Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL4482

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
80219 / HA ZA 09-2212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zijn de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden toepasselijk?

De man wenst een verrekening van de overwaarde van de echtelijke woning die eigendom is van de vrouw, met de stelling dat het onderling overeenstemmend gedrag van partijen tijdens het huwelijk afweek van de huwelijkse voorwaarden.

Rb.: de man heeft weliswaar hypotheekrente betaald, maar dit enkele feit is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat toepassing van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit feit kan slechts van belang zijn voor de vraag of er tussen partijen iets te verrekenen valt.

De vordering van de man kan alleen al niet worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis omdat de door de man verlangde prestatie (betaling aan hem van de helft van de overwaarde van de woning) niet door de vrouw is verricht.

Beide partijen vorderen dat de andere partij de lasten van de hypotheekschuld draagt. De rechtbank stelt een regeling vast ten aanzien van de interne draagplicht en wijst af de vordering van de man tot ontslag uit hoofdelijkheid en de vordering van de vrouw om de man te verplichten tot het stellen van vervangende zekerheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 1 115
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 80219 / HA ZA 09-2212

vonnis van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Numansdorp,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. C.A. Pors te Oud-Beijerland,

tegen

[gedaagde],

wonende te Oud-Beijerland,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. K.J.H.H. Slachter te Oud-Beijerland.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding van 27 maart 2009,

conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie,

tussenvonnis van 1 juli 2009 en de daarin genoemde stukken,

conclusie van antwoord in reconventie,

akte overlegging stukken van de zijde van de man,

proces-verbaal van comparitie van 4 september 2009 en de daarin genoemde stukken,

de door beide partijen overgelegde producties.

2. De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2 Partijen zijn ex-echtgenoten. Op 31 augustus 2007 is hun huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen waren gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden in hoofdlijnen inhoudende dat tussen hen geen gemeenschap van goederen zal bestaan.

2.3. De huwelijkse voorwaarden bevatten in artikel 7 de navolgende bepaling ten aanzien van de kosten van de huishouding:

“De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, (...), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten. Voor zover de inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

Onder deze kosten worden mede verstaan: (...) renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, (...)”

2.4 De huwelijkse voorwaarden bevatten in artikel 9 de navolgende bepaling ten aanzien van de bijdrageplicht:

“Tot de bestrijding van de kosten van de huishouding, zal ieder van de echtgenoten al zijn inkomsten ter beschikking stellen, (...)”

2.5 De echtelijke woning is vrij van hypotheek voor het huwelijk aan de vrouw geschonken door haar ouders. Tijdens het huwelijk zijn partijen een hypothecaire geldlening aangegaan bestaande uit drie leningdelen. De notariële akten werden verleden op 31 januari 2002 en 18 maart 2005 voor hypotheekstellingen van € 22.689,- (eerste leningdeel),. respectievelijk

€ 25.000,- (twee leningdelen van elk € 12.500,--). De restschuld bedroeg per 31 december 2008 € 46.802,12.

2.6 De man heeft op 11 november 2007 de navolgende verklaring ondertekend:

“AKKOORDVERKLARING terugbetaling heffingskorting 2006

Bij deze verklaar ik, [eiser], (...), de heffingskorting over het jaar 2006 terug te betalen aan [gedaagde], (...).

Deze heffingskorting is destijds onterecht op de ABN/AMRO rekening van ondergetekende gestort.

Het bedrag van € 1990,-- zal [eiser] uiterlijk 31 maart 2008 op de rekening van [gedaagde], tw. Postbank 50.42.571, overmaken.

(...)”

3. De vordering

De vordering in conventie

3.1 De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a. te verklaren voor recht dat tussen partijen de huwelijkse voorwaarden niet van toepassing zijn en dat partijen voor wat betreft de echtelijke woning dienen over te gaan tot verdeling alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd;

