Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL5644

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
11/992614-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het productieproces van verdachte, rechtspersoon, heeft een lekkage van melkzuur in koelwater plaatsgevonden. Enkele maanden later was er wederom sprake van een lekkage, nu een lekkage van de stof ethyllactaat. Beide lekkages zijn in strijd met de wet en/of in strijd met een aan verdachte verleende vergunning niet zo spoedig mogelijk gemeld aan het bevoegde gezag. Door het lozen van koelwater met melkzuur in de uitlaatvijver en in de Linge heeft verdachte zonder vergunning melkzuur in oppervlaktewateren geloosd. Partiele vrijspraak ten aanzien van het opzet van verdachte. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke geldboetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/992614-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige economische strafkamer d.d. 25 februari 2010

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

[adres en vestigingsplaats]

Mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 februari 2010, waarbij de officier van justitie mr. L.W. Boogert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering waarmee het onder 3 ten laste gelegde feit is komen te vervallen. De vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 6 tot en met 8 september 2007, al dan niet opzettelijk, een ongewoon voorval in haar inrichting, zijnde een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag;

feit 2: in de periode van 6 tot en met 8 september 2007, al dan niet opzettelijk, in strijd met een voorschrift, verbonden aan de verdachte ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning, niet onmiddellijk het bevoegde gezag in kennis heeft gesteld van een calamiteit, zijnde een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in oppervlaktewater, veroorzaakt door een kapotte warmtewisselaar (koeler);

feit 4: in de periode van 6 tot en met 8 september 2007, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een hoeveelheid melkzuur (storkzuur) met behulp van een lozingspijp en/of een overstortvoorziening (cascade) in het oppervlaktewater heeft gebracht;

feit 5: op 19 februari 2008, al dan niet opzettelijk, een ongewoon voorval in haar inrichting, zijnde een lekkage van ethyllactaat als gevolg van een kapotte (pomp)leiding, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit primair nietigheid van de dagvaarding bepleit nu de tenlastelegging niet voldoende duidelijk is en daarmee niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan.

Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat er sprake was van twee mogelijk meldingsplichtige incidenten, te weten de geuroverlast in de nacht en het ontdekken van een lekkage in de ochtend. De raadsman is van mening dat niet duidelijk is op welke (vermeend) achterwege gelaten melding de tenlastelegging precies doelt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het ongewone voorval genoemd in het onder 5 ten laste gelegde feit in de dagvaarding wordt gespecificeerd als ”een lekkage van ethyllactaat (ethyl-s-laktaat) als gevolg van een kapotte (pomp)leiding”. De tenlastelegging is hiermee op zichzelf al duidelijk. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het ongewone voorval genoemd in feit 5 in het licht van het dossier uitsluitend kan zien op de lekkage van ethyllactaat in de ochtend, en niet op de geuroverlast in de nacht.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde in de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven en begrijpelijk is. Verdachte heeft ook blijk gegeven zich terzake naar behoren te kunnen verdedigen. Voorts is bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de dagvaarding ook voor het overige aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (opzettelijk) een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, zijnde een grote lekkage van melkzuur in het koelwater als gevolg van een kapotte heater (warmtewisselaar), niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte (opzettelijk) in strijd met een vergunningvoorschrift het bevoegde gezag niet onmiddellijk in kennis heeft gesteld van een calamiteit, zijnde een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in het oppervlaktewater van de uitlaatvijver en de rivier de Linge.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feiten 1 en 2 het volgende aangevoerd. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat in de nacht van 7 op 8 september 2007 sprake is geweest van een lekkage van een heater waardoor een aanzienlijke lozing van melkzuur in het koelwater heeft plaatsgevonden. Door het melkzuur is de pH-waarde van het koelwater gedaald. Uit diverse, in het dossier opgenomen, rapporten blijkt dat melkzuur toxisch en verzurend is en een hoog zuurstofverbruik heeft. Het met melkzuur vervuilde koelwater is vervolgens geloosd in de uitlaatvijver en in de Linge, beide oppervlaktewateren. Er is schuimvorming op het water ontstaan en het water had een hoge COD-waarde (zuurstofverbruik).

Nadat de lekkage rond middernacht was ontdekt, is de productie stilgelegd en hebben medewerkers van verdachte met de operations manager en de ‘milieumanager’, zijnde medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], telefonisch contact opgenomen. Beide medeverdachten zijn vervolgens in samenspraak met elkaar tot de conclusie gekomen dat de lekkage niet aan het bevoegde gezag gemeld behoefde te worden. Zij waren bevoegd om deze beslissing te nemen, omdat zij, gelet op hun functieomschrijvingen, verantwoordelijk waren voor de naleving van het kwaliteit- en milieubeleid van verdachte. De lekkage is, in overeenstemming met het eerdergenoemde besluit van beide medeverdachten, niet extern gemeld.

De officier van justitie heeft de overtuiging dat de medeverdachten bij het nemen van de beslissing om de lekkage niet te melden, slechts hebben gevaren op indrukken. Zij hebben nagelaten om nader onderzoek te verrichten naar de omvang van de lekkage en om maatregelen te nemen ter beperking van de mogelijke gevolgen van de lekkage. Er is volle aandacht geweest voor het interne technische probleem, maar onvoldoende voor de externe gevolgen .

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (opzettelijk) zonder vergunning een hoeveelheid melkzuur (storkzuur) in de uitlaatvijver en de Linge heeft gebracht.

Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat een aanzienlijke hoeveelheid (tussen de 5 en 17 ton) melkzuur in het koelwater is geloosd als gevolg van de bovenomschreven lekkage van de heater. Uit getuigenverklaringen opgenomen in het dossier is gebleken dat het koelwater met melkzuur via een cascade in de uitlaatvijver is gestroomd en het vervuilde water van de uitlaatvijver vervolgens via een tweede cascade in de Linge is gekomen. Zowel de uitlaatvijver als de Linge zijn oppervlaktewateren in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

De officier van justitie acht onder 5 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een lekkage van ethyllactaat (ethyl-s-laktaat), waardoor nadelige gevolgen voor het milieu dreigden te ontstaan, niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag.

Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. De tenlastelegging ziet op een lekkage van ethyllactaat. Uit het dossier is gebleken dat om 07.00 uur een lekkage van deze stof is ontdekt door functionarissen van verdachte. Ethyllactaat kan geuroverlast veroorzaken. Nu lekkage van deze stof om die reden een nadelig effect op het milieu kan hebben, had de verdachte direct het bevoegde gezag in kennis moeten stellen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het bevoegde gezag eerst uren na de ontdekking van de lekkage op de hoogte is gebracht, terwijl het melden binnen enkele minuten na de ontdekking plaats had moeten vinden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk de in de tenlastelegging genoemde lekkage van melkzuur (storkzuur) niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag c.q. opzettelijk verontreinigd koelwater heeft laten uitstromen in oppervlaktewater.

Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. In de periode van 6 tot en met 8 september 2007 was er sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waardoor de ernst van het incident onvoldoende is ingeschat. Met de kennis van nu staat buiten kijf dat het incident destijds had moeten worden gemeld aan het bevoegde gezag. Van opzet op verzwijgen is evenwel volstrekt geen sprake geweest, ook niet in voorwaardelijke vorm. Ten tijde van het ontdekken van de lekkage was er sprake van een bescheiden hoeveelheid melkzuur die terecht was gekomen in de eigen uitlaatvijver van verdachte. Melkzuur is eenvoudig biologisch afbreekbaar en zou naar verwachting in die vijver snel worden afgebroken. In dat licht bezien is die nacht door de operators en supervisors begrijpelijk gehandeld. De incidentenprocedure is gevolgd en de fabriek is direct na het ontdekken van de lekkage stilgelegd. Het lek is binnen 30 minuten gevonden en vervolgens gerepareerd. Supervisor [getuige 1] belde met zijn baas, medeverdachte [medeverdachte 2], die op zijn beurt weer direct QESH-manager [medeverdachte 1], de andere medeverdachte, belde om te vragen of het incident moest worden gemeld aan het bevoegde gezag. [medeverdachte 2] deelde de informatie die hij van [getuige 1] had ontvangen met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft daarop de vraag gesteld waar de pH-daling was gemeten, bij de cascade of bij de overstort naar de Linge. [medeverdachte 2] heeft aangegeven dat de pH-daling was gemeten bij de cascade, waarop [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] aangaf dat de lekkage niet gemeld hoefde te worden omdat het incident binnen de inrichting was gebleven. Het melkzuur zou in de vijver snel vermengen en worden afgebroken, zodat het milieu geen gevaar liep. Ook in de dagen na ontdekking van de lekkage zijn er geen bijzonderheden geconstateerd. Dit werd ook door handhaver De Bruin van het waterschap geconstateerd op 10 september 2007.

Gelet op voorgaande was er geen sprake van het opzettelijk niet melden van de lekkage aan het bevoegde gezag cq het opzettelijk verontreinigen van oppervlaktewater. Ook is er gelet op voorgaande geen sprake van voorwaardelijk opzet van de verdachte.

Voor het geval dat de dagvaarding ten aanzien van feit 5 niet nietig is, heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat het incident geen (potentieel) gevaar voor het milieu heeft veroorzaakt. Het incident was geen meldenswaardig voorval.

Er was slechts een zeer bescheiden hoeveelheid ethyllactaat uit de kapotte leiding gelekt die is opgevangen in een bak en niet in de grond terecht is gekomen. Het feit dat het incident later wel is gemeld aan de milieudienst, omdat de toenmalige directeur van verdachte geen enkel risico wilde lopen, doet aan het voorgaande niets af.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [verdachte], gevestigd aan de [adres en woonplaats], een biochemische fabriek is die onder andere melkzuur, melkzuurderivaten en lactitol produceert. [verdachte]is een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer. Het bedrijf [verdachte]is daarnaast een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort.

Ten aanzien van feit 1

[verdachte]wordt verweten dat zij in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem, al dan niet opzettelijk, een ongewoon voorval in haar inrichting, zijnde een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid of het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem, zijnde het tot het verlenen van de milieuvergunning bevoegde gezag.

Ongewoon voorval

Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat onder een ‘ongewoon voorval’ in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer in elk geval moet worden verstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Dit begrip omvat zowel storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen van de inrichting als ongelukken en calamiteiten. Ook kleine lekkages die zich met enige regelmaat voordoen en inherent zijn aan het productieproces kunnen als een ongewoon voorval worden aangemerkt.

Uit het bepaalde in artikel 1.1 lid 2 van de Wet Milieubeheer blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval wordt verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Op 20 september 2007 heeft een toezichthouder van het Waterschap Rivierenland te Tiel een intern meldingsformulier incidenten van [verdachte]ontvangen. Het meldingsformulier is ondertekend door [getuige 1] en [medeverdachte 2] en vermeldt dat er op 6 september 2007 omstreeks 02.00 uur een incident heeft plaatsgevonden op de afdeling Liquids in gebouw nummer 16 bij de stork met codenummer HE-2507. Als omschrijving van het incident en de gevolgen hiervan is op dit formulier weergegeven dat de HE-2507 is gaan lekken naar het koelwater. Als directe gevolgen van het incident zijn op het formulier vermeld: een pH-daling van het koelwater dat naar de Linge gaat, schuimvorming en een hogere COD. Als basisoorzaak van het incident is genoteerd: de lekkage in HE-2507 waardoor storkzuur in het koelwater terecht is gekomen. Als bijlage bij het incidentenformulier is onder andere een trenddisplay van de pH-waarde van het koelwater gevoegd. Verbalisanten hebben geconstateerd dat uit deze trenddisplay blijkt dat de lekkage is begonnen op 6 september 2007 omstreeks 23.17 uur en dat de stork is uitgezet op 8 september 2007 omstreeks 02.17 uur. Er is circa 27 uur verstreken tussen het moment van het begin van de lekkage en het moment van uitzetten van de stork.

Tijdens een doorzoeking bij [verdachte]d.d. 01-11-2007 is onder andere een uitdraai van een trenddisplay van het koelwater in de periode 5 september 2007 tot en met 8 september 2007 gemaakt. Verbalisanten hebben deze trenddisplay bestudeerd en concluderen dat hieruit volgt dat in de periode van 6 september 2007 omstreeks 02.08 uur tot en met 8 september 2007 omstreeks 02.29 uur, te weten 48 uur en 21 minuten, een matig sterk zuur in het koelwater terecht is gekomen, hetgeen een daling van de pH van het koelwater ten gevolge heeft gehad.

Getuige [getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij als supervisor werkzaam is geweest bij [verdachte]en dat hij tijdens de nachtdienst van 7 op 8 september van 22.00 uur tot 06.00 uur aan het werk was. Hij heeft verder verklaard dat hij het incidentenformulier heeft opgesteld.

Medewerker [getuige 2] heeft op basis van de trend van de pH-waarde van het koelwater een berekening gemaakt van de hoeveelheid melkzuur die door de lekkage van de warmtewisselaar in het koelwater terecht moet zijn gekomen. Hij heeft op basis van zijn berekeningen geconcludeerd dat er in de periode van 6 september 2007 te 02.00 uur tot en met 8 september 2007 te 02.00 uur 19.073 liter storkzuur, zijnde 71,0 % melkzuur, is geloosd in het koelwater.

In een door drs. M.C.L. Tusveld ondertekend rapport van Rijkswaterstaat is op basis van de procesdisplays betreffende de pH-waarde en geleidbaarheid van het koelwater berekend dat er ruim 5 ton melkzuur is geloosd in een periode van 21,5 uur. Daarnaast wordt in het rapport uiteengezet dat een lozing van melkzuur drie effecten kan hebben in ontvangend (oppervlakte)water, te weten: toxiteit, pH-daling en zuurstofdepletie (zuurstoftekort).

Dr. dr. ir. V. van Ginneken, verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden, heeft in een rapport geconcludeerd dat blootstelling van vissen aan zuur te beschouwen is als blootstelling van vissen aan een toxische stof.

Verbalisant J.A.M. Koehorst, specialistisch medewerker bij VROM-IOD, heeft in een proces-verbaal van bevindingen geconcludeerd dat melkzuur in water toxisch is bij overschrijding van bepaalde waarden, alsmede pH-daling en zuurstofdepletie veroorzaakt en daardoor het ecologische evenwicht in (oppervlakte)water verstoord. Dit maakt melkzuur tot een verontreinigende of schadelijk stof voor (oppervlakte)water.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat er in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem een ongewoon voorval heeft plaatsgevonden bij [verdachte], zijnde een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan.

