Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL7579

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
79116 HA ZA 09-2045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering door systeembeheerder/hoofd administratie van aanzienlijke geldbedragen van werkgever, onder meer door het doen van onjuiste BTW-aangiften. Onrechtmatige daad echtgenote, onder meer door ter beschikking stellen bankrekening. Deskundigenonderzoek naar echtheid handtekening werkgever. Verduisterd geld deels uitgeven tijdens WSNP welke is beeindigd met schone lei. Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 79116 / HA ZA 09-2045

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 1],

gevestigd te Vianen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2]

gevestigd te Tiel,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 3]

gevestigd te Utrecht,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. E.J. Loor,

tegen

1. [gedaagde 1]

wonende te Arkel,

2. [gedaage 2]

wonende te Arkel,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A. van Dijk- Hartman.

Partijen zullen hierna [eiser 1, eiser 2 en eiser 3], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 maart 2009

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 2 juli 2009

- de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis

- de conclusie van dupliek in conventie

- een akte uitlating producties van de zijde van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3]

- een akte uitlating producties van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] maken deel uit van een concern, [Holding B.V.]

2.2. [gedaagde 1] is van 30 september 2002 tot en met 31 december 2008 bij [eiser 3] in dienst geweest. [gedaagde 1] vervulde tot oktober 2007 de functie van systeembeheerder/hoofd administratie. Vanaf oktober 2007 was in [gedaagde 1] in ieder geval verantwoordelijk voor onder meer de navolgende werkzaamheden: de administratie en betalingen van alle werkmaatschappijen van [Holding B.V.] alsook de BTW-aangifte van deze werkmaatschappijen. Volgens de salarisspecificatie van [gedaagde 1] van 2008, periode 11.1, had [gedaagde 1] op dat moment de functie hoofd automatisering en administratie.

2.3. In 2006 en 2007 correspondeerde de BTW-aangifte niet met de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] behaalde omzet. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft met ingang met 1 mei 2008 een nieuwe controller, P.M.M. [werknemer 1], hierna [werknemer 1], in dienst genomen. [werknemer 1] diende samen met [gedaagde 1] de boekhouding voor 2008 op orde te brengen en zorg te dragen voor een sluitende BTW-aangifte 2008.

2.4. [gedaagde 1] was, naast [werknemer 1] en directieassistent K. [werknemer 2], de enige die toegang had tot het geautomatiseerde boekhoud- en betaalsysteem via de bank. [gedaagde 1] beheerde de Postbankrekeningen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] zelfstandig en had als enige de bevoegdheid betalingen via de Postbank goed te keuren.

2.5. [werknemer 1] heeft de hele administratie doorgelicht. Daarbij is gebleken dat [gedaagde 1] in ieder geval in 2007 en 2008 betalingen aan derden in het betalingssysteem van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft ingeboekt, welke betalingen niet aan deze derden zijn gedaan, maar ten gunste van een betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2]

2.6. [gedaagde 1] heeft een bedrag van € 39.078,73 van de rekening van [eiser 1] overgeboekt op de betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2]

2.7. [gedaagde 1] heeft een bedrag van € 69.836,72 van de rekening van [eiser 2] overgeboekt op de betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2]

2.8. [gedaagde 1] heeft een bedrag van € 46.539,19 van de rekening van [eiser 3] overgeboekt op de betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2]

2.9. Op 18 december 2008 heeft [betrokkene] directeur/grootaandeelhouder van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3], aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking, danwel valsheid in geschrifte en of diefstal en of heling door [gedaagde 1].

2.10. Op 18 december 2008 heeft [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] conservatoir beslag gelegd op de inventaris en de auto’s van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], alsmede conservatoir derdenbeslag op de banktegoeden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De auto’s zijn op 5 januari 2009 in gerechtelijke bewaring gesteld.

2.11. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft het loon over de maand december 2009 ad € 2.878,64 bruto, vakantiegeld ad € 1612,03 en een uitkering in geld over niet genoten vakantieuren niet aan [gedaagde 1] uitbetaald.

2.12. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn omstreeks 19 oktober 2004 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijksgoederen regime is buiten iedere gemeenschap van goederen en zonder verrekenbeding.

2.13. Op [gedaagde 1] is van 4 juni 2003 tot en met 7 september 2007 de Schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Uit het vonnis van 17 juli 2007 van deze rechtbank volgt dat de Schuldsaneringsregeling is beëindigd met toekenning van de “schone lei” en dat de verplichting van [gedaagde 1] tot afdracht van inkomsten aan de boedel eindigde op 1 juli 2007.

2.14. [gedaagde 2] heeft volgens haar schriftelijke verklaring, gedateerd 20 januari 2008, voor zover hier van belang, ten aanzien van onder meer voornoemde betaalrekening, respectievelijk de leefstijl van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], verklaard:

“(…) Het rekeningnummer 108587169 was een oude betalingsrekening met 1 pasje, dat ik niet zelf in beheer had. Ik had deze rekening destijds naast een andere betalingsrekening. Begin 2006 hebben we van mijn mans betalingsrekening een en/of rekening gemaakt, met 2 pasjes. Een van die pasjes gebruikte ik.

