Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL7620

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
11/500498-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn auto met aanzienlijke snelheid op twee personen ingereden, die slechts door weg te springen een aanrijding wisten te voorkomen. Daarnaast heeft verdachte zijn toenmalige partner verbaal bedreigd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat een behandeling bij Het Dok inhoudt. Bovendien wordt aan verdachte een verbod opgelegd om contact op te nemen met zijn voormalige partner.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500498-09

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 maart 2010

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in [1973],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 2 maart 2010.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd dient de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat een behandeling inhoudt. Bovendien dient als bijzondere voorwaarde een straat- en contact verbod te worden opgelegd.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot doodslag niet is bewezen. Niet aannemelijk is geworden dat de dood zou zijn gevolgd als de hierna vermelde personen niet hadden gereageerd op het - hierna vermelde bewezen verklaarde - inrijden door verdachte. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden verklaard ten aanzien van [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]).

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(primair)

op 28 november 2009 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met zijn auto (met aanzienlijke snelheid) op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank komt voor [slachtoffer 1] niet tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de steller van de tenlastelegging de bedoeling gehad aan verdachte ten laste te leggen dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt voor de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling, gaat zij over tot de beoordeling van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(subsidiair)

op 28 november 2009 te Zwijndrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom jou vanavond nog afmaken! En je vriend ook!" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt voor de rechtbank het volgende. Op 28 november 2009 zat verdachte op enig moment in zijn auto, een Fiat Coupé, op de Brahmsstraat te Zwijndrecht. Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) zat naast verdachte. Op een afstand van ongeveer tien tot vijftien meter voor de auto stonden aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Uit de verklaringen van aangevers en getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris over foto 3, leidt de rechtbank af dat op een afstand van twee tot vijf meter van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] stonden [slachtoffer 1], [getuige 2] en een jongen van ongeveer tien jaar oud. Verdachte maakte met zijn auto een 'pompend' en brullend geluid. Met piepende banden reed verdachte weg in zijn auto. Met oplopend toerental, accelererend en vol gas reed verdachte recht op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] af. Volgens [getuige 1] had verdachte op dat moment de auto echt niet onder controle. [slachtoffer 2] sprong daarop weg en trok [slachtoffer 3] daarbij mee. Volgens [slachtoffer 2] was hij er op dat moment van overtuigd dat hij omver zou worden gereden. Volgens [slachtoffer 3] zou ook hij zeker zijn aangereden als [slachtoffer 2] hem niet had weggetrokken. Vervolgens reed verdachte achteruit in een vloeiende beweging en opnieuw vol gas, recht op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] af. Andermaal sprong [slachtoffer 2] daarop weg en trok [slachtoffer 3] daarbij mee. Volgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] moesten zij ook in dit geval wegspringen om een aanrijding te voorkomen. Hierna reed verdachte weg, stopte nogmaals in de Brahmsstraat, en riep naar [slachtoffer 1] en haar vriend woorden met de strekking dat hij hen nog die avond zou afmaken.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar standpunt dat - kennelijk ondanks de overige verklaringen - uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat verdachte de baan van de auto dusdanig heeft willen wijzigen dat hij door zijn toedoen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet zou raken. Reeds uit de verklaring van [getuige 1] zelf volgt dat [slachtoffer 2] zeker zou zijn aangereden door verdachte als hij niet zou zijn weggesprongen.

Tot tweemaal toe is het slechts te danken geweest aan de adequate reactie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dat de auto van verdachte hen niet heeft geraakt.

De rechtbank volgt de verdediging evenmin in haar standpunt dat de afstanden tussen verdachte en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] meebrengen dat de auto geen snelheden heeft gehad die zwaar lichamelijk letstel zouden kunnen veroorzaken bij een aanrijding. Naar algemene ervaringsregels - opgedaan in zaken onder gelijke of nagenoeg gelijke omstandigheden - moet de kans dat een persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt doordat hij wordt aangereden door een auto, als 'aanmerkelijk' worden ingeschat.

Op grond van de diverse verklaringen over de snelheden van de auto acht de rechtbank aannemelijk geworden dat de snelheid niet dusdanig laag is geweest dat een uitzondering moet gelden op voormelde algemene ervaringsregels.

Voorts verwerpt de rechtbank het verweer dat de verschillen tussen de verklaringen van aangevers en getuigen meebrengen dat zij niet als overtuigend bewijs kunnen dienen. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [getuige 2] overeenkomen op hoofdlijnen en dat deze niet onderling op elkaar zijn afgestemd gelet op de aard van de aspecten waarin zij feitelijk van elkaar verschillen. Ook de verklaring van [getuige 1] over de eerste keer dat verdachte op voormelde personen inreed, komt daarmee op hoofdlijnen overeen. Over de tweede keer dat verdachte inreed op voormelde personen heeft [getuige 1] verklaard dat hij zich dat niet kan herinneren, maar "zou het wel kunnen".

Uit voormelde feiten en omstandigheden volgt dat het handelen van verdachte naar haar aard en uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Van contra-indicaties op dit punt is de rechtbank niet gebleken.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen en is sprake van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte.

