Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL5671

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
11/992673-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

een biochemische fabriek die onder andere melkzuur produceert, heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten in de milieusfeer. Het bedrijf heeft een lekkage van melkzuur niet gemeld aan het bevoegde gezag. Verdachte heeft tezamen en in vereniging opdracht gegeven aan het meermalen, in strijd met de wet en/of de aan het bedrijf verleende vergunning niet zo spoedig mogelijk melden van de lekkage. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke geldboetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/992673-08

verkort vonnis van de meervoudige economische strafkamer d.d. 25 februari 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

[Geboortedatum en geboorteplaats],

[adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 11 februari 2010.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur, bij het niet naar behoren verrichten van de taakstraf te vervangen door 75 dagen hechtenis.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 een bewijsverweer gevoerd. Zij heeft tevens een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

de besloten vennootschap [medeverdachte 1] in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem, als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres en vestigingsplaats], alwaar (ondermeer) melkzuur en melkzuurderivaten en lactitol werden geproduceerd, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en categorie

4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan namelijk:

een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler),

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, opdracht heeft gegeven

2.

de besloten vennootschap [medeverdachte 1] in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zich, opzettelijk,

heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de aan haar, verdachte, op 10 juni 2004 (onder nummer 2004-8083, zaaknummmer 2004-1442) door of namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning voor het lozen van koelwater, ketelspuiwater, terugspoelwater van de filtratie units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater,

immers,

toen als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), koelwater met melkzuur (storkzuur) in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen in de nabijheid van de [adres]en de met deze vijver in verbinding staande Linge, werd geloosd,

heeft zij in strijd met voorschrift 9 van deze vergunning, niet onmiddellijk het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland telefonisch en binnen 24 uur schriftelijk van deze calamiteit in kennis gesteld,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, opdracht heeft gegeven.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de rechtspersoon [medeverdachte 1] opzettelijk de in de in de tenlastelegging genoemde strafbare feiten heeft begaan. De raadsman voert daartoe het volgende aan. Het opzet van [medeverdachte 1] kan niet worden afgeleid uit de feitelijke gang van zaken of het klimaat van het bedrijf danwel uit de inrichting van de onderneming. Daarnaast is geen sprake van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen bij de betrokken functionarissen, waaronder verdachte, zodat ook op basis hiervan geen sprake kan zijn van toerekening van opzet aan [medeverdachte 1].

Voorts kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen feitelijk leiding heeft gegeven danwel opdracht heeft gegeven aan de ten laste gelegde verboden gedragingen, nu de verdachte geen opzet op het feit en op het samenwerken tot het plegen van het feit heeft gehad.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Opzet [medeverdachte 1]

Vast staat dat in de periode 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem een ongewoon voorval heeft plaatsgevonden bij [medeverdachte 1] waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan. Dit ongewone voorval betreft een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler). Ook staat vast dat het ongewone voorval door de betrokken functionarissen van [medeverdachte 1], waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], niet is gemeld aan het bevoegde gezag, zijnde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem of de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid.

Nu er sprake is van nalaten door personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, is het niet (laten) melden van het ongewone voorval verricht in de sfeer van de rechtspersoon zodat daarmee de gedragingen van (onder andere) verdachte redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon [medeverdachte 1].

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [medeverdachte 1] opzettelijk het ongewone voorval niet heeft gemeld aan het bevoegde gezag.

Het opzet van een rechtspersoon op een bepaalde gedraging kan onder andere blijken uit de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende uit de bewijsmiddelen is gebleken dat binnen [medeverdachte 1] een klimaat heerst dat in het teken staat van de intentie tot het verrichten van verboden gedragingen. De enkele weergave in het dossier van het niet melden van incidenten in het verleden is voor de rechtbank onvoldoende grond om zo-een klimaat binnen het bedrijf aannemelijk te achten. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de incidentenprocedure blijkt dat [medeverdachte 1] juist is ingericht om het in strijd met de wet niet melden van incidenten te voorkomen.

Er kan ook sprake zijn van opzet van een rechtspersoon in het geval dat het opzet van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. In de onderhavige zaak is de gedraging, het niet (laten) melden van het ongewone voorval, verricht door functionarissen binnen [medeverdachte 1]. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte ten tijde van de lekkage binnen [medeverdachte 1] verantwoordelijk was voor het (laten) melden van incidenten aan het bevoegde gezag en dat hij binnen de onderneming ook als vraagbaak en de terzake verantwoordelijke persoon werd beschouwd. Nu er sprake is van nalaten door een persoon (verdachte) die uit hoofde van zijn dienstbetrekking werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon, is het niet (laten) melden van het ongewone voorval verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kan daarmee de gedraging van verdachte redelijkerwijs aan [medeverdachte 1] worden toegerekend. De vraag of opzettelijk is gehandeld door [medeverdachte 1] dient om deze reden toegespitst te zijn op de vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het ongewone voorval in de tenlastelegging is gespecificeerd als een grote lekkage van melkzuur in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar. Mede gelet op diens requisitoir heeft de officier van justitie met het door hem in deze tenlastelegging omschreven verwijt kennelijk uitsluitend het oog gehad op de in het dossier beschreven lekkage gedurende ruim achtenveertig uur. Een eventuele geringere of korter durende lekkage is mitsdien niet (ook) tenlastegelegd.

