Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM2363

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/333, AWB 09/926
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerster heeft bij de bepaling van het aantal uur huishoudelijke hulp dat verzoekster nodig heeft, gebruik gemaakt van een ‘tijdnormering Hulp bij het Huishouden’ uit een Wmo richtlijn. Verweerster heeft de standaardnormering aan verzoekster toegekend, met daarbij toekenning van een half uur per week voor het in orde houden van huishoudelijke apparaten.

Het gebruik van een dergelijke richtlijn ontslaat verweerster echter niet van de verplichting om in het individuele gevallen te onderzoeken of de geboden hulp als compensatie kan gelden van de beperkingen die iemand ondervindt, waarbij, gelet op de bovengenoemde uitspraak van de Raad, een besluit maatwerk dient te zijn.

De stelling van verzoekster dat zij meer uren huishoudelijke hulp nodig heeft wegens haar beperkingen heeft verweerster weersproken met het overgelegde advies van de sociaal geneeskundige van de GGD (hierna: het advies). Dit advies geeft echter geen inzicht in de vraag op welke wijze verzoekster met de toegekende hulp voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen, gelet op haar persoonskenmerken en behoeften.

In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerster moeten onderzoeken met welk aantal uren huishoudelijke hulp verzoekster wordt gecompenseerd in haar beperkingen op het gebied van het voeren van een huishouden. Daarbij moet een resultaat worden bereikt dat kan worden gekwalificeerd als compensatie van de beperkingen die verzoekster ondervindt bij het voeren van het huishouden. Bij het toekennen van de voorzieningen dient verweerster, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wmo rekening te houden met de persoonskenmerken en de behoeften van verzoekster. Ter voorlichting van verweerster merkt de voorzieningenrechter daarbij op dat dit niet inhoudt dat verweerster geen gebruik zal kunnen maken van zijn standaard-indicatie voor Hulp bij het Huishouden, maar dat ten aanzien van iedere taak zal moeten worden afgewogen of in de situatie van verzoekster aanleiding bestaat om van de standaard aangewezen tijd af te wijken. De keuze om wel of niet af te wijken zal gemotiveerd moeten worden met het oog op de situatie van verzoekster.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster desgevraagd verklaard dat verzoekster behoefte heeft aan minimaal vier uur per week extra huishoudelijke hulp. Deze verklaring is ondersteund door (a) en (b), hulpverleners van verzoekster. Verweerster heeft niet betwist dat dit een aantal uren onredelijk zou zijn.

Gelet op de slechte gezondheidstoestand van verzoekster en de tijd die nodig zal zijn om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening te treffen.

De voorlopige voorziening houdt in dat verzoekster tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar in aanmerking komt voor vier uur per week huishoudelijk hulp extra, zodat verzoekster met ingang van de datum van de uitspraak tot zes weken na de beslissing op het bezwaar recht heeft op vijftien uur huishoudelijke hulp in natura per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/333

AWB 09/926 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. F.M. van Hattum, werkzaam bij Anker Rechtshulp b.v. te Groningen

tegen

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden, verweerster,

gemachtigde: M. Euser, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerster heeft bij besluit van 10 oktober 2008 aan verzoekster over de periode van 11 oktober 2008 tot 11 oktober 2010 hulp bij het huishouden in natura (klasse 5) type HH2, toegekend voor 11 uur per week.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 10 november 2008 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verweerster het bezwaar van verzoekster in zoverre gegrond verklaard dat verzoekster gedurende een periode van zes maanden geleidelijk minder recht krijgt op uren huishoudelijke hulp totdat het aantal uren van 11 uur per week is bereikt. Verweerster heeft het bezwaarschrift voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 21 juni 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van 15 maart 2010 heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 25 maart 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Voorts zijn verschenen J. Jutten, L. Augustina en mevrouw Burger.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

In het tweede lid is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. In het tweede lid onder b is bepaald dat de verordening tenminste de bepaling bevat op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd op de situatie van de aanvrager worden bepaald.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is door de Drechtraad uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder b, van de Verordening kan de door de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening bestaan uit hulp bij het huishouden in natura.