Naar de verdediging stelt was de bewezenverklaarde bedreiging een reactie op het schoppen door [slachtoffer 2] tegen de auto van verdachte. Daaruit volgt naar de mening van de verdediging dat bij verdachte de wil ontbrak iemand te bedreigen. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank acht de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [slachtoffer 1] redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Hierbij wijst de rechtbank erop dat kenmerkend van de bedreiging is geweest dat [slachtoffer 1] die avond het leven zou laten door toedoen van verdachte. Verder wijst de rechtbank op de omstandigheden dat [slachtoffer 1] juist verhuisd was vanwege haar vrees opnieuw in aanraking te komen met verdachte en verdachte voorafgaand aan zijn bedreiging tweemaal op de twee andere aangevers was ingereden als hiervoor vermeld.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

[ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]]

(primair)

POGING TOT ZWARE MISHANDELING, MEERMALEN GEPLEEGD

en

[ten aanzien van [slachtoffer 1]]

(subsidiair)

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

De rechtbank heeft de op te leggen gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 28 november 2009 reed verdachte met [getuige 1] naar het nieuwe huis van zijn ex-partner [slachtoffer 1]. Verdachte stapte daar uit zijn auto en liep naar de achtertuin van dat huis. Verdachte keek over de schutting in de woonkamer. De partner van [slachtoffer 1] zag verdachte. Daarop zijn [slachtoffer 1], haar partner, zijn ouders en een neefje naar buiten gegaan. Op enig moment reed verdachte met zijn auto in hun richting. Verdachte wilde hen hierbij vrees inboezemen door 'pompend gas te geven' in zijn sportauto met een meer dan gemiddeld hoorbare uitlaat. Verdachte reed vervolgens weg met piepende banden zonder de auto onder controle te hebben. Ternauwernood konden voormelde partner en zijn vader de auto ontwijken. Verdachte reed daarop nogmaals in op de aanwezige personen waarbij wederom voormelde partner en zijn vader de auto ternauwernood konden ontwijken. Hierna riep verdachte [slachtoffer 1] en haar partner toe dat hij hen vanavond nog zou komen afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Uit een schriftelijke slachtofferverklaring van 8 februari 2010 volgt dat de handelingen van verdachte grote impact hebben op [slachtoffer 1], haar partner en zijn ouders. [slachtoffer 1] ervaart voortdurend de dreiging die van verdachte uitgaat richting haar. Zij kan zich niet meer concentreren zodat het volgen van een opleiding of werken in ieder geval momenteel niet meer mogelijk is. [slachtoffer 1] en haar partner waren verhuisd in de veronderstelling dan niet meer in aanraking te komen met verdachte. Nu dat toch is gebeurd en verdachte daarbij op hen is ingereden, kan ook haar partner zich niet meer concentreren op zijn werk. Beiden genieten de laatste maanden bijna nergens meer van, zijn moe en lusteloos, en zijn geestelijk en lichamelijk "aan het eind van hun Latijn".

De rechtbank zal bij haar strafoplegging afwijken van de eis van de officier van justitie. Hiervoor wijst de rechtbank in de eerste plaats op de ernst van de feiten. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waarbij hij zijn auto als een wapen heeft gehanteerd Verder wijst de rechtbank op het volgende.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden hanteert de rechtbank als uitgangspunt voor een poging tot zware mishandeling met een wapen. Dit uitgangspunt gaat uit van een persoon die niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vier weken hanteert de rechtbank als uitgangspunt voor een verbale bedreiging met de dood. Verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar omdat de betreffende vonnissen nog niet onherroepelijk zijn zal de rechtbank deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringrapport van 4 januari 2010. Daaruit volgt dat het recidiverisico hooggemiddeld is en dat het risico bestaat dat de ex-partner, haar familie en haar partner -bij terugval van verdachte - letsel oplopen. De reclassering adviseert aan een voorwaardelijk deel van een gevangenisstraf de voorwaarden te verbinden dat verdachte zich moet melden als de reclassering dat nodig acht, zich laat behandelen door het Dok, dat het verdachte wordt verboden contact te hebben met zijn ex-partner, en haar familie en vrienden in Zwijndrecht en dat het verdachte wordt verboden gedurende drie jaar te komen in de woon- en werkomgeving van zijn ex partner, met recht voor de reclassering dat verbod te wijzigen.

Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat behandeling bij het Dok, indien de reclassering dat nodig acht, zinvol is. Verdachte heeft ter zitting aangegeven gemotiveerd te zijn om aan zijn problematiek te werken. De rechtbank acht de geadviseerde verboden eveneens zinvol, zij het dat de rechtbank zal komen tot een beperkter contactverbod en een beperkter locatieverbod. De rechtbank acht het niet redelijk verdachte het feitelijk nagenoeg te verbieden zich in Zwijndrecht te begeven noch ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de gebruikelijke duur van twee jaren voor een locatieverbod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De hoogte van de straf verzet zich tegen een straf in de vorm van het door de verdediging bepleite Elektronisch Toezicht. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten vijf maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. Met deze voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 285, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens het Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte een behandeling moet volgen bij de forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek Het Dok;

* dat verdachte tijdens de proeftijd op geen enkele wijze middellijk of rechtstreeks contact opneemt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet begeeft in de direct woon- en werkomgeving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. J.J. Klomp en mr. H.M. Dunsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 maart 2010.

Mrs. Klomp, Dunsbergen en de Hooge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 28 november 2009 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meermalen met zijn auto (met hoge, althans aanzienlijke snelheid) op genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 november 2009 te Zwijndrecht [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend een of meermalen met zijn auto (met hoge, althans aanzienlijke snelheid) op genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] afgereden en/of is verdachte met zijn auto [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tot op kleine afstand genaderd (waardoor genoemde perso(o)n(en) weg moest(en) springen) en/of heeft verdachte (daarbij) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom jou vanavond nog afmaken! En je vriend ook!" en/of "Vanavond ga je eraan! En jij gaat er ook aan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer: 11/500498-09

Vonnis d.d. 16 maart 2010