Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL7623

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
11/500485-09 en 11/500091-08 (tul) [PROMIS]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn toenmalige partner, een kopstoot in het gelaat gegeven en haar daarna verkracht. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat een behandeling inhoudt, waarbij aandacht wordt gegeven aan zijn alcoholgebruik. Bovendien wordt aan het slachtoffer een schadevergoeding toegekend van € 1.500,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 304
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/500485-09 en 11/500091-09 (tul) [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 maart 2010

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in [1962],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

Raadsman mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 maart 2010, waarbij de officier van justitie mr. C.J. Booij, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: (primair) aan zijn partner opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd aan zijn partner zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) zijn partner heeft mishandeld

Feit 2: zijn partner heeft verkracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 primair (opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel) en 2 (verkrachting) wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zijn standpunt op de aangifte van [slachtoffer] (hierna: aangeefster), foto's van het letsel bij aangeefster, de verklaring van getuige [getuige], het proces-verbaal van onderzoek van de computer van verdachte, de letselverklaring van de GGD, en de verklaringen van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zijn standpunt op de verklaring van aangeefster, de letselverklaring van de GGD, de verklaring van getuige [getuige], en de verklaring van verdachte.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte zo heftig geweld heeft gebruikt tegen aangeefster dat daardoor voor aangeefster een bedreigende situatie is ontstaan. Dit heeft er toe geleid dat aangeefster door bedreiging met (nieuw) geweld door verdachte werd gedwongen tot het hebben van seks (verkrachting).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair (opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel), feit 1 subsidiair (poging tot opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel) en feit 2 (verkrachting).

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte weliswaar aangeefster heeft opgetild, maar dat het zeker niet zijn bedoeling is geweest om daarbij aan haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast heeft verdachte aangeefster één klap gegeven. Dit zou hooguit kunnen leiden tot bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat van verkrachting geen sprake is geweest, omdat verdachte en aangeefster een relatie hadden en dat binnen die relatie seks veelvuldig op een vrije manier voorkwam. Verdachte hoefde niet om seks te vragen en aangeefster heeft aangegeven dat zij een uitstekende seksuele relatie onderhield, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste feit (opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel) niet bewezen en zij zal verdachte dan ook van dat feit vrijspreken.

Uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte aangeefster met kracht heeft opgetild, met zijn handen onder haar oksels, ten gevolge waarvan het sleutelbeen van aangeefster is gebroken. Uit de letselrapportage van de GGD volgt dat de herstelduur wordt geschat op 6 weken tot 6 maanden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte de opzet heeft gehad om dat zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan zijn partner. De rechtbank is van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat er sprake was van boze opzet bij verdachte.

De rechtbank heeft evenmin aanwijzingen aangetroffen voor voorwaardelijk opzet bij verdachte. Immers niet aannemelijk is geworden dat verdachte, door aangeefster met zijn handen onder haar oksels op te tillen, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Evenmin kan gesteld worden dat de handelingen van verdachte qua verschijningsvorm daarop gericht zijn geweest.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de overige feitelijke handelingen die in feit 1 primair zijn omschreven, kort samengevat het slaan in of tegen het gelaat, het geven van een kopstoot in of tegen het gelaat of hoofd, en het schoppen tegen de dij van aangeefster, in geen verband staan met het gebroken sleutelbeen en dus niet kunnen bijdragen aan de beoordeling van het bewijs van dit feit.

Voor de beoordeling van feit 1 subsidiair (poging tot opzettelijk toebrengen zwaar lichamelijk letsel) en feit 2 (verkrachting) gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangeefster heeft verklaard dat zij een relatie had met [verdachte] (hierna: verdachte). Vrijdagnacht/zaterdagmorgen 7 november 2009 heeft verdachte haar in zijn woning te Dordrecht met zijn vuist in haar gezicht geslagen en heeft hij haar een kopstoot gegeven. Aangeefster is daardoor ten val gekomen. Daarna voelde en zag zij dat verdachte haar onder haar oksels beethad en haar probeerde op te tillen. Op het moment dat verdachte aangeefster wilde optillen hoorde zij een knakkend geluid uit haar bovenlichaam en voelde zij pijn in haar schouder. Toen verdachte haar verder verplaatste hoorde aangeefster een tweede knak. Later bleek dat haar sleutelbeen gebroken was.

Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte haar op bed heeft gelegd, omdat zij dat niet zelf kon door de pijn. Zij mocht aan het kantje van verdachte liggen, omdat zij aan de andere kant het bed niet in kwam door de pijn. Verdachte ging naast haar liggen en kroop bovenop aangeefster. Aangeefster lag met haar benen bij elkaar en die heeft verdachte niet eens wijd of uit elkaar gedaan. Aangeefster heeft verklaard dat zij niks kon zeggen, omdat haar strot dichtgesnoerd zat van angst. Zij had willen zeggen: "laat me met rust, ik heb overal pijn". Daarna heeft verdachte zijn piemel in haar vagina geduwd. Door het gewicht van verdachte gingen haar benen een beetje verder uit elkaar. Verdachte hield zijn hand tegen de binnenkant van haar benen en duwde ze zo nog een klein beetje verder uit elkaar.

Getuige [getuige], een vriendin van aangeefster, heeft verklaard dat aangeefster haar vertelde dat zij tegen haar wil seks had moeten hebben met verdachte. Tevens vertelde zij dat verdachte haar had geslagen en een kopstoot had gegeven.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangeefster met zijn hand heeft geslagen en dat ze viel. Daarna heeft hij haar opgetild onder haar oksels. Toen verdachte en aangeefster naar boven zijn gegaan hebben ze seks gehad. Voor verdachte hoefde het niet, maar hij deed het voor aangeefster.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster die avond naar de slaapkamer heeft gebracht en dat zij zich niet kon bewegen. Volgens de verklaring van verdachte hebben aangeefster en hij daarna nog geneukt.

Ten aanzien van feit 1:

Op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte heeft geprobeerd aan aangeefster opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar een kopstoot in het gelaat te geven.

Op grond van de algemene ervaringsregelen kan worden aangenomen dat er -door het geven van een kopstoot in het gelaat- sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. Verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest. Door zo te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard en is er mitsdien sprake van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster.

Weliswaar valt uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen het bewijs te construeren dat verdachte aangeefster in het gelaat heeft geslagen, doch deze handeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet in verband worden gebracht met een poging tot opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.

Zoals eerder in dit vonnis is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte aangeefster met kracht heeft opgetild, met zijn handen onder haar oksels, ten gevolge waarvan het sleutelbeen van aangeefster is gebroken. Voor de opzet bij verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft de rechtbank geen enkele aanwijzing gevonden. Dat geldt dus ook voor de ten laste gelegde poging tot opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Tot slot heeft de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de processtukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat verdachte aangeefster tegen haar dij heeft geschopt.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangeefster heeft verkracht.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de bewezen geachte geweldshandelingen (slaan in het gelaat, het geven van een kopstoot in het gelaat en het optillen van aangeefster waardoor zij een sleutelbeen brak), die kort voor het seksueel binnendringen plaatsvonden, een bedreigende situatie voor aangeefster heeft doen ontstaan. Aangeefster heeft aangegeven binnen die situatie uit angst niets te hebben kunnen zeggen. De rechtbank merkt dit aan als 'bedreiging met (nieuw) geweld', waardoor aangeefster werd gedwongen tot het hebben van seks met verdachte.

De stelling van de raadsman dat verdachte en aangeefster een uitstekende seksuele relatie hadden waarbinnen seks veelvuldig op een vrije manier voorkwam doet niets af aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (subsidiair)

in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde op dat moment zijn, verdachtes, levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

- een kopstoot in/tegen haar gelaat, heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, te Dordrecht door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en bestaande die bedreiging met geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer] (voorafgaand aan het seksueel binnendringen)

- (met kracht) in/tegen haar gelaat had geslagen en

- een kopstoot in/tegen haar gelaat had gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val was gekomen en

- met kracht had opgetild, met zijn, verdachtes, handen, onder haar oksels, ten gevolge waarvan haar rechter sleutelbeen was gebroken, en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit/de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. (subsidiair)

POGING TOT ZWARE MISHANDELING, BEGAAN TEGEN ZIJN LEVENSGEZEL

2.