Voor opzet is noodzakelijk dat wettig en overtuigend is bewezen dat doelbewust het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, niet is gemeld. Verdachte was op het moment van handelen, op basis van de informatie die getuige [getuige 1] aan medeverdachte [medeverdachte 2] had verstrekt, in de veronderstelling dat de lekkage van melkzuur van korte duur was en dat deze lekkage inmiddels was gestopt door het uitzetten van de stork. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met deze wetenschap doelbewust en daarmee opzettelijk de beslissing heeft genomen om een grote lekkage van melkzuur in koelwater niet te (laten) melden.

Ook de vraag of er sprake was van voorwaardelijk opzet om in strijd met de wet een grote lekkage van melkzuur niet te melden aan het bevoegde gezag, moet naar oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Zoals de Hoge Raad al diverse malen heeft overwogen is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

In de onderhavige zaak speelt de vraag of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, ten onrechte niet zou worden gemeld aan het bevoegde gezag. Op het moment van handelen was verdachte zich niet bewust van het feit dat er sprake was van een grote lekkage van melkzuur en hierdoor was hij zich ook niet bewust van de aanmerkelijke kans dat het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, ten onrechte niet zou worden gemeld aan het bevoegde gezag. Nu er bij verdachte geen sprake was van wetenschap, kan om deze reden niet van voorwaardelijk opzet van verdachte gesproken worden.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [medeverdachte 1] opzettelijk een ongewoon voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld.

Opdracht geven

De rechtbank verwijst voor de positie van verdachte binnen [medeverdachte 1] naar de bewijsmiddelen en naar hetgeen zij dienaangaande hiervoor heeft overwogen.

Verdachte heeft, na overleg met medeverdachte [medeverdachte 2], geconcludeerd dat het incident niet aan de overheid gemeld hoefde te worden en heeft deze conclusie vervolgens doorgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Dit heeft hij gedaan met de wetenschap dat medeverdachte [medeverdachte 2] deze conclusie zou overbrengen aan de bij het incident betrokken functionarissen van [medeverdachte 1]. Hiermee heeft verdachte opzettelijk opdracht gegeven om het incident niet te melden aan het bevoegde gezag.

Nu het door [medeverdachte 1] begane strafbare feit niet opzettelijk is gepleegd, behoeft de opzet van de opdrachtgever enkel te zien op de strafbare gedraging, niet op de strafbepalende omstandigheden van de gedraging.

Het feit dat verdachte ten tijde van het nemen van de beslissing om het incident niet extern te (laten) melden, in de veronderstelling verkeerde dat er sprake was van een kleine lekkage is niet relevant voor het bewijs van opzettelijk handelen door verdachte, omdat de specificatie in de tenlastelegging van het ongewone voorval enkel een strafbepalende omstandigheid is.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] in strijd met de wet niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval aan het bevoegde gezag. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ten aanzien van feit 2

Opzet [medeverdachte 1]

Vast staat dat er in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem een calamiteit heeft plaatsgevonden bij [medeverdachte 1], waarbij als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler) een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur), in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver en de met deze vijver in verbinding staande Linge, eveneens een oppervlaktewater, heeft plaatsgevonden. Ook staat vast dat het bevoegde gezag, zijnde het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, niet onmiddellijk door de betrokken functionarissen van [medeverdachte 1] in kennis is gesteld van deze calamiteit.

Nu er sprake is van nalaten door personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, is het niet (laten) melden van het ongewone voorval verricht in de sfeer van de rechtspersoon zodat daarmee de gedragingen van (onder andere) verdachte redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan [medeverdachte 1].

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [medeverdachte 1] opzettelijk het strafbare feit heeft gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opzettelijk het Waterschap Rivierenland niet in kennis heeft gesteld van de eerdergenoemde calamiteit. De rechtbank merkt daarbij het volgende op.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte wist dat er sprake was van een lekkage van melkzuur in het koelwater, dat het koelwater met melkzuur via de cascade in de uitlaatvijver liep en dat dit koelwater via de overloop van de uitlaatvijver werd geloosd op het oppervlaktewater van de Linge. Met deze wetenschap heeft hij toch geconcludeerd dat het incident niet aan de overheid gemeld hoefde te worden. Verdachte heeft aldus doelbewust en dus opzettelijk besloten het Waterschap Rivierenland niet onmiddellijk in kennis te (laten) stellen van de calamiteit.

