Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM3579

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
79911 - HA ZA 09-2170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht assurantietussenpersoon. Eigen schuld 50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 79911 / HA ZA 09-2170

Vonnis van 28 april 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRISMA HOLDING B.V.,

gevestigd te Reeuwijk,

eiseres,

advocaat mr. Th. Dollee,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRECHTSTAD ADVIESGROEP B.V., h.o.d.n. SAA Rombouts & Drechtstad,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert.

Partijen zullen hierna Prisma en Drechtstad genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 mei 2009 en de daarin genoemde stukken,

- het tussenvonnis van 1 juli 2009 en de daarin genoemde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Prisma houdt zich onder meer bezig met beleggen in onroerende zaken, in het kader waarvan Prisma met regelmaat onroerende zaken koopt en verkoopt.

2.2. Drechtstad houdt zich bezig met de assurantiepraktijk, mede omvattende de totstandbrenging en advisering terzake verzekeringsovereenkomsten, hypothecaire geldleningen en pensioenen.

2.3. Prisma maakt sedert ruim 20 jaren gebruik van de diensten van Drechtstad, onder meer voor het afsluiten van verzekeringen, waaronder verzekeringen die betrekking hebben op de door Prisma verworven onroerende zaken.

2.4. Prisma heeft op 2 april 2007 een aantal onroerende zaken in eigendom verkregen. Onder deze onroerende zaken bevond zich het pand [adres] te Nieuwegein (hierna: het pand).

2.5. Met betrekking tot de op 2 april 2007 verworven onroerende zaken en derhalve met betrekking tot het pand heeft Prisma op 22 maart 2007 een e-mailbericht aan Drechstad gestuurd inhoudende:

De totale koopsom bedraagt € 4.270.000,= k.k.

Wij verzoeken U de gezamenlijke panden in ieder geval voor dit bedrag en per deze datum in verzekering te nemen;

Tevens verzoeken wij u de maatschappij te laten beoordelen of de verzekerde waarde juist is.

2.6. Bij e-mailbericht van 26 maart 2007 is het onder rechtsoverweging 2.5 bedoelde e-mailbericht van 22 maart 2007 opnieuw aan Drechtstad verzonden. Op 30 maart 2007 is door Drechtstad gereageerd op dit bericht. Dit bericht van Drechtstad vermeldt onder meer:

In overleg met u, hebben wij Reaal verzekeringen nv verzocht vanaf 2 april 2007 de navolgende risico’s in voorlopige dekking te nemen.

Onderwerp: diverse bedrijfspanden en woonhuizen.

[adres] te Nieuwegein.

Verzekerd bedrag totaal: 600.000 euro. (…)

2.7. Op 31 maart 2007 heeft Prisma een reactie per e-mail gestuurd, inhoudende:

Bedankt voor Uw bevestiging inzake het in verzekering nemen van de door ons gekochte panden in Nieuwegein; echter de panden aan de [adres] moeten voor een totaal bedrag van € 1.600.000,= worden verzekerd.

Wij verzoeken U dit alsnog aan te passen (…).

Toch zouden wij het op prijs stellen als de maatschappij zelf ook een taxatie op de panden zou willen doen.

2.8. Op 9 mei 2007 zond SAA Nederland (hierna: de verzekeraar) het polisblad voor het pand aan de verzekerde. Op het polisblad staat vermeld dat het pand verzekerd is voor het bedrag van € 1.600.000,00.

2.9. In augustus 2007 is aan het pand schade veroorzaakt door brand. In opdracht van verzekeraar is door EMN Expertise B.V. de schade aan het pand opgenomen. De verzekeraar heeft aangegeven dat de verzekerde som ten tijde van het ontstaan van de schade € 1.600.000,00 bedroeg, alsmede dat die volgens EMN Expertise B.V.

€ 2.150.000,00 had dienen te bedragen. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de schade op basis van onderverzekering dient te worden afgewikkeld.

2.10. De verzekeraar heeft aan Prisma een bedrag van € 164.109,13 uitgekeerd.

3. Het geschil

3.1. Prisma vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Drechtstad te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Prisma een bedrag van

€ 126.472,26 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2007, althans vanaf 30 oktober 2008, althans vanaf 24 november 2008, tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede in de kosten van de procedure.

3.2. Prisma legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen Prisma en Drechtstad een overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 BW is gesloten, waarbij Drechtstad zich jegens Prisma heeft verbonden om werkzaamheden te verrichten, in het bijzonder de totstandbrenging van en advisering terzake verzekeringsovereenkomsten.

