reed, was gelegen tussen de 117 km/h en 129 km/h.

Met betrekking tot het verweer van verdachte dat hij geen opzet heeft gehad op de dood van een ander, in dit geval [slachtoffer 3 en 4], overweegt de rechtbank als volgt. Voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood, is aanwezig indien de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Voor de beoordeling of sprake is van voorwaardelijke opzet neemt de rechtbank de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht in ogenschouw.

Verdachte had voorafgaand de aanrijding ruzie gehad met zijn vriendin. Verdachte was hiervan naar eigen zeggen geestelijk in de war. Verdachte weet van zichzelf dat alcohol zijn emoties versterken. Desondanks heeft hij in totaal 15 biertjes gedronken. Verdachte heeft in overspannen toestand het café verlaten. Zijn vriend kon hem niet weerhouden dat hij met de auto is weggereden.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zelfmoord wilde plegen en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte (sterk) heeft geremd of is uitgeweken om een aanrijding te voorkomen. Verdachte is van achteren op zijn voorligger gereden en zij zijn uiteindelijk onderaan het talud tot stilstand gekomen.

Uit dit gedrag kan niet anders volgen dan dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de kans op een (ernstig) ongeval en deze kans heeft aanvaard. Hij wilde immers zichzelf van het leven beroven.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte ten tijde van het ongeval in een grote en zware bestelbus (Opel Vivaro) reed. Het is een feit van algemene bekendheid bij een dergelijke hoge snelheid met een voertuig van het type waar verdachte in reed, de kans aanmerkelijk is dat in geval van een aanrijding de slachtoffers en de veroorzaker het leven kunnen laten.

Het door verdachte vertoonde gedrag levert, gelet op het voorgaande een poging tot doodslag op.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 27 oktober 2009 te Dordrecht door geweld en bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] (geboren 18 november 1994) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte

- de broek van die [slachtoffer 1] (tot op haar knieën) omlaag gedaan en/of getrokken en

- de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en gehouden en

- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] gemasturbeerd en

- de hand van die [slachtoffer 1] gepakt en bij zijn, verdachtes penis gebracht en/of gehouden en

- geëjaculeerd op de buik van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] (onverhoeds) heeft benaderd op een afgelegen locatie en

- die [slachtoffer 1] en haar fiets heeft (vast)gepakt en opgetild en

- die [slachtoffer 1] en haar fiets vervolgens over het prikkeldraad heeft gegooid en/of gezet en

- (met zijn trui over zijn hand) de mond van die [slachtoffer 1] heeft bedekt en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij haar mond moest houden omdat hij, verdachte, haar anders zou slaan en

- over die [slachtoffer 1] (heen) heeft gezeten (met aan beiden zijden van die [slachtoffer 1] een knie) en

aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3.

op 14 september 2008 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet,

(terwijl hij, verdachte, doende was een zelfmoordpoging te ondernemen)

-een (aanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd (1,13 milligram per milliliter bloed),

en

-vervolgens in een motorrijtuig is gestapt en met dat motorrijtuig is gaan rijden op de openbare weg

en

-met dat motorrijtuig, met een (hoge) snelheid heeft gereden, (gelegen tussen de 107 kilometer per uur en 129 kilometer per uur), op een weg, de Rijksweg N3 aldaar, en

-met dat motorrijtuig, zonder snelheid te minderen en/of te remmen, tegen (de achterzijde van) het motorrijtuig bestuurd door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als bijrijder is gereden,

als gevolg waarvan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] letsel hebben opgelopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 14 september 2008 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,13 milligram, .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1.

VERKRACHTING.

3. primair

POGING TOT DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD.

4.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 8, TWEEDE LID, ONDERDEEL B VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door L.A. Vink, psychiater, over verdachte uitgebracht rapport van 8 februari 2010 en haar aanvullende rapport d.d. 9 april 2010 komt onder meer het navolgende naar voren:

"Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke storing van zijn geestvermogens in de vorm van misbruik van alcohol en aan een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was er sprake van de persoonlijkheidsstoornis. Daarbij was bij het delict van 14 september 2008 ook sprake van alcoholmisbruik. Zowel de gebrekkige ontwikkeling in de vorm van de persoonlijkheidsproblematiek als het alcoholmisbruik beïnvloedden de gedragingen van betrokkene tijdens het delict van 14 september 2008. Voor wat betreft het zedendelict op 27 oktober 2009 is dit minder duidelijk, ook omdat betrokkene weinig inzicht geeft in zijn gemoedstoestand en verschillende versies heeft over de gang van zaken. Aangaande de toerekeningsvatbaarheid wordt geadviseerd betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen".

