Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK6086

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/1186
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling krachtens artikel 19 lid 2 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Voorafgaand aan het nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren van eiser 1 en eiser 2 na vernietiging van de beslissing op die bezwaren door de voorzieningenrechter bij wijze van uitspraak op het beroep van eiser 1, behoefde verweerder eiser 2 naar het oordeel van de rechtbank niet nader te horen. Evenmin behoefde verweerder eiser 1 naar het oordeel van de rechtbank nader te horen over de door de welstandscommissie gegeven toelichting op het stempeladvies, die verweerder aan zijn nieuwe beslissing op de bezwaren ten grondslag heeft gelegd.

Provinciale lijst met categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO is naar het oordeel van de rechtbank niet onverbindend op de grond dat daarmee ruime mogelijkheid tot afwijking van bestemmingsplan wordt gegeven.

Uitleg begrip “andere bouwwerken” volgens begripsbepalingen bestemmingsplan in conflict met bouwmogelijkheden die voortvloeien uit plankaart. Uitleg begrip “gevel” in bestemmingsplan.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat met het bouwplan het huidige gebruik wijzigt dan wel de bestaande activiteiten worden geïntensiveerd. Gelet daarop, is op voorhand uitgesloten dat de verleende vrijstelling in betekenende mate zal bijdragen aan luchtverontreiniging. Vanwege nieuwbouw diende verweerder wel te bezien of er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein beschikbaar is in relatie tot dat bestaande gebruik. Geen aanknopingspunten dat dat onvoldoende is.

Bouwen en aanleg parkeerplaatsen in nabijheid van Rijksmonument op zelfde perceel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat in dit geval daarvoor geen monumentenvergunning benodigd was.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het stellen van voorwaarden in de bouwvergunning die tot gevolg hebben dat pas in een later stadium wordt beoordeeld of aan eisen van de gemeentelijke bouwverordening wordt voldaan, zich niet verdraagt met artikel 44 van de Woningwet.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stelling dat het in mandaat door een lid namens de voltallige welstandscommissie gegeven advies, in dit geval een juridische grondslag ontbeert dan wel in strijd is met de rechtszekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 08/654 en AWB 08/1260

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], eiser sub 1,

gemachtigde: mr. dr. L.M. Koenraad, wonende te Zundert,

en

[naam], wonende te [woonplaats], eiser sub 2,

gemachtigde: mr. M.A.M. de Baar, wonende te Breda,

tezamen eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Hol, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum Drechtsteden.

Derde partij:

[naam], (hierna: vergunninghouder),

gemachtigde: M.J. Horssen.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Op 27 november 2006 heeft vergunninghouder een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een verenigingsgebouw op het perceel [adres].

Bij besluit van 9 oktober 2007, verzonden 24 oktober 2007, heeft verweerder vergunninghouder krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een verenigingsgebouw.

Tegen dit besluit hebben eisers tijdig bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser sub 1 ongegrond en het bezwaar van eiser sub 2 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser sub 1 bij brief van 27 mei 2008 en eiser sub 2 bij brief van

30 mei 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Het beroep van eiser sub 1 is geregistreerd onder procedurenummer AWB 08/654 en het beroep van eiser sub 2 onder procedurenummer AWB 08/663.

Bij brief van 2 oktober 2008 heeft eiser sub 1, hangende zijn beroep, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter te Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 08/1147.

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft verweerder een aanvullende motivering toegevoegd aan zijn beslissing van 22 mei 2008 op het bezwaar van eiser sub 1.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft eiser sub 2 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter te Dordrecht, met procedurenummer AWB 08/1186.

Bij uitspraak van 17 oktober 2008 heeft de rechtbank het beroep van eiser sub 2, met procedurenummer AWB 08/663, gegrond verklaard, het bestreden besluit van 22 mei 2008 voor zover betrekking hebbend op het bezwaar van eiser sub 2 vernietigd en verweerder opgedragen inhoudelijk op het bezwaar van eiser te beslissen.

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser sub 2 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser sub 2 bij brief van 29 oktober 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht geregistreerd onder procedurenummer AWB 08/1260.

Bij uitspraken van 14 november 2008 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening van eisers sub 1 en 2, met procedurenummers AWB 08/1147 en AWB 08/1186, afgewezen.

De beroepen met procedurenummers AWB 08/654 en AWB 08/1260 zijn op 17 april 2009 ter zitting van een meervoudige kamer gevoegd behandeld.

Eiser sub 1 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Eiser sub 2 is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) komen te vervallen.

In artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is bij wijze van overgangsrecht bepaald dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalde ten tijde van de bouwaanvraag, voor zover hier van belang:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.1.2. Artikel 9.5.1. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijft ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalde ten tijde van de bouwaanvraag, voor zover hier van belang:

De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:

(...)