Melding bevoegd gezag

Op grond van artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer (OUD) is het verboden om zonder vergunning een inrichting in werking te hebben.

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem is ingevolge artikel 8.2 van de Wet Milieubeheer bevoegd om een vergunning te verlenen.

Artikelen 17.1 en 17.2 (OUD) van de Wet milieubeheer bepalen dat degene die een inrichting drijft een ongewoon voorval, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dient te melden dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer voor deze inrichting te verlenen. Hiermee is voormeld college het bevoegde gezag waaraan [verdachte]ongewone voorvallen zo spoedig mogelijk dient te melden.

Een medewerker van de gemeente Gorinchem heeft namens de gemeente Gorinchem verklaard dat meldingen van ongewone voorvallen bij de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid moeten worden gedaan, omdat de gemeente mandaat heeft verleend aan de milieudienst voor het handhaven van milieuregelgeving in de gemeente Gorinchem.

Uit de incidentenprocedure van [verdachte]blijkt dat de manager geconsigneerde en de afdeling QESH eindverantwoordelijk zijn voor het melden aan autoriteiten van incidenten.

Getuige [getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij tijdens de nachtdienst van 7 op 8 september van 22.00 uur tot 06.00 uur als supervisor werkzaam was. Tijdens het incident heeft hij met medeverdachte [medeverdachte 2] contact opgenomen. [getuige 1] heeft [medeverdachte 2] verteld wat er aan de hand was, alsmede gevraagd of het waterschap of de overheid gebeld moest worden en of er nog vervolgacties waren die hij moest verrichten. [medeverdachte 2] heeft vervolgens met medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 2] berichtte later dat zij niets meer hoefden te doen en dat ze het zo konden laten. Dit heeft [getuige 1] dan ook gedaan.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij ten tijde van het incident werkzaam was als operations manager bij [verdachte]. Zijn primaire taak als zodanig is ervoor te zorgen dat de productie volgens planning verloopt en dat alles in overeenstemming is met de normen voor kwaliteit, kosten, veiligheid en milieu. Hij werd

’s nachts gebeld door [getuige 1]. [getuige 1] vertelde hem dat de fabriek was gestopt en dat er een pH-daling was vastgesteld in het koelwater in de cascade. [medeverdachte 2] had met zijn medewerkers afgesproken dat zij hem altijd zouden bellen bij een technische storing. Om deze reden heeft [getuige 1] hem gebeld en niet de management geconsigneerde. [getuige 1] vroeg hem of er aan de overheden gemeld moest worden. [medeverdachte 2] kon deze vraag op dat moment niet beantwoorden en heeft vervolgens medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 1] is het eerste aanspreekpunt op dit vlak en is zijn vraagbaak. [medeverdachte 1] vroeg hem waar de meting van het koelwater plaats had gevonden. [medeverdachte 2] vertelde dat hij van [getuige 1] had gehoord dat er was gemeten bij de cascade in de uitlaatvijver. Hierop concludeerde [medeverdachte 1] dat het incident niet gemeld hoefde te worden, omdat het incident binnen de inrichting was gebleven. [medeverdachte 2] heeft hierop iemand van de meldkamer gebeld en hem gezegd dat er geen verdere actie behoefde te worden ondernomen.

Blijkens de taakomschrijving van de functie van medeverdachte [medeverdachte 2] behoren het tot uitvoer brengen van milieubeleid en het toezien op correcte en volledige naleving van regels, procedures en richtlijnen in werkprocessen, tot de kerntaken van de operations manager.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf 1 november 2003 werkzaam is bij [verdachte]als manager QESH (Quality Environment Safety Health). Hij is er in die functie verantwoordelijk voor dat er systemen zijn die ervoor zorgen dat [verdachte]zich aan de regels houdt op het gebied van veiligheid, milieu en kwaliteit. [medeverdachte 1] is ervan op de hoogte dat koelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater via de overloop van de koelwatervijver.

Op 8 september 2007 om 03.00 uur werd hij gebeld door medeverdachte [medeverdachte 2]. Die vertelde hem dat een warmtewisselaar kapot was gegaan waardoor melkzuur in koelwater terecht was gekomen. Verder vertelde [medeverdachte 2] dat de pH-waarde van het koelwater even onder de 5 was geweest, dat de fabriek was gestopt en dat het geheel 2 uur had geduurd. [medeverdachte 2] vroeg hem of dit gemeld moest worden. [medeverdachte 1] heeft vervolgens aan [medeverdachte 2] gevraagd waar de pH-waarde gemeten was. Als er bij de cascade in de vijver is gemeten dan is er namelijk nog geen sprake van lozing op oppervlaktewater. [medeverdachte 1] heeft geen opdracht gegeven om bij de overstort van de uitlaatvijver te meten. Hij dacht “twee uurtjes in een hele grote bak water, dan verdunt het wel uit”. Hij heeft bewust [medeverdachte 2] geadviseerd om geen contact met de overheid op te nemen, omdat er geen sprake was van milieuschade of potentiële milieuschade danwel een vergunningoverschrijding. Er was niets te melden op basis van de gegevens die [medeverdachte 2] ’s nachts aan hem had verstrekt. De manager QESH is in dagdienst verantwoordelijk voor het extern melden van een incident en daarbuiten is dat de geconsigneerde manager. [medeverdachte 2] is gebeld in plaats van de geconsigneerde manager, omdat het gebruikelijk is dat de afdeling eerst de eigen baas belt. De eigen baas is gelijkelijk bevoegd om beslissingen te nemen.

De vertegenwoordiger van verdachte, heeft ter zitting verklaard dat de lekkage van melkzuur niet is gemeld aan de gemeente Gorinchem danwel aan de milieudienst en dat de lekkage ook niet is gemeld aan het waterschap.

Op 20 september 2007 heeft een toezichthouder van het Waterschap Rivierenland te Tiel een intern meldingsformulier incidenten van [verdachte]ontvangen.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat het ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk is gemeld aan het bevoegde gezag, zijnde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem of de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid.

Vervolgens rijst de vraag of het niet zo spoedig mogelijk melden van het ongewone voorval aan het bevoegde gezag in redelijkheid aan [verdachte], zijnde een rechtspersoon, kan worden toegerekend.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden danwel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] op het moment van de lekkage verantwoordelijk was voor het melden van incidenten aan het bevoegde gezag en dat hij heeft besloten dat er niet gemeld behoefde te worden. Uit de door medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat [medeverdachte 2] als operations manager verantwoordelijkheden had op milieugebied. Hoewel hij volgens de procedures binnen [verdachte]op het moment van de calamiteit niet verantwoordelijk was voor het melden van incidenten bij het bevoegde gezag, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank deze verantwoordelijkheid wel op zich genomen door naar aanleiding van het telefoontje van getuige [getuige 1] zelf aan de slag te gaan en uiteindelijk aan de medewerkers in de fabriek terug te koppelen dat er niet gemeld behoefde te worden.

Nu er sprake is van nalaten van personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, is het niet (laten) melden van het ongewone voorval, verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen daarmee de gedragingen van de medeverdachten redelijkerwijs worden toegerekend aan de verdachte.