Subsidiair:

b. de vrouw te veroordelen tot nakoming van haar morele verplichting uit natuurlijke verbintenis en primair aan de man uit te keren een bedrag gelijk aan 50% van de overwaarde van de echtelijke woning, subsidiair te bepalen dat de vrouw ten behoeve van de man een voorziening treft ter hoogte van 50% van de overwaarde va de echtelijke woning, vast te leggen door een door de man aan te wijzen notaris, althans in ieder geval te bepalen dat de vrouw aan de man een vergoeding voldoet voor door hem ten opzichte van de vrouw teveel betaalde huishoudelijke kosten, binnen vier weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis;

c. indien de rechtbank van mening is dat er geen sprake van een morele verplichting, de vrouw te veroordelen over te gaan tot verdeling en in afwijking van de huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en billijkheid aan gedaagde (de rechtbank leest: de man) 50% van de overwaarde uit te keren, dan wel ten behoeve van de man een voorziening te treffen, vast te leggen door een door de man aan te wijzen notaris, ter hoogte van het uit te keren bedrag;

d. de benoeming door de rechtbank van een onafhankelijke taxateur ter vaststelling van de waarde van de woning in het economisch verkeer, dan wel gedaagde te veroordelen tot medewerking aan de taxatie van de woning door een door de man in te schakelen taxateur;

e. te bepalen dat het taxatierapport zal dienen als basis voor de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding, dan wel zal dienen als basis voor de door de vrouw ten behoeve van de man te treffen voorziening;

Meer subsidiair:

f. te bepalen dat door partijen uitvoering wordt gegeven aan de huwelijkse voorwaarden, waarbij de vrouw aan de man een vergoeding voldoet voor de door de man teveel betaalde huishoudelijke kosten en de hypothecaire geldleningen aan de vrouw worden toegescheiden en de man zal worden ontslagen uit zijn hoofdelijke verplichtingen jegens de hypotheekhouder, althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

g. te bepalen dat indien de vrouw in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt dan wel dezelfde rechtskracht heeft als een door de vrouw ondertekende overeenkomst ter zake de door haar ten behoeve van de man te treffen voorziening;

h. alles op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;

i. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering stelt de man – kort samengevat en zakelijk weergegeven – dat het gelet op het onderling overeenstemmend gedrag van partijen tijdens het huwelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de huwelijkse voorwaarden toe te passen bij de afrekening aan het einde van het huwelijk. Het gedrag van partijen week af van de huwelijkse voorwaarden. De op naam van de vrouw staande echtelijke woning is namelijk in waarde gestegen door verbouwingen die zijn gefinancierd met een door beide partijen aangegane hypothecaire geldlening, waarvan de lasten door de man alleen zijn betaald. De man heeft hierdoor ook onevenredig veel bijgedragen in de kosten van de huishouding, waartoe die hypotheeklasten behoorden. Indien de waarde van de woning alleen aan de vrouw toekomt, is er sprake van een onevenredige bevoordeling van de vrouw ten nadele van de man.

Het verweer in conventie

3.3 De vrouw voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

De verdere stellingen en weren van partijen komen bij de beoordeling voor zover nodig aan de orde.

De vordering in reconventie

3.4 De vrouw vordert de man uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van

€ 1.990,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts de man te veroordelen tot aflossing van de in het geding zijnde hypothecaire lening alsmede de voldoening van de maandelijkse termijnen uit die lening onder de verplichting voor de schuld uit die leningen vervangende zekerheid aan de bank te stellen ter vervanging van het recht van hypotheek dat ABN AMRO Bank thans heeft op de woning van de vrouw.

Tot slot vordert de vrouw de man tot veroordeling in de kosten van het geding in reconventie.

3.5 Ter onderbouwing van haar vordering stelt de vrouw dat partijen het erover eens zijn dat de belastingdienst ten onrechte de algemene heffingskorting 2006 van de vrouw ten bedrage van € 1.990,-- op de rekening van de man heeft gestort en dat de man schriftelijk heeft toegezegd dit bedrag op de betaalrekening van de vrouw te zullen storten. Ondanks herhaald verzoek is de man hiermee echter in gebreke gebleven.

Ten aanzien van de aflossing van de hypothecaire lening en het stellen van vervangende zekerheid hiervoor, heeft de vrouw gesteld dat de hypotheek ten behoeve van de man is aangegaan waarbij de vrouw alleen heeft meegetekend omdat de bank de hypothecaire zekerheidsstelling als voorwaarde voor de kredietverstrekking heeft gesteld. De middelen zijn gebruikt voor aflossing van schulden van de man uit zijn eerste huwelijk, respectievelijk voor het opstarten en inrichten van het bedrijf van de man, een reisbureau, dat hij vanaf 2004 vanuit huis heeft geëxploiteerd.

