Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BM0528

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
81949 - HA ZA 09-2494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mandeligheid:

Twee aangelegen panden hebben één scheidsmuur. Het ene pand wordt gesloopt. Daarmee wordt de scheidsmuur buitenmuur. De fundering van het resterende pan moet gerenoveerd worden, ook oner de voormalige scheidsmuur. Moet de eigenaar van het gesloopte pand vanwege de voormalige mandeligheid bijdragen in de herstelkosten van de fundering onder de voormalige scheidsmuur? Nee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2010/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 81949 / HA ZA 09-2494

Vonnis van 7 april 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Dordrecht,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H. Veldhuizen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUBBELVESTE B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.C. van Wamel.

Partijen zullen hierna [eiser] en Dubbelveste genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 oktober 2009,

- de akte overlegging producties tevens wijziging/ vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie,

- de brief van Dubbelveste houdende bezwaar tegen overlegging van de voormelde akte,

- het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds 1998 eigenaar van een woning aan de [adres 1] te Dordrecht. Dubbelveste is sinds 20 mei 2005 eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres 2]. Op dit perceel stond een pand, dat eind 2008 in opdracht van Dubbelveste is gesloopt teneinde nieuwbouw te kunnen realiseren.

2.2. Bij vonnis in kort geding van 21 juli 2008 is een vordering van [eiser] tegen Dubbelveste om de werkzaamheden met betrekking tot het pand aan de [adres 2] te staken behalve “voor zover vereist voor onderhoud en herstel van de mandelige muur tussen de panden aan de [adres 1] en 80 .. op gezamenlijke kosten” afgewezen.

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser] vordert, na wijziging/vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad:

-om Dubbelveste te veroordelen tot betaling aan [eiser] van nader te bepalen bedragen als bijdrage in de kosten die zullen zijn gemoeid met het funderingsherstel van het pand van eiser aan de [adres 1] te Dordrecht alsmede als (overige) schadevergoeding, nader op te maken bij staat dan wel te begroten als door de rechtbank in goede justitie te bepalen en onder zodanige nadere voorwaarden als door de rechtbank in goede justitie te bepalen,

-en met veroordeling van Dubbelveste in de proceskosten. Hij stelt daartoe het volgende.

3.2. De fundering was, en is, niet deugdelijk en dient hersteld te worden. De fundering was (al) mandelig en is dat ook na sloop van het pand aan de [adres 2] gebleven. Vanwege de mandeligheid dient Dubbelveste voor de helft in de kosten van herstel van het mandelige onderdeel van de fundering bij de dragen. Sloop van het pand op het perceel [adres 2] maakt dat niet anders. [eiser] had reeds voor de sloop een vordering op Dubbelveste uit hoofde van de -uit de mandeligheid voortvloeiende- plicht van Dubbelveste om bij te dragen in herstelkosten en die vordering is niet verdwenen door de sloop. Bovendien is na de sloop door Dubbelveste een geschoorde betonconstructie tegen de muur van [eiser] geplaatst om de situatie te stabiliseren. Mocht door de sloop de mandeligheid toch vervallen zijn, dan is deze door het plaatsen van de schoorconstructie komen te herleven.

3.3. De schade omvat omzetderving van [eiser] en extra kosten. [eiser] heeft een bedrijf aan huis. Door sloop van het pand kan herstel van de fundering niet meer geschieden van buitenaf, maar zal dit moeten plaats vinden binnen in het pand van [eiser]. Hierdoor zal [eiser] minder omzet kunnen genereren. Bovendien is herstel van binnenuit duurder dan herstel van buitenaf. Dubbelveste handelt onrechtmatig en moet deze schade vergoeden.