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening (....);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk (...), waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, (...);

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 (...) is vereist en deze niet is verleend.

2.1.3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Raadhuisplein e.o. en Woonwerf Verolme" 2003.

Het bouwplan is geprojecteerd voor ongeveer de helft op gronden met bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en voor ongeveer de helft op gronden met bestemming "Woondoeleinden II". Tevens zijn deze gronden bestemd als "Primaire waterkering". Waar het bouwplan zich bevindt op gronden met bestemming "Maatschappelijke doeleinden" ligt het met de zuidpunt buiten het daarvoor gegeven bouwvlak. Binnen het bouwvlak is volgens de plankaart bouwen tot twee bouwlagen toegestaan. Waar het bouwplan zich bevindt op gronden met bestemming "Woondoeleinden II" ligt het bouwplan buiten het daarvoor gegeven bouwvlak.

Artikel 1, aanhef en onder 8, van de voorschriften van evengenoemd bestemmingsplan bepaalt dat in de voorschriften wordt verstaan onder ander bouwwerk: een bouwwerk geen gebouw zijnde.

Artikel 5 ("Woondoeleinden II") van de planvoorschriften bepaalt, voor zover hier van belang:

Doeleindenomschrijving

1. De op de kaart voor Woondoeleinden II aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(...) maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van openbare en bijzondere doeleinden, religieuze doeleinden (...).

Beschrijving in hoofdlijnen

2. De wijze waarop met het plan deze doeleinden worden nagestreefd is in de hoofdlijnen omschreven in artikel 3 van de voorschriften. Voor de gronden met de bestemming Woondoeleinden II gelden daarbij de aanvullende bepalingen als hierna onder 3 tot en met 10 genoemd.

(...)

9. a. Parkeren vindt plaats door middel van collectieve parkeervoorzieningen en in de openbare ruimte. (...)

(...)

Bebouwingsvoorschriften

11. Bebouwing dient plaats te vinden binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken (...)

Primaire waterkering

21. Voor zover deze bestemming samenvalt met de bestemming Primaire waterkering zijn deze gronden primair bestemd voor waterkering en is het bepaalde in artikel 12 van toepassing.

Artikel 7 ("Maatschappelijke doeleinden") van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover hier van belang:

Doeleindenomschrijving

1. De op de kaart voor maatschappelijke doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor: openbare en bijzondere doeleinden; religieuze doeleinden; onderwijsdoeleinden; parkeervoorzieningen (...).

Beschrijving in hoofdlijnen

2. De wijze waarop met het plan deze doeleinden worden nagestreefd is in hoofdlijnen omschreven in artikel 3 van deze voorschriften. Voor de gronden met de bestemming maatschappelijke doeleinden geldt daarbij dat bij de [naam] één dienstwoning en één verenigingsgebouw zijn toegestaan. De kerk is aangemerkt als rijksmonument.

Bebouwingsvoorschriften

3. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bebouwingsgrenzen worden gebouwd; b. hoofdgebouwen dienen met de gevel gebouwd te worden in de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens; (...).

(...)

Primaire waterkering

9. Voor zover deze bestemming samenvalt met de bestemming Primaire waterkering zijn deze gronden primair bestemd voor waterkering en is het bepaalde in artikel 12 van toepassing.

Artikel 12 ("Primaire waterkering") van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover hier van belang:

Doeleindenomschrijving

1. De op de kaart voor primaire waterkering aangegeven gronden zijn primair bestemd voor het in stand houden, het onderhoud, verbetering van de waterkering, met de daarbij behorende andere bouwwerken.

2. Op de gronden met de bestemming primaire waterkering is de keur van de beheerder van toepassing.

3. Secundair zijn deze gronden, voor zover deze gronden samenvallen met andere bestemmingen, bestemd voor doeleinden als omschreven in de artikelen:

* 5 (woondoeleinden II);

* 7 (maatschappelijke doeleinden).

Bebouwingsvoorschriften

4. Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen alleen andere bouwwerken ten behoeve van de Primaire Waterkering worden gebouwd.

5. Op de in lid 1 bedoelde gronden mogen alleen andere bouwwerken ten behoeve van de in lid 3 bedoelde secundaire bestemmingen met inachtneming van de desbetreffende bebouwingsvoorschriften worden gebouwd, indien de belangen van de waterkering zulks gedogen en nadat burgemeester en wethouders advies hebben ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.

2.1.4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van de Woningwet wordt onder welstandscommissie verstaan: door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 8, zesde lid, van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.

Ingevolge 9.1, eerste lid, van de Bouwverordening is de advisering over redelijke eisen van welstand opgedragen aan Vereniging Dorp, Stad en Land die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.