Aangezien verdachte een functie binnen [medeverdachte 1] bekleedde waarin hij verantwoordelijk was voor het extern melden van incidenten aan het bevoegde gezag en hij in de ten laste gelegde periode binnen [medeverdachte 1] een centrale en invloedrijke positie had, kan zijn opzet worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Opdracht geven

Zoals eerder overwogen is verdachte tot de conclusie gekomen dat het incident niet aan de overheid gemeld hoefde te worden. Hij heeft deze conclusie doorgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Dit heeft hij gedaan met de wetenschap dat medeverdachte [medeverdachte 2] zijn conclusie aan de bij het incident betrokken functionarissen van [medeverdachte 1] zou mededelen. Door zo te handelen heeft verdachte welbewust opdracht gegeven de lozing van koelwater met melkzuur in oppervlaktewateren niet aan het Waterschap Rivierenland te melden.

Gelet op bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] gepleegde strafbare feit, zijnde het opzettelijk in strijd met een vergunningsvoorschrift niet onmiddellijk in kennis stellen van het bevoegde gezag van een calamiteit. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Medeplegen opdracht geven (feiten 1 en 2)

Uit de verklaringen die verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie hebben afgelegd blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] verdachte heeft benaderd met de vraag of het incident gemeld diende te worden nu verdachte binnen het bedrijf als zijn vraagbaak fungeerde op het gebied van milieukwesties. Op basis van de informatie die medeverdachte [medeverdachte 2] aan verdachte verstrekte, is verdachte tot de conclusie gekomen dat het incident niet gemeld hoefde te worden aan de overheden, hetgeen hij aan medeverdachte [medeverdachte 2] heeft medegedeeld. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft, na dit overleg, de andere bij het incident betrokken functionarissen van [medeverdachte 1] dienovereenkomstig geïnstrueerd.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het besluit om het incident niet te melden sprake was van een opzettelijk samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij hebben in samenspraak de bij het incident betrokken functionarissen opdracht gegeven om het incident niet extern te melden. De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 17.2 VAN DE WET MILIEUBEHEER, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, TERWIJL HIJ TEZAMEN EN IN VERENIGING MET EEN ANDER TOT HET FEIT OPDRACHT HEEFT GEGEVEN.

2.

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 30A VAN DE WET VERONTREINIGING OPPERVLAKTEWATEREN (OUD), OPZETTELIJK BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, TERWIJL HIJ TEZAMEN EN IN VERENIGING MET EEN ANDER TOT HET FEIT OPDRACHT HEEFT GEGEVEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straffen hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder diens draagkracht, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In september 2007 heeft er in het productieproces van [medeverdachte 1] een lekkage van melkzuur in koelwater plaatsgevonden als gevolg van een kapotte warmtewisselaar. Het met melkzuur vervuilde koelwater is vervolgens in de uitlaatvijver gekomen en via een overstort in de rivier de Linge. Door de lekkage niet te melden aan het bevoegde gezag, zijnde het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland, de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid en het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Gorinchem, heeft [medeverdachte 1] zich aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt.

Verdachte was manager van de afdeling QESH (Quality Environment Safety Health) en verantwoordelijk voor het extern melden van incidenten binnen [medeverdachte 1]. Verdachte heeft in deze hoedanigheid, samen met medeverdachte [medeverdachte 2], opdracht gegeven aan het meermalen, in strijd met de wet en/of de aan [medeverdachte 1] verleende vergunning niet zo spoedig mogelijk melden van de lekkage aan het bevoegde gezag.

De rechtbank is van oordeel dat de bovengenoemde strafbare feiten ernstige feiten zijn.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er massale vissterfte is opgetreden in de rivier de Linge. Uit het dossier blijkt dat zeker 20.000 kilo vis is gestorven. De vissterfte is opgetreden in dezelfde periode als bovengenoemde lozing van met melkzuur verontreinigd koelwater in de Linge. De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat in verschillende in het strafdossier opgenomen rapportages wordt geconcludeerd dat het lozen van melkzuur in water vissterfte kan veroorzaken. Dat tengevolge van de onderhavige lozing daadwerkelijk vissen dood zijn gegaan, blijkt onder andere uit het feit dat er na de lekkage van melkzuur in het koelwater dode vissen in de uitlaatvijver van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] in de bewezen verklaarde periode geconstateerd dat de visjes die hij als aas gebruikte, binnen zeer korte tijd stierven nadat hij het water in zijn emmer had ververst met water uit het watervalletje van de uitlaatvijver van [medeverdachte 1].

