Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM0595

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
11-500515-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte die zich in een zeer kort tijdsbestek schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij hij een caissière heeft bedreigd, een diefstal van een bankpas, en het pinnen van enkele geldbedragen met die bankpas, veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn als bijzondere voorwaarden opgelegd dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Bouman GGZ en dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een inrichting ter verpleging. Tevens is een werkstraf van 240 uur opgelegd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij deze feiten enkel heeft gepleegd om in zijn eigen behoefte aan drugs te kunnen voorzien en hierbij geen oog heeft gehad voor de gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de rapportage van Bouman GGZ. De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte gebaat is bij een hulpverlening die zo snel mogelijk in gang kon worden gezet. De rechtbank kon zich daarom in het bovenstaande rapport vinden, aangezien het aansluitend op de zitting kon worden uitgevoerd.

De rechtbank heeft de rapportage van de gezondheidspsycholoog niet gevolgd, omdat niet met zekerheid kon worden gezegd dat er na een eventuele detentieperiode direct gestart kon worden met hulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500515-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 8 april 2010

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in [1982],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond - Huis van Bewaring De IJssel, te Krimpen aan den IJssel

(hierna: verdachte).

Raadsman mr. R. Bonis, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 maart 2010, waarbij de officier van justitie mr. J. Spaans, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 10 december 2009 te Gorinchem een winkeldiefstal met bedreiging met geweld heeft gepleegd;

feit 2: in de periode tussen 3 december 2009 en 6 december 2009 te Asperen een pinpas heeft gestolen;

feit 3: in de periode tussen 6 december 2009 en 7 december 2009 te Leerdam meermalen geld heeft opgenomen met de gestolen pinpas.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank sluit zich wat betreft het onder 1, 2 en 3 aan verdachte ten laste gelegde feiten aan bij de visie van de officier van justitie en van de verdediging. Zij acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaringen van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 25 maart 2010 ;

- de aangifte van [slachtoffer 1] ;

- de aangifte van [slachtoffer 2] ;

- de aangifte van [slachtoffer 3] .

Op grond van het bepaalde in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 10 december 2009 te Gorinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van 690 euro, zegge: zeshonderdnegentig euro), toebehorende aan Nettorama, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], (werkzaam als caissière), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte, toen die [slachtoffer 2] hem, verdachte bij de hand had beetgepakt, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd:"laat me los of ik sla je dood" of "laat me los ik sla je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

in de periode gelegen tussen 3 december 2009 en 6 december 2009 te Asperen, gemeente Lingewaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een woning gelegen aan de Drostlaan) een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 3];

3.

in de periode tussen 6 december 2009 en 7 december 2009 te Leerdam meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pinautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 750 euro, zegge: zevenhonderdvijftig euro), toebehorende aan [slachtoffer 3] waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet voor het gebruik door hem, verdachte, bestemde bankpas endaarbij behorende pincode ten name van die [slachtoffer 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. DIEFSTAL, VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN;

2. DIEFSTAL;

3. IEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VALSE SLEUTELS, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door drs. R. de Vries, gezondheidszorgpsycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 12 maart 2010, komt het navolgende, zakelijk weergegeven, naar voren:

Bij verdachte is sprake van langdurige en ingrijpende verslavingsproblematiek. Er is sprake van een ziekelijke stoornis, te omschrijven als afhankelijkheid van heroïne, methadon, cocaïne, oxazepam en diazepam en misbruik van alcohol. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te omschrijven als een persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis komt tot uiting in een onvoldoende functionerend geweten, en onrijpe emotionele beleving met zelfbeklag en sentimentaliteit en een zwak ontwikkelde wilskracht. Ten tijde van het tenlastegelegde was bovenstaande evenzeer het geval. De hunkering naar genotsmiddelen leidde mede tot het tenlastegelegde, te zien als verwervingscriminaliteit, gericht op het kopen van drugs.

Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid is het volgende, zakelijk weergegeven, in overweging genomen:

De stoornissen, met name de hardnekkige verslavingsproblematiek, beïnvloeden het gedrag van verdachte. Bij het nemen van de beslissing tot het plegen van onderhavige verwervingscriminaliteit, had verdachte voldoende inzicht in het ongeoorloofde karakter daarvan en kende tevens de vrijheid om naar dat inzicht te handelen, maar verkoos het genot van middelen voorop te stellen.

Geadviseerd wordt om verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als volledig toerekeningsvatbaar (tot ten hoogste licht verminderd toerekeningsvatbaar) te beschouwen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voornoemde deskundige op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde opname in de Pieter Roorda kliniek voor een jaar of zoveel korter als nodig wordt geacht. Hij neemt in zijn strafeis mee dat de hulpverlening aan verdachte vanuit de Pieter Roorda kliniek eerst aan hem moet worden aangeboden nadat hij de op te leggen gevangenisstraf heeft ondergaan. Bovendien concludeert hij tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 690,00 met oplegging van de schademaatregel, subsidiair 13 dagen hechtenis.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat bij de strafbepaling de persoonlijke omstandigheden van verdachte voorop dienen te staan. Er zijn twee persoonlijkheidsrapporten over verdachte opgemaakt, één door Bouman GGZ en één door een gezondheidszorgpsycholoog. Er is sprake van twee tegengestelde adviezen. Bouman GGZ komt tot het advies om aan verdachte op te leggen een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf met toezicht. Tijdens het toezicht kan er op worden toegezien dat verdachte zich laat behandelen bij de Interculturele Mannen Kliniek (hierna: IMK) en kan een nadere behandeling worden vastgesteld. De gezondheidszorgpsycholoog adviseert opname in een verslavingskliniek, waarbij de Pieter Roorda kliniek het meest aangewezen lijkt. Hij wantrouwt de motieven van verdachte. Het komt over als bedoeld manipuleren; medelijden op te wekken. Hiervan zou geen sprake zijn, aldus de raadsman. Verdachte vraagt geen aandacht, maar wil oprecht geholpen worden.