Drechtstad heeft het verzoek van Prisma om de verzekeraar te laten beoordelen of de verzekerde waarde juist is niet doorgeleid. Deze nalatigheid is volgens Drechtstad te kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming in de tussen Drechtstad en Prsima bestaande contractuele relatie dan wel als onrechtmatig handelen jegens Prisma. Drechtstad heeft jegens Prisma niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht en heeft aldus in strijd met het bepaalde in artikel 7:401 BW gehandeld. Drechtstad is mitsdien aansprakelijk voor alle schade en vervolgschade die het gevolg is van dit toerekenbare tekortkomen c.q. dit onrechtmatige handelen.

3.3. Drechtstad concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Prisma in de kosten van deze procedure.

3.4. Drechtstad heeft de stellingen van Prisma gemotiveerd betwist en voert het volgende aan als verweer:

? er is geen sprake van schade, aangezien de verzekeraar geen beroep kan doen op onderverzekering en derhalve de gehele schade dient te vergoeden. Het is volgens Drechtstad immers de verzekeraar geweest die heeft verzuimd de waarde van het pand vast te stellen.

? de schade moet in aanmerkelijk mate, voor tenminste 50 %, worden toegerekend aan Prisma zelf, aangezien Prisma zelf heeft bepaald dat het pand verzekerd moest worden voor een bedrag van € 1.600.000,00 en deze opgave onjuist was. Prisma wordt geacht als handelaar in onroerende zaken bekend te zijn met de waarde van onroerende zaken. Bovendien wist Prisma dat er geen taxatie door de verzekeraar had plaatsgevonden.

? Voor de vaststelling van de wettelijke rente is vereist dat komt vast te staan op welk tijdstip de opstalverzekeraar heeft uitgekeerd. Prisma heeft geen opgave gedaan van het tijdstip waarop betaling door de verzekeraar heeft plaatsgevonden. Derhalve kan er geen sprake zijn van schade door enig verzuim van Drechtstad.

4. De beoordeling

Zorgplicht

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW en dat bijgevolg op Drechtstad als opdrachtnemer een zorgplicht rust. In de jurisprudentie is die zorgplicht voor assurantietussenpersonen nader uitgewerkt in die zin dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. De vraag die hier centraal staat is of Drechtstad zich naar behoren van die zorgplicht heeft gekweten. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Daartoe is het volgende van belang.

4.2. Voornoemde zorgplicht vergt een actieve en voortdurende bemoeienis door de assurantietussenpersoon met alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen teneinde te bewerkstelligen dat de belangen van zijn opdrachtgever ter zake van elk van die verzekeringen steeds adequaat zijn gediend. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringsnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voorzover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (Hoge Raad 10 januari 2003, NJ 2003, 375). De assurantietussenpersoon mag in ieder geval niet stil blijven zitten ingeval hij kennis neemt van feiten die meebrengen dat door hem beheerde polissen aanpassingen behoeven.

4.3. Vast staat dat er geen taxatie door of namens de verzekeraar heeft plaatsgevonden bij het aangaan van de verzekering. Drechtstad heeft ter zitting verklaard dat de verzekeraar normaal gesproken contact met Drechtstad opneemt voor het maken van een afspraak voor een taxatie, maar dat dat in dit geval niet is gebeurd. Drechtstad heeft voorts onbetwist verklaard dat er, indien een taxatie heeft plaatsgevonden, daarvan een aantekening wordt gemaakt op de polis. Drechtstad heeft verder verklaard dat zij de polis heeft ontvangen voordat die werd doorgestuurd naar Prisma en dat zij de polis – onder meer – controleert op de verzekerde waarde en de dekking van de polis, maar dat er in dit geval “geen belletje is gaan rinkelen”.

4.4. Drechtstad heeft zich bij het aangaan van de verzekering aldus niet van de juistheid van de verzekerde waarde overtuigd. Drechtstad heeft, hoewel bij haar bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn dat er geen taxatie had plaatsgevonden, Prisma hier niet tijdig opmerkzaam op gemaakt en heeft Prisma niet gewezen op de gevolgen die dit voor de dekking van de tot Prisma’s portefeuille behorende verzekeringen kon hebben. Het had het op haar weg gelegen om Prisma uitdrukkelijk te attenderen op het uitblijven van het taxatierapport dan wel meer actie te ondernemen om het taxatierapport te verkrijgen. Nu zij het één, noch het ander heeft gedaan, heeft Drechtstad niet de zorg betracht die onder de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Drechtstad is derhalve toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis.