Uit het door drs. J.J. van der Weele, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 29 januari 2010 en het aanvullende rapport d.d. 22 maart 2010 komt naar voren:

"In geval van verdachte is sprake van een stoornis in de impulscontrole en van gebrekkige copingmechanismen, waardoor hij spanningen opkropt en later op ogenschijnlijk willekeurige wijze tot een ontlading in de vorm van "acting-out" gedrag komt. Hierbij kunnen ook antisociale trekken worden aangewezen en misbruik van alcohol. Dit was ook ten tijde van het tenlastegelegde actueel, met tijdens zijn dollemansrit(ten?) ook de daadwerkelijke invloed van alcohol....Het besef dat rijden onder invloed en ook verkrachting/aanranding wettelijk strafbaar zijn is in geval van verdachte niet aangetast. Zijn vermogen om zich conform dit besef te gedragen is wel beperkt, zodanig dat wij hem als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen".

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormelde rapporten op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht (8) jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet op een betrouwbare manier is vast komen te staan dat verdachte aan een stoornis van de geestvermogens lijdt. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat er geen tbs kan worden opgelegd omdat de deskundigen niet op de vereiste manier hebben gemotiveerd. De raadsman heeft in zijn strafmaat verweer aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, evenals op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op een stille dijk zich schuldig gemaakt een verkrachting van een toen veertienjarig meisje door haar te vingeren. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat zij bang was dat verdachte haar zou vermoorden.

Slachtoffers van een dergelijk feit, dat - naar het oordeel van de rechtbank - een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt, kunnen nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Ook brengen dit soort feiten bij de burgers gevoelens van onveiligheid en angstgevoelens teweeg.

Verdachte heeft door dit feit op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de belangen van het slachtoffer ondergeschikt heeft gemaakt aan de bevrediging van zijn seksuele behoeften. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat het gebeurde een enorme impact heeft op het leven van het slachtoffer, zowel lichamelijk als psychisch.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging doodslag op een echtpaar. Verdachte is onder invloed van alcohol in zijn bestelbus gaan rijden om zichzelf om te brengen. Verdachte reed met een te hoge snelheid op de Rijksweg N3 en is daar zonder te remmen achterop zijn voorligger gereden. Beide voortuigen zijn uiteindelijk onderaan het talud tot stilstand gekomen. Dat dit niet de dood van een ander of van verdachte tot gevolg heeft gehad is niet aan verdachte te danken maar aan een grote dosis geluk. Dientengevolge is de rechtbank van mening dat ter bescherming van de samenleving een zware straf op zijn plaats is.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met het feit dat hij volgens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 februari 2010 in 2007 door de politierechter is veroordeeld voor schennis van de eerbaarheid.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de voorlichtingsrapporten van de reclassering d.d. 13 oktober 2009, 2 februari 2010 en 25 april 2010 .

Hiertegenover staat dat de rechtbank kennis heeft genomen van omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten door eerder genoemde gedragsdeskundigen. Daaruit blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

De rechtbank neemt daarom bij de verkrachting van [slachtoffer 1] als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar.

Ten aanzien van de poging doodslag in het verkeer overweegt de rechtbank dat voor dergelijke feiten geen landelijk oriëntatiepunten zijn vastgesteld. De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken zoals die door de diverse rechterlijke colleges in Nederland in soortgelijke zaken zijn gedaan. Daarbij is gebleken dat het bewezenverklaarde feit zich moeilijk laten vergelijken met andere soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de landelijk oriëntatiepunten straftoemeting van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en de straffen die gewoonlijk voor een poging doodslag in deze rechtbank worden opgelegd. De rechtbank heeft bij haar overwegingen in strafmaatverlagende zin betrokken dat bij de poging tot doodslag sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank neemt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 2 jaar.

De rechtbank acht, gezien de ernst van de feiten, een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats en volgt de officier van justitie in haar vordering voor wat betreft de gevangenisstraf. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarnaast acht de rechtbank op zijn plaats dat verdachte een lange ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opgelegd krijgt.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan verdachte de door de gedragsdeskundigen en de reclassering geadviseerde maatregel terbeschikkingstelling (hierna:TBS) met voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte moet worden opgelegd.

De rechtbank zal in dit geval afzien van het opleggen van de geadviseerde maatregel. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte eerder bij een forensische polikliniek is behandeld. Verdachtes inbreng getuigde toen niet van een groeiend inzicht in zijn doen en laten, maar meer een groeiend besef van de negatieve consequenties van zijn gedrag voor zichzelf. Tekenend is de opmerking van verdachte ter terechtzitting dat hij nu wel het achterste van zijn tong zal laten zien bij een behandeling omdat hij anders in een kliniek zal eindigen en nooit meer buiten zal komen. De rechtbank is niet overtuigd dat verdachte werkelijk zijn problemen bespreekbaar zal maken.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een langdurige gevangenisstraf geboden. Het opleggen van TBS met voorwaarden behoort dan ook niet tot de mogelijkheden, omdat deze modaliteit slechts kan worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van ten hoogste 3 jaar.