4. Het verweer in conventie

4.1. Dubbelveste erkent dat funderingsherstel van het pand van [eiser] nodig is, maar Dubbelveste betwist gehouden zijn om bij te dragen in de kosten van herstel. Dubbelveste erkent dat vóór de sloop de muur mandelig was. Naar huidig recht vervalt echter de mandeligheid als bedoeld in art. 5:62 lid 2 BW doordat een gemeenschappelijke scheidsmuur niet meer aan de vereisten van dit artikel voldoet. Het pand van [eiser] is in 1898 gebouwd en het gesloopte pand pas in 1901. De muur was dus eerst buitenmuur, werd toen binnenmuur en na de sloop weer buitenmuur. De muur en de daarbij behorende fundering zijn, na de sloop, door natrekking volledig eigendom geworden van [eiser]. Betwist wordt dat de mandeligheid is komen te herleven door het plaatsen van de schoorconstructie. Deze constructie is van slechts tijdelijke aard en het pand van [eiser] is, gelet op de bouwhistorie, op zich zelf voldoende standzeker. Als de schoorconstructie toch mandelig mocht zijn dan geldt dat niet tevens voor de fundering. Het zou bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als Dubbelveste toch zou moeten bijdragen in de herstelkosten, nu Dubbelveste een aanbod heeft gedaan om bij te dragen in de herstelkosten, maar [eiser] er voor heeft gekozen om Dubbelveste met juridische procedures te bestoken, hetgeen Dubbelveste veel geld kostte. Bovendien brengt de aard van de rechtsverhouding mee dat Dubbelveste minder dan de helft van de gemeenschappelijke kosten zou dragen (art. 3:166 lid 3 BW).

4.2. Dubbelveste betwist onrechtmatig te hebben gehandeld.

5. De vordering in reconventie

5.1. Dubbelveste vordert vergoeding door [eiser] van de door Dubbelveste geleden en te lijden schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van [eiser] in reconventie in de proceskosten. Zij stelt daartoe als volgt.

5.2. [eiser] heeft onrechtmatig gehandeld, door zich in de media uitgebreid negatief uit te laten over [directeur Dubbelveste], die directeur is van Dubbelveste, en door krakers gelegenheid te bieden om via het pand van [eiser] toegang te geven tot het gesloopte pand en tenslotte door kansloze bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsmogelijkheden te volgen om de sloop van het pand te voorkomen.

6. Het verweer in reconventie

6.1. [eiser] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en met name dat hij krakers toegang zou hebben verschaft tot het pand van Dubbelveste.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Ingevolge art. 5:62 lid 2 BW is de scheidsmuur die twee gebouwen of werken, welke aan verschillende eigenaars toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Dit is de zogeheten wettelijke mandeligheid. Het artikellid heeft onmiddellijke werking en geldt derhalve ook voor gebouwen die zijn gebouwd (lang) voordat voormeld artikellid werd ingevoerd.

7.2. De vraag die voorligt is of de sloop impliceert dat de wettelijke mandeligheid, en daarmee de bijdrageplicht, is komen te vervallen. De wet bepaalt niet wanneer wettelijke mandeligheid eindigt. Uit de parlementaire geschiedenis valt echter af te leiden dat de wettelijke mandeligheid eindigt wanneer de scheidsmuur niet langer voldoet aan de eisen van art. 5: 62 BW (MvA II, Parl. Gesch. 5, p.232). Aldaar staat vermeld: ”Berust de rechtstoestand dat een scheidsmuur, hek of heg gemeenschappelijk eigendom en mandelig is, op het in artikel 2 lid 1 of 2 bepaalde en komt een der daarin beschreven omstandigheden te vervallen, dan eindigt die rechtstoestand.”Aldus moet worden geoordeeld dat door de sloop de mandeligheid is komen te vervallen. Daarmee is ook de plicht van Dubbelveste vervallen om bij te dragen in herstel van de -onder de voormalige scheidsmuur- gelegen fundering (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2001, LJN: AA9999).

7.3. Niet uit te sluiten valt dat een noodzaak tot herstel van de fundering reeds bestond op het moment dat Dubbelveste haar pand nog niet had gesloopt, derhalve toen de mandeligheid nog bestond. Dit noopt niet tot een ander oordeel. Toepasselijk is art. 5:65 BW. Dit luidt: “Mandelige zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.” Volgens de parlementaire geschiedenis van dit artikel kan een mede-eigenaar zich slechts onttrekken aan zijn bijdrageplicht door afstand te doen van zijn recht in de mandelige zaak (MvA II, Parl. Gesch. 5, p.235). Door sloop van het pand van Dubbelveste heeft de muur opgehouden mandelig te zijn. Aldus heeft Dubbelveste haar recht op de muur prijs gegeven en daarmee is haar bijdrageplicht geëindigd.