Artikel 9.7 van de Bouwverordening bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. (...)

2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.

2.2. Bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aan vergunninghouder verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO en de bouwvergunning voor de bouw van een verenigingsgebouw door vergunninghouder gehandhaafd.

Bij het door eiser sub 1 bestreden besluit van 22 mei 2008 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Algemene Kamer van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Alblasserdam (hierna: de commissie bezwaarschriften) van 23 april 2008, het bezwaar van eiser sub 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft verweerder de weerlegging van de bezwaren van eiser sub 1 door de commissie bezwaarschriften die aan het besluit van 22 mei 2008 ten grondslag ligt, met een nadere motivering aangevuld op de punten welstand, parkeren en luchtkwaliteit.

Bij het door eiser sub 2 bestreden besluit van 22 oktober 2008 heeft verweerder diens bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften inzake de bezwaren van eiser sub 1 en onder aanvulling van de motivering van dat advies, eveneens ongegrond verklaard.

2.3. Beroepsgronden eisers

2.3.1. Eiser sub 1 kan zich niet verenigen met het door hem bestreden besluit van 22 mei 2008, aangevuld bij besluit van 10 oktober 2008, en eiser sub 2 kan zich niet verenigen met het door hem bestreden besluit van 22 oktober 2008. Zij voeren daartoe het volgende aan.

2.3.2. Eisers zijn van opvatting dat, nu verweerder niet gelijktijdig op de bezwaren van alle bezwaarmakers heeft beslist en de motivering van het besluit van 22 mei 2008 op 10 oktober 2008 is aangevuld, de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven, omdat die besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eiser sub 1 wijst er in dat verband op dat verweerder een nader welstandsadvies bij wijze van aanvullende motivering aan dat besluit ten grondslag heeft gelegd, waarover verweerder hem nader had moeten horen. Eiser sub 2 is van opvatting dat verweerder redelijkerwijs had kunnen weten dat hij aanvullende bezwaren had en dat verweerder hem over die aanvulling nader had moeten horen, alvorens te beslissen op zijn bezwaar bij besluit van 22 oktober 2008. Bovendien is eiser sub 2 van opvatting dat de commissie bezwaarschriften zijn bezwaren niet afdoende gemotiveerd heeft weerlegd en dat verweerder, door zijn beslissing op de bezwaren van eisers niet in twee afzonderlijke besluiten neer te leggen, heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.3.3. Eisers betogen dat de categorie van de provinciale lijst 2007 op grond waarvan verweerder vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend, onverbindend is wegens strijd met de rechtszekerheid, aangezien deze categorie onbepaald is en het daardoor aan verweerder wordt overgelaten het toepassingsbereik te bepalen. Eiser sub 1 betoogt daarenboven dat verweerder in de gegeven situatie redelijkerwijs van zijn vrijstellingsbevoegdheid geen gebruik had mogen maken, omdat voor de afwijking van het geldende bestemmingsplan een bestemmingsplanprocedure had moeten worden gevolgd.

Voor zover verweerder al vrijstelling mocht verlenen, ligt volgens eisers aan de verleende vrijstelling geen deugdelijke ruimtelijke onderbouwing ten grondslag. Daarbij gaat het volgens eisers in de eerste plaats om de gevolgen van het bouwplan voor het verkeer (parkeren, uitwegvergunning, luchtkwaliteit) die gebrekkig dan wel ondeugdelijk in kaart zijn gebracht. In dat verband wijzen eisers op het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening inzake parkeren op eigen terrein, artikel 2.1.5.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Alblasserdam (hierna: APV) inzake uitwegvergunningen en het Besluit Luchtkwaliteit 2005. In de tweede plaats is volgens eisers het onderzoek naar de bodemgesteldheid achterhaald, nu ter plaatse verontreinigde grond is aangetroffen. Ten slotte zijn volgens eiser sub 2 ten onrechte geen overwegingen gewijd aan de ligging van het bouwplan naast een rijksmonument en het bouwen op een primaire waterkering.

2.3.4. Voor zover de vrijstelling al op goede gronden werd verleend, stond volgens eiser sub 1 het bepaalde in de artikelen 5, 7, en 12 van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan eraan in de weg om bouwvergunning te verlenen.

2.3.5. Ook betogen eisers dat de Monumentenwet 1988 aan het verlenen van bouwvergunning in de weg stond, aangezien uit de redengevende omschrijving van het rijksmonument volgt dat de kerk ensemblewaarde heeft zodat voor het bouwplan een monumentenvergunning ingevolge die wet benodigd was.