Schade

4.5. Drechtstad heeft aangevoerd dat er geen sprake is van schade, aangezien de verzekeraar geen beroep kan doen op onderverzekering en derhalve de gehele schade dient te vergoeden. Het is volgens Drechtstad immers de verzekeraar geweest die heeft verzuimd de waarde van het pand vast te stellen.

4.6. Vast staat dat er in augustus 2007 door brand schade aan het pand is veroorzaakt en dat de verzekeraar zich op het standpunt stelt dat de schade op basis van onderverzekering zou moeten worden afgewikkeld. De verzekeraar heeft aan Prisma een schade-uitkering gedaan van € 164.109,13. Prisma heeft onbetwist gesteld dat het hanteren van de onderverzekeringsregel ertoe heeft geleid dat een gedeelte van de door Prisma geleden schade niet door de verzekeraar werd vergoed. Deze schade niet was ontstaan wanneer Drechtstad haar zorgplicht niet had geschonden.

4.7. De omvang van de gevorderde schade, die volgens Prisma € 126.472,26 bedraagt, wordt door Drechtstad betwist. Drechtstad heeft aangevoerd dat er rekening dient te worden gehouden met de premie die Prisma zich heeft bespaard doordat zij voor een te laag bedrag verzekerd was. Drechtstad heeft daarbij echter niet gesteld hoe groot het verschil aan verzekeringspremies is dan wel wat volgens haar de hoogte van het schadebedrag dient te zijn en heeft derhalve haar stelling onvoldoende onderbouwd.

Eigen schuld

4.8. Drechtstad beroept zich op eigen schuld aan de zijde van Prisma nu Prisma wist of kon weten dat er geen taxatie door de verzekeraar had plaatsgevonden en zij heeft nagelaten te informeren naar de stand van zaken. Bovendien stelt Drechtstad dat Prisma heeft verzuimd de gegevens op de polis te controleren en eventuele onjuistheden tijdig aan Drechtstad dan wel de verzekeraar door te geven. Het had volgens Drechtstad op de weg van Prisma gelegen om Drechtstad hiervan in kennis te stellen en haar te vragen actie te ondernemen. Prisma is een professionele belegger in onroerend goed en wordt geacht bekend te zijn met de gevolgen van onderverzekering. Drechtstad is derhalve van mening dat er sprake is van eigen schuld en dat de schade in aanmerkelijke mate (voor tenminste 50 %) moet worden toegerekend aan Prisma zelf.

4.9. Vast staat dat de verzekeraar het polisblad op 9 mei 2007 aan Prisma heeft verzonden en dat Prisma het polisblad zonder protest heeft behouden. Op het polisblad staat niet vermeld dat er een taxatie heeft plaatsgevonden, hoewel dit wel gebruikelijk is wanneer een taxatie heeft plaatsgevonden. Dit is door Prisma niet betwist. Prisma is een professionele handelaar in onroerend goed en wordt derhalve geacht - tot op zekere hoogte - bekend te zijn met hetgeen op een polisblad vermeld dient te worden. De rechtbank onderschrijft derhalve dat de schade mede een gevolg is van het niet-controleren van de polis door Prisma. Zij had eenvoudig kunnen constateren dat er geen taxatie had plaatsgevonden. Deze omstandigheid kan aan haar worden toegerekend, zodat de vergoedingsplicht van Drechtstad zal worden verminderd door de schade over Prisma en Drechtstad te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De afweging van deze omstandigheden leidt tot het oordeel dat zowel de aan Prisma als de aan Drechtstad toe te rekenen omstandigheden elk voor 50 % hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Daarom dient de door Prisma geleden schade voor 50 % voor rekening te komen van Drechtstad en zal Prisma de resterende schade op grond van artikel 6:101 BW zelf moeten dragen. Gelet op voorgaande zal 50 % van het gevorderde schadebedrag ad € 126.472,26 worden toegewezen.

4.10. De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld waarom de rente vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.

4.11. Drechtstad zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Prisma op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 2.750,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 4.610,25

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Drechtstad om aan Prisma te betalen een bedrag van € 63.236,13 (drieënzestigduizend tweehonderdzesendertig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 19 februari 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Drechtstad in de proceskosten, aan de zijde van Prisma tot op heden begroot op € 4.610,25,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.?