Opzettelijk

Het opzet van een rechtspersoon op een bepaalde gedraging kan onder andere blijken uit de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende uit de bewijsmiddelen is gebleken dat binnen de rechtspersoon [verdachte]een klimaat heerst dat in het teken staat van de intentie tot het verrichten van verboden gedragingen. De enkele weergave in het dossier van het niet melden van incidenten in het verleden is voor de rechtbank onvoldoende grond om zo-een klimaat binnen het bedrijf aannemelijk te achten. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de incidentenprocedure blijkt dat [verdachte]juist is ingericht om het in strijd met de wet niet melden van incidenten te voorkomen.

Er kan ook sprake zijn van opzet van een rechtspersoon in het geval dat het opzet van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. In de onderhavige zaak is de gedraging, het niet (laten) melden van het ongewone voorval, verricht door functionarissen van [verdachte], te weten de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. De rechtbank dient vast te stellen of deze natuurlijke personen deze gedraging opzettelijk hebben verricht en zo ja, of hun opzet aan de rechtspersoon [verdachte]kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het ongewone voorval in de tenlastelegging is gespecificeerd als een grote lekkage van melkzuur in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar. Mede gelet op diens requisitoir heeft de officier van justitie met het door hem in deze tenlastelegging omschreven verwijt kennelijk uitsluitend het oog gehad op de in het dossier beschreven lekkage gedurende ruim achtenveertig uur. Een eventuele geringere of korter durende lekkage is mitsdien niet (ook) tenlastegelegd.

De vraag of opzettelijk is gehandeld door [verdachte]dient toegespitst te zijn op de vraag of de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk hebben gehandeld. Voor wat betreft de posities en verantwoordelijkheden van deze personen binnen de onderneming van [verdachte]zij verwezen naar hetgeen terzake hiervoor is overwogen.

Voor opzet van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is noodzakelijk dat wettig en overtuigend is bewezen dat zij doelbewust het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, niet hebben gemeld. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat beide medeverdachten op het moment van hun (niet-)handelen, op basis van de informatie van getuige [getuige 1], in de veronderstelling waren dat de lekkage van melkzuur van korte duur was en dat deze lekkage inmiddels was gestopt door het uitzetten van de stork. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben in samenspraak doelbewust de beslissing genomen om deze lekkage van melkzuur in het koelwater niet te (laten) melden. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de wetenschap die zij op het moment van deze beslissing hadden, opzettelijk een grote lekkage niet hebben gemeld.

Ook de vraag of er sprake was van voorwaardelijk opzet op het in strijd met de wet niet zo spoedig mogelijk (laten) melden van een grote lekkage van melkzuur aan het bevoegde gezag moet naar oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Zoals de Hoge Raad al diverse malen heeft overwogen is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

In de onderhavige zaak speelt de vraag of de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, ten onrechte niet zou worden gemeld. Nu de medeverdachten zich op het moment van handelen niet bewust waren van het feit dat er sprake was van een grote lekkage van melkzuur, waren zij zich evenmin bewust van de aanmerkelijke kans dat het ongewone voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur, ten onrechte niet zou worden gemeld aan het bevoegde gezag. Om deze reden kan ook niet van voorwaardelijk opzet gesproken worden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte]opzettelijk een ongewoon voorval, zijnde een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag. De rechtbank benadrukt dat de impliciet subsidiair tenlastegelegde culpoze variant wel wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte wordt verweten in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem, al dan niet opzettelijk, in strijd met een voorschrift verbonden aan de verdachte op 10 juni 2004 ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning, niet onmiddellijk het bevoegde gezag in kennis te hebben gesteld van een calamiteit, zijnde een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in oppervlaktewater, veroorzaakt door een kapotte warmtewisselaar (koeler).

Lozing

Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm dan ook, te brengen in oppervlaktewateren.

Op 10 juni 2004 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland aan [verdachte]een vergunning verleend. De vergunning betreft lozing van ketelspuiwater, koelwater, terugspoelwater van de filtratie-units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater.

Een verontreinigende of schadelijke stof in oppervlaktewater is een stof die een nadelige invloed heeft op het ecosysteem in dat oppervlaktewater.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat oppervlaktewater een – anders dan louter incidenteel aanwezige – aan het aardoppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa is. Er is geen sprake van een oppervlaktewater indien als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel, geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is.

Verbalisant Ariens, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Waterschap Rivierenland te Tiel, heeft in een proces-verbaal van bevindingen verklaard dat verdachte aan de zijde van de rivier de Linge een inlaatvijver en een uitlaatvijver heeft. Vanuit de inlaatvijver wordt oppervlaktewater ingenomen dat door verdachte wordt gebruikt als koelwater. Via de uitlaatvijver wordt het koelwater weer geloosd op de rivier de Linge. De Linge, de uitlaatvijver en de inlaatvijver zijn oppervlaktewateren als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Op foto’s in het proces-verbaal is te zien dat water vanuit de fabriek door middel van een pijp in een cascade terecht komt en dan in de uitlaatvijver uitkomt en dat het water vervolgens via een overstort in de Linge terecht komt.

Verbalisanten Dekker en Raams hebben in een proces-verbaal het volgende uiteengezet. Een werk in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is een voorziening (bijvoorbeeld een pijp, riool, goot, filter, pomp of overstort) waarmee wordt geloosd op oppervlaktewateren. Een werk moet gebonden zijn aan een vaste plaats. De cascade kan gezien worden als een werk in de zin van de Wet Verontreiniging oppervlaktewateren nu het een vaste bak is die niet verplaatst kan worden. De uitlaatvijver loost via een watervalletje in de Linge. Ook deze overstort is een vast object dat niet verplaatst kan worden en daardoor een werk in de zin van de Wet Verontreiniging oppervlaktewateren.

Op zondag 9 september 2007 zag verbalisant Ariens een drijflaag van circa 200 vierkante meter op het water in de uitlaatvijver. Deze drijflaag had diverse kleurschakeringen van roomwit, beige en bruintinten.

Getuige [getuige 6] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 8 september 2007 bij het watervalletje was waar het koelwater van [verdachte]wordt geloosd in de Linge. Hij zag dat er schuim vanaf het watervalletje naar beneden kwam.

De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen genoemd bij feit 1 onder ‘ongewoon voorval’ en is op grond van deze bewijsmiddelen en op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat er in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem een calamiteit heeft plaatsgevonden bij [verdachte], waarbij als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler) een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur), in het oppervlaktewater van de uitlaatvijver en de met deze vijver in verbinding staande Linge, eveneens een oppervlaktewater, heeft plaatsgevonden.

In kennis stellen

Uit voorschrift 9 van de eerdergenoemde verleende vergunning volgt dat de vergunninghouder, [verdachte], het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland onmiddellijk telefonisch en binnen 24 uur schriftelijk in kennis moet stellen van calamiteiten of andere uitzonderlijke omstandigheden waardoor stoffen in oppervlaktewateren worden geloosd.

De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen genoemd bij feit 1 onder ‘melding bevoegd gezag’ en is op grond van deze bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat het bevoegde gezag, zijnde het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, niet onmiddellijk in kennis is gesteld van de lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in oppervlaktewateren.

Zoals overwogen bij feit 1 onder ‘melding bevoegd gezag’ waren medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het moment van de lekkage verantwoordelijk voor het melden van incidenten aan het bevoegde gezag. Nu er sprake is van nalaten van personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, is het niet (laten) melden van de calamiteit, gelet op de eerder genoemde rechtspraak van de Hoge Raad, verricht in de sfeer van de rechtspersoon waarmee de gedragingen van de medeverdachten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan [verdachte].

