Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL6013

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
79912 - HA ZA 09-2171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Ontvanger heeft het bedrag van de teruggave omzetbelasting 2007 inzake gedaagde sub 2 eerst betaald aan gedaagde sub 1 en - na protest van gedaagde sub 2 - nogmaals betaald, maar ditmaal aan gedaagde sub 2. Vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling toegewezen jegens gedaagde sub 1 en afgewezen jegens gedaagde sub 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 79912 / HA ZA 09-2171

Vonnis van 10 februari 2010

in de zaak van

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.E. Bast,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Dongen,

gedaagde,

advocaat mr. W.R.M. Voorvaart,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] BEHEER B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Bakker.

Partijen zullen hierna de Ontvanger, [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) en [X] Beheer (gedaagde sub 2) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1],

- de conclusie van antwoord van [X] Beheer,

- het tussenvonnis van 8 juli 2009, waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2009 en de daarin genoemde stukken,

- de door partijen overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [X] Beheer heeft deel uit gemaakt van de zogenoemde “[Y Groep]”. [Y Holding B.V.] (hierna: [Y Holding]) is bestuurder geweest van [X] Beheer en heeft alle aandelen van [X] Beheer gehouden.

2.2. Enig aandeelhouder van [Y Holding] was Stichting Administratiekantoor [Y Holding] (hierna: het Administratiekantoor).

2.3. [gedaagde 1] en [betrokkene 1], de echtgenoot van [gedaagde 1] (hierna: [betrokkene 1]), zijn beiden bestuurder van het Administratiekantoor geweest.

2.4. Op 20 september 2005 is [Y Holding] in staat van faillissement verklaard, waarbij mr Aukema (hierna: de curator) tot curator is benoemd.

2.5. Bij overeenkomst van 7 maart 2007 heeft de curator alle geplaatste aandelen in het kapitaal van [X] Beheer verkocht aan [betrokken BV] (hierna: [betrokken BV]).

2.6. Bij brief van 15 mei 2007 (productie 2 bij conclusie van antwoord van [X] Beheer) heeft de Belastingdienst/Centrale Administratie aan [X] Beheer, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“(…)

U heeft een rekeningnummer aan mij opgegeven voor de Loonheffing.

Ik heb dit rekeningnummer 14.51.27.648 opgenomen in mijn administratie..

Vanaf nu zal ik voor de Loonheffing dit nieuwe rekeningnummer gebruiken voor de uitbetaling van uw teruggave(n) of voorschot(ten).

(…)”

2.7. Het verzoek aan de Belastingdienst/Centrale Administratie tot het invoeren van dit nieuwe rekeningnummer is gedaan door [gedaagde 1] en het nieuwe nummer is een nummer van [gedaagde 1].

2.8. [X] Beheer heeft op 29 mei 2009 een wijzigingsformulier opgestuurd naar de Belastingdienst/Centrale Administratie, waarin zij heeft verzocht om bedoeld nieuwe nummer voor betaling en teruggave van belastingen weer te veranderen in een rekeningnummer van [X] Beheer.

2.9. In een Mededeling Verrekening of terugbetaling van 8 juni 2007 (productie bij conclusie van antwoord van [X] Beheer) aan [X] Beheer heeft de Belastingdienst/Centrale Administratie, voor zover hier van belang, vermeld:

“(…)

HIERBIJ DEEL IK U MEDE, DAT DE TERUGGAAF OMZETBELASTING MAART 2007 NUMMER (…) ALS VOLGT IS VERWERKT

(…)

€ 11.025,00 wordt overgeschreven op bankrekeningnr 145127648

(…)”

2.10. Op of omstreeks 5 juni 2007 heeft de Belastingdienst Rijnmond (hierna: de Belastingdienst) een bedrag van € 11.025,-- overgemaakt op meergenoemd rekening nummer 14.51.27.648 van [gedaagde 1].