De raadsman voert aan dat de uitvoering van de eis van de officier van justitie moeilijk te realiseren is, omdat thans niet met zekerheid kan worden gezegd dat de hulpverlening te zijner tijd aansluit op de detentie van verdachte. Hij verzoekt de rechtbank daarom om het advies van Bouman GGZ te volgen en de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 29 maart 2010 te schorsen, zodat direct met de hulpverlening kan worden gestart. Na de behandeling kan dan een eventueel onvoorwaardelijk strafrestant volgen. Bovendien zal verdachte een "stevige stok achter de deur" in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf nodig hebben om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van en de omstandigheden waaronder begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een zeer kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal, waarbij hij een caissière heeft bedreigd, een diefstal van een bankpas, en het pinnen van enkele geldbedragen met die bankpas. Verdachte heeft deze feiten alleen maar gepleegd om in zijn eigen behoefte aan drugs te kunnen voorzien en heeft hierbij geen oog gehad voor de gevolgen van de slachtoffers.

Het spreekt voor zich dat de bedreiging voor de caissière, die op dat moment alleen maar haar werk deed, een bijzonder angstige en traumatische ervaring is geweest. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien financiële schade en daarnaast ergernis bij winkeliers die met personen als verdachte worden geconfronteerd. Ook de samenleving keurt gedrag als dat van verdachte ernstig af. De ex-vriendin van verdachte zal moeite hebben om het vertrouwen in mensen terug te krijgen. Zij heeft immers verdachte, in goed vertrouwen, in haar woning laten verblijven. Vervolgens heeft verdachte hiervan misbruik gemaakt door, zonder haar toestemming, haar bankpas mee te nemen en geld op te nemen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn vraag om hulp op deze wijze heeft geuit en daarbij totaal geen rekening heeft gehouden met de risico's en materiële schade voor anderen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 25 februari 2010 waaruit blijkt dat verdachte al eerder voor vermogensdelicten met justitie in contact is gekomen.

Tot slot neemt de rechtbank bij de beslissing over de op te leggen straf in aanmerking dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de aldaar besproken rapportage van M. Spoor, reclasseringswerker bij Bouman GGZ, van 4 maart 2010 is gebleken dat op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de interventies in het verleden, een toezicht op bijzondere voorwaarden met onderstaande (gedrags)interventies en of behandelingen geïndiceerd is. Er zal moeten worden gestart met een toezicht, waarbij verdachte in de eerste periode behandeld zal worden in de IMK. Tijdens de behandeling kan het verdere traject voor hulpverlening en behandeling worden bepaald. Door middel van het toezicht kan er op worden toegezien dat verdachte zijn afspraken nakomt en wat er verder aan behandeling nodig en mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte gebaat is bij een hulpverlening die zo snel mogelijk in gang wordt gezet. De rechtbank kan zich daarom in het bovenstaande rapport vinden, aangezien het aansluitend op de zitting kan worden uitgevoerd. De rechtbank volgt de voornoemde rapportage van de gezondheidspsycholoog niet, omdat niet met zekerheid kan worden gezegd dat er na een eventuele detentieperiode direct gestart kan worden met hulpverlening.

De rechtbank gebruikt als uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat de straffen die veelal voor vermogensdelicten worden opgelegd, zoals ook geëist door de officier van justitie. De rechtbank acht het evenwel noodzakelijk af te wijken van dit landelijk uitgangspunt gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van verdachte rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding en een opname door de Reclassering Bouman GGZ mogelijk. Om zo snel mogelijk met de behandeling te beginnen heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst vanaf 29 maart 2010, zodat verdachte aansluitend op de terechtzitting kan worden opgenomen in de IMK van Bouman GGZ.

Daarnaast vindt de rechtbank een werkstraf van 240 uur passend, omdat verdachte dan een resterende straf niet ontloopt en op deze manier in een werkritme terecht kan komen. De rechtbank acht het dan ook van belang dat verdachte de werkstraf aansluitend op of tijdens de opname bij Bouman GGZ uit zal voeren.

8 De benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd Nettorama, gevestigd te Gorinchem. Zij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Nettorama vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 819,69 ter zake van materiële schadevergoeding voor feit 1.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 690,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 690,00 een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De bijlagen bij het voegingsformulier zijn zonder verdere uitleg en onderbouwing niet begrijpelijk. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 310, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bouman GGZ;

* dat verdachte zich zal laten opnemen en behandelen in een inrichting ter verpleging, te weten een Bouman GGZ kliniek, gedurende de termijn van een jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de Nettorama van € 690,00, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij de Nettorama, € 690,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 13 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters, in tegenwoordigheid van L. Koppenaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 april 2010.

Mr. M.R.J. Schönfeld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 december 2009 te Gorinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 690 euro, zegge: zeshonderdnegentig euro), toebehorende aan Nettorama, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], (werkzaam als cassière), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte -toen die [slachtoffer 2] hem, verdachte bij de hand en/of arm had (beet)gepakt, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd:"laat me los of ik sla je dood" en/of "laat me los ik sla je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 3 december 2009 en 6 december 2009 te Asperen, gemeente Lingewaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een woning gelegen aan de Drostlaan) een pinpas en/of bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 6 december 2009 en 7 december 2009 te Leerdam meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pinautomaat/geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 750 euro, zegge: zevenhonderdvijftig euro), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of de Rabobank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een niet voor het gebruik door hem, verdachte, bestemde bankpas en/of (daarbij behorende) pincode (ten name van die [slachtoffer 3]);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/500515-09

Vonnis d.d. 8 april 2010