Ingevolge artikel 11 van de Verordening wordt de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden uitgedrukt in uren per week, waarbij tot maximaal 16 uur kan worden toegekend. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die de maximaal 16 uur overstijgt, worden additionele uren toegekend.

2.2. Verweerster heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit om eiseres hulp bij het huishouden in natura toe te kennen voor 11 uur per week gehandhaafd, met dien verstande dat er een overgangsregeling is getroffen inhoudende dat vanaf de wijzigingsdatum de eerste maand nog 18 uren per week werden verstrekt. Verweerster heeft zich daarbij, overeenkomstig de overwegingen van het preadvies van 31 maart 2009 op het standpunt gesteld dat zij deze indicatie heeft vastgesteld met behulp van de Wmo-richtlijn 'Hulp bij het huishouden', waarbij is vastgesteld dat verzoekster hulp nodig heeft bij de huishoudelijke taken op het gebied van de maaltijd bereiden (broodmaaltijd en warme maaltijd), licht poetswerk in huis, huis schoonmaken, de was doen, huishoudelijke spullen in orde houden en de dagelijkse organisatie van het huishouden. Naar aanleiding van het door verzoekster ingediende bezwaar is advies gevraagd bij de GGD. De sociaal geneeskundige van de GGD heeft geconcludeerd dat er in het kader van de huishoudelijke hulp geen sprake is van extreme bijzondere omstandigheden. De opvatting dat bij CARA een woning stofvrij moet zijn, is niet helemaal juist. Een stofvrije woning kan men nooit creëren. Voor mensen met CARA moet de woning regelmatig worden schoongehouden met als doel een stofarme woning te realiseren. De hulp die verzoekster nodig heeft bij het eten, valt niet onder de voorzieningen in het kader van de Wmo. De sociaal geneeskundige heeft geconcludeerd dat de beperkingen van verzoekster in het kader van het huishouden voldoende worden gecompenseerd met 11 uur hulp per week. Om verzoekster te laten wennen aan de nieuwe situatie, heeft de sociaal geneeskundige geadviseerd een overgangstermijn in te voeren van zes maanden.

2.3. Verzoekster heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend vanwege achteruitgang in haar gezondheid. Verzoekster kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartegen het volgende aangevoerd. Verzoekster is chronisch ziek en heeft een zeer complexe ziektesituatie. Zo is zij ondermeer bekend met myogene dystrofie, huisstofmijtallergie, astma, suikerziekte, decubites. Daarnaast heeft zij blaasproblemen, schildklierklachten en obstipatie. Voorts heeft zij een zeer beperkte longcapaciteit. Verzoekster heeft voor haar aandoeningen diverse hulpmiddelen en daarnaast heeft zij altijd pijn. Ze kan zich alleen verplaatsen in een elektrische rolstoel. Ze woont in een aangepaste woning. Gelet op haar lichamelijke klachten heeft verzoekster meer huishoudelijke hulp nodig dan de geïndiceerde 11 uur. Zij had onder de werking vna de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) en indicatie voor hulp bij het huishouden van 19,9 uur (15,9 uur en vier extra uur). Verzoekster heeft zelf berekend dat minimaal 18 uur en 45 minuten hulp noodzakelijk is. De gedetailleerde berekening daarvan is in het bezwaarschrift verwoord. In de huidige situatie met 11 uur hulp per week is het werk vaak niet af. Vaak zit de was nog in de wasmachine. Het lagere aantal uren huishoudelijke hulp gaat ten koste van de gezondheid van verzoekster. Gelet op haar klachten op het gebied van astma moet er regelmatig worden gedweild. Verzoekster wijst op een brief van haar huisarts van 3 augustus 2009, waarin deze heeft gesteld dat in het geval van verzoekster frequenter reinigen nodig is dan bij een niet in haar mate gehandicapte. Ook Opmaat, de organisatie die voorziet in de hulpen bij het huishouding, heeft verzocht om meer uren hulp voor verzoekster bij het huishouden. Verweerster handelt in strijd met de compensatieverplichting van artikel 4 van de Wmo. Ten onrechte is geen rekening gehouden met onder andere de persoonskenmerken en behoeften van verzoekster. De door verweerster gebruikte richtlijn vermeldt dat de tijdsnormering indicatief is en dat altijd individuele afwegingen moeten worden gemaakt. Als er reden is om af te wijken van deze normeringen, dan kan dat altijd, mits onderbouwd. Voorts is het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu verzoekster er gelet op haar slechte gezondheidstoestand, op mocht vertrouwen dat zij bij overgang van de AWBZ naar de Wmo niet op achteruit zou gaan. Het bestreden besluit berust niet op voldoende zorgvuldig onderzoek. Voorafgaand aan het besluit van 10 oktober 2008 is verzoekster niet gehoord, verzoekster is niet gekeurd en er heeft geen huisbezoek door een medisch specialist plaatsgevonden. Het onderzoek door de sociaal geneeskundige is evenmin zorgvuldig. De sociaal geneeskundige stelt vast dat de door verzoekster zelf berekende aantallen minuten bij de huishoudelijke activiteiten niet stroken met de nieuwe toekenning van het aantal minuten bij de standaardisatie huishoudelijke verzorging. Dat betekent echter niet dat verzoekster de berekende aantallen minuten niet nodig heeft. Ten onrechte is geen medische informatie opgevraagd bij de huisarts of andere behandeld specialisten. Voorts is het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd. Ook het preadvies en het advies van de bezwaarschriftencommissie geven geen duidelijkheid over rechter. Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, nu verzoekster daardoor onevenredig wordt getroffen.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Nu eiseres heeft aangevoerd dat de vermindering van het aantal uren voor hulp bij het huishouden leidt tot verslechtering van haar gezondheid acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig.