Opzettelijk

De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen genoemd bij feit 1 onder ‘melding bevoegd gezag’ en is op grond van deze bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in samenspraak opzettelijk de beslissing hebben genomen om Waterschap Rivierenland niet in kennis te (laten) stellen van een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in de uitlaatvijver van [verdachte]en in de met deze vijver in verbinding staande rivier de Linge. De rechtbank merkt daarbij het volgende op.

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wisten dat er sprake was van een lekkage van melkzuur in het koelwater, dat het koelwater met melkzuur via de cascade in de uitlaatvijver liep, dat de pH-waarde van het koelwater in de cascade was gedaald en dat dit koelwater via de overloop van de uitlaatvijver werd geloosd op het oppervlaktewater van de Linge. Met deze wetenschap hebben zij besloten om de lekkage niet te (laten) melden aan de overheid. Hiermee hebben beide medeverdachten doelbewust en dus opzettelijk de calamiteit niet gemeld aan Waterschap Rivierenland. De rechtbank merkt hierbij op dat de stelling van de raadsman dat medeverdachten niet beseften dat de uitlaatvijver een oppervlaktewater is, hun opzet niet wegneemt nu wetenschap omtrent de status van de uitlaatvijver daartoe niet vereist is.

Nu beide medeverdachten op het moment van de calamiteit verantwoordelijk waren voor het melden van dit incident aan het bevoegde gezag en zij in de ten laste gelegde periode een centrale en invloedrijke positie binnen [verdachte]hadden, kan hun opzet worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank acht gelet op bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]opzettelijk het bevoegde gezag, zijnde het Waterschap Rivierenland, niet onmiddelijk in kennis heeft gesteld van een lozing van koelwater met melkzuur (storkzuur) in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen in de nabijheid van [verdachte]en in de met deze vijver in verbinding staande rivier de Linge, eveneens een oppervlaktewater. De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de raadsman.

Ten aanzien van feit 4

Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een hoeveelheid melkzuur (storkzuur) met behulp van een lozingspijp en/of een overstortvoorziening (cascade) in het oppervlaktewater van de uitlaatvijver heeft gebracht en vervolgens het melkzuur met behulp van een overstortvoorziening (cascade) in het oppervlaktewater van de Linge heeft gebracht.

De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen genoemd bij feit 1 onder ‘ongewoon voorval’ en de bewijsmiddelen genoemd bij feit 2 onder ‘lozing’. Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat er in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem, zonder vergunning een hoeveelheid melkzuur (storkzuur), zijnde een schadelijke of verontreinigende stof, met behulp van een lozingspijp en een overstortvoorziening (cascade) in oppervlaktewateren, zijnde de uitlaatvijver en de Linge, is gebracht.

De lozing van melkzuur is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en daarmee kan deze gedraging aan [verdachte]worden toegerekend.

Opzettelijk

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte]opzettelijk zonder vergunning melkzuur heeft geloosd in de eerder genoemde oppervlaktewateren. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de eerder genoemde bewijsmiddelen volgt dat door de lekkage van de warmtewisselaar melkzuur in het koelwater is gelekt, dat het koelwater met melkzuur via een lozingspijp in de cascade terechtkomt en vervolgens in de uitlaatvijver uitkomt. Via een overstort vervolgde het koelwater met melkzuur zijn weg naar de rivier de Linge.

Ten aanzien van de lozing van melkzuur in de uitlaatvijver is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk melkzuur in de uitlaatvijver, zijnde een oppervlaktewater heeft gebracht. Zoals eerder overwogen is uit de bewijsmiddelen niet gebleken dat binnen [verdachte]een klimaat heerst dat in het teken staat van de intentie tot het verrichten van verboden gedragingen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het bestaan van een afdeling die zich concentreert op milieuvoorschriften, blijkt dat [verdachte]juist is ingericht om te voorkomen dat er in strijd met de wet schadelijke of verontreinigende stoffen worden geloosd in oppervlaktewater.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat (voorwaardelijk) opzettelijk melkzuur in de uitlaatvijver is geloosd, omdat op het moment waarop die lozing werd ontdekt het melkzuur al in de uitlaatvijver terecht was gekomen en meteen na die ontdekking de stork was uitgezet waardoor er geen melkzuur meer in de uitlaatvijver terecht kwam. Uit de bewijsmiddelen is niet gebleken dat bij het incident betrokken functionarissen van [verdachte]opzettelijk hebben gehandeld ten aanzien van de lozing van melkzuur in de uitlaatvijver, zodat er van (voorwaardelijk) opzettelijk lozen van melkzuur in de uitlaatvijver door [verdachte]geen sprake is.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij dacht dat het melkzuur in het koelwater wel zou verdunnen in de uitlaatvijver voordat het in de Linge terecht zou komen. Ook heeft hij verklaard dat hij geen verdere maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de lekkage, omdat hij wist dat de productie was gestopt en dat daarmee de lozing van melkzuur was beëindigd.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] opzettelijk heeft bewerkstelligd dat melkzuur in het oppervlaktewater van de rivier de Linge werd geloosd. Hij wist dat koelwater met melkzuur in de Linge werd geloosd. Daarbij maakt het niet uit dat hij ervan uitging dat het melkzuur zou verdunnen voordat het in de Linge terecht kwam. Ook verdund melkzuur kan immers schadelijk of verontreinigend zijn.

Nu medeverdachte [medeverdachte 1] op het moment van de lozing als manager QESH verantwoordelijk was voor de naleving van wetgeving op het gebied van veiligheid, milieu en kwaliteit en daarin een centrale en invloedrijke positie binnen de rechtspersoon vervulde, kan zijn opzet worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 5

Verdachte wordt verweten dat zij op 19 februari 2008 te Gorinchem, al dan niet opzettelijk, een ongewoon voorval in haar inrichting, zijnde een lekkage van ethyllactaat (ethyl-s-laktaat) als gevolg van een kapotte (pomp)leiding, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bevoegde gezag.

In een incidentenformulier, en een daarbij behorende brief van [verdachte], wordt uitgelegd dat er op 19 februari 2008 een incident heeft plaatsgevonden. Door een defecte pomp heeft er een kleine lekkage van ethyllactaat plaatsgevonden. Deze lekkage had stankoverlast ten gevolge. Via de aanwezige afvoergoot is het ethyllactaat naar een calamiteitenbak getransporteerd om vervolgens verwerkt te worden in de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Er zouden die middag tussen 14.00 uur en 17.00 uur herstelwerkzaamheden plaatsvinden.

Getuige [getuige 3], medewerker van [verdachte], heeft het volgende verklaard. Op 19 februari 2008 is hij om 06.00 uur met zijn dienst begonnen. Hij werd enige tijd later gewaarschuwd dat er ergens een lekkage was gevonden. Hij is samen met de fieldoperator naar pomp 2765 gelopen in de Pharma-plant (buiten). Hij zag dat in de leiding bij die pomp, ter hoogte van een bypass, een scheur zat en dat daaruit een hoeveelheid ethyllactaat spoot ten gevolge van de druk en de hoge temperatuur. Hij rook de voor hem kenmerkende geur van ethyllactaat, een geur die op de adem slaat. De kapotte leiding is rond 07.00 uur ontdekt. Na verloop van tijd, nadat alle voorgeschreven veiligheidsmaatregelen waren genomen, is de plant gestopt.

