Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BL2839

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
11/711710-09 [Promis]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beoordeling, in het kader van een beroep op de bescherming van artikel 31, eerste lid van de Vluchtelingenwet, of een veilig verblijf in een Verdragsstaat aan de verdachte kan worden tegengeworpen, raakt ook de beoordeling van het asielverzoek. In deze beoordeling hebben het Openbaar Ministerie en de strafrechter geen taak. In deze zaak heeft het openbaar ministerie de beslissing om de asielprocedure niet af te wachten en tot vervolging over te gaan, niet nader gemotiveerd. Van een specifieke afweging in deze zaak is niet gebleken. Het openbaar ministerie had hangende de asielprocedure (nog) niet tot strafvervolging mogen overgaan. De politierechter zal het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/711710-09 (Promis)

vonnis van de politierechter d.d. 5 februari 2010

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren te [1985].

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsman mr. M.M. van Woensel, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 januari 2010, waarbij de officier van justitie mr. D. van Hout, de verdachte en haar raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 24 juli 2009 te Dordrecht in het bezit was van een vals of vervalst reisdocument.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Namens verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat in dit geval artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Daartoe heeft de raadsman van verdachte het volgende aangevoerd.

° De verdachte moet als vluchteling worden aangemerkt. Zij is afkomstig uit [land en plaatsnaam], alwaar de situatie niet veilig is.

° Het bezit van en het reizen met een vals document is een situatie die valt onder onrechtmatige binnenkomst in Nederland.

° De verdachte is via andere landen waaronder Griekenland en Frankrijk naar Nederland gekomen en zij heeft vergeefs getracht asiel aan te vragen in Griekenland. Nog niet staat vast echter dat zij in Griekenland een veilig verblijf heeft gehad waardoor zij niet onder de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag zou vallen.

° De verdachte heeft op 24 juli 2009, direct na haar aanhouding in Nederland asiel aangevraagd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op de vervolgingsuitsluitingsgrond die is vervat in artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag niet kan slagen, omdat verdachte niet rechtstreeks is gekomen van een grondgebied waar haar leven of vrijheid werd bedreigd; de verdachte heeft immers in Griekenland verblijf gehad. Ook heeft verdachte zich na binnenkomst in Nederland niet onverwijld bij de autoriteiten gemeld.

De politierechter overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.

Artikel 31, eerste lid, Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88) luidt:

"De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid."

Uit het opgemaakte proces-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

Verdachte is op 24 juli 2009 in Dordrecht in de internationale trein Thalys, rijdende over het traject Parijs-Amsterdam met treinnummer 9343, staande gehouden en gecontroleerd op identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee tijdens een ingevolge de Vreemdelingenwet reguliere controle (Mobiel) Toezicht Vreemdelingen.

Bij deze controle heeft de verdachte een Noors paspoort aangeboden voorzien van nummer 26843690, op naam van [naam], [geboortedatum], geboorteplaats en land], met de Noorse nationaliteit. De verdachte is op grond van vermoedelijke overtreding artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden. Van het in beslag genomen paspoort heeft de Koninklijke Marechaussee vastgesteld dat het vals is, omdat het qua formaat, detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingsmethoden niet overeenkomt met een origineel exemplaar.

Tijdens haar verhoor op 25 juli 2009 bij de Koninklijke Marechaussee heeft de verdachte - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij afkomstig is uit [geboorteplaats en land], dat zij het paspoort heeft gekocht in [plaatsnaam] van een man die de reis vanuit [land] heeft verzorgd en dat zij voor de reis, inclusief het paspoort, 5000 dollar heeft betaald aan deze man.

Ter terechtzitting is door en namens de verdachte verklaard dat zij in mei 2009 aan haar reis is begonnen en dat zij samen reizend met een reisagent diverse landen heeft aangedaan, waaronder Griekenland. In Griekenland is zij enige tijd in Athene verbleven en heeft zij tweemaal tevergeefs getracht asiel aan te vragen. Haar asielaanvraag heeft zij niet kunnen indienen, wel zijn haar vingerafdrukken tweemaal genomen. Nu zij daar geen asielaanvraag heeft ingediend, moet haar verblijf in Griekenland worden aangemerkt als doorreis naar Nederland. Direct na haar aanhouding in Nederland op 24 juli 2009 heeft de verdachte asiel aangevraagd. Momenteel is de verdachte in afwachting van de beslissing in beroep tegen het besluit dat zij teruggestuurd wordt naar Griekenland.

Ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte niet de bescherming van artikel 31, eerste lid van het Vluchtelingenverdrag geniet, heeft de officier van justitie daarentegen aangevoerd dat de verdachte tijdens haar verblijf in Griekenland in de gelegenheid was zich tot de autoriteiten te wenden met een asielverzoek en dat de verdachte verder na aankomst in Nederland niet onverwijld een asielverzoek heeft gedaan. De verdachte heeft daarmee niet voldaan aan twee vereisten die het Vluchtelingenverdrag stelt.

De politierechter overweegt allereerst dat de wijze waarop de verdachte Nederland is binnengekomen, te weten in het bezit van valse reisdocumenten, kan worden aangemerkt als 'onrechtmatige binnenkomst' in de zin het verdrag. De politierechter verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2009 (LJN: BI1325).

