Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK7310

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/653
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een bestuursorgaan mag er in beginsel van uit gaan dat een opgegeven adres juist is en dat correspondentie naar dit adres kan worden gezonden. Vast staat dat eiser geen verhuisbericht aan verweerder heeft gezonden nadat hij de woning december 2006 weer had betrokken. Uit het boeterapport volgt echter dat eiser tijdens het gehoor op 4 april 2006 nadrukkelijk heeft vermeld dat hij alleen gedurende de verbouwing van die woning zijn post wenste te ontvangen op het tijdelijke adres. Verweerder kon er dan ook bij de verzending van het boetebesluit op 4 mei 2007 niet zonder meer vanuit gaan dat het door eiser opgegeven tijdelijke adres nog steeds het juiste adres was. Inmiddels was immers ruim een jaar verstreken nadat eiser melding had gemaakt van de verbouwing. Het vorenstaande klemt temeer nu verweerder het boeterapport op 30 januari 2007 heeft verzonden aan het GBA-adres. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank bij eiser de indruk gewekt dat verweerder ook de verdere correspondentie aan dat adres zou zenden. Bovendien heeft eiser onweersproken gesteld dat hij naar aanleiding van het boeterapport telefonisch contact met verweerder heeft gehad, zodat verweerder redelijkerwijs behoorde te weten dat eiser inmiddels weer op het adres GBA-adres woonachtig was. Eiser kan er om die reden geen verwijt van worden gemaakt dat hij verweerder niet expliciet heeft meegedeeld dat de verbouwing was voltooid en dat hij sinds december 2006 weer woonachtig was op zijn GBA-adres. Een dergelijke mededeling kon en mocht door eiser gelet op al het voorgaande overbodig worden geoordeeld. Het lag dan ook op de weg van verweerder om – nu er twijfel kon bestaan over de juiste adressering – zich er van te vergewissen dat het boetebesluit aan het juiste adres werd gezonden. Daarvoor was temeer reden nu het om een bestraffende sanctie gaat en onjuiste adressering van het boetebesluit gevolgen kan hebben voor het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op toegang tot de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/653

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser], wonende te [woonplaats],eiser,

gemachtigde: mr. N.B. de Neef, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 4 mei 2007 eiser een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van € 20.000,- wegens vijf overtredingen van artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav)

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 mei 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 26 mei 2008 heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Bij besluit van 5 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 6 juni 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij uitspraak van 27 juni 2008 heeft de voorzieningenrechter zowel het primaire besluit als het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep.

Op 16 oktober 2008 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Eiser is ter comparitie verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld schriftelijk nadere informatie aan de rechtbank te verstrekken en eiser is in de gelegenheid gesteld op die nadere informatie te reageren. Partijen hebben van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van respectievelijk 29 oktober 2008 en 3 november 2008.

Ter nadere comparitie van partijen van 26 mei 2009 heeft de rechtbank eiser en [getuige] als getuigen gehoord.

Voorts waren ter zitting aanwezig de gemachtigden van partijen.

Bij brieven van respectievelijk 1 juli en 21 juli 2009 hebben partijen toestemming gegeven om de behandeling ter zitting achterwege te laten. Bij brief van 22 juli 2009 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Wav vervalt de bevoegdheid om een boete op te leggen na verloop van twee jaren na de dag waarop het beboetbare feit is geconstateerd.

2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat eiser zijn bezwaarschrift derhalve te laat heeft ingediend. Het besluit is aan het bij verweerder laatst bekende adres gezonden. Eiser heeft volgens verweerder een correspondentieadres doorgegeven en nadien verweerder niet op de hoogte gesteld van het feit dat dat adres niet meer als correspondentieadres moest worden gebruikt. Het lag volgens verweerder op de weg van eiser om er voor zorg te dragen dat de post naar het juiste adres werd doorgezonden. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in ieder geval in december 2007, toen hij een brief ontving van de gerechtsdeurwaarder, op de hoogte kon zijn van de aan hem opgelegde bestuurlijke boete. Door pas in mei 2008 bezwaar in te dienen is de bezwaartermijn overschreden.