2.11. Bij brief van 21 juni 2007 aan de Belastingdienst (productie 1 bij dagvaarding) heeft [betrokkene 2], mede namens [X] Beheer, voor zover hier van belang, geschreven:

“(…)

In mei heb ik van de belastingdienst twee brieven ontvangen, met kenmerk (…), waarin ik lees dat het rekeningnummer voor teruggave op verzoek is gewijzigd. Ik heb echter nooit een verzoek tot wijziging ingediend en daarnaast is het nieuw vermelde rekeningnummer voor mij volledig onbekend. (…)

Wij hebben inmiddels zelf actie genomen om de gewijzigde rekeningnummers weer om te zetten naar de oude (en juiste) nummers. (…) Het grootste probleem dat is ontstaan door dit voorval is het feit dat er een teruggaaf heeft plaatsgevonden van € 11.025,-. (…) Het bedrag is alleen overgemaakt op het verkeerde, en voor mij onbekende, rekeningnummer! U zult begrijpen dat deze situatie ontzettend lastig is, en ik moet u vragen het bedrag terug te halen en over te maken op het juiste rekeningnummer.

(…)

Machinefabriek [betrokken BV 2]. [X] Beheer B.V.

(…)

[betrokkene 2]

Directeur

(…)”

2.12. Vervolgens heeft de Belastingdienst nogmaals een bedrag van € 11.025,-- overgemaakt, ditmaal naar het rekeningnummer van [X] Beheer (hierna: de tweede betaling).

2.13. In een brief van 6 juli 2007 aan [gedaagde 1] (productie 2 bij dagvaarding) heeft de Belastingdienst, voor zover hier van belang, geschreven:

“(…)

Door een onjuist opgegeven rekeningnummer is op 5 juni 2007 door de Belastingdienst ten onrechte bedrag ad. € 11.025,00 naar uw rekeningnummer 1451.27648 overgemaakt.

Dit bedrag was echter niet voor u bestemd.

Op grond van art. 6:203 BW heeft de Belastingdienst derhalve onverschuldigd aan u betaald.

Ik verzoek u het bedrag ad. € 11.025,00 binnen twee weken aan mij terug te storten door overmaking (…)”

2.14. Een brief van 16 juli 2007 van [betrokkene 1] en [gedaagde 1] aan de Belastingdienst (productie 3 bij dagvaarding), luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

De terugstorting van de omzetbelasting van [X] Beheer B.V.is terecht gestort op ons rekening nummer, omdat;

1) Wij een vordering hebben op [X] Beheer B.V. en Machinefabriek [betrokken BV 2]..

2) Voor deze vordering zijn alle vermogensbestanddelen van beide ondernemingen verpand aan ons, de geregistreerde pandakte is reeds naar het belasting kantoor Dordrecht gestuurd, met het verzoek de bankrekening voor teruggaaf te wijzigen.

3) Het pandrecht dateert uit november 2004 en is recentelijk openbaar gemaakt aan alle debiteuren en ook aan de belastingdienst.

4) Wij overgaan tot uitwinning van onze vordering, die thans circa €300.000,= bedraagt. De leningen zijn opgeëist.

5) Zowel [X] Beheer B.V. als Machinefabriek [betrokken BV 2]. zijn reeds per aangetekend schrijven met bericht voor ontvangst in kennis gesteld van de bovengenoemde uitwinning.

6) De genoemde ondernemingen gaan na verloop van tijd failliet.

Gelet op bovenstaande verzoek ik u het rekening nummer voor teruggaaf dan ook niet te wijzigen, daar wij inmiddels aan u het pandrecht openbaar hebben gemaakt en het kantoor Dordrecht om die reden het bankrekening nummer heeft gewijzigd.

Conclusie

De heer [betrokkene 2] is gewoon op de hoogte van de openbaar making van het pandrecht en is bekend met de uitwinning. Er is dus mitsdien geen sprake van onverschuldigde betaling.