VERKRACHTING.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door drs. M.H. de Groot, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 3 februari 2010 komt onder meer het navolgende naar voren:

"Er zijn onvoldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat er ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Wel had betrokkene voorafgaande aan het moment dat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden een redelijke hoeveelheid alcohol geconsumeerd. Het feit dat betrokkene voorafgaande aan het plegen van de ten laste gelegde feiten alcohol heeft gebruikt, heeft zeer waarschijnlijk invloed gehad op het feit dat betrokkene zich agressief geuit heeft in de richting van het slachtoffer van de ten laste gelegde feiten. Betrokkene is bekend met het feit dat het gebruik van alcohol er bij hem voor zorgt dat bepaalde remmingen enigszins verminderd worden en dat hij, wanneer hij alcohol heeft gebruikt, wat makkelijker dan anders tot bepaalde, ook agressieve, handelingen kan komen. Betrokkene heeft evenwel in vrije wil alcohol tot zich genomen."

Rapporteur adviseert daarom om betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de ten laste gelegde feiten.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de straf moet de bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte zich tijdens de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat slechts een bewezenverklaring van mishandeling moet volgen en hij heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf van 2 maanden daarvoor voldoende is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, evenals op grond van de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd aan zijn toenmalige partner zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar een kopstoot in het gelaat te geven. Dat het door verdachte beoogde gevolg niet is ingetreden is zeker niet de verdienste van verdachte geweest, maar louter en alleen omdat het letsel door de kopstoot relatief gering is geweest. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer in haar gelaat geslagen en heeft hij haar met kracht opgetild, met zijn handen onder haar oksels, waardoor zij een sleutelbeen brak.

Na al deze gewelddadige handelingen heeft verdachte aangeefster, die van de pijn niet meer kon bewegen, op bed gelegd en heeft hij haar verkracht. Aangeefster wilde op dat moment geen seks, maar zei niets uit angst voor nieuw geweld.

Verdachte is gewelddadig, respectloos en vernederend opgetreden tegen het slachtoffer. De gedragingen van verdachte hebben naast pijn ook gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt. Op grove wijze is inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank heeft na raadpleging van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geconstateerd dat een gevangenisstraf van 24 maanden de gebruikelijke straf is voor verkrachting. De rechtbank zal deze straf als uitgangspunt hanteren.

Voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het geven van een kopstoot wordt gebruikelijk een gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd. De rechtbank zal als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 maanden hanteren, omdat in deze zaak sprake is van een poging en het letsel relatief gering is geweest.

Volgens het strafblad van verdachte is hij in het verleden vaker voor geweldsdelicten veroordeeld, maar dat heeft hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw gewelddadig op te treden. Bovendien wordt verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht, zoals eerder in dit vonnis is overwogen. Dit alles leidt er toe dat de rechtbank geen aanleiding ziet om iets af te doen van de hiervoor aangegeven uitgangspunten.

Voornoemde psycholoog heeft gerapporteerd dat het alcoholgebruik van verdachte ertoe heeft bijgedragen dat hij zich op agressieve wijze heeft geuit. Het lijkt de psycholoog nodig dat verdachte leert op meer aanvaardbare wijze met alcohol om te gaan, zodat het risico op een volgende agressieve ontlading verkleind kan worden. Geadviseerd wordt verplicht reclasseringscontact op te leggen, waarbij aandacht wordt gegeven aan het alcoholgebruik van verdachte, eventueel in de vorm van het volgen van een behandelprogramma. Ook de reclassering vindt een verplicht reclasseringscontact wenselijk.

