Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM4202

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
11-500499-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging, omdat beroep op noodweer slaagt. Zij stelt dat verdachte het mede aan zichzelf te danken heeft dat hij zich in eerste instantie in een situatie heeft gebracht waarin zaken uit de hand zouden kunnen lopen. De rechtbank is echter van oordeel dat vervolgens een nieuwe situatie is ontstaan, waarbij wel degelijk sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500499-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 mei 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [1984],

wonende te [adres en woonplaats],

(hierna: verdachte).

Raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 april 2010, waarbij de officier van justitie mr. J. Spaans, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 29 november 2009 te Nieuw-Lekkerland:

(primair) opzettelijk heeft getracht om [benadeelde partij] van het leven te beroven door hem met een ijzeren buis/staaf, althans een hard metalen voorwerp op het hoofd te slaan, dan wel daardoor (subsidiair) die [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel daardoor (meer subsidiair) heeft getracht die [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Op basis van de aangifte, de getuigenverklaringen in het dossier en de medische verklaringen is de officier van justitie van mening dat het wettig en overtuigend bewijs voor de primair ten laste gelegde poging doodslag is geleverd. Door met kracht met een ijzeren pijp op het hoofd van aangever te slaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geweld de dood van aangever tot gevolg zou hebben. Getuige [getuige 1] verklaart dat verdachte met kracht sloeg, er zat volgens hem een grote swing in het slaan. Hij bedoelde hiermee dat verdachte echt uithaalde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw staat het niet ter discussie dat verdachte aangever heeft geslagen met een metalen pijp.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 29 november 2009 slaat verdachte in Nieuw-Lekkerland het slachtoffer met een ijzeren pijp op het hoofd. Het kan zijn dat dit de gevonden pijp is geweest met een lengte van 60 centimeter en een gewicht van 1104 gram. Verdachte maakt een horizontale beweging en raakt het slachtoffer op zijn hoofd. Hij slaat met kracht en haalt echt uit. Het slachtoffer heeft ernstig schedelhersenletsel met een schedelbotbreuk, hersenkneuzingen en een hoofdwond door heftig botsend geweld. De rechtbank merkt voornoemde gevonden pijp zoals afgebeeld op een foto in het dossier aan als een ijzeren buis/staaf.

Voor bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat het voornemen van de dader op de dood zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Verdachte moet minstens willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij de dood van het slachtoffer teweegbrengt. De rechtbank overweegt dat hersenen van vitaal belang zijn voor het leven. De kans dat zij door het met kracht uithalen met een ijzeren pijp met fataal gevolg worden beschadigd, is volgens de rechtbank naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te beschouwen. Het voorgaande is algemeen bekend en - van het tegendeel is niet gebleken - was dat dus naar het oordeel van de rechtbank ook voor verdachte. De rechtbank is van opvatting dat verdachte de dood van het slachtoffer ook heeft gewild, aangezien hij met wetenschap van deze aanmerkelijke kans toch met kracht met de pijp op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit, de poging doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 29 november 2009 te Nieuw-Lekkerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [benadeelde partij] met een ijzeren buis/staaf op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Primair komt hem een beroep op noodweer toe. Nadat aangever verdachte eerder die nacht met een mes had bedreigd, met een knuppel en schreeuwend 'ik sla je helemaal dood', op hem afkwam, werd verdachte door mensen tegengehouden, weggetrokken op het laatste moment losgelaten. Verdachte kon toen geen kant meer op, waardoor sprake was van een onmiddellijke dreiging voor een wederrechtelijke aanranding. Subsidiair is dit als putatief noodweer te duiden, omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde en mocht verkeren dat de agressie van aangever zich op hem richtte.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft verdachte de confrontatie zelf opgezocht (zgn. dolus in causa) door met een ijzeren pijp en de aanval zoekend terug te keren naar de plaats waar hij tevoren onenigheid had gehad met aangever, dat toen een mes had. Voor het moment dat aangever zich in de richting van verdachte heeft begeven geldt dat de camerabeelden niet duidelijk maken dat aangever toen iets in zijn hand had; bovendien was het juist verdachte die tot en met het laatste moment aangever wilde pakken.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt onder meer dat niet strafbaar is degene die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, tegen verdachte of een ander ofwel van een "noodweersituatie".