De financiële zaken, de belastingen en de administratie deed mijn man zelf.

Omdat wij internetbankieren komen er geen bankafschriften per post, maar moet/kan je deze via internet uitdraaien.

Dat we een luxe leven leidde, wekte géén argwaan of wantrouwen. Ik wist niet beter dan dat mijn man geld kreeg van de Mercedes. Hij werkte namelijk al 2 jaar in zijn vrije tijd voor de Mercedes. Mijn man was schriftelijk te kennen gegeven, dat hij schadeloos zou worden gesteld. Dit laatste zou gebeuren door per maand een aanvullend bedrag te ontvangen tot salaris wat hij bij de Mercedes zou gaan verdienen.

Het verschil van salaris was zo groot, dat je heen en weer werd geslingerd in je gedachten. Dit voelde ik zelf ook zo. (…) ”

2.15. Volgens een document met het opschrift “Overeenkomst” en het onderschrift “Overwerk na 10-2004” is op 9 januari 2006 een overeenkomst tot stand gekomen tussen [gedaagde 1] en [betrokkene] De inhoud van dit document luidt, voor hier van belang, als volgt:

“Te goed zie bescheiden GS-PB-15 € 5.386,89-

Verschil Loon € 5.378,66

Verschil reiskosten € 1.350,70-

Opgebouwd zie Totaalblad € 21.256,36-

Subtotaal tegoed van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] € 22.615,29-

Totaal € 22.615,29-

Vianen, 9 januari 2006

[gedaagde 1] [betrokkene]

(…)”

2.16. Op 6 maart 2006 is van de bankrekening van [eiser 1] een bedrag van € 16.000,- afgeboekt.

2.17. Volgens de factuur van [eiser 1] van 30 maart 2006, gericht aan [gedaagde 2], en welke als klantnummer 130689 vermeld, is aan [gedaagde 2] “verkocht en geleverd een auto volgens onderstaande specificatie:

Merk/Type Toyota Corolla Wagon 2.0 Common Rail 90 pk Linea Sol 2 NS MM NS

Catalogusprijs 7.622.38

Kenteken 31-JT-LD (…)”

Volgens deze factuur bedraagt de prijs van de auto in totaal inclusief BTW € 14.750,-. Op 30 maart 2006 van [eiser 1] is aan [gedaagde 2] een creditfactuur gezonden voor een ingeruilde auto voor een bedrag van € 1.400, -. Deze factuur is gericht aan [gedaagde 2] en vermeldt ondermeer als klantnummer 130698.

Blijkens het dagafschrift van 16 maart 2006 van [eiser 3] is van rekeningnummer 108587169 ten name van [gedaagde 2] een betaling ontvangen van een bedrag van € 13.000, - onder vermelding van “DEB 130698 FACT 31-JT-LD”

2.18. Een e-mail bericht van 14 november 2008 van [betrokkene 2] aan [gedaagde 1], luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Van : [betrokkene 2] ‹[betrokkene 2]e›

Aan: info@kpn-officedsl.nl

Verzonden: vrijdag 14 november 2008 12:45

Onderwerp: Das Contract und die Besprechungen

(…)”

2.19. Bij niet gedateerde brief heeft Damian Zetsche van Mercedes-Benz Daimler AG aan [gedaagde 1] een arbeidsovereenkomst toegezonden. De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“[gedaagde 2]

(…)

Anleitung: Kontrakt Arbeitsstelle pro 1 januar 2009

Sehr geehrter Herr [gedaagde 1],

So wie ublich ist, ist ihrer Kontrakt in Niederlandisch augestellt.

Ich fröhe mich auf unsere Zusammenarbeit, so wie der Werner.

Höffentlich ist ihre Reise gut gefallen und wünsche ich Inen eine gute Heimfahrt.

Fröhliche Weinnachten und ein gutes neues Jahr.

(…)”

2.20. De arbeidsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Arbeidsovereenkomst

De ondergetekenden:

1. Daimler AG gevestigd te Stuttgart, vertegenwoordigd door haar vice-directeur en directeur Europa, [betrokkene 2], verder te noemen werkgever,

En

2. [gedaagde 1]

(…)

1.1.) De werknemer treedt bij de werkgever in dienst per 1 januari 2009.

Artikel 2: functie

2.1) De werknemer treedt in dienst in de functie van Afdelingsdirecteur Europa-West van Daimler AG. Binnen een half jaar doch uiterlijk op 1 juli 2009 zal werknemer promotie maken naar de functie van Vice-directeur Europa van Daimler AG.

2.2.) Als zodanig zullen tot de werkzaamheden van de werknemer behoren: het aansturen en controleren van alle importeurs van bovengenoemd bedrijf in voornoemde gebied.

(…)

3.2.) De werkgever behoudt zich het recht voor de werknemer over te plaatsen naar een ander vestiging c.q. afdeling indien de mogelijkheid tot promotie zich aandient, echter alleen wanneer werknemer daar financieel van kan mee profiteren.