De rechtbank kans zich vinden in het advies van de reclassering en de psycholoog, gelet op de onderbouwing daarvan, en om de hulpverlening mogelijk te maken zal zij een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk deel is tevens bedoeld om verdachte er van te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer moet plegen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten ziet de rechtbank geen ruimte voor een lichtere straf, zoals door de verdediging is bepleit.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal € 3.848,90 voor feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente.

De verdediging heeft bepleit de vordering af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade -minstens- tot een bedrag van € 1.500,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat het resterende gedeelte van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

10 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Dordrecht van 11 maart 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. Bij dat vonnis is als bijzondere voorwaarde opgelegd dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

Op 7 december 2009 heeft de officier van justitie de vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend bij de rechtbank. Als grond voor die vordering heeft de officier van justitie aangegeven dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde.

In het afloopbericht toezicht van 24 november 2009 heeft de reclassering aangegeven dat het toezicht negatief is geretourneerd, omdat verdachte een nieuw strafbaar feit zou hebben gepleegd, te weten mishandeling van zijn vriendin.

De rechtbank zal er daarom vanuit gaan dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling is ingediend, omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden, dat wil zeggen dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.

De rechtbank stelt in dat verband vast dat verdachte zich inderdaad voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Daarom zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

11 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 242, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens GGZ Bouman reclassering Dordrecht, ook als dit inhoudt een (ambulante) behandeling bij de forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek 'Het Dok', zoals aangegeven in het reclasseringsadvies d.d. 20 december 2009;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 computer, merk Medion, kleur zwart

- 1 fotocamera, merk Casio, kleur zwart;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat het resterende gedeelte van die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 11 maart 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 11/500091-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. J.J. Klomp en mr. H.M. Dunsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 maart 2010.

Mrs. Klomp, Dunsbergen en de Hooge voornoemd zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, althans op of omstreeks 07 november 2009, te Dordrecht aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde (op dat moment) zijn, verdachtes, levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken (rechter) sleutelbeen), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk:

- (met kracht) met zijn, verdachtes, (linker)hand in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, te slaan en/of

- (met kracht) een (zogenoemde) kopstoot in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, te geven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

- (met kracht) (tegen haar dij) te schoppen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag (en niet bij bewustzijn was) en/of

- (met kracht) op te tillen, met zijn verdachtes, handen, onder haar oksels (ten gevolge waarvan haar (rechter) sleutelbeen is gebroken);

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, althans op of omstreeks 07 november 2009, te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde (op dat moment) zijn, verdachtes, levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

- (met kracht) met zijn, verdachtes, (linker)hand in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, heeft geslagen en/of

- (met kracht) een (zogenoemde) kopstoot in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, heeft gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

- (met kracht) (tegen haar dij) heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag (en niet bij bewustzijn was) en/of

- (met kracht) heeft opgetild, met zijn verdachtes, handen, onder haar oksels ten gevolge waarvan haar rechter sleutelbeen is gebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, althans op of omstreeks 07 november 2009, te Dordrecht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), zijnde (op dat moment) zijn, verdachtes, levensgezel,

- (met kracht) met zijn, verdachtes (linker)hand in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, heeft geslagen, en/of

- (met kracht) een (zogenoemde) kopstoot in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, heeft gegeven en/of

- (met kracht) (tegen haar dij) heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag (en niet bij bewustzijn was) en/of

- (met kracht) heeft opgetild met zijn, verdachtes, handen onder haar oksels, tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken (rechter) sleutelbeen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in de nacht van 06 november 2009 op 07 november 2009, althans op of omstreeks 07 november 2009, te Dordrecht door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gestoken en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] (voorafgaand aan het seksueel binnendringen)

- (met kracht) in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, had geslagen en/of

- (met kracht) een kopstoot in/tegen haar gelaat, althans tegen haar hoofd, had gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val was gekomen en/of

- (met kracht) (tegen haar dij) had geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag (en niet bij bewustzijn was) en/of

- (met kracht) had opgetild, met zijn verdachtes, handen, onder haar oksels, ten gevolge waarvan haar (rechter) schouderbeen was gebroken, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Parketnummer: 11/500485-09

Vonnis d.d. 16 maart 2010