Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:765

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
AWB-10_715 en AWB_10565
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

belanghebbende

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht


procedurenummers:AWB 10/715 en AWB 10/565

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoeker] , wonende te Dordrecht, verzoeker,


tegen



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

1 Ontstaan en loop van het geding

Op 15 februari 2010 heeft verzoeker verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik als woonruimte van het schoolgebouw van de voormalige LTS aan de Reeweg Oost te Dordrecht.

Bij brief van 22 maart 2010 heeft verweerder dit handhavingsverzoek afgewezen op de grond dat verzoeker daarbij niet belanghebbend is.

Tegen deze afwijzing heeft verzoeker bij brief van 24 maart 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 14 april 2010 heeft verweerder, voor zover van belang, verzoekers bezwaar van 24 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 april 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Het beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 10/565.

Bij brief van 10 juni 2010 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 4 augustus 2010 ter zitting behandeld, tezamen met de verzoeken met procedurenummers AWB 10/716, AWB 10/717, AWB 10/751 en AWB 10/752.

Verzoeker is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 1:3 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang:

  1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling;

  2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan;

  3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen;

(…)

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

2.2.

Aan het bestreden besluit om verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaar ligt ten grondslag dat de afwijzing van het handhavingsverzoek niet als besluit in de zin van de Awb is aan te merken. De afwijzing is geen besluit omdat verzoeker niet belanghebbend is bij zijn verzoek handhavend op te treden tegen het gebruik van het voormalige LTS-gebouw als woonruimte. Eiser wordt immers niet geraakt in zijn persoonlijk belang. Volgens verweerder kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen daar het gebruiken van zelfstandige woonruimte als onzelfstandige woonruimte zonder het beschikken over de vereiste omzetvergunning niet te vergelijken is met de problematiek bij kraakpanden.

2.3.

Verzoeker is in de eerste plaats van opvatting dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving maakt dat een ieder die om handhavend optreden verzoekt, belanghebbend is bij die aanvraag. Verzoeker is voorts van opvatting een persoonlijk belang te hebben bij zijn verzoek om handhavend optreden tegen de bewoning van het voormalige LTS-gebouw. Verzoeker wijst erop dat verweerder handhavend optreedt wegens het ontbreken van een omzettingsvergunning tegen woningen waarin verzoeker meerdere personen tegelijk laat huisvesten. Doordat verweerder niet optreedt tegen de verhuur van het voormalige LTS‑gebouw aan meerdere personen tegelijk zonder de benodigde vergunningen is, zoals verzoeker ter zitting naar voren heeft gebracht, sprake van concurrentievervalsing.

2.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat degene die wordt geconfronteerd met een afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden, een spoedeisend belang moet worden geacht te hebben dat een voorlopig oordeel over die afwijzing, in afwachting van de beslissing op het bezwaar of het beroep, rechtvaardigt.

2.4.2.

Uit artikel 8:1 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Awb volgt dat slechts bezwaar in de zin van die wet kan worden gemaakt bij het bestuursorgaan tegen een besluit dat als besluit heeft te gelden als bedoeld in de Awb en dat alleen door een persoon die te gelden heeft als een belanghebbende.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker bij zijn handhavingsverzoek niet belanghebbend is in de zin van de Awb, zodat de afwijzing geen besluit betreft als bedoeld in de Awb. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

Belanghebbend is degene die een rechtstreeks belang heeft bij (de aanvraag tot het te nemen van) een besluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarvan is pas sprake als het gaat om een bijzonder individueel belang van de betrokkene dat hem daarin onderscheidt van willekeurige anderen. Daaruit volgt dat het algemeen belang dat met handhavend optreden is gediend, niet (tevens) een persoonlijk belang van verzoeker kan vormen bij zijn handhavingsverzoek. Het is immers niet een bijzonder individueel belang dat hem onderscheidt van willekeurige andere inwoners van Dordrecht. Wel kan een bijzonder individueel belang zijn gelegen in het concurrentiebelang dat rechtstreeks is betrokken bij (de aanvraag tot het nemen van) een besluit. Een concurrentiebelang wordt aangenomen als sprake is van soortgelijke bedrijfsactiviteiten op dezelfde markt(en).

Verzoeker is eigenaar van een aantal zelfstandige woningen in Dordrecht, die hij ter beschikking stelt aan werkgevers om daarin meerdere buitenlandse werknemers te huisvesten voor de duur van het werk in Nederland. Vast staat dat het voormalige LTS-gebouw een leegstaand schoolgebouw is in eigendom van de gemeente Dordrecht, dat in tijdelijk beheer is gegeven aan Camelot. Camelot is een bedrijf dat zich richt op het beheer van leegstaand vastgoed, in welk kader onder meer tijdelijke bewoning van dat vastgoed wordt geregeld ter voorkoming van kraak. Camelot heeft in dat kader een aantal bewoners ondergebracht in het voormalige LTS-gebouw. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat verzoeker en Camelot beide in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn. Voorts is gesteld noch gebleken dat verzoeker en Camelot zich tot dezelfde klantenkring richten. Verzoeker heeft dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin een concurrentiebelang bij zijn handhavingsverzoek.

Uit het voorafgaande volgt dat verzoeker niet een rechtstreeks belang heeft bij zijn handhavingsverzoek en daarmee niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van de Awb. Het handhavingsverzoek is daarmee niet aan te merken als een aanvraag een besluit te nemen als bedoeld in met artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing daarvan is niet gericht op rechtsgevolg en daarmee geen besluit in de zin van de Awb, en evenmin daarmee gelijk te stellen. Verzoeker kon dus reeds omdat de afwijzing geen besluit betrof daartegen geen ontvankelijk bezwaar indienen. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht het bezwaarschrift van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

2.5.

Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen op het beroep van verzoeker.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening moet dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier, en door de voorzieningenrechter ondertekend.

De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter,

mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarin op het beroep is beslist, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.