(…)

4.1. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaald duur.

Artikel 5: proeftijd

5.1) Zoals in artikel 5 genoemd, zal er geen proeftijd ingesteld worden.

(…)

17.1) Op deze arbeidsovereenkomst is zowel het Duitse (voor de werkgever) en het Nederlandse recht (voor de werknemer) bij uitsluiting van ieder ander rechtstelsel van toepassing.

(…)

Aldus overeengekomen, opgemaakt in viervoud en ondertekend te

Stuttgart, 1 december 2009

Werkgever Werknemer

[werkgever] [betrokkene 2] Drs. [gedaagde 1]”

2.21. Een (fax)brief van 16 juni 2009 van Mercedes-Benz Nederland B.V. aan [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Hierbij verklaren wij dat de heer [gedaagde 1] nimmer werkzaam is geweest bij DaimlerChrysler Nederland Holding B.V. (thans Mercedes-Benz Nederland B.V.) of één van haar dochterbedrijven.

Voorts verklaren wij dat voornoemde persoon in onze organisatie niet bekend is en dat er geen sprake is (geweest) van een arbeidsverhouding dan wel van een gerechtelijke uitspraak of vonnis in een zaak tussen de heer [gedaagde 1] en onze onderneming. (…)”

2.22. Een emailbericht van 2 juli 2009 van [belanghebbende], HR-Assistent Mercedes-Benz Nederland B.V. aan [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Ook is deze meneer [betrokkene 2] ([betrokkene 2]…dit terzijde) niet bekend is onze wereldwijde directory. Voorts bestaat er niet zoiets als Mercedes-Benz Europe. Tenslotte zijn onze emailadressen opgebouwd @daimler.com, niet mercedes-benz.de. (…)”

2.23. Volgens een opdrachtbevestiging van 24 mei 2008 van Auto Maas B.V. te Gorinchem heeft [gedaagde 2] omstreeks mei 2008 een nieuwe auto van het merk Citroën, model C4, type 1.6. 16V Image ’04 voor een bedrag van € 22.184,- gekocht, welke auto volgens het kentekenbewijs omstreeks 12 juni 2008 aan [gedaagde 2] is afgeleverd.

2.24. [gedaagde 2] heeft volgens een opdrachtbevestiging van 4 oktober 2008 van Nefkens Utrecht B.V. omstreeks oktober 2008 een nieuwe auto “Peugeot 206 5-deurs Generation 1.4 Handgeschakeld” gekocht voor een bedrag van € 15.232, -, welke auto volgens het kentekenbewijs omstreeks 17 oktober 2008 aan [gedaagde 2] is afgeleverd. Het “Afleverklaar rapport Peugeot” gedateerd 17 oktober 2008 is ten name gesteld van [gedaagde 2] en door [gedaagde 2] ondertekend.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] vordert na vermeerdering van eis veroordeling bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans voor gelijke delen,

I.tot betaling van een geldsom van

i) € 82.358,75 aan [eiser 1];

ii) € 75.618,69 aan [eiser 2];

iii) € 52.989, 47 aan [eiser 3]

te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen, te rekenen vanaf 26 juli 2007, althans vanaf 19 november 2008, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, tot aan de dag der algehele voldoening.

II.in de kosten van het geding, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht en het tot aan deze uitspraak begrote bedrag aan salaris van de advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.2. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] voert daartoe het volgende aan.

3.2.1. [gedaagde 1] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst met [eiser 3] door zich wederrechtelijk gelden toe te eigenen, te ontvreemden, achter te houden en/of ten onrechte onder zich te houden, welke gelden aan [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] toebehoren. Hiermee heeft [gedaagde 1] de op hem rustende verplichting als werknemer ex artikel 7:611 BW geschonden en heeft hij het vertrouwen van [eiser 3] als werkgever beschaamd, welke vertrouwen onontbeerlijk is voor een goede verstandhouding en vruchtbare samenwerking in het kader van de arbeidsovereenkomst.

3.2.2. Het handelen van [gedaagde 1] kwalificeert als een onrechtmatige daad jegens [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] die aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. [gedaagde 1] heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] en bovendien heeft hij gehandeld in strijd met zijn wettelijke plicht. Ook kan zijn handelen als in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, worden gekwalificeerd.

3.2.3. [gedaagde 2] heeft onrechtmatig jegens [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gehandeld omdat zij (stilzwijgend) haar medewerking heeft verleend en/of goedkeuring heeft verleend aan het onrechtnmatig handelen van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] heeft aldus gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is.

3.2.4. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade geleden. De schade bestaat uit BTW die [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet heeft afgedragen c.q. alsnog moet afdragen.

3.2.5. [eiser 1] heeft voorts schade geleden bestaande uit de kosten voor het verrichten van een intern en extern (boekhoudkundig) onderzoek ad € 5.800,-, advocaatkosten welke betreffen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de kosten voor het wegslepen en bergen van de auto’s van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ad € 570,-. De kosten worden in totaal begroot op € 15.000,-.

3.2.6. Voor zover de vordering van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] op [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] op grond van onrechtmatige daad niet zou kunnen worden toegewezen, geldt dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] door de handelswijze van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden de schade die [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft geleden tot het bedrag van de verrijking te vergoeden.

3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer als volgt.

3.3.1. Voor wat betreft het standpunt van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dat [gedaagde 1] zich niet heeft gedragen als goed werknemer en dat hij een onrechtmatige daad heeft begaan refereert [gedaagde 1] zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.2. [gedaagde 2] heeft op geen enkele wijze haar medewerking verleend aan het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] heeft niet verwijtbaar gehandeld.

3.3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat [eiser 1] schade heeft geleden tot een bedrag van € 82.358,75, respectievelijk dat [eiser 3] schade heeft geleden tot een bedrag van € 52.989,47. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat de schade van [eiser 2] € 75.618,69 bedraagt; een bedrag van € 5.781,97 wordt ten onrechte opgevoerd.

3.3.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat door de advocaat van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] overgelegde specificaties van de buitengerechtelijke kosten zijn voorts niet concludent en bovendien ontbreekt een omschrijving, respectievelijk specificatie van de verrichte werkzaamheden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de redelijkheid van de opgevoerde kosten.

3.3.5. Er was geen noodzaak om de auto’s in bewaring te stellen. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft geen schade geleden aangezien de auto’s bij [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] zijn gestald.

3.3.6. De kosten van beslaglegging waren niet nodig.

3.3.7. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt.

3.3.8. De door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gevorderde wettelijke rente moet worden afgewezen, aangezien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in gebreke zijn gesteld.

In ieder geval dient de wettelijke rente naar rato te worden berekend.

Het bedrag ad € 15.000,- mag niet worden vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3.9. Ten aanzien van de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gevorderde schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking refereren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich aan het oordeel van de rechtbank.

in reconventie

3.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3]

1. tot betaling van een bedrag ad € 6.615,29;

2. om te voldoen het loon over de maand december ad € 2.778,64, vakantiegeld ad

€ 1.612,03 en de uitkering in geld over de 60,93 niet genoten vakantie-uren, en

3. primair, opheffing van het beslag op de onder punt 22 en 26 in de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie genoemde roerende zaken

subsidiair, een verklaring voor recht dat op de voornoemde roerende zaken ten onrechte beslag is gelegd, en voorts

4. veroordeling van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] in de kosten van het geding.

3.5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren daartoe het volgende aan.

[gedaagde 1] is met [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] overeengekomen dat [gedaagde 1] in verband met gewerkte overuren aanspraak maakt op een bedrag ad € 22.615,29, waarvan [gedaagde 1] op 6 maart 2006 een bedrag ad € 16.000,- van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft ontvangen, zodat [gedaagde 1] nog van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] te vorderen heeft een bedrag ad € 6.615, 29.

Er is ten onrechte conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagde 2] in privé-eigendom toebehorende zaken.

Er is ten onrechte beslag gelegd op het bed van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], respectievelijk het bed en de computer van hun zoon.

3.6. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] voert verweer als volgt.

[eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft de overeenkomst van 9 januari 2006 niet met [gedaagde 1] gesloten. De handtekening van [betrokkene] op de betreffende overeenkomst is vervalst.

De overboeking van € 16.000, - op 6 maart 2006 is een onrechtmatige toe-eigening van gelden van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] door [gedaagde 1].

[eiser 1, eiser 2 en eiser 3] verklaart de nog aan [gedaagde 1] verschuldigde bedragen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst te verrekenen met haar vorderingen op [gedaagde 1] uit hoofde van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1]. Voor zover verrekening (nog) niet mogelijk is beroept [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] zich op haar opschortingsrecht.

[gedaagde 2] wist of behoorde te weten dat [gedaagde 1] zich onrechtmatig gelden van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] toe-eigende. Door het oogluikend toestaan van zijn handelingen en haar bankrekening daarvoor ter beschikking te stellen, heeft zij onrechtmatig jegens [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gehandeld, zodat het conservatoir beslag op de privé-eigendommen van [gedaagde 2] terecht is gelegd.

Voor zover er (per ongeluk) zaken beslagen zijn die niet beslagen hadden mogen worden kleeft dit beslag niet, en hoeft het dus ook niet separaat te worden opgeheven.

De computer is eigendom van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2].

[eiser 1, eiser 2 en eiser 3] bestrijdt dat het desbetreffende ledikant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder de werking van artikel 447 Rv. valt.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] zo dat aan de vorderingen ten grondslag wordt gelegd dat [gedaagde 1] een bedrag van in totaal € 210.966,91 (€ 82.358,75: [eiser 1]; € 75.618,19: [eiser 2]; € 52.989,47: [eiser 3]) heeft verduisterd en dat [gedaagde 1] aldus ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld en toerekenbaar als werknemer bij de vervulling van de aan hem opgedragen taken is tekort geschoten. Het gaat er kort samengevat dus om of [gedaagde 1] zich het geld heeft toegeëigend.

Voorts stelt [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dat [gedaagde 2] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door haar medewerking te verlenen aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1].

Subsidiair heeft [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt.

Primaire grondslag: verduistering

4.2. [gedaagde 1] erkent dat hij eigenmachtig en buiten medeweten van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] een bedrag van € 39.078,73 ([eiser 1]), respectievelijk een bedrag van € 69.836,72 ([eiser 2]), respectievelijk een bedrag van € 46.539,19 ([eiser 3]) heeft overgeboekt op de betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2] en dat hij over deze betaalrekening kon beschikken, zodat vaststaat dat [gedaagde 1] zich voornoemde geldbedragen onrechtmatig heeft toegeëigend. Nu [gedaagde 1] niet betwist dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] daardoor schade van eenzelfde omvang heeft geleden, zullen de vorderingen in ieder geval voor deze bedragen worden toegewezen.

4.3. Ter zake van de vordering van [eiser 2] betwist [gedaagde 1] weliswaar dat hij op 17 december 2006 een bedrag € 5.781,97 op voornoemde betaalrekening heeft overgeboekt, maar tegenover de nadere onderbouwing van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dat na controle bij de Postbank is gebleken dat ook dit bedrag op de betreffende rekening is geboekt, heeft [gedaagde 1] zijn verweer in het geheel niet nader feitelijk onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen. Weliswaar verwijst [gedaagde 1] in zijn algemeenheid naar bankafschriften, maar [gedaagde 1] laat na relevante afschriften daarvan in het geding te brengen. Dientengevolge zal aan het verweer van [gedaagde 1] als onvoldoende feitelijk onderbouwd voorbij gegaan worden. De vordering van [eiser 2] ten bedrage van € 75.618,69 zal worden toegewezen.

4.4. Ter zake van de vordering van [eiser 3] betwist [gedaagde 1] de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gestelde omvang van de verduistering voor zover het betreft een bedrag van

€ 6.450,28. Het gaat om een tweetal niet door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gespecificeerde boekingen gedateerd 1 mei 2006 ter grootte van een bedrag van € 3.367,93, respectievelijk € 2.632,07, alsmede een niet nader door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gespecificeerd bedrag van € 450,28. Gelet op de betwisting door [gedaagde 1] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de last tot het leveren van bewijs van de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gestelde omvang van de verduistering op [eiser 1, eiser 2 en eiser 3]. Overeenkomstig haar aanbod zal [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Concreet betekent dit dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] feiten en omstandigheden dient te bewijzen waaruit blijkt dat [gedaagde 1] zich onrechtmatig een bedrag van € 6.450,28 uit het vermogen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft toegeëigend.

4.5. Ter zake van de vordering van [eiser 1] bestrijdt [gedaagde 1] niet dat hij op 6 maart 2006 een bedrag van € 16.000, - heeft overgeboekt op de betaalrekening, geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169 ten name van [gedaagde 2], zodat daarvan wordt uitgegaan. [gedaagde 1] betwist wel dat hij het bedrag van

€ 16.000,- zich onrechtmatig uit het vermogen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft toegeëigend. Volgens [gedaagde 1] gaat het om een betaling door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] welke zijn grondslag in de overeenkomst van 9 januari 2006 tussen [gedaagde 1] en [betrokkene] en betreft het een vergoeding voor gewerkte overuren.

[eiser 1, eiser 2 en eiser 3] bestrijdt gemotiveerd de totstandkoming van de gestelde overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] alsook de echtheid van de handtekening van [betrokkene] onder het betreffende document. Volgens [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] worden overuren per maand geadministreerd en maandelijks gelijktijdig met het salaris over de betreffende maand betaald. Uitbetaling van overuren zou hebben plaatsgevonden op het bekende bankrekening nummer van [gedaagde 1], waarop iedere maand het salaris wordt betaald en niet op een voor [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] onbekend bankrekeningnummer. Ten slotte wijst [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] erop dat, indien en voor zover sprake zou zijn van een betaling van een vergoeding van overuren, het voor de hand zou hebben gelegen de koopprijs van de auto, die [gedaagde 2] op 16 maart 2006 bij [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] kocht, te verrekenen met de vordering op [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] uit hoofde van de overuren.

[gedaagde 1] heeft geen verklaring gegeven, waarom het bedrag van € 16.000,- niet door [eiser 3] op zijn reguliere betaalrekening, waarop [eiser 3] ook zijn salaris betaalde, is overgeboekt. Evenmin heeft [gedaagde 1] nader uiteengezet waarom de overeenkomst op 9 januari 2006 is tot stand gekomen hoewel de overuren dateren uit 2004. Voorts heeft [gedaagde 1] niet inzichtelijk gemaakt waarom een eerste gedeeltelijke betaling door [eiser 1] is gedaan op 6 maart 2006. Gelet op het gemotiveerde verweer van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] mocht dat wel van hem worden verwacht, te meer nu [gedaagde 2] ter comparitie heeft verklaard dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tijdens de schuldsanering niet zo veel te besteden hadden en de koopprijs van de nieuwe auto is betaald op de bankrekening van [eiser 3] via betaalrekeningnummer 108587169, welke betaalrekening [gedaagde 2] stelt niet te gebruiken en/of beheren. Ten slotte constateert de rechtbank dat in ieder geval op het eerste oog de handtekening van [betrokkene] onder het proces-verbaal van comparitie, respectievelijk zoals bij productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht en de handtekening van [betrokkene] onder het document van 9 januari 2006 aanmerkelijk verschillen.

Op [gedaagde 1] was op 6 maart 2006 de schuldsaneringsregeling van toepassing, zodat [gedaagde 1] de bewindvoerder zal hebben geïnformeerd over de overeenkomst van 9 januari 2006 en het bedrag van € 16.000, - volledig aan de boedel zal zijn toegekomen. [gedaagde 1] rept hierover met geen woord.

Het vorenstaande in aanmerking nemende concludeert de rechtbank dat [gedaagde 1] zijn verweer onvoldoende heeft aangevuld c.q. vervangen met een behoorlijke weerspreking van het door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] op dit onderdeel gestelde. Bij gebreke daarvan wordt voorshands bewezen geacht dat [gedaagde 1] zich ook het bedrag van € 16.000, - onrechtmatig heeft toegeëigend door dit bedrag op eerder genoemde betaalrekening te boeken. Het is aan [gedaagde 1] dit bewijsvermoeden te weerleggen. [gedaagde 1] zal worden toegelaten (tegen)bewijs te leveren.

De rechtbank komt voor dat in ieder geval een deskundigenbericht ter beantwoording van de vraag of de handtekening van [betrokkene] op het originele document van 9 januari 2006 van [betrokkene] afkomstig is, aangewezen is. Indien [gedaagde 1] tegenbewijs door middel van een zodanig deskundigenbericht wenst te leveren, dient [gedaagde 1] het voorschot op de kosten van de deskundige(n) te deponeren. Omdat [gedaagde 1] met een toevoeging procedeert, zal echter aan hem geen voorschot worden opgelegd en zullen de kosten van de deskundige overeenkomstig artikel 195 en 199 lid 3 Rv voorlopig in debet worden gesteld, zulks in afwachting van de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling. Voordat zal worden overgegaan tot de benoeming van een deskundige worden partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte, uit te laten over:

de voorgestelde deskundige,

de aan de deskundige voor te leggen vragen en

de voormelde begroting van het loon en de kosten van de deskundige.

Indien partijen het voormelde voorstel niet volgen, dienen zij zich uit te laten over:

het aantal en de expertise van de deskundige(n) en

de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

Voor zover partijen daarbij zich tevens wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

Indien [gedaagde 1] na het deskundigenbericht nog tegenbewijs door middel van het doen horen van getuigen wenst te leveren, zal hij dat te zijner tijd in zijn conclusie na deskundigenbericht tot uitdrukking dienen te brengen en dienen te motiveren.

4.6. Indien [gedaagde 1] niet in het voormelde tegenbewijs slaagt, zal de vordering van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] voor dit onderdeel ten bedrage van € 16.000, - worden toegewezen.

4.7. Ter zake van de vordering van [eiser 1] betwist [gedaagde 1] voorts de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gestelde omvang van de verduistering voor zover het betreft een bedrag van

€ 27.280,-, -. Het gaat om een drietal niet door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gespecificeerde boekingen gedateerd 29 augustus 2006 ter grootte van een bedrag van € 425, - (2x), respectievelijk

€ 350,- (totaal: € 1.200, -), alsmede de inhoud van vijf niet bij de ABN Amro bank afgestorte sealbags met een totale waarde van € 26.080,- (op 28 februari 2006: sealbag AAD1308625: € 5.380,-; op 8 maart 2006: sealbag AAD1308930: € 5.200,-; op 29 juni 2007: sealbag AAD6263735: € 6.000,-; op 17 september 2007: sealbag AAD7345659:

€ 4.500,- , en op 23 mei 2008: sealbag AAD9389889: € 5.000,-.)

Uit door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] in het geding gebrachte stukken valt niet zonder meer valt af te leiden dat voornoemde boekingen, die [gedaagde 1] betwist, op de betaalrekening ten name van [gedaagde 2] zijn overgeboekt.

Volgens [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] worden de sealbags normaliter afgestort in de kluis van de ABN Amro bank, waarna [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] direct een bewijs van storting ontvangt. De contante storting is binnen twee dagen op het bankafschrift zichtbaar. De genoemde vijf sealbags staan niet vermeld op enig bankafschrift. Een kopie van het begeleidingsformulier ontbreekt in de kasadministratie. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] betoogt dat [gedaagde 1] voor de vijf sealbags in de grootboekrekening een gefingeerde tegenboeking heeft gedaan, door als tegenrekening niet het grootboeknummer van de bank te gebruiken maar grootboeknummer 90099; dit is het grootboekrekeningnummer “rekening verschillen”.Vervolgens heeft [gedaagde 1] deze boeking weer weggewerkt via de BTW rekening, aldus [eiser 1, eiser 2 en eiser 3].

[gedaagde 1] betwist dat hij de vijf sealbags niet bij de ABN Amro bank heeft afgestort. [gedaagde 1] betwist ook dat het handschrift en de handtekening op de begeleidingsformulieren bij de sealbags van hem is en bestrijdt voorts dat de sealbags door hem in het grootboek zijn ingeboekt; volgens [gedaagde 1] bewijzen zijn initialen in het grootboek/journaalposten slechts dat hij voor de verwerking van gegevens vanuit het zogenaamde DSM pakket naar het financiële pakket heeft zorg gedragen, maar niet dat hij ook daadwerkelijk de betreffende boekingen heeft gemaakt.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de last tot het leveren van bewijs van de door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gestelde omvang van de verduistering op [eiser 1, eiser 2 en eiser 3]. Overeenkomstig haar aanbod zal [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Concreet betekent dit dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] feiten en omstandigheden dient te bewijzen waaruit blijkt dat [gedaagde 1] zich onrechtmatig een bedrag van € 27.280, - uit het vermogen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft toegeëigend.

4.8. [gedaagde 2] heeft gesteld dat zij niet op de hoogte was van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1], en daaraan zeker geen medewerking heeft gegeven door het ter beschikking stellen van haar betaalrekening. Nu ten tijde van het sluiten van het huwelijk van [gedaagde 2] en [gedaagde 1], op [gedaagde 1] de schuldsaneringsregeling van toepassing was, en [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (mede) om die reden buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd, is niet aannemelijk dat [gedaagde 2] haar financiën, inclusief alle fiscale zaken, de gehele (financiële) administratie alsook het beheer van haar eerder genoemde betaalrekening en betaalpas volledig overliet aan [gedaagde 1]. Evenmin aannemelijk acht de rechtbank daarom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog tijdens de looptijd van schuldsaneringregeling de betaalrekening van [gedaagde 1] hebben omgezet naar een en/of rekening, met twee betaalpassen, waarvan [gedaagde 2] er één gebruikte en dat [gedaagde 2] deze betaalrekening als enige betaalrekening gebruikte. In ieder geval is de koopprijs ten bedrage van € 13.000, - van de nieuwe auto die [gedaagde 2] in maart 2006 bij [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft gekocht, op 16 maart 2006 betaald vanaf de betaalrekening van [gedaagde 2], geadministreerd bij de Rabobank onder nummer 108587169.

[gedaagde 2] verklaart tegenstrijdig over hun leefstijl en uitgavenpatroon. Volgens [gedaagde 2]’s verklaring van 20 januari 2008 was hun “luxe” leefstijl mogelijk omdat [gedaagde 1] al twee jaar in zijn vrije tijd voor Mercedes werkte. Echter alle eventuele bijverdiensten van [gedaagde 1] bij Mercedes zullen tot 1 juli 2007 volledig aan de boedel zijn toegekomen. Overigens heeft [gedaagde 2] haar stelling dat [gedaagde 1] in zijn vrije tijd voor Mercedes werkte in het geheel niet nader feitelijk onderbouwd, hetgeen wel van haar mocht worden verwacht gegeven de uitvoerig gemotiveerde betwisting door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3].

[gedaagde 2] verklaart, dat zij tijdens de schuldsaneringsregeling niet zo veel te besteden hadden, dat na afloop van de schuldsaneringsregeling hun uitgavenpatroon niet ingrijpend is gewijzigd, en dat zij de in rechtsoverweging 4.2. genoemde geldbedragen volledig in 2008 hebben uitgegeven. Voor zover [gedaagde 2] in dit verband refereert aan de correspondentie en een arbeidsovereenkomst met Mercedes Stuttgart, snijdt die verwijzing geen hout, nu het hier gaat om mogelijk toekomstige verdiensten van [gedaagde 1], nog daargelaten dat deze correspondentie en arbeidsovereenkomst van een zodanig twijfelachtige kwaliteit zijn dat aan de authenticiteit sterk moet worden getwijfeld. In ieder geval is voor een ieder kenbaar dat het e-mail bericht van 14 november 2008 van [betrokkene 2] aan [gedaagde 1] reeds gelet op de in de in het Nederlands opgestelde aanhef vals is.

De verklaring van [gedaagde 2] ter comparitie dat [gedaagde 1] de twee nieuwe auto’s heeft gekocht en dat zij pas later van hem vernam dat hij de auto’s op haar naam had laten registreren, verhoudt zich niet tot het feit dat het “Afleverklaar rapport Peugeot” gedateerd 17 oktober 2008 op naam van [gedaagde 2] is gesteld en door [gedaagde 2] zelf is ondertekend. Ook heeft [gedaagde 2] er geen verklaring voor dat zij kennelijk alle op haar naam gestelde opdrachtbevestigingen en facturen niet heeft gezien.

[gedaagde 2]’s stelling dat als [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] stelt dat zij op de hoogte was van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] en daaraan haar medewerking heeft gegeven door daarvoor haar betaalrekening ter beschikking te stellen, [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dat dient te bewijzen, is juist met dien verstande dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] die stelling niet behoeft te bewijzen als er onvoldoende verweer wordt gevoerd en de rechtbank tot de conclusie komt dat de stukken voldoende grondslag bieden om hetgeen [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] stelt, bewezen te oordelen.