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende is gebleken dat de lozing van melkzuur in (oppervlakte)water door [medeverdachte 1] vissterfte van enige importantie heeft veroorzaakt. Door de lozing van melkzuur is niet alleen voor het ecosysteem in het water gevaar ontstaan, maar de lozing heeft ook gevaar voor de gezondheid van mensen doen ontstaan. Het is algemeen bekend dat er in de rivier de Linge en het Kanaal van Steenenhoek regelmatig door omwonenden en recreanten wordt gevist of gezwommen. Doordat er melkzuur in de rivier is gekomen, is er ook hinder en schade voor de visserij ontstaan.

De rechtbank vindt overigens in het dossier onvoldoende aanleiding om de totale daarin beschreven vissterfte aan de lozing van [medeverdachte 1] toe te rekenen.

Nu binnen [medeverdachte 1] wordt gewerkt met potentieel schadelijke en verontreinigende stoffen mag van iedere medewerker van [medeverdachte 1], en zeker van een manager QESH, worden verwacht dat hij alert is in het geval dat er een incident plaatsvindt in het productieproces. Uit het dossier is gebleken dat er na het incident door verdachte geen instructies zijn gegeven om nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de lekkage. Verdachte concentreerde zich enkel op de technische problemen en op het zo snel mogelijk voortzetten van het productieproces. Verdachte heeft daarbij nagelaten om verdere maatregelen te treffen om de gevolgen van de lekkage van melkzuur te beperken. Niet gebleken is dat er is geprobeerd om de doorstroom van het verontreinigde koelwater naar de rivier de Linge te stoppen of te beperken. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich er onvoldoende van heeft vergewist welke gevolgen het incident mogelijk met zich zou kunnen brengen.

De officier van justitie is in zijn bewezenverklaring uitgegaan van opzettelijk handelen van [medeverdachte 1] ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat er bij feit 1 geen sprake was van opzettelijk handelen door [medeverdachte 1], zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er ruim twee jaar verstreken zijn sinds het incident heeft plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat verdachte zijn vervolging als een zware last heeft ervaren. De rechtbank zal in strafverlagende zin rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak en met de psychische gevolgen die de strafvervolging voor verdachte heeft gehad. De rechtbank houdt tevens in strafverlagende zin rekening met het feit dat [medeverdachte 1] inmiddels op meerdere vlakken verbeteringen in haar bedrijfsvoering heeft doorgevoerd met het doel te voorkomen dat zij in de toekomst wederom meldenswaardige incidenten niet (tijdig) meldt aan het bevoegde gezag.

De rechtbank heeft ten slotte gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2009 waaruit niet blijkt van eerdere contacten met justitie..

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat voorwaardelijke geldboetes van na te noemen hoogte passend en geboden zijn. Deze voorwaardelijke straffen dienen verdachte te doordringen van de ernst van de feiten en dienen hem ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan strafbare feiten.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten, de artikelen 1.1, 8.1, 17.1 en 17.2 van de Wet Milieubeheer, bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer en artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Ten aanzien van feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,= (vijfhonderd euro) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen;

- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,= (eenduizend euro) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen;

- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, en mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Westerhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 februari 2010.

Mrs. Wouters en Heijnen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

de besloten vennootschap [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

al dan niet opzettelijk,

als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres en vestigingsplaats], alwaar (ondermeer) melkzuur en/of melkzuurderivaten en/of lactitol werden geproduceerd, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en/of categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, namelijk:

een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler),

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

art 1a Wet op de economische delicten

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 17.2 lid 1 Wet Milieubeheer

2.

de besloten vennootschap [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zich, al dan niet opzettelijk,

heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de aan haar, [medeverdachte 1] , op 10 juni 2004 (onder nummer 2004-8083, zaaknummmer 2004-1442) door of namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning voor het lozen van koelwater, ketelspuiwater, terugspoelwater van de filtratie units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater,

immers,

toen als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler) koelwater met melkzuur (storkzuur) op/in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen aan of in de nabijheid van de [adres]en/of de met deze vijver in verbinding staande Linge, werd geloosd,

heeft [medeverdachte 1], in strijd met voorschrift 9 van deze vergunning, niet onmiddellijk het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland telefonisch en/of binnen 24 uur schriftelijk van deze calamiteit, althans uitzonderlijke omstandigheid, in kennis gesteld,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

art 1a Wet op de economische delicten

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 30a Wet verontreiniging oppervlaktewateren