7.4. De omstandigheid dat een schoorconstructie is geplaatst tegen de muur noopt evenmin tot een ander oordeel. Voor wettelijke mandeligheid is vereist dat sprake is van een scheidsmuur, hek of heg. Dat is een schoorconstructie niet. Een schoorconstructie is bedoeld om te voorkomen dat de muur omvalt. Een schoorconstructie pleegt naar haar aard een tijdelijke voorziening te zijn en het is in beginsel aan de eigenaar van het overgebleven gebouw om de kosten te dragen van het geschikt maken van de muur als buitenmuur (MvA II, Parl. Gesch. 5, p.232). Overigens mag betwijfeld worden of het bouwkundig noodzakelijk was om de schoorconstructie te plaatsen. In het gespreksverslag van 14 november 2005 (prod. 8 conclusie van antwoord in conventie) staat daarover slechts dat enige twijfel bestond of het pand van [eiser] wel voldoende standzeker is. Het pand van [eiser] was in ieder geval nog standzeker toen het was gebouwd en het gesloopte pand er nog niet tegenaan was gebouwd.

7.5. In beginsel staat het Dubbelveste vrij om over haar eigendom te beschikken op de wijze die zij voorstaat. Hieronder valt ook sloop. Weliswaar zijn deelgenoten gehouden zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar de rechtbank acht die plicht niet zo ver reiken dat het onrechtmatig is jegens [eiser] om tot sloop over te gaan. In dit oordeel betrekt de rechtbank dat Dubbelveste, gelet op rov. 7.3, het recht had om zich te onttrekken aan haar bijdrageplicht door afstand te doen van haar recht in de mandelige zaak. Dit wordt niet anders als de herstelkosten van de fundering, naar stelling van [eiser] die door Dubbelveste wordt betwist, vanwege de sloop duurder uitvallen. Dubbelveste is derhalve niet aansprakelijk voor eventueel omzetverlies of eventuele extra kosten van [eiser].

7.6. De vordering van [eiser] zal mitsdien worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten van Dubbelveste. De kosten worden begroot op:

- vast recht EUR 313,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.217,00.

in reconventie

7.7. [eiser] kwam en komt het recht toe om gebruik te maken van de wettelijke gegeven mogelijkheden om, bestuursrechtelijk, civielrechtelijk of anderszins, op te komen tegen de sloop van het pand door Dubbelveste. Dubbelveste heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] dat recht heeft misbruikt. Voor dat oordeel volstaat niet dat Dubbelveste zich gehinderd zag in haar ontwikkelingsplannen.

7.8. Art. 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden waarborgt in lid 1 de uitingsvrijheid en geeft in lid 2 aan onder welke voorwaarden en voor welke doeleinden de uitingsvrijheid mag worden beperkt. De vrijheid kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

7.9. Toewijzing van de vordering leidt tot een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Aantasting in eer en goede naam kan een onrechtmatige daad opleveren. Bij wet is voorzien dat niet onrechtmatig mag worden gehandeld. In zoverre is een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting bij wet voorzien.

7.10. De stellingen van Dubbelveste volstaan niet voor het oordeel dat [eiser] met zijn meningsuiting grenzen heeft overschreden die maken dat zijn uitlatingen onrechtmatig mogen worden geacht. De vordering is niet of nauwelijks onderbouwd, daargelaten dat het [directeur Dubbelveste] in persoon is die zich beledigd voelt. [directeur Dubbelveste] is geen partij in deze procedure.

7.11. Op welke wijze en wanneer [eiser] krakers de mogelijkheid zou hebben geboden onderbouwt Dubbelveste niet (goed). In wezen is sprake van een niet met argumenten gestaafde stelling. Als onvoldoende onderbouwd wordt deze stelling dan ook gepasseerd.

7.12. De vordering van Dubbelveste zal mitsdien worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Dubbelveste worden veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten van [eiser]. De kosten worden begroot op:

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00.

De vordering in reconventie heeft onvoldoende samenhang met het verweer in conventie om op de proceskostenveroordeling de factor 0,5 toe te passen.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. wijst de vordering af;

8.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Dubbelveste, tot op heden begroot op EUR 1.217,00.

in reconventie

8.3. wijst de vordering af;

8.4. veroordeelt Dubbelveste, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op EUR 904,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.?