Met betrekking tot het argument van de officier van justitie dat de verdachte niet onverwijld asiel heeft aangevraagd, overweegt de politierechter dat namens de verdachte is gesteld dat zij op 24 juli 2009, direct na haar aanhouding in Nederland asiel heeft aangevraagd. Dit is in ieder geval binnen 48 uur na grensoverschrijding gebeurd. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verdachte niet binnen de daaraan te stellen grenzen onverwijld asiel heeft aangevraagd.

Met betrekking tot de voorwaarde 'rechtstreeks komend' overweegt de politierechter het volgende.

De in artikel 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag gestelde voorwaarde voor strafvervolginguitsluiting - dat de vluchteling rechtstreeks afkomstig moet zijn uit een onveilig gebied - heeft als bedoeling dat de vluchteling niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor onrechtmatige binnenkomst als deze nodig was om een veilig land te bereiken. Als hij eerder in een ander veilig land is verbleven, mag de binnenkomst met het valse reisdocument in Nederland strafrechtelijk worden vervolgd. Dit was immers niet nodig om veilig te zijn. Er is niet alleen sprake van 'rechtstreeks komend' in de zin van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag als de vreemdeling die binnenkomt in het land van toevlucht daadwerkelijk rechtstreeks afkomstig is uit het (onveilige) land van herkomst, maar ook als hij op weg naar het land van toevlucht heeft verbleven in een onveilig derde land, of indien hij slechts op doorreis was door een veilig derde land.

De verdachte heeft komend van het onveilige gebied in en rond [plaatsnaam], Griekenland (Athene) aangedaan en is daar enige tijd verbleven. De politierechter begrijpt dat op basis daarvan bij haar asielaanvraag in Nederland is aangenomen dat zij niet slechts op doorreis was in Griekenland, maar dat zij daar een veilig verblijf heeft gehad. Door Nederland is verzocht om overname van de vreemdeling en haar asielverzoek door Griekenland op grond van de Dublin Verordening (nr 343/2003) of de Dublin Overeenkomst (van 15 juni 1999) (de zogenaamde 'Dublin claim'). In die procedure is door de verdachte beroep ingesteld.

De vraag of de strafrechter rekening zou moeten houden met (de uitkomst van) de 'Dublin claim' moet negatief beantwoord worden. De Dublin Verordening en de Dublin Overeenkomst betreffen verplichtingen tussen Staten: deze regelingen bepalen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. De uitkomst van een door Nederland op een andere Staat gelegde Dublin claim, geeft niet zonder meer antwoord op de vraag of de vreemdeling een beroep kan doen op de bescherming van artikel 31, eerste 1id, Vluchtelingenverdrag. Indien immers een asielzoeker al een (tijdelijk) verblijfsrecht had in een andere 'Dublin Staat' en vervolgens naar Nederland is gereisd om hier asiel aan te vragen, is de andere Staat op grond van de Dublin regeling verplicht om deze vreemdeling terug te nemen en het asielverzoek van Nederland over te nemen. Indien de andere Staat dit - in strijd met de Dublin regeling - weigert, dan blijft overeind dat Nederland de vreemdeling strafrechtelijk mag verwijten dat hij zonder dat het nodig was (hij had immers al verblijf in een ander veilig land) met een vals reisdocument naar Nederland is gereisd (zie ook: Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2009, LJN: BI9008).

In artikel 31 eerste lid onder d van Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een gehonoreerde Dublin claim als weigeringsgrond voor de verblijfsvergunning asiel genoemd. Artikel 31, tweede lid onder h Vw 2000 bevat de weigeringsgrond voor die aanvraag dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de Verdragsstaat waar hij verblijf heeft gehad de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

De beoordeling, in het kader van een beroep op de bescherming van artikel 31, eerste lid van de Vluchtelingenverdrag, of een veilig verblijf in een Verdragsstaat aan de verdachte kan worden tegengeworpen, raakt ook de beoordeling van het asielverzoek. In die beoordeling hebben het Openbaar Ministerie en de strafrechter geen taak.

In deze zaak is beroep ingesteld bij de vreemdelingenrechter tegen de beslissing de verdachte over te dragen aan Griekenland. De politierechter is van oordeel dat in zaken zoals deze behoedzaamheid bij de vervolgingsbeslissing is geboden. Daarbij is ook van belang dat een veroordeling tot een straf een afwijzing van de asielaanvraag tot gevolg kan hebben. In deze zaak heeft het openbaar ministerie de beslissing om de asielprocedure niet af te wachten en tot vervolging over te gaan, niet nader gemotiveerd. Van een specifieke afweging in deze zaak is niet gebleken.

Gelet op het bovenstaande had het openbaar ministerie hangende de asielprocedure (nog) niet tot strafvervolging mogen overgaan.

De politierechter zal het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4 De beslissing

De politierechter:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Waals, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Verdonk, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 februari 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op of omstreeks 24 juli 2009 te Dordrecht in het bezit was van een reisdocument, te weten een (op haar naam gesteld) (Noors) paspoort, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat genoemd paspoort geen echtheidskenmerk(en) bevatte, althans meerdere, in ieder geval een, echtheidskenmerk(en) miste, daar (bij) het paspoort (onder meer)

- geen watermerk bevatte en/of

- de bio(metrische)pagina oplichtte, althans niet zogenaamd 'dood' was en/of

- de hoeken van de pagina's hoekig/ niet (af)gerond waren en/of

- (met een inktjetprinter) geprint was, althans niet was gedrukt;

Parketnummer: 11/711710-09

Vonnis d.d. 5 februari 2010