4.9. Dit geval doet zich hier voor.

Het verweer van [gedaagde 2] roept dermate veel vragen op en is zo weinig onderbouwd dat de rechtbank de op zich zelf logische en met feiten onderbouwde redenering van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] als onvoldoende weersproken volgt. Dit betekent dat de rechtbank concludeert dat het door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] gestelde onrechtmatige handelen, het bewust medewerken aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] door het ter beschikking stellen van haar betaalrekening, door [gedaagde 2] heeft plaatsgevonden. Er is hier sprake van gezamenlijk optreden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zodat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] ten gevolge van dit handelen geleden schade.

4.10. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] vordert betaling van de kosten van het interne boekhoudkundig onderzoek (€ 4.589,40,-), de kosten van het onderzoek door ABN Amro naar de sealbags

(€ 500,-), de kosten van juridische bijstand, de kosten van beslag, de kosten van bewaring van de auto’s en buitengerechtelijke kosten. [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] baseert deze laatste schadepost op het rapport Voorwerk II en de kosten van het interne, respectievelijk externe onderzoek en de juridische bijstand op HR 1 juli 1993, HR 1995, 150.

De rechtbank zal haar beslissing op dit punt aanhouden totdat [gedaagde 1] - desgewenst - tegenbewijs heeft geleverd.

4.11. Niettemin acht de rechtbank het doelmatig dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] nu reeds nader inlichtingen verschaft over de door haar gevorderde kosten.

Het feit dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] onderzoekskosten en kosten wegens juridische bijstand heeft gemaakt kan zonder meer redelijk worden geacht; met betrekking tot de redelijkheid van de hoogte van de gemaakte kosten behoudt de rechtbank zich haar oordeel voor.

De rechtbank verzoekt [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] om bij akte de navolgende inlichtingen te verschaffen:

- in de processtukken worden ter zake van het verrichte interne onderzoek voor dezelfde personen uiteenlopende tijdseenheden en uurtarieven opgevoerd. Hoe komt dat?

[eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dient een gespecificeerde opgave van de uitgevoerde verrichtingen van [werknemer 3], M. [werknemer 1] en K. [werknemer 2] en [betrokkene] in het geding te brengen;

- tevens dient [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] over te leggen een specificatie van het door mr. Loor in rekening gebrachte honorarium;

- [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dient over te leggen een specificatie van de door ABN Amro bank in rekening gebrachte kosten;

- [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] dient nader aan te geven en te specificeren waaraan en door wie naast de werkzaamheden door werknemers van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3], ABN Amro bank en mr. Loor, ook nog buitengerechtelijke werkzaamheden zijn besteed.

4.12. De rechtbank houdt voor het overige iedere beslissing aan.

in reconventie

4.13. De vordering van [gedaagde 1] tot betaling van een bedrag van € 6.515, 29 op grond van de overeenkomst van 9 januari 2006 hangt direct samen met door [gedaagde 1] in conventie te leveren tegenbewijs. Indien [gedaagde 1] niet in het voormelde tegenbewijs slaagt, zal deze vordering van [gedaagde 1] worden afgewezen.

Nu [gedaagde 2] geen contractspartij is zal zij op dit onderdeel in haar vordering niet ontvankelijk verklaard worden.

4.14. Het beroep van [eiser 3] ter zake van de niet door haar betwiste vordering van [gedaagde 1] tot betaling van loon over de maand december, vakantiegeld en vergoeding van niet genoten vakantie uren op verrekening zal worden toegewezen, aangezien de vordering van [eiser 3], vooralsnog in ieder geval tot een bedrag van € 46.539,19 zal worden toegewezen.

[gedaagde 2] zal in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard, aangezien zij geen contractpartij is.

4.15. Nu, gelet op het daaromtrent overwogene in conventie, het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vaststaat, zal de vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot opheffing van het beslag op de door hen geduide roerende zaken worden afgewezen.

4.16. Ook het subsidiair gevorderde zal worden afgewezen nu de rechtbank niet is gebleken dat op specifieke roerende zaken in strijd met het bepaalde in artikel 447 Rv is beslag gelegd.

4.17. De rechtbank houdt voor het overige iedere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde 1] zich onrechtmatig een bedrag van € 6.450,28, respectievelijk € 27.280,- uit het vermogen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft toegeëigend,

5.2. laat [gedaagde 1] toe tot het (tegen)bewijs dat hij zich niet onrechtmatig het bedrag van € 16.000,- uit het vermogen van [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] heeft toegeëigend en deze schade niet het gevolg is van zijn onrechtmatig handelen,

5.3. bepaalt dat, indien [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] en [gedaagde 1] het bewijs door middel van getuigen willen leveren, zij binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dienen te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de volgende drie maanden,

5.4. bepaalt dat [eiser 1, eiser 2 en eiser 3] en [gedaagde 1], indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moeten opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.?