Dat verzoekster als gevolg van medische aandoeningen beperkingen ondervindt bij het voeren van een huishouding is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat verzoekster hulp nodig heeft bij de volgende taken: de maaltijd bereiden, licht poetswerk in huis, het schoonmaken van het huis, het doen van de was, de huishoudelijke spullen in orde houden en de dagelijkse organisatie van het huishouden.

In de uitspraak van 10 december 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad, LJN BG6612) overwogen dat artikel 4 van de Wmo bestuursorgaan verplicht aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het bestuursorgaan gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het bestuursorgaan om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het bestuursorgaan daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het bestuursorgaan om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het bestuursorgaan, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. Een dergelijk besluit dient in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Daarbij heeft de Raad verder overwogen dat uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het bestuursorgaan is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, te inventariseren.

Verweerster heeft bij de bepaling van het aantal uur huishoudelijke hulp dat verzoekster nodig heeft, gebruik gemaakt van een 'tijdnormering Hulp bij het Huishouden' uit een Wmo richtlijn. Verweerster heeft de standaardnormering aan verzoekster toegekend, met daarbij toekenning van een half uur per week voor het in orde houden van huishoudelijke apparaten.

Het gebruik van een dergelijke richtlijn ontslaat verweerster echter niet van de verplichting om in het individuele gevallen te onderzoeken of de geboden hulp als compensatie kan gelden van de beperkingen die iemand ondervindt, waarbij, gelet op de bovengenoemde uitspraak van de Raad, een besluit maatwerk dient te zijn.

De stelling van verzoekster dat zij meer uren huishoudelijke hulp nodig heeft wegens haar beperkingen heeft verweerster weersproken met het overgelegde advies van de sociaal geneeskundige van de GGD (hierna: het advies). Dit advies geeft echter geen inzicht in de vraag op welke wijze verzoekster met de toegekende hulp voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen, gelet op haar persoonskenmerken en behoeften. De discussie over het al dan niet stofvrij kunnen maken van een woning, maakt niet duidelijk of er ten opzichte van de standaardindicatie extra uren huishoudelijke hulp nodig zijn, gelet op de beperkingen en de persoonskenmerken en behoeften van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst er op dat in de door het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) opgestelde Wmo richtlijn van december 2006 is opgemerkt dat een hogere klasse ten opzichte van de standaard reëel is indien er sprake is (onder andere) van COPD problematiek, een problematiek die vergelijkbaar is met die van verzoekster. Dit protocol is op zich niet bindend voor verweerster, maar geeft wel een indicatie dat de extra uren die verzoekster vanwege haar aandoeningen vraagt, niet bij voorbaat zonder grond zijn. Voorts heeft verzoekster gemotiveerd gesteld dat zij vanwege haar aandoeningen meer hulp nodig heeft bij het doen van de was. Op dit punt bevat het advies geen enkele overweging. Uit de door verzoekster overgelegde indicatie in het kader van de AWBZ van het CIZ uit 2004 blijkt dat bij de indicatie destijds is meegerekend dat vijf keer per week de kleding en het linnengoed van verzoekster gewassen zou moeten worden. Ook van deze indicatie geldt dat deze op zich niet bindend is voor verweerster. Wel maakt deze duidelijk dat de stellingen van verzoekster op dit punt niet bij voorbaat zonder grond zijn.

Reeds gelet op bovenstaande overwegingen is het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en had verweerster zich in het bestreden besluit zich niet op dit advies mogen baseren. Nu verweerster ook verder geen zelfstandige motivering heeft toegevoegd aan het bestreden besluit, is dat in strijd met het bepaalde in artikel 26 Wmo en de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Gelet op deze conclusie kan nader onderzoek verder niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat de voorzieningenrechter gebruik zal maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak te doen op het beroep van verzoekster. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigd het bestreden besluit. Verweerder zal zelf een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerster moeten onderzoeken met welk aantal uren huishoudelijke hulp verzoekster wordt gecompenseerd in haar beperkingen op het gebied van het voeren van een huishouden. Daarbij moet een resultaat worden bereikt dat kan worden gekwalificeerd als compensatie van de beperkingen die verzoekster ondervindt bij het voeren van het huishouden. Bij het toekennen van de voorzieningen dient verweerster, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wmo rekening te houden met de persoonskenmerken en de behoeften van verzoekster. Ter voorlichting van verweerster merkt de voorzieningenrechter daarbij op dat dit niet inhoudt dat verweerster geen gebruik zal kunnen maken van zijn standaard-indicatie voor Hulp bij het Huishouden, maar dat ten aanzien van iedere taak zal moeten worden afgewogen of in de situatie van verzoekster aanleiding bestaat om van de standaard aangewezen tijd af te wijken. De keuze om wel of niet af te wijken zal gemotiveerd moeten worden met het oog op de situatie van verzoekster.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster desgevraagd verklaard dat verzoekster behoefte heeft aan minimaal vier uur per week extra huishoudelijke hulp. Deze verklaring is ondersteund door L. Augustina en mevrouw Burger, hulpverleners van verzoekster. Verweerster heeft niet betwist dat dit een aantal uren onredelijk zou zijn.

Gelet op de slechte gezondheidstoestand van verzoekster en de tijd die nodig zal zijn om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening te treffen.

De voorlopige voorziening houdt in dat verzoekster tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar in aanmerking komt voor vier uur per week huishoudelijk hulp extra, zodat verzoekster met ingang van de datum van de uitspraak tot zes weken na de beslissing op het bezwaar recht heeft op vijftien uur huishoudelijke hulp in natura per week.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om te bepalen dat naast het griffierecht in het beroep ook het griffierecht in de voorlopige voorziening wordt vergoed.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:84, eerste lid, van de Awb, verweerster te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van dit verzoek en de indiening van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Nu het beroep is ingediend voor 1 oktober 2009, zijn de kosten in beroep in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

Nu het verzoekschrift is ingediend na 1 oktober 2009 is de voorzieningenrechter van oordeel dat ten aanzien van het verzoekschrift en de behandeling ter zitting de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursprocesrecht van toepassing is, zoals die luidt sinds 1 oktober 2009. Dit betekent dat de kosten in het verzoek in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld zijn op € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1).

De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep (procedurenummerAWB 09/926) gegrond;

- vernietigt het besluit van 18 juni 2009;

- bepaalt dat verweerster met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt:

- treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat verzoekster met ingang van de datum van deze uitspraak overeenkomstig artikel 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden vijftien uur huishoudelijke hulp per week in natura wordt toegekend, tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (procedurenummer AWB 10/333) af;

- bepaalt dat verweerster aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 82,- vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van dit verzoek en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 1169,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan verzoekster.