De rechtbank stelt voorop dat verdachte een verkeerde keuze heeft gemaakt door de bewuste nacht naar aangever terug te keren en een ijzeren pijp mee te nemen. Verdachte heeft ondanks waarschuwingen van anderen de confrontatie opgezocht met aangever, van wie hij inmiddels wist, dat deze dreigen met een mes niet schuwde. Verdachte heeft het dan ook mede aan zichzelf te danken dat hij zich in eerste instantie in een situatie heeft gebracht, waarin zaken uit de hand zouden kunnen lopen. De rechtbank is echter van oordeel dat vervolgens een nieuwe situatie is ontstaan, waarbij wel degelijk sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen verdachte.

De verklaring van verdachte, dat aangever op hem af kwam rennen voordat hij aangever met de ijzeren pijp sloeg, wordt ondersteund door de verklaringen van onder andere [getuige 2] en [getuige 3]. [getuige 2] verklaart gezien te hebben dat aangever daarbij een voorwerp in zijn handen had (verklaring bij de rechter-commissaris); aangever heeft zelf verklaard dat hij een stuk hout/knuppel in zijn handen had (aangifte). [getuige 3] heeft verklaard dat de stang van verdachte alweer omlaag was op het moment dat aangever aan kwam rennen (verklaring bij de rechter-commissaris). De rechtbank heeft ter terechtzitting op de camerabeelden waargenomen dat verdachte op enig moment aangever naderde, terwijl verdachte een voorwerp omhoog hield en door anderen werd tegengehouden. De rechtbank heeft gezien dat aangever iets van achter uit zijn broekband pakte, en dat verdachte meer dan de volle breedte van een geparkeerde personenauto van aangever verwijderd bleef. De rechtbank heeft ook waargenomen dat verdachte vervolgens door verschillende getuigen werd weggetrokken van aangever. De rechtbank heeft waargenomen dat op dat moment aangever richting verdachte ging rennen. Het vervolg speelde zich, zo is ter zitting gebleken, buiten het bereik van de camera af. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] komt naar voren dat de getuigen ervoor kiezen om verdachte juist op het moment dat aangever aan kwam rennen, los te laten. [getuige 2] heeft reeds tegenover de politie op 18 december 2009 verklaard dat hij dit deed omdat hij bang was dat aangever zou slaan met het voorwerp dat hij boven zijn hoofd hield. "[verdachte] (verdachte) was echter eerder, en sloeg", aldus [getuige 2] later in zijn verklaring bij de rechter-commissaris. Dat aangever op dat moment met een knuppel gewapend was, wordt zoals hiervoor overwogen ondersteund door de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3].

Naar het oordeel van de rechtbank is op het moment dat aangever naar verdachte toe rende met de knuppel in zijn hand een door aangever gecreëerde, dreigende situatie ontstaan, waarbij verdachte niet anders kon, dan zichzelf verdedigen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aangever juist op het moment dat verdachte zich van hem verwijderde, en diens buis/staaf omlaag ging, ervoor koos op verdachte af te rennen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden.

Voor een geslaagd beroep op noodweer geldt bovendien als voorwaarde dat de verdediging passend was, en met een benodigd middel is gebeurd. Dit zijn de eisen van proportionaliteit respectievelijk subsidiariteit. Zonder uit het oog te verliezen hoe aangrijpend de gevolgen voor aangever zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de wijze en het middel van verdedigen in deze concrete situatie de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet heeft overschreden. De ijzeren pijp had verdachte al in zijn handen; het is in die situatie voor de hand liggend dat deze pijp als verdedigingsmiddel wordt gebruikt tegen aangever die verdachte met een knuppel nadert. Verdachte heeft bij het slaan met de pijp voorts niet gemikt op een specifiek lichaamsdeel van aangever; verdachte heeft volgens zijn verklaring ter zitting niet meer kunnen doen dan vanuit staande positie van zich afslaan. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigen in dit geval dan ook niet in wanverhouding staat met de aanval, en onder die omstandigheden passend is geweest.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer slaagt en dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van een totaalbedrag van € 4.162,20 aan materiële en immateriële schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

7 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het feit niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. G.A.F.M. Wouters en mr. F. van Laanen rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.E.M Broeders, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 mei 2010.

Door afwezigheid is mr. Wouters voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 29 november 2009 te Nieuw-Lekkerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [benadeelde partij] met een ijzeren buis/staaf, althans een hard en/of metalen voorwerp, op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2009 te Nieuw-Lekkerland aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een ijzeren buis/staaf, althans een hard en/of metalen voorwerp, op het hoofd te slaan;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 november 2009 te Nieuw-Lekkerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [benadeelde partij] met een ijzeren buis/staaf, althans een hard en/of metalen voorwerp, op het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer: 11/500499-09

Vonnis d.d. 11 mei 2010