Een verbalisant heeft in een proces-verbaal van bevindingen de door [verdachte]in een vergunningaanvraag verstrekte toxicologische informatie van ethyl-s-laktaat weergegeven. Uit deze informatie blijkt dat ethyl-s-laktaat onder andere irritatie van ademhalingswegen en slijmvliezen kan veroorzaken en dat deze stof bij inademing van hoge dampconcentraties depressiviteit van het centraal zenuwstelsel en narcose veroorzaakt.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat op 19 februari 2008 te Gorinchem een ongewoon voorval, zijnde een lekkage van ethyllactaat (ethyl-s-laktaat) als gevolg van een kapotte (pomp)leiding, heeft plaatsgevonden, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu dreigden te ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat de lekkage van ethyllactaat nadelige gevolgen voor het milieu had kunnen veroorzaken, omdat de lekkage van ethyllactaat in de buitenlucht heeft plaatsgevonden waardoor gevaar voor de gezondheid van mensen en dieren en daarnaast geuroverlast hadden kunnen ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende is gebleken dat er door de lekkage daadwerkelijk nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan. Uit de bewijsmiddelen is enkel gebleken dat er sprake was van een anonieme geurklacht om 02.00 uur, maar het dossier bevat geen bewijsmiddelen die deze geurklacht verbinden aan de lekkage van ethyllactaat die in de ochtend ontdekt is. De rechtbank merkt daarbij op dat de officier van justitie gezien zijn requisitoir de genoemde geurklacht ook niet in zijn verwijt heeft betrokken.

Melden bevoegd gezag

Op grond van artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer is het verboden om zonder vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort in werking te hebben.

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem is ingevolge artikel 8.2 van de Wet Milieubeheer bevoegd om een vergunning te verlenen.

Artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer bepalen dat degene die een inrichting drijft een ongewoon voorval, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dient te melden dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer voor deze inrichting te verlenen. Hiermee is voormeld college het bevoegde gezag waaraan [verdachte]ongewone voorvallen zo spoedig mogelijk dient te melden.

Een medewerker van de gemeente Gorinchem heeft namens de gemeente Gorinchem verklaard dat meldingen van ongewone voorvallen bij de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid moeten worden gedaan, omdat de gemeente mandaat heeft verleend aan de milieudienst voor het handhaven van milieuregelgeving in de gemeente Gorinchem.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard hij op 19 februari 2008 omstreeks 07.00 uur de lekkage van de pomp heeft ontdekt en de geur van ethyllactaat heeft waargenomen. Hij heeft verder verklaard dat hij die ochtend, naar aanleiding van het feit dat er een geurklacht was geweest, in opdracht van de afdeling Veiligheid en Milieu een meldingsformulier heeft opgemaakt.

Op 19 februari 2008 om ongeveer 15.30 uur werd het meldingsformulier incidenten van [verdachte]per fax verstuurd naar de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid.

Getuige [getuige 4], inspecteur toezicht, werkzaam bij de afdeling Inspectie bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid, heeft bij de politie verklaard dat [getuige 5] hem op dinsdag 19 februari 2008 om 13.54 uur belde en hem vertelde dat er in de afgelopen nacht enkele duizenden liters ethyllactaat vrij waren gekomen uit een pomp bij de Pharma-plant.

Getuige [getuige 5] heeft tegenover de politie verklaard dat hij werkzaam is bij de afdeling QESH en contactpersoon is van [verdachte]naar het bevoegde gezag. Hij is aan het einde van de ochtend in kennis gesteld van het incident. Getuige [getuige 5] heeft verder verklaard dat hij, naar aanleiding van de interne melding van het incident, een fax heeft opgesteld en dat hij het incident telefonisch aan de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid heeft gemeld.

In een proces-verbaal van bevindingen wordt door verbalisanten uiteengezet dat er in een logboek staat vermeld dat op 19 februari 2008 de verestering is stilgezet in verband met een lekkage bij p. 2765. In de notulen van een zogenoemd OEE-overleg van 17 februari 2008 en 18 februari 2008 wordt onder andere melding gemaakt van een lekkage van p. 2765.

Uit de incidentenprocedure van [verdachte]blijkt dat de manager geconsigneerde en de afdeling QESH eindverantwoordelijk zijn voor het melden aan autoriteiten van incidenten.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat, gezien de tijdspanne tussen het moment waarop het ongewone voorval (de lekkage van ethyllactaat) zich voordeed (laatstelijk op 19 februari 2008 omstreeks 7.00 uur was een lekkage van pomp 2765 geconstateerd) en het moment waarop het voorval telefonisch en schriftelijk is gemeld aan de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid (op 19 februari 2008 omstreeks 14.00 uur), geen sprake is van een overeenkomstig artikel 17.2 eerste lid van de Wet milieubeheer zo spoedig mogelijke melding aan het bevoegde gezag.

Getuige [getuige 5] was ten tijde van de lekkage verantwoordelijk voor het melden van het incident aan het bevoegde gezag, Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen de gedragingen van getuige [getuige 5] redelijkerwijs worden toegerekend aan [verdachte]nu sprake is van handelen van een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.

Opzet

De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen genoemd onder ‘melden bevoegd gezag’ en is op grond van deze bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat het ongewone voorval door getuige [getuige 5] opzettelijk niet zo spoedig mogelijk is gemeld aan het bevoegde gezag.

Uit het feit dat getuige [getuige 5] ‘s-middags wel tot melding bij het bevoegd gezag is overgegaan blijkt dat hij wist dat er sprake was van een meldingswaardig incident. Uit de verklaring van getuige [getuige 5] is verder gebleken dat hij in de ochtend al op de hoogte was van de lekkage. Door pas enkele uren later het incident te melden aan de Milieudienst, heeft hij doelbewust, en daarmee opzettelijk, de lekkage van ethyllactaat niet zo spoedig mogelijk aan het bevoegde gezag gemeld. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de bovengenoemde notulen daarnaast is gebleken dat (andere) medewerkers van [verdachte]al op 17 februari 2008 op de hoogte waren van het defect aan de pomp dat de lekkage veroorzaakte.

Nu getuige [getuige 5] als medewerker van de afdeling QESH op het moment van het incident verantwoordelijk was voor de melding van het ongewone voorval aan het bevoegde gezag èn ten aanzien van de externe melding van incidenten door [verdachte]als contactpersoon naar het bevoegde gezag een centrale en invloedrijke positie binnen de rechtspersoon vervulde, kan zijn opzet worden toegerekend aan de rechtspersoon..

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres en vestigingsplaats], alwaar (ondermeer) melkzuur en melkzuurderivaten en lactitol werden geproduceerd, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan, namelijk:

een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler),

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld;

2.

in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zich, opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de aan haar, verdachte, op 10 juni 2004 (onder nummer 2004-8083, zaaknummmer 2004-1442) door of namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap

Rivierenland ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning voor het lozen van koelwater, ketelspuiwater, terugspoelwater van de filtratie units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op

oppervlaktewater,

immers,

toen als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), koelwater met melkzuur (storkzuur) in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen in de nabijheid van de [verdachte] en de met deze vijver in verbinding staande Linge, werd geloosd,

heeft zij, verdachte, in strijd met voorschrift 9 van deze vergunning, niet onmiddellijk het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland telefonisch en binnen 24 uur schriftelijk van deze calamiteit in kennis gesteld;

4a.

in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

een hoeveelheid melkzuur (storkzuur), met behulp van een werk, te weten een lozingspijp en overstortvoorziening (cascade), heeft gebracht in de (uitlaat)vijver gelegen in de nabijheid van de [adres],

zijnde deze uitlaatvijver een oppervlaktewater;

4b.

in de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

opzettelijk,

zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

een hoeveelheid melkzuur (storkzuur), vanuit een (uitlaat)vijver gelegen in de nabijheid van de [adres], met behulp van een werk, te weten een overstortvoorziening (cascade), heeft gebracht in de Linge,

zijnde deze Linge een oppervlaktewater;

5.

op 19 februari 2008 te Gorinchem,

opzettelijk,

als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres en woonplaats], alwaar (ondermeer) melkzuur en melkzuurderivaten en lactitol werden geproduceerd, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu dreigden te ontstaan,

namelijk:

een lekkage van ethyllactaat (ethyl-s-laktaat ) als gevolg van een kapotte (pomp)leiding,

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld;.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 17.2 VAN DE WET MILIEUBEHEER, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.

2.

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 30A VAN DE WET VERONTREINIGING OPPERVLAKTEWATEREN (OUD), OPZETTELIJK BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.

4.a

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 30A VAN DE WET VERONTREINIGING OPPERVLAKTEWATEREN (OUD), BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.

4.b

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 30A VAN DE WET VERONTREINIGING OPPERVLAKTEWATEREN, OPZETTELIJK BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.

5.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 17.2 VAN DE WET MILIEUBEHEER, OPZETTELIJK BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 150.000,00.

De officier van justitie voert aan dat sprake is van een causaal verband tussen de lozing van melkzuur en de massale vissterfte om welke reden hij, bij de bepaling van de strafeis, die vissterfte aan de verdachte toerekent. Als gevolg van de passieve houding en het niet actief handelen van verdachte, hoewel daartoe wel noodzaak was, hebben de overheid en de maatschappij schade ondervonden en hoge kosten gemaakt, mede vanwege de opsporing die verricht moest worden naar de mogelijke oorzaak van de vissterfte. De officier van justitie rekent de verdachte deze houding zwaar aan.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle feiten bewijsverweren gevoerd alsmede een strafmaatverweer . De raadsman voert aan dat een causaal verband tussen de lozing van melkzuur en de vissterfte niet wettig en overtuigend bewezen kan worden om welke reden de rechtbank de massale vissterfte niet in haar oordeel over de strafmaat mee mag laten wegen. Bij verdachte is sprake van een open bedrijfsvoering, waarbij niet de intentie bestaat om incidenten te verzwijgen. Verdachte verricht grote inspanningen om herhaling van de gebeurtenissen in de toekomst uit te sluiten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf danwel een beduidend lagere straf op te leggen dan de straf door de officier van justitie gevorderd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de aard en de hoedanigheid van verdachte, rechtspersoon, en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon, zoals van het een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

In september 2007 heeft er in het productieproces van [verdachte]een lekkage van melkzuur in koelwater plaatsgevonden als gevolg van een kapotte warmtewisselaar. Het met melkzuur vervuilde koelwater is vervolgens in de uitlaatvijver gekomen en via een overstort in de rivier de Linge. Door de lekkage niet te melden aan het bevoegde gezag, zijnde het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, de Milieudienst Zuid-Holland-Zuid en het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Gorinchem, heeft verdachte zich aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt. Door het lozen van koelwater met melkzuur in de uitlaatvijver en in de Linge heeft verdachte zonder vergunning melkzuur in oppervlaktewateren geloosd, eveneens meerdere strafbaar feiten.

In februari 2008 was er wederom sprake van een lekkage, nu een lekkage van een pomp waardoor de stof ethyllactaat vrij is gekomen. Doordat de lekkage plaatsvond in de buitenlucht was er een risico dat deze stof gevaar voor de gezondheid of stankoverlast zou veroorzaken. De lekkage is pas uren na ontdekking gemeld bij het bevoegde gezag. Hierdoor heeft [verdachte]zich opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat de bovengenoemde strafbare feiten ernstige feiten zijn.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er massale vissterfte is opgetreden in de rivier de Linge. Uit het dossier blijkt dat zeker 20.000 kilo vis is gestorven. De vissterfte is opgetreden in dezelfde periode als bovengenoemde lozing van met melkzuur verontreinigd koelwater in de Linge. De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat in verschillende in het dossier opgenomen rapportages wordt geconcludeerd dat het lozen van melkzuur in water vissterfte kan veroorzaken. Dat de lekkage van melkzuur vanuit de fabriek daadwerkelijk heeft geleid tot vissterfte, blijkt onder andere uit het feit dat er na die lekkage dode vissen in de uitlaatvijver van [verdachte]zijn aangetroffen. Daarnaast heeft getuige [getuige 6] in de periode na de lekkage geconstateerd dat de visjes die hij als aas gebruikte, binnen zeer korte tijd stierven nadat hij het water in zijn emmer had ververst met water uit het watervalletje van de uitlaatvijver van [verdachte].

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende is gebleken dat de lozing van melkzuur in het (oppervlakte)water vissterfte van enige importantie heeft veroorzaakt en zal dit gegeven in strafverzwarende zin meenemen in haar overwegingen over de strafbepaling. De rechtbank vindt overigens in het dossier onvoldoende aanleiding om de totale daarin beschreven vissterfte aan [verdachte]toe te rekenen.

De rechtbank neemt het [verdachte]zeer kwalijk dat zij door het incident niet te melden, de overheid niet in staat heeft gesteld de milieuschade als gevolg van het incident te beperken. Door de lozing van melkzuur is niet alleen gevaar veroorzaakt voor het ecosysteem in het water, maar ook de gezondheid van mensen die vissen of zwemmen in de Linge of het Kanaal van Steenenhoek is in gevaar gebracht. Daarnaast heeft de visserij hinder en schade ondervonden doordat er melkzuur in de rivier is gekomen.

Nu [verdachte]werkt met potentieel schadelijke en verontreinigende stoffen mag van haar worden verwacht dat zij alert is indien er een incident plaatsvindt in het productieproces. Uit het dossier is gebleken dat er na het incident door [verdachte]weinig onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de lekkage van melkzuur in het koelwater. Men concentreerde zich op het repareren van de lekkage en het zo snel mogelijk voortzetten van het productieproces. Door [verdachte]is ook nagelaten om verdere maatregelen te treffen om de gevolgen van de lekkage van melkzuur in koelwater te beperken. Zo is er niet geprobeerd om de doorstroom van het verontreinigde koelwater naar de rivier de Linge te stoppen of te beperken.

Na het incident in september 2007 is er in februari 2008 weer een incident geweest en ook dit incident is niet conform de wet gemeld bij het bevoegde gezag.

De rechtbank acht de houding van [verdachte]ten opzichte van de verantwoordelijkheden zoals deze voortvloeien uit de aan haar verleende vergunningen, zorgelijk, dit terwijl [verdachte]– deel uitmakend van een groot, wereldwijd opererend concern – een voorbeeldfunctie heeft

De rechtbank heeft geconstateerd dat [verdachte]een strafblad heeft waarop meerdere veroordelingen staan ter zake van soortgelijk delicten zoals thans bewezenverklaard. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat [verdachte]zich door deze veroordelingen er niet van heeft laten weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De officier van justitie is in zijn bewezenverklaring uitgegaan van opzettelijk handelen van [verdachte]ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat er bij feiten 1 en 4a geen sprake was van opzettelijk handelen van [verdachte], zal de rechtbank een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank heeft daarnaast in strafverlagende zin in haar overwegingen betrokken dat ter zitting is gebleken dat [verdachte]inmiddels op meerdere vlakken verbeteringen in haar bedrijfsvoering heeft doorgevoerd met het doel te voorkomen dat zij in de toekomst wederom meldenswaardige incidenten niet (tijdig) meldt aan het bevoegde gezag. Ook heeft de rechtbank bij haar strafbepaling acht geslagen op de door [verdachte]ter zitting genoemde inspanningen en investeringen die het bedrijf heeft gedaan om te bewerkstelligen dat het water van de rivier de Linge niet meer gebruikt zal worden als koelwater.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden is. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank na te melden deel van de boete voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk deel dient dan tevens om [verdachte]te doordringen van de ernst van de feiten en om haar ervan te weerhouden dat zij zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan strafbare feiten.

8 De benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], [adres en woonplaats]. Hij vordert een schadevergoeding van € 10.796,40 ter zake van materiële schade die [benadeelde partij] Zonen heeft geleden door vissterfte in het Kanaal van Steenenhoek.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de door de benadeelde partij geleden schade is veroorzaakt door de lozing van melkzuur door [verdachte]in de Linge en vordert dat de rechtbank de gevorderde schadevergoeding geheel toewijst, met uitzondering van een bedrag van € 856,40, zijnde de opgevoerde BTW nu deze niet als schade kan worden aangemerkt. Hij heeft de rechtbank eveneens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging heeft zich verzet tegen toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding. De schade is niet door de benadeelde partij zelf, maar door het bedrijf van de benadeelde partij, geleden. Verder is niet komen vast te staan dat de vissterfte is veroorzaakt door de lozing van koelwater met melkzuur in de rivier de Linge. Niet is komen vast te staan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schade van de benadeelde partij en het door verdachte begane strafbare feit.

De rechtbank acht de vordering niet van een zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De rechtbank vindt in het dossier onvoldoende grond om de totale vissterfte aan [verdachte]toe te rekenen, waarmee het rechtstreekse verband tussen de door [verdachte]gepleegde strafbare feiten en de door de benadeelde partij gestelde schade onvoldoende vaststaat. Voor een nader onderzoek terzake biedt dit strafproces geen ruimte. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan desgewenst haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten, de artikelen 1.1, 8.1, 17.1 en 17.2 van de Wet Milieubeheer, bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer en artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Ten aanzien van feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,= (tienduizend euro), waarvan € 5.000,= (vijfduizend euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van feit 4a

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,= (tienduizend euro), waarvan € 5.000,= (vijfduizend euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van feit 2, 4b en 5

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 60.000,= (zestigduizend euro), waarvan € 30.000,= (dertigduizend euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, en mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Westerhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 februari 2010.

Mrs. Wouters en Heijnen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij in of omstreeks de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

al dan niet opzettelijk,

als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres, alwaar (ondermeer) melkzuur en/of melkzuurderivaten en/of lactitol werden geproduceerd, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en/of categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, namelijk:

een grote lekkage van melkzuur (storkzuur) in het koelwater als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler),

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld;

art 1a Wet op de economische delicten art 17.2 lid 1 Wet Milieubeheer

2.

zij in of omstreeks de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de aan haar,

verdachte, op 10 juni 2004 (onder nummer 2004-8083, zaaknummmer 2004-1442) door of namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende

vergunning voor het lozen van koelwater, ketelspuiwater, terugspoelwater van de filtratie units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater,

immers,

toen als gevolg van een kapotte warmtewisselaar (koeler), koelwater met melkzuur (storkzuur) op/in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen aan of in de nabijheid van de [adres] en/of de met deze vijver in verbinding staande Linge, werd geloosd,

heeft zij, verdachte, in strijd met voorschrift 9 van deze vergunning, niet onmiddellijk het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland telefonisch en/of binnen 24 uur schriftelijk van deze calamiteit, althans uitzonderlijke omstandigheid, in kennis gesteld;

art 1a Wet op de economische delicten

art 30a Wet verontreiniging oppervlaktewateren

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

zich, (telkens) al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de aan haar,

verdachte, op 10 juni 2004 (onder nummer 2004-8083, zaaknummmer 2004-1442) door of namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning voor het lozen van koelwater, ketelspuiwater, terugspoelwater van de filtratie units van het koelwater en niet verontreinigd hemelwater op

oppervlaktewater,

immers, heeft zij, verdachte,

koelwater, zoals genoemd in lid 1.b. van voorschrift 2 van voornoemde vergunning, geloosd op/in het oppervlaktewater van de (uitlaat)vijver gelegen aan of in de nabijheid van de [adres] en/of de met deze vijver in verbinding staande Linge,

terwijl,

gemeten ter plaatse van het lozingspunt in de Linge (cascadetank T-9301) dit koelwater niet voor elk willekeurig genomen steekmonster voldeed aan de eisen gesteld in voorschrift 3, derde lid aanhef en onder a, van voornoemde vergunning,

immers,

had de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden en bepaald volgens NPR 6616, niet (steeds) een waarde tussen 6.5 en 9.0;

art 1a Wet op de economische delicten

art 30a Wet verontreiniging oppervlaktewateren

4.

zij in of omstreeks de periode van 6 september 2007 tot en met 8 september 2007 te Gorinchem,

(telkens) al dan niet opzettelijk,

zonder vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

een hoeveelheid melkzuur (storkzuur), in elk geval een afvalstof en/of verontreinigende en/of schadelijke stof, met behulp van een werk, te weten een lozingspijp en/of overstortvoorziening (cascade), heeft gebracht in de (uitlaat)vijver gelegen aan of in de nabijheid van de [adres],

en

(vervolgens) deze stof vanuit genoemde vijver (wederom) met behulp van een werk, te weten een overstortvoorziening (cascade), heeft gebracht in de Linge,

zijnde deze uitlaatvijver en/of Linge (een) oppervlaktewater(en);

art 1a Wet op de economische delicten

art 1 lid 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren

5.

zij op of omstreeks 19 februari 2008 te Gorinchem,

al dan niet opzettelijk,

als drijver van een fabriek gelegen aan de [adres] te Gorinchem, alwaar (ondermeer) melkzuur en/of melkzuurderivaten en/of lactitol werden geproduceerd,

zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 1.1 onder a en/of categorie 4.1 onder a van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

waarin zich een ongewoon voorval voordeed en/of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, namelijk:

een lekkage van Ethyllactaat (Ethyl-S-Laktaat ) als gevolg van een kapotte (pomp)leiding,

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan de milieudienst Zuid-Holland-Zuid of Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gorinchem, zijnde het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen, heeft gemeld;

art 1a Wet op de economische delicten

art 17.2 lid 1 Wet milieubeheer