Het verweer in reconventie

3.6 De man voert gemotiveerd verweer tot afwijzing van de vordering. De verdere stellingen en weren van partijen komen bij de beoordeling voor zover nodig aan de orde.

4. De beoordeling van het geschil

In conventie

Ten aanzien van de toepasselijkheid van de huwelijkse voorwaarden

4.1 Indien tussen partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, kan een eventueel andersluidende partijbedoeling, zonder dat deze in een akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd, niet in de plaats treden van die voorwaarden. Krachtens art. 1:115 BW moeten huwelijkse voorwaarden bij notariële akte worden aangegaan. Dat vormvoorschrift strekt mede tot bescherming van partijen zelf (vlg. onder meer HR 18 juni 2004, NJ 2004, 399).

Wel kan het zo zijn dat een krachtens de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij kàn betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden.

4.2 De stelling van de man is op dit punt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat op de echtelijke woning een (aflossingsvrije) hypotheek rust die door partijen gezamenlijk is aangegaan, maar waarvan de rente door de man alleen is voldaan, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetgeen partijen omtrent het meetekenen voor deze hypotheek hebben gesteld – de man heeft meegetekend voor de verbouwing van het huis van de vrouw dan wel de vrouw heeft meegetekend voor een (bedrijfs)krediet van de man – kan van belang zijn in het kader van de vraag of er iets tussen partijen te verrekenen valt, maar kan niet bijdragen tot de conclusie dat tussen partijen met betrekking tot de (overwaarde van de) woning moet worden afgerekend alsof er een gemeenschap van goederen bestaat.

4.3 De man heeft weliswaar voorts nog aangevoerd dat hij de betaling van de volledige hypotheeklasten voor zijn rekening heeft genomen, maar gelet op het bepaalde in de artikelen 7 en 9 van de huwelijkse voorwaarden van partijen, kan hieruit niet worden afgeleid dat sprake is geweest van onderling overeenstemmend gedrag van partijen dat afweek van de huwelijkse voorwaarden.

De rentelasten behoorden immers tot de kosten van de huishouding en onweersproken is dat de vrouw tijdens het huwelijk geen betaalde arbeid verrichtte. Zij had de zorg voor de kinderen en deed administratieve werkzaamheden ten behoeve van de onderneming van de man terwijl de man als chauffeur werkzaam was en verantwoordelijk voor het gezinsinkomen. Het gedrag van partijen, waarbij de man de kosten van de huishouding betaalde, is – anders dan de man heeft gesteld – juist in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden.

Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat (onverkorte) toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid e billijkheid onaanvaardbaar is, zijn gesteld noch gebleken, zodat de primaire vordering van de man zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de gestelde natuurlijke verbintenis

4.4 Subsidiair stelt de man dat de vrouw een bedrag gelijk aan de helft van de overwaarde van de echtelijke woning aan hem dient uit te keren, dan wel dat zij hiervoor ten behoeve van de man een voorziening dient te treffen, ‘ter nakoming van haar morele verplichting uit natuurlijke verbintenis’.

4.5 Ingevolge artikel 6:3, eerste lid, BW is een natuurlijke verbintenis een rechtens niet-afdwingbare verbintenis. In het tweede lid wordt onder meer bepaald dat een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

Uit het voorgaande volgt dat een (ex-)echtgenoot door betaling aan de andere (ex)echtgenoot, jegens die (ex-)echtgenoot kan voldoen aan een dringende morele verplichting. De verrichte prestatie kan worden beschouwd als een verplichting waarmee is voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

In de onderhavige zaak is de prestatie echter niet verricht en vordert de man in rechte betaling ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Nog daargelaten dat de man geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de prestatie die de man van de vrouw verlangt, moet worden beschouwd als aan hem toekomend op grond van een dringende morele verplichting krachtens maatschappelijke opvattingen, miskent de man hiermee de aard van de natuurlijke verbintenis, die juist niet in rechte afdwingbaar is. De subsidiaire vordering zal daarom als niet op de wet gegrond worden afgewezen.

Ten aanzien van de kosten van de huishouding

4.6 De man vordert dat de rechtbank zal bepalen dat de vrouw aan de man ‘een vergoeding voldoet voor de door eiser teveel betaalde huishoudelijke kosten en hypothecaire geldleningen’. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk alle hypotheeklasten en overige eigenaarslasten met betrekking tot de echtelijke woning heeft voldaan en dat hij daarmee onevenredig veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding als bedoeld in de artikelen 7 en 9 van de huwelijkse voorwaarden.

De man heeft zijn (verrekenings)vordering niet op geld gewaardeerd, zodat deze als onvoldoende bepaald moet worden afgewezen. Voor zover de vordering ziet op de huwelijkse periode komt deze vordering de rechtbank overigens ook onaannemelijk voor gelet op de traditionele taakverdeling tijdens het huwelijk waarbij de vrouw vrijwel vanaf het begin van het huwelijk geen betaalde arbeid verrichtte in verband met de zorg voor de kinderen.

In conventie en in reconventie

Ten aanzien van de interne draagplicht voor de betaling van de hypotheekschuld, de hoofdelijke aansprakelijkheid en vervangende zekerheidsstelling

4.7 Zowel de man als de vrouw vorderen dat de ander wordt veroordeeld de (verdere) betaling van de hypothecaire geldlening voor haar, dan wel zijn, rekening te nemen onder de verplichting de man te (doen) ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van die geldleningen, respectievelijk de man te verplichten voor die leningen vervangende zekerheid aan de bank te stellen ter vervanging van het recht van hypotheek dat thans op de woning van de vrouw rust.

4.8 De man heeft aangevoerd dat de leningen destijds zijn aangegaan voor consumptief gebruik en voor het verbouwen van de echtelijke woning (een aanbouw en een dakkapel).

De vrouw heeft dit betwist en onder overlegging van betaalbewijzen gesteld dat deze verbouwingen door haar vader zijn betaald.

De vrouw heeft daarnaast gesteld dat de man het eerste leningdeel, afgesloten in 2002, heeft aangewend om vóórhuwelijkse schulden af te betalen die waren ontstaan tijdens het eerste huwelijk van de man. Het tweede en derde leningdeel zijn afgesloten in 2005 en zijn door de man geïnvesteerd in zijn onderneming. Voor zover er geld is aangewend voor stoffering en inrichting van de ruimte waar de dakkapel is geïnstalleerd, merkt de vrouw op dat de man zijn kantoor in die ruimte had.

4.9 Ter comparitie van partijen heeft de man meegedeeld te erkennen dat de dakkapel door de vader van de vrouw is betaald. Met geld afkomstig uit het hypothecaire krediet, ongeveer € 13.000,-, heeft hij vervolgens de stoffering en verdere aankleding van de ruimte betaald.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw ten aanzien van de financiering van de verbouwingen heeft de man zijn stelling onvoldoende nader onderbouwd, zodat moet worden geoordeeld dat de man ter zake de hypotheekschuld geen verrekening toekomt en de vordering op dit punt moet worden afgewezen.

4.10 De vrouw heeft haar stellingen ten aanzien van de bestemming van het geld uit de hypothecaire geldlening echter evenmin onderbouwd.

Uit de door de man als productie 10 overgelegde bankafschriften blijkt daarentegen dat het geld afkomstig van de leningdelen, telkens is bijgeschreven op de betaalrekening van de man waar vandaan ook consumptieve bestedingen van het gezin werden betaald.

In de uitlatingen van de vrouw in de conclusie van antwoord in conventie dat zij er aanvankelijk mee heeft kunnen instemmen dat de hypothecaire schuld bij helfte zal worden verdeeld, ziet de rechtbank voorts een aanwijzing voor de stelling van de man dat de leningen tijdens het huwelijk zijn aangewend ten behoeve van beide partijen, zodat op die grond de vrouw geen vordering tot verrekening toekomt.

4.11 Het voorgaande in aanmerking nemende ziet de rechtbank geen aanleiding om met betrekking tot de onderlinge draagplicht ten aanzien van de hypotheekschulden anders te bepalen dan dat ieder der partijen met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk de betaling van de helft van de totale hypotheekschuld voor zijn rekening neemt en die helft voldoet als ware het uitsluitend zijn eigen schuld, onder vrijwaring van de ander voor de aansprakelijkheid daarvoor.

Indien en voor zover de man ná de datum van ontbinding van het huwelijk een groter aandeel dan zijn eigen aandeel heeft voldaan, komt hem een vorderingsrecht toe op de vrouw. Nu de man hieromtrent niets heeft gesteld, kan hem op dit punt ook geen bedrag worden toegewezen.

4.12 Nu partijen in hun onderlinge verhouding verplicht zijn voor de helft bij te dragen in de hypotheekschuld en de kosten daarvan, bestaat er geen aanleiding om de man te verplichten vervangende zekerheid voor die lening te stellen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

Ter zake de vordering van de man tot zijn ontslag uit de (hoofdelijke) aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, merkt de rechtbank op dat partijen niet zelf deze aansprakelijkheid kunnen wijzigen en evenmin de rechtbank kunnen verzoeken dit te doen. Het ontslag uit de aansprakelijkheid van een schuld is immers te vergelijken met het doen van afstand van een vorderingsrecht op de betreffende partij door de schuldeiser. Krachtens artikel 3:94 lid 1 jo. 3:98 BW is daarvoor een akte vereist met mededeling aan de schuldenaar. Medewerking van de schuldeiser, in dit geval de ABN AMRO bank is hiervoor noodzakelijk. Nu niet gebleken is van toestemming van de bank bij voorbaat in de zin van artikel 6:156 lid 1 BW en er overigens nog sprake is van een draagplicht van de man voor de helft van de schuld, dient ook deze vordering van de man te worden afgewezen.

4.13 Het bovenstaande laat overigens onverlet dat partijen gezamenlijk in overleg met de bank kunnen treden teneinde de hypotheekschuld te splitsen waarbij ieder der partijen (opnieuw) zekerheid stelt.

In reconventie

Ten aanzien van de heffingskorting 2006

4.14 De vrouw stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de man de heffingskorting van de vrouw over het jaar 2006 ten bedrage van € 1.990,-- uiterlijk 31 maart 2008 op rekening van de vrouw zou storten. Ten bewijze van haar stelling heeft de vrouw een schuldbekentenis van de man overgelegd.

De man heeft aangevoerd dat hij deze schuldbekentenis onder druk heeft getekend; de vrouw wilde anders geen gezamenlijke belastingaangifte doen. De vrouw betwist dat zij de man onder druk heeft gezet. Zij stelt dat sprake is van een ‘deal’ waarmee de man heeft ingestemd. De man zou met een gezamenlijke belastingaangifte een belastingteruggaaf van

€ 6.000 ontvangen en de vrouw zou in ruil daarvoor haar heffingskorting ontvangen.

De man is niet op de nadere stellingen van de vrouw ingegaan, zodat de rechtbank zijn verweer op dit punt als onvoldoende met redenen omkleed zal passeren.

4.15 Gelet op de overeenstemming tussen partijen ten aanzien van de terugbetaling van de heffingskorting waarmee de verschuldigdheid ervan vast staat, kan de stelling van de man dat terugbetaling in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid als niet meer ter zake doende onbesproken blijven.

4.16 Tot slot beroept de man zich op verrekening, stellende dat hij de vrouw op 31 december 2007 een factuur heeft toegezonden in verband met de kantoormeubelen die zijn achtergebleven in de echtelijke woning. De factuur is onbetaald gebleven. De vrouw betwist dat zij de man iets verschuldigd is en stelt dat zij de factuur niet eerder heeft gezien. Er is ook nooit over gesproken tijdens de onderhandelingen over de verdeling van de roerende goederen die partijen in gezamenlijke mede-eigendom hadden.

4.17 Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering (artikel 6:127 lid 2 BW). De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening echter toch toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is (artikel 6:136 BW).

In het onderhavige geval acht de rechtbank de vordering van de man waarop hij zich ter verrekening beroept, niet eenvoudig vast te stellen. Door de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat zij de man op dit punt iets verschuldigd is, vergt de vaststelling van de vordering immers een – uitgebreide – bewijslevering. De vordering van de vrouw is daarom toewijsbaar.

In conventie en in reconventie

Ten aanzien van de proceskosten

4.18 Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

In conventie

5.1 wijst de vorderingen af;

In reconventie

5.2 veroordeelt de man tot betaling van € 1.990,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3 wijst het meer of anders gevorderde af;

In conventie en in reconventie

5.4 bepaalt dat ieder der partijen met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk de betaling van de helft van de totale hypotheekschuld voor zijn rekening neemt en die helft voldoet als ware het uitsluitend zijn eigen schuld, onder vrijwaring van de ander voor de aansprakelijkheid daarvoor;

5.5 verklaart het vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft genoemd in 5.2, uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.