In het geval dat een gestelde voorwaarde van de op te leggen maatregel niet wordt nageleefd kan de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Echter in dit verband heeft de rechtbank acht geslagen op de opmerking van drs. Van der Weele dat dwangverpleging hem in contact brengt met een doelgroep, die hem waarschijnlijk meer onder druk zet dan de behandeling zijn vooruitgang bevordert.

Het verweer van de raadsman aangaande de rapportages van de gedragsdeskundigen laat de rechtbank dan ook onbesproken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten één jaar voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 242, 287, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren, waarvan één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee (2) jaren;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.B. van den Beld, voorzitter,

mr. M.M. Moolenburgh - Pelser en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Andel griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 mei 2010.

Mr. Schönfeld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

11/510634-09

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2009 te Dordrecht door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (geboren 18 november 1994) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte

- de broek van die [slachtoffer 1] (tot op haar knieën) omlaag gedaan en/of

getrokken en/of

- de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en/of

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

gehouden en/of

- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- in de nabijheid van die [slachtoffer 1] gemasturbeerd en/of

- de hand van die [slachtoffer 1] gepakt en bij zijn, verdachtes penis gebracht

en/of gehouden en/of

- geëjaculeerd op de buik, althans op het lichaam, van die [slachtoffer 1]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] (onverhoeds) heeft benaderd op een afgelegen locatie en/of

- die [slachtoffer 1] en/of haar fiets heeft (vast)gepakt en/of opgetild en/of

- die [slachtoffer 1] en/of haar fiets (vervolgens) over het prikkeldraad heeft gegooid en/of gezet en/of

- (met zijn trui over zijn hand) de mond van die [slachtoffer 1] heeft bedekt en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij haar mond moest houden omdat hij, verdachte, haar anders zou slaan en/of

- op en/of over die [slachtoffer 1] (heen) heeft gezeten (met aan beiden zijden

van die [slachtoffer 1] een knie) en/of

(aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 07 oktober 2009 te Dordrecht, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het zoenen (in de nek) van die [slachtoffer 2] en/of

- het brengen van zijn, verdachtes, hand onder de trui van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van het been van die [slachtoffer 2] en/of

- het bewegen van zijn, verdachtes, hand over de binnenzijde van het been van

die [slachtoffer 2] in de richting van haar vagina en/of

- het leggen van zijn, verdachtes, hand op de schaamstreek van die [slachtoffer 2] en/of

- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s)(toppen) in de broek van die [slachtoffer 2],

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het (onverhoeds) benaderen van die [slachtoffer 2] op een afgelegen locatie en/of

- het vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 2] en/of

- het vastpakken en/of vasthouden van (het het stuur van) de fiets van die [slachtoffer 2];

11/800613-08

3.

hij op of omstreeks 14 september 2008 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet,

-zakelijk weergegeven-

(terwijl hij, verdachte, doende was een zelfmoordpoging te ondernemen)

-een (aanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd (1,13 milligram per milliliter bloed),

en/of

-(vervolgens) in een motorrijtuig is gestapt en met dat motorrijtuig is gaan rijden op de openbare weg

en/of

-met dat motorrijtuig, met een (hoge) snelheid heeft gereden, (gelegen tussen de 107 kilometer per uur en 129 kilometer per uur), op een weg, de Rijksweg N3 aldaar, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 100 kilometer per uur,

en/of

-tijdens het besturen van dat motorrijtuig een of meerdere telefoongesprek(ken) heeft gevoerd,

en/of

-met dat motorrijtuig, zonder snelheid te minderen en/of te remmen, tegen (de achterzijde van) het motorrijtuig bestuurd door [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] als bijrijder is gereden/gebotst,

en/of

- als gevolg waarvan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] letsel heeft/hebben opgelopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2008 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

-zakelijk weergegeven-

(terwijl hij, verdachte, doende was een zelfmoordpoging te ondernemen)

-een (aanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd (1,13 milligram per milliliter bloed),

en/of

-(vervolgens) in een motorrijtuig is gestapt en met dat motorrijtuig is gaan rijden op de openbare weg

en/of

-met dat motorrijtuig, met een (hoge) snelheid heeft gereden, gelegen tussen de 107 kilometer per uur en 129 kilometer per uur, op een weg, de Rijksweg N3 aldaar, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane

snelheid van 100 kilometer per uur,

en/of

-terwijl hij verdachte, tijdens het besturen van dat motorrijtuig een of meerdere telefoongesprek(ken) heeft gevoerd,

en/of

-met dat motorrijtuig, zonder snelheid te minderen/te remmen, tegen (de achterzijde van) het motorrijtuig bestuurd door [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] als bijrijder is gereden/gebotst,

en/of

- als gevolg waarvan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] letsel heeft/hebben opgelopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 14 september 2008 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,13 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Parketnummer: 11/510634-09

Vonnis d.d. 18 mei 2010