2.3.6. Eiser sub 2 betoogt voorts dat de verleende bouwvergunning niet had mogen worden verleend wegens strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening inzake parkeren op eigen terrein en omdat ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning niet werd voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.6.1 en 2.6.2 van de Bouwverordening inzake brandveiligheid. Het verbinden van een voorschrift aan de bouwvergunning waarmee na het verlenen van de bouwvergunning alsnog dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 2.6.1. en 2.6.2. van de Bouwverordening, zoals hier is gebeurd, verdraagt zich niet met imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet, aldus eiser sub 2.

2.3.7. Tot slot betogen eisers dat het welstandsadvies waarop de verleende bouwvergunning berust, zowel naar zijn wijze van tot stand komen als naar zijn inhoud zulke ernstige gebreken vertoont dat verweerder dit niet aan de vergunningverlening ten grondslag had mogen leggen.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond met betrekking tot de bodemgesteldheid van het perceel ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen nadere bespreking meer.

2.4.2. Bezwaarprocedure

De rechtbank stelt voorop dat de aanvulling van 10 oktober 2008 op de weerlegging van de bezwaren van eiser sub 1 dient te worden aangemerkt als een wijzing van het besluit van 22 mei 2008 als bedoeld in artikel 6:18, tweede lid, van de Awb. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, wordt het beroep van eiser sub 1 mede gericht geacht tegen het besluit van 10 oktober 2008.

De rechtbank volgt eiser sub 2 niet in zijn betoog dat het door hem bestreden besluit geen stand kan houden, nu uit artikel 7:11, tweede lid, van de Awb voortvloeit dat verweerder gehouden was zijn beslissing op de bezwaarschriften van eisers sub 1 en 2 tegelijkertijd bekend te maken. Bij uitspraak van 17 oktober 2008, procedurenummer AWB 08/663, heeft de rechtbank het besluit van 22 mei 2008 vernietigd voor zover dat besluit zag op het bezwaar van eiser sub 2. De heroverweging van verweerder behoefde, gelet op de gedeeltelijke vernietiging, niet verder te gaan dan het bezwaarschrift van eiser sub 2.

Het betoog van eiser sub 2 dat hij niet is gehoord voordat verweerder opnieuw op zijn bezwaar besliste, faalt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder na de vernietiging van zijn besluit van 22 mei 2008 voor zover dat zag op het bezwaar van eiser sub 2, inhoudelijk op verzoekers bezwaar mocht beslissen zonder hem nog te horen en zonder een nieuw advies aan de commissie van advies voor de bezwaarschriften te vragen. De bezwaarschriften van eiser sub 2 en die van eiser sub 1 zijn identiek. Bij de hoorzitting door de commissie bezwaarschriften op 18 februari 2008 is eiser sub 2 in persoon verschenen en heeft verklaard vertegenwoordigd te willen worden door de gemachtigde van eiser sub 1. Bij de hoorzitting door de commissie bezwaarschriften op 14 april 2008 is eiser sub 2 eveneens in persoon verschenen en heeft hij de gelegenheid gehad inhoudelijk te reageren. Bij de hoorzittingen heeft eiser sub 2 geen van eiser sub 1 afwijkende gronden naar voren gebracht. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat eiser sub 2 over zijn gronden afdoende was gehoord en dat het door de commissie bezwaarschriften gegeven advies over de inhoudelijke bezwaren van eiser sub 1 identiek zou zijn aan een te vragen advies over de inhoudelijke bezwaren van eiser sub 2. Verweerder behoefde in het door eiser sub 2 ingediende verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank geen aanleiding te zien om nader te onderzoeken of daarin wellicht nieuwe bezwaargronden waren vervat. Het had op de weg van eiser sub 2 gelegen om door middel van een aanvullend bezwaarschrift eventuele nieuwe bezwaren aan verweerder kenbaar te maken. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser sub 2 niet in zijn betoog dat het door hem bestreden besluit geen stand kan houden op de grond dat de commissie bezwaarschriften zijn bezwaren onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

Het betoog van eiser sub 1 dat hij niet is gehoord over de toelichting op het stempeladvies van de welstandscommissie dat verweerder aan de aanvullende motivering op de beslissing op zijn bezwaar van 10 oktober 2008 ten grondslag heeft gelegd, slaagt evenmin. Voor het antwoord op de vraag of na het horen in de bezwaarfase opnieuw moet worden gehoord, is artikel 7:9 van de Awb bepalend. Hieruit volgt dat een belanghebbende in de gelegenheid dient te worden gesteld om opnieuw te worden gehoord, als het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden die voor de nieuw te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Hetgeen als nader welstandsadvies door eiser sub 1 wordt aangeduid, betreft een door de secretaris gegeven toelichting op het eerder gegeven stempeladvies van de welstandscommissie en geeft als zodanig gemotiveerd het daarin neergelegde oordeel weer dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier geen stuk dat van aanmerkelijk belang was voor de nieuw te nemen beslissing als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb.

2.4.3. Bevoegdheid vrijstelling artikel 19, tweede lid, van de WRO

In het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 21 december 2006 is de op 19 december 2006 door gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO medewerking aan vrijstelling kan worden verleend, gepubliceerd (hierna: de provinciale lijst 2006). Bij besluit van 9 oktober 2007, gepubliceerd in het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 24 oktober 2007 hebben gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland diezelfde lijst van categorieën opnieuw vastgesteld, waarbij de eerdere lijst is komen te vervallen (hierna: de provinciale lijst 2007).

De provinciale lijst 2007 bepaalt onder de categorie B, onder het kopje "Stedelijk gebied", zoals hier aan de orde, voor zover van belang: 2. Het bouwen van gebouwen (...) ten behoeve van voorzieningen van (...) sociaal-maatschappelijke en levensbeschouwelijke aard (...).

Het betoog van eisers dat de hier toegepaste categorie van de provinciale lijst 2007 onverbindend moet worden geacht, treft geen doel. Bij een vrijstelling die is gebaseerd op artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, mogen de in het bestemmingsplan gegeven bestemming en de daaraan verbonden voorschriften geheel worden gepasseerd in geval van een concreet project. In dat licht bezien maakt het op zichzelf ruime toepassingsbereik van de hier toegepaste categorie naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze categorie reeds daarom in strijd met de rechtszekerheid is. De rechtbank ziet bevestiging voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2004, LJN AO2410.

Het betoog van eiser sub 2 dat verweerder de procedure tot herziening van het bestemmingsplan had moeten volgen in plaats van de vrijstellingsprocedure, treft evenmin doel. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 8 september 2004, LJN AR2204) overweegt de rechtbank dat de WRO geen rangorde kent tussen de procedure tot herziening van een bestemmingsplan en de procedure op grond van artikel 19 van de WRO. Het stond verweerder dan ook vrij van deze laatste procedure gebruik te maken. Niet is gebleken van beletselen voor het volgen van deze procedure.

2.4.4. Vrijstelling

2.4.4.1. Het al dan niet meewerken aan vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO is een discretionaire bevoegdheid van het betrokken bestuursorgaan. Dit maakt dat de planologische overwegingen die tot de verlening van het vrijstellingsbesluit hebben geleid, terughoudend dienen te worden getoetst.

2.4.4.2. De verleende vrijstelling ziet op de volgende afwijkingen.

Het bouwplan overschrijdt aan de zuidzijde het voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" gegeven bouwvlak voor een ondergeschikt deel en is voorts voor ongeveer de helft geprojecteerd op gronden met bestemming "Woondoeleinden II" waar op de plankaart geen bouwvlak is geprojecteerd.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stelling dat het bouwplan op meer punten in strijd is met het bestemmingsplan en overweegt hiertoe het volgende.

Ingevolge artikel 7, negende lid, van de planvoorschriften is voor de gronden met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" waar die samenvallen met de bestemming "Primaire waterkering" het bepaalde van artikel 12 van de planvoorschriften van toepassing. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de planvoorschriften zijn de als "Primaire waterkering" aangemerkte gronden secundair bestemd voor de doeleinden beschreven in artikel 7 ("Maatschappelijke doeleinden") van de planvoorschriften. Artikel 12, vijfde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat alleen andere bouwwerken ten behoeve van de in lid 3 genoemde secundaire bestemming mogen worden gebouwd met inachtneming van de desbetreffende bebouwingsvoorschriften. Onder "andere bouwwerken" moet blijkens de begripsbepalingen van artikel 1 worden verstaan: bouwwerken geen gebouwen zijnde. De plankaart geeft echter voor de gronden waar zowel de primaire bestemming "Waterkering" als de secundaire bestemming "Maatschappelijke doeleinden" geldt, een bouwvlak waarbinnen tot 2 bouwlagen mag worden gebouwd. Aangezien een uitleg volgens de begripsbepalingen van het bestemmingsplan van "andere bouwwerken" in artikel 12, vijfde lid, van de planvoorschriften dusdanig conflicterend is met het gegeven bouwvlak en de bebouwingsvoorschriften voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", moet het gebruik van dat begrip in dat artikellid berusten op een kennelijke fout van de planwetgever. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan ook op de plaats van dat begrip in dat artikellid worden gelezen "bouwwerken". Voor zover wordt gebouwd binnen het bouwvlak gegeven voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", is dit dus conform artikel 12, vijfde lid, van de planvoorschriften en voor zover wordt gebouwd buiten de gegeven bouwvlakken, ziet de verleende vrijstelling mede op artikel 12, vijfde lid, van de planvoorschriften. Het Waterschap Rivierenland heeft op 15 mei 2007 ontheffing verleend van de Keur voor het bouwplan. Met de verleende ontheffing werden naar het oordeel van de rechtbank de waterstaatkundige belangen die zijn gemoeid met het bouwen op de waterkering, afdoende afgewogen. Daarmee is op dit punt de verleende vrijstelling genoegzaam onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook niet in dat verweerder het evengenoemde waterschap om het advies ten aanzien van dit bouwplan had moeten vragen.

Het gebruik waarin het bouwplan voorziet, is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden". Het bouwplan overschrijdt de maximaal toegestane bouwhoogte van twee bouwlagen niet. Het vergunde gebouw is wat betreft grondoppervlak iets groter dan het bouwvlak dat is gegeven voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden". Het betoog van eiser sub 2 dat het bouwplan ook in strijd is met 7, derde lid, onder b, van de bouwvoorschriften, die gelden voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", faalt. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten, in het dagelijks taalgebruik noch in de gemeentelijke welstandsnota noch in het bestemmingsplan, dat de planwetgever met de term "gevel" in die bepaling niets anders dan "voorgevel" heeft bedoeld, te minder nu de planwetgever in artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften wel expliciet de term "voorgevel" gebruikt.

Voor zover wordt gebouwd op gronden met de bestemming "Woondoeleinden II", is dat zowel op het punt van gebruik als op het punt van het bouwvlak strijdig met het bestemmingsplan.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat het in het bestemmingsplan gegeven bouwvlak in feite is verschoven. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat die opschuiving werd ingegeven om meer ruimte te maken voor het plein voor de kerk, zodat het zicht op de kerk vanaf de Cortgene werd verbeterd. Dit in aanmerking genomen vormt de afwijking van het bestemmingsplan met het bouwplan een geringe inbreuk op het planologische regime.

2.4.4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het oude verenigingsgebouw ten opzichte van het vergunde verenigingsgebouw niet rechtens relevant wijzigt en overweegt daartoe als volgt.

Nu de bouwaanvraag tot het oprichten van een verenigingsgebouw is gedaan door de [naam] en ook uit artikel 7, onder 2, "Beschrijving in hoofdlijnen", van de planvoorschriften volgt dat het verenigingsgebouw ten dienste moet staan van de [naam], bestaat geen aanleiding te betwijfelen dat de voornoemde functies door en voor die kerk zullen worden uitgeoefend.

Ten aanzien van de stelling dat sprake is van een (mogelijke) intensivering van het gebruik, nu het bouwplan een vergroting van het vloeroppervlak met zich brengt ten opzichte van het huidige verenigingsgebouw overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de verleende vrijstelling is bepaald dat de ruimtelijke onderbouwing daarvan deel uitmaakt. In de ruimtelijke onderbouwing staat over het huidige en het beoogde gebruik het volgende te lezen: "Het oude verenigingsgebouw wordt gebruikt voor de ouderenmiddag (70+), vrouwenstudiekring (20-70 jaar) en de historische vereniging (50+). Incidenteel wordt er een gemeenteavond georganiseerd voor de gemeenteleden. Op zondag is er ruimte voor 2 groepen crèche (0-5 jaar). Het gebruik van het nieuwe verenigingsgebouw blijft vrijwel gelijk aan het oude verenigingsgebouw. Met uitzondering dat de historische vereniging geen gebruik meer maakt van het nieuwe verenigingsgebouw. In het nieuwe verenigingsgebouw is er de mogelijkheid om een condoleance te houden. Op zondag zal er in het nieuwe verenigingsgebouw nog maar 1 groep crèche worden gehouden." Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ook in het oude verenigingsgebouw al condoleances plaatsvonden. Eisers hebben dat standpunt niet betwist. Uit de bouwtekeningen blijkt dat is vergund een gebouw waar op de begane grond is voorzien in een crèche (33 m2), een bezoekersruimte (153 m2) met opbaarruimte (12 m2), een keuken, gangen en toiletten (98 m2) en op de eerste verdieping in vier vergaderruimtes (91 m2) en een pantry, gang en bergruimte (32 m2). Bij het beantwoorden van de vraag welke activiteiten in het gebouw zullen plaatsvinden, acht de rechtbank de functies die worden genoemd in de bouwtekeningen, bepalend. Er zijn geen discrepanties tussen de in de ruimtelijke onderbouwing genoemde en de in de bouwtekeningen weergegeven functies. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat met het bouwplan de bestaande activiteiten worden gewijzigd.

Vast staat dat het bruto vloeroppervlak van het nieuwe verenigingsgebouw 170 m2 groter wordt dan het oude verenigingsgebouw, in totaal 476 m2. In de bouwaanvraag wordt vergunning gevraagd voor 277 m2 gebruiksoppervlak.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de toename van het aantal m2 van het bruto vloeroppervlak van het vergunde verenigingsgebouw niet maakt dat de gebruiksruimte zoveel groter wordt dan dat van het oude verenigingsgebouw, aangezien de vormgeving van het dak maakt dat een groot deel van de eerste verdieping niet kan worden gebruikt, nu daar is voorzien in twee vides (181 m2). Van het oude verenigingsgebouw kon volgens verweerder vrijwel de gehele bovenverdieping worden benut. Eisers hebben dat standpunt evenmin betwist. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat met het bouwplan de bestaande activiteiten zullen worden geïntensiveerd.

2.4.4.4. Uit het voorgaande volgt dat het niet aannemelijk is dat het bouwplan zal leiden tot een relevante toename van het verkeer. In het licht van hetgeen door eiser is aangevoerd omtrent de relatie tussen de veronderstelde verkeerstoename en de luchtkwaliteit overweegt de rechtbank het volgende.

Op 15 november 2007 is in werking getreden de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), Stb. 2007/414, in verband met het vervallen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 per die datum.

Artikel 5.16 van de Wet Milieubeheer (hierna: de Wm) bepaalt met ingang van 15 november 2007, voor zover hier van belang:

1. Bestuursorganen kunnen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen: (...) c. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; (...).

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in: (...) c. de artikelen (...) 19 (...) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening; (...).

3. (...)

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

Krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wm is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) vastgesteld (Stb. 2007, 440), dat eveneens met ingang van 15 november 2007 in werking is getreden (hierna: het Besluit Nibm).

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit Nibm draagt tot het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wm voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de tijdelijke 1% grens overschrijdt (0,4 microgram/m3).

Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2008, LJN BE9218, heeft de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) onmiddellijke werking, zodat voor de bestreden besluiten die regeling het toetsingskader was. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om, zoals door eisers betoogd, van deze uitspraak van de Afdeling af te wijken. Nu niet kan worden geoordeeld dat het bouwplan zal leiden tot relevante wijzigingen in het gebruik van het perceel, is naar het oordeel van de rechtbank op voorhand uitgesloten dat de verleende vrijstelling in betekenende mate als bedoeld in die regeling zal bijdragen aan luchtverontreiniging. Verweerder mocht zich dan ook in de ruimtelijke onderbouwing op het standpunt stellen dat van nader onderzoek in verband met het bouwplan naar te stellen luchtkwaliteitseisen kon worden afgezien.

2.4.4.5. Omdat sprake is van nieuwbouw, heeft verweerder in (de aanvullende motivering op) zijn beslissingen op bezwaar alsnog de benodigde parkeergelegenheid bezien voor de activiteiten in het verenigingsgebouw. Daarmee is alsnog op dit punt in een ruimtelijke onderbouwing van de verleende vrijstelling voorzien.

Verweerder heeft, op basis van de gemiddelde norm van 2 parkeerplaatsen die volgens de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) moet worden aangehouden per 100 m2 bruto vloeroppervlak van een cultureel centrum/wijkgebouw gelegen in een matig stedelijke omgeving in een centrumgebied, het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald op 10. Het betoog van eiser sub 1 dat dit aantal onvoldoende is omdat er diverse activiteiten tegelijkertijd ter plaatse kunnen plaatsvinden, faalt. Activiteiten in de kerk behoeven immers bij het bepalen van parkeergelegenheid vanwege nieuwbouw niet te worden meegewogen en meerdere activiteiten tegelijkertijd in het verenigingsgebouw zijn in de norm van het CROM verdisconteerd.

2.4.5. Monumentenwet 1988: ligging naast rijksmonument

Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat voor het oprichten van een nieuw verenigingsgebouw dan wel voor de uitbreiding van het huidige parkeerterrein op het plein voor de monumentale kerk, geen vergunning als in dit artikellid bedoeld benodigd is. In de door eisers overgelegde e-mail van 9 maart 2009 van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RACM) wordt het standpunt ingenomen dat het voorplein niet onder bescherming van de aanwijzing als rijksmonument valt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de in de redengevende omschrijving genoemde ensemblewaarde van de kerk vanwege de beeldbepalende ligging buitendijks aan de rand van Alblasserdam niet moet worden betrokken op het plein, maar op omliggende karakteristieke bebouwing van vergelijkbare ouderdom als de kerk zelf. Het oude verenigingsgebouw, dat overigens niet als zulke karakteristieke bebouwing viel aan te merken, is gesloopt. Niet valt in te zien dat de ensemblewaarde die de kerk als zodanig heeft, met de bouw van een nieuw verenigingsgebouw in het geding komt, te minder omdat het nieuwe verenigingsgebouw zodanig wordt geplaatst, dat het voorplein wordt vergroot en het zicht op de kerk verbetert. Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet verzette zich dan ook niet tegen vergunningverlening.

2.4.6. Bouwverordening: parkeren en uitwegen

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, waarin is bepaald dat, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze parkeerplaatsen kunnen en zullen worden voorzien op het plein voor de kerk. Eiser betwisten de mogelijkheid van deze aanleg op zichzelf niet, maar betogen dat de Monumentenwet 1998 en de APV zich tegen de aanleg verzetten. Uit hetgeen hierboven onder 2.4.5. is overwogen, volgt dat voor de aanleg van de parkeerplaatsen geen monumentenvergunning benodigd is, zodat het betoog in zoverre faalt. Niet in geschil is dat er ook nu al parkeerplaatsen zijn op het plein en dat daarvoor een uitweg op de Cortgene in gebruik is. Voor zover voor de bestaande uitweg alsnog een vergunning benodigd zou blijken te zijn, is gesteld noch gebleken dat deze niet zou kunnen worden verleend. Het enkele vereiste van een uitwegvergunning staat dan ook niet aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning in de weg. Deze beroepsgrond faalt eveneens.

2.4.7. Bouwverordening: brandveiligheid

Niet in geschil is dat indien vergunninghouder uitvoering geeft aan de voorwaarde die uit een oogpunt van brandveiligheid is verbonden aan de verleende bouwvergunning, wordt voldaan aan hetgeen ten tijde van de bestreden besluiten werd bepaald in de artikelen 2.6.1 en 2.6.2 van de Bouwverordening inzake een aan een gebouw als het vergunde te stellen eisen inzake brandveiligheid. Het gaat daarbij om de aanwezigheid van zodanige voorzieningen voor de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze werkwijze zich niet verdraagt met artikel 44 van de Woningwet...

2.4.8. Redelijke eisen van welstand

Verweerder mag, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan een advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet of niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder het positieve welstandsadvies van 5 maart 2007, niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Bij besluit van 15 mei 2004 heeft de raad van de gemeente Alblasserdam het Reglement van orde van de gemeentelijke Welstandscommissie (hierna: het Reglement) vastgesteld, dat als bijlage 9 deel uitmaakt van de eveneens door die raad vastgestelde Bouwverordening.

Paragraaf 4.1 ("Gemandateerde behandeling") van het Reglement bepaalt als volgt:

"De gemandateerde architect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de standaard welstandscommissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de gemandateerde architect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de gemandateerde architect het bouwplan voor aan de commissie. De gemandateerde architect heeft voor vergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. (...)."

Paragraaf 4.1.2 ("Het mandaatadvies") van het Reglement bepaalt als volgt:

"De gemandateerde architect brengt welstandsadviezen uit aan B&W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand' (art. 12 lid 1 Woningwet). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel 'niet strijdig' op de tekening te plaatsen en het paraferen van het adviesformulier. Een negatief mandaatadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de welstandsnota."

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de raad van de gemeente Alblasserdam, na een daartoe strekkende voordracht van de stichting Dorp, Stad en Land te Rotterdam, A.G.L. Tuns, ir. J.H.A. Roelofs en ir. F.D.A.C. Mulder per 1 januari 2006 benoemd tot commissieleden van de welstandscommissie voor de gemeente Alblasserdam voor een periode van drie jaar met een eenmalige verlenging van drie jaar en voorts ir. F.D.A.C. Mulder per 1 januari 2006 als gemandateerd commissielid voor de gemeente Alblasserdam aangewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 8, zesde lid, van de Woningwet in verbinding met artikel 9.7 van de Bouwverordening, kan de rechtbank eisers niet volgen in hun stelling dat het Reglement en de benoeming van de commissieleden een juridische grondslag ontberen.

Het betoog van eisers dat de RAMC door de welstandscommissie over het bouwplan vanwege de ligging naast de monumentale kerk had moeten worden geraadpleegd, treft geen doel. Gelet op hetgeen hierboven onder 2.4.5 is overwogen, bestond daarvoor geen aanleiding. Het betoog van eisers dat de gemeentelijke monumentencommissie door de welstandscommissie over het bouwplan had moeten worden geraadpleegd, treft evenmin doel. Nu de gemeentelijke monumentencommissie op 6 oktober 2006 en dus voorafgaand aan het advies van de welstandscommissie positief had geadviseerd over het bouwplan, bestond daartoe evenmin aanleiding en werd aan hetgeen de gemeentelijke welstandsnota over het raadplegen van de gemeentelijke monumentencommissie bepaalt, voldaan.

Verweerder heeft bij (de aanvullende motivering op) zijn beslissingen op bezwaar alsnog een toelichting overgelegd door de secretaris van de welstandscommissie ir. J.H.A. Roelofs op het stempeladvies