(…)”

2.15. Een op 2 november 2004 geregistreerde akte van verpanding van 1 november 2004 (productie 5 bij dagvaarding, hierna: de pandakte) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

1. (…) [X] Beheer B.V. (…), ten deze vertegenwoordigd door haar bestuurder [Y Holding B.V.], hierna te noemen: “Pandgever”

en:

2. mevrouw [gedaagde 1], hierna te noemen: “Pandhouder”

IN AANMERKING NEMENDE:

dat Pandgever jegens Pandhouder verplichtingen heeft of zal hebben uit welke hoofde dan ook in het bijzonder, doch niet daartoe beperkt uit hoofde van leveranties door Pandhouder aan Pandgever, terzake waarvan de -tot op heden onbetaald gebleven- facturen zijn verzonden als vermeld op de aan deze akte gehechte -en daarvan intergraal deel uitmakende- lijst (bijlage 1)( toevoeging rechtbank: bijlage niet bijgevoegd), hierna te noemen: “de Verplichtingen”;

(…)

1. Verpanding

Tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de Verplichtingen geeft Pandgever hierbij aan Pandhouder in eerste pand respectievelijk bij voorbaat in pand, welke inpandgeving Panhouder hierbij aanneemt:

a. alle bestaande en toekomstige vorderingen van Pandgever op derden en op groepsmaatschappijen, (…), voorzover deze bij de ondertekening van deze akte voor verpanding vatbaar zijn, alle bestaande en toekomstige vorderingen van Pandgever op banken en kredietinstellingen alsmede alle bestaande en toekomstige vorderingen van Pandgever op derden en op groepsmaatschappijen krachtens tussen Pandgever en die derden of groepsmaatschappijen op het moment van registreren van deze akte bestaande rechtsverhoudingen (hierna te nomen de “Vorderingen”).

(…)

Aldus opgemaakt in tweevoud en getekend te Dongen op 1 november 2004

Pandgever Pandhouder

[X] Beheer B.V. mevrouw [-]. [gedaagde 1]

namens deze

de heer [betrokkene 1]

(…)”

3. De vordering

3.1. De Ontvanger vordert, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en/althans [X] Beheer, voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt om aan de Ontvanger tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van € 11.025,-- te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juli 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en gedaagden, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van het geding.

Hij voert daartoe onder meer het volgende aan.

3.2. De Ontvanger heeft het bedrag van € 11.025,-- inzake de voor [X] Beheer bestemde teruggave omzetbelasting 2007 (hierna: de teruggave 2007) eerst overgemaakt op het rekeningnummer van [gedaagde 1] en daarna op het rekeningnummer van [X] Beheer (de tweede betaling). Aldus heeft de Ontvanger éénmaal teveel en dus onverschuldigd betaald. Op grond van artikel 6:203 BW heeft hij recht op terugbetaling van een gelijk bedrag.

3.3. Tussen [gedaagde 1] en [X] Beheer is in geschil of er sprake is (geweest) van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer, ter verzekering waarvan het door [gedaagde 1] gestelde pandrecht zou zijn gevestigd. Indien er ten tijde van de teruggave 2007 geen sprake (meer) was van de gestelde vordering, kan er op dat moment ook geen sprake (meer) zijn geweest van bedoeld pandrecht van [gedaagde 1].

3.4. Voorts kon de vordering op de Ontvanger inzake de teruggave 2007 ook niet rechtsgeldig stil worden verpand in 2004.

3.5. Indien er wel sprake is (geweest) van de onder 3.3. bedoelde vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer, dan is [X] Beheer als gevolg van de betaling van het bedrag van € 11.025,-- door de Ontvanger aan [gedaagde 1] gebaat in de zin van artikel 6:32 BW. De tweede betaling heeft dan onverschuldigd plaatsgevonden.

4. Het verweer

[gedaagde 1]

4.1. De conclusie van [gedaagde 1] strekt tot afwijzing van de vordering van de Ontvanger, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

Hiertoe voert zij onder meer het volgende aan.

4.2. Ter meerdere zekerheid van de vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer, heeft [X] Beheer al haar bestaande en toekomstige vorderingen verpand aan [gedaagde 1]. De verpanding van de vordering van [X] Beheer op de Ontvanger inzake de teruggave 2007, voldoet aan de vereisten van artikel 3:239 lid 1 juncto artikel 3:84 lid 2 BW en heeft dus rechtsgeldig plaatsgevonden.

4.3. [gedaagde 1] heeft aan de Ontvanger mededeling gedaan van haar pandrecht op de vordering van [X] Beheer inzake de teruggave 2007. Op grond van artikel 3:246 lid 1 B en artikel 12 van de pandakte was [gedaagde 1] als pandhoudster bevoegd deze vordering te innen.

4.4. De Ontvanger heeft dan ook niet onverschuldigd betaald aan [gedaagde 1].

[X] Beheer

4.5. De conclusie van [X] Beheer strekt tot afwijzing van de vordering van de Ontvanger, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten. Hiertoe voert zij onder meer het volgende aan.

4.6. Er was ten tijde van de betaling door de Ontvanger aan [gedaagde 1] geen sprake (meer) van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer.

4.7. Derhalve was er ook geen sprake (meer) van het door [gedaagde 1] gestelde pandrecht op de vordering van [X] Beheer op de Ontvanger inzake de teruggave 2007.

4.8. [X] Beheer kan niet gebaat zijn door een betaling van de Ontvanger aan [gedaagde 1].

4.9. Voor zover er al sprake zou zijn van een pandrecht van [gedaagde 1], dan heeft zij dit pandrecht niet aan de de Ontvanger meegedeeld voordat hij overging tot betaling aan haar.

4.10. Voorts kan de vordering van [X] Beheer inzake de teruggave 2007 niet rechtsgeldig verpand zijn in 2004.

4.11. Gezien het bovenstaande is de tweede betaling geen onverschuldigde betaling van de Ontvanger aan [X] Beheer.

5. De beoordeling

[gedaagde 1]

5.1. Onderzocht zal worden of de Ontvanger het bedrag van € 11.025,-- inzake de teruggave 2007 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde 1]. Krachtens artikel 6:203 lid 1 BW is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt dat indien de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast inzake de onverschuldigde betaling op de Ontvanger.

5.2. Als eerste dient de vraag inzake het al dan niet bestaan van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer te worden beantwoord. Indien [gedaagde 1] ten tijde van de in 5.1. genoemde betaling geen vordering (meer) had op [X] Beheer, kan ook geen sprake (meer) zijn geweest van het gestelde, ter verzekering daarvan gevestigde, stil pandrecht op de vordering inzake de teruggave 2007. In dat geval kan [gedaagde 1] ook niet inningsbevoegd zijn geweest terzake van het bedrag van de teruggave 2007. Dit bedrag is dan zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd aan haar betaald.

5.3. De Ontvanger heeft in de dagvaarding op een aantal punten geen (eenduidig) standpunt ingenomen maar volstaan met verwijzing naar geschilpunten tussen [gedaagde 1] en [X] Beheer. Ten aanzien van de voorliggende vraag inzake het bestaan van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer, heeft de Ontvanger in de dagvaarding onder meer verwezen naar de betwisting door [X] Beheer. In de op 21 oktober 2009 ontvangen brief aan de rechtbank, heeft de Ontvanger zijn standpunt wel eenduidig als volgt verwoord: “(…) De Ontvanger handhaaft zijn in de dagvaarding ingenomen standpunt dat (i) [gedaagde 1] wegens het ontbreken van verzekerde verplichtingen geen pandrecht (meer) had (…)”. Gelet hierop en op hetgeen de Ontvanger in lijn hiermee naar voren heeft gebracht ter comparitie, worden de stellingen van de Ontvanger zo gelezen dat hij zich er op beroept dat er ten tijde van de betaling aan [gedaagde 1] geen sprake (meer) was van bedoelde vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer.

5.4. In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde 1] hierover, onder verwijzing naar de pandakte, slechts het volgende naar voren gebracht. In het verleden heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 300.000,-- geleend aan een groep van vennootschappen. Alle vennootschappen binnen deze groep zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld. Ter meerdere zekerheid van haar vordering heeft [gedaagde 1] onder meer bedongen dat [X] Beheer per 1 november 2004 alle bestaande en toekomstige vorderingen op derden aan haar zou verpanden.

5.5. De rechtbank overweegt als volgt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kunnen bovenstaande algemeen geformuleerde stellingen van [gedaagde 1] niet gelden als een voldoende betwisting van het beroep van de Ontvanger op het ontbreken van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer. [gedaagde 1] laat immers na de betrokken partijen te specificeren en zij onderbouwt op geen enkele wijze het (nog) bestaan van een vordering (op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid?) van [X] Beheer. Nu [gedaagde 1] bovendien afwezig was bij de comparitie van partijen (haar advocaat heeft twee dagen vóór de zitting laten weten dat hij zelf niet aanwezig zou zijn en dat hij ten zeerste betwijfelde of zijn cliënte wel zou verschijnen), heeft zij de gelegenheid voorbij laten gaan om haar stellingen nader te specificeren of te onderbouwen.

5.6. Gelet op het voorgaande, wordt als vaststaand aangenomen dat er ten tijde van de betaling door de Ontvanger van het bedrag van € 11.025,-- aan [gedaagde 1] geen sprake (meer) was van een vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer. Zoals hierboven onder 5.2. is overwogen, betekent dit dat de Ontvanger het bedrag van € 11.025,-- onverschuldigd aan [gedaagde 1] heeft betaald. De vordering van de Ontvanger tot terugbetaling van het bedrag van € 11.025,-- zal jegens [gedaagde 1] worden toegewezen.

5.7. Teven zal als onbetwist de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juli 2007 worden toegewezen.

5.8. Als de ten opzichte van de Ontvanger in het ongelijk gestelde partij, zal [gedaagde 1] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Ontvanger, tot op heden begroot op:

Dagvaarding € 767,--

Griffierecht € 313,--

Salaris advocaat (2 punten à € 452,-- ) € 904,-- +

Totaal € 1.984,--

[X] Beheer

5.9. Ingevolge artikel 6:32 BW zou de Ontvanger met haar betaling van het bedrag van € 11.025,-- aan [gedaagde 1] bevrijdend hebben betaald tegenover [X] Beheer, voor zover [X] Beheer de betaling zou hebben bekrachtigd of erdoor zou zijn gebaat. De Ontvanger stelt dat [X] Beheer mogelijk gebaat is door de betaling aan [gedaagde 1], omdat een eventuele betalingsverplichting van [X] Beheer aan [gedaagde 1] aldus met het bedrag van € 11.025,-- is verminderd.

5.10. Het staat vast (zie 5.6.) dat er ten tijde van de betaling door de Ontvanger van het bedrag van € 11.025,-- aan [gedaagde 1] geen sprake (meer) was van de gestelde vordering van [gedaagde 1] op [X] Beheer. Zoals de Ontvanger ter comparitie ook heeft opgemerkt, betekent dit dat het beroep op artikel 6:32 BW niet kan slagen (wat er overigens zij van de juistheid van dit beroep indien bedoelde vordering wel zou hebben bestaan). Gelet hierop faalt ook het beroep van de Ontvanger op onverschuldigde betaling van de tweede betaling (ad € 11.025,--). De vordering tot terugbetaling van

€ 11.025,-- zal jegens [X] Beheer dan ook worden afgewezen.

5.11. Als de ten opzichte van [X] Beheer in het ongelijk gestelde partij, zal de Ontvanger worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [X] Beheer, tot op heden begroot op:

Griffierecht € 313,--

Salaris advocaat (2 punten à € 452,-- ) € 904,-- +

Totaal € 1.217,--

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde 1], om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Ontvanger te betalen een bedrag van € 11.025,--, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan de Ontvanger van een bedrag van € 1.984,--, inzake de aan de zijde van de Ontvanger gemaakte proceskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de Ontvanger tot betaling aan [X] Beheer van een bedrag van

€ 1.217,--, inzake de aan de zijde van [X] Beheer gemaakte proceskosten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010.?