2.3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en stelt dat het primaire besluit eerst op 15 mei 2008 op de voorgeschreven wijze, door toezending aan zijn gemachtigde, is bekend gemaakt. Eiser heeft in april 2006 tijdens het gehoor door de Arbeidsinspectie te kennen gegeven dat hij zijn post – in verband met de verbouwing van zijn woning [woonadres] te [woonplaats] – tijdelijk wenste te ontvangen op het adres [tijdelijk adres]. Eiser verwerpt echter de stelling van verweerder dat laatstgenoemd adres als correspondentieadres gebruikt kon blijven worden. In januari 2007 is het boeterapport immers naar het adres [woonadres] te [woonplaats] verzonden, waar eiser inmiddels na voltooiing van de verbouwing weer woonachtig was. Eiser stelt dat hij er om die reden op mocht vertrouwen dat verweerder dat adres zou aanhouden voor alle verdere correspondentie. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte op het bezwaar heeft beslist zonder aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb gevolg te geven. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de redelijkerwijze door hem gemaakte kosten van professionele rechtsbijstand in de bezwaarprocedure.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of het boetebesluit door toezending aan het adres [tijdelijk adres] op de in de Awb voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 14 maart 2006 heeft verweerder geconstateerd dat aan de woning [woonadres] te woonplaats] sloopwerkzaamheden werden uitgevoerd. In verband met het vermoeden dat ter plaatse in strijd werd gehandeld met de Wav, is eiser op 12 april 2006 gehoord. Tijdens dit gehoor heeft eiser opgemerkt zijn post, gedurende de verbouwing van zijn woning [woonadres] te [woonplaats] te willen ontvangen op het adres [tijdelijk adres]. De verbouwing van de woning is in december 2006 afgerond, waarna hij de woning aan de [woonadres] te [woonplaats] weer heeft betrokken. Eiser heeft nagelaten zijn verhuizing in december 2006 aan verweerder door te geven. In januari 2007 is het door verweerder opgestelde boeterapport verzonden aan het laatstgenoemde adres. Het primaire besluit is vervolgens op 4 mei 2007 weer aan het adres [tijdelijk adres] gezonden. Bij brief van 15 mei 2008 is het boetebesluit door verweerder aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Een bestuursorgaan mag er in beginsel van uit gaan dat een opgegeven adres juist is en dat correspondentie naar dit adres kan worden gezonden. Vast staat dat eiser geen verhuisbericht aan verweerder heeft gezonden nadat hij de woning aan de [woonadres] te [woonplaats] in december 2006 weer had betrokken. Uit het boeterapport volgt echter dat eiser tijdens het gehoor op 4 april 2006 nadrukkelijk heeft vermeld dat hij weliswaar ingeschreven stond op het adres aan de [woonadres] te [woonplaats], maar dat hij alleen gedurende de verbouwing van die woning zijn post wenste te ontvangen op het adres [tijdelijk adres]. Verweerder kon er dan ook bij de verzending van het boetebesluit op 4 mei 2007 niet zonder meer vanuit gaan dat het door eiser opgegeven tijdelijke adres te [tijdelijke woonplaats] nog steeds het juiste adres was. Inmiddels was immers ruim een jaar verstreken nadat eiser melding had gemaakt van de verbouwing. Het vorenstaande klemt temeer nu verweerder het boeterapport op 30 januari 2007 heeft verzonden aan het adres [woonadres] te woonplaats] zijnde het adres waar eiser ook volgens de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank bij eiser de indruk gewekt dat verweerder ook de verdere correspondentie aan dat adres zou zenden. Bovendien heeft eiser onweersproken gesteld dat hij naar aanleiding van het boeterapport telefonisch contact met verweerder heeft gehad, zodat verweerder redelijkerwijs behoorde te weten dat eiser inmiddels weer op het adres in [woonplaats] was. Eiser kan er om die reden geen verwijt van worden gemaakt dat hij verweerder niet expliciet heeft meegedeeld dat de verbouwing was voltooid en dat hij sinds december 2006 weer woonachtig was te [woonplaats] Een dergelijke mededeling kon en mocht door eiser gelet op al het voorgaande overbodig worden geoordeeld. Het lag dan ook op de weg van verweerder om – nu er twijfel kon bestaan over de juiste adressering – zich er van te vergewissen dat het boetebesluit aan het juiste adres werd gezonden. Daarvoor was temeer reden nu het om een bestraffende sanctie gaat en onjuiste adressering van het boetebesluit gevolgen kan hebben voor het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op toegang tot de rechter.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het boetebesluit van 4 mei 2007 niet op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Daaruit volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet is aangevangen en verweerder het bezwaarschrift van eiser ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu het besluit tot opleggen van de boete niet (op de voorgeschreven wijze) is bekend gemaakt is dat besluit niet in werking getreden. Sinds de constatering van het beboetbare feit op 14 maart 2006 zijn ongeveer drie jaar en acht maanden verstreken. Ook indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat bekendmaking alsnog rechtsgeldig is geschied door toezending van het boetebesluit op 15 mei 2008 aan eisers raadsman, is de boete opgelegd buiten de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 19f van de Wav. Herstel van het door de rechtbank gesignaleerde gebrek in de bekendmaking van het besluit van 4 mei 2007 kan dan ook niet het met dat besluit beoogde effect, het opleggen van de boete, worden bereikt. Rechtens is dan ook maar één beslissing op het bezwaar mogelijk, namelijk herroeping van het boetebesluit van 4 mei 2007. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

2.5. Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, tweede volzin, van de Awb, is artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing op de proceskostenveroordeling in beroep.

Nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid dient verweerder op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Voorts dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten in beroep, welke op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 2 maal 0,5 punten voor het verschijnen ter comparitie).

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 4 mei 2007;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eiser in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,--, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

-gelast dat verweerder aan eiser het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P. Putters, rechter, en door deze en mr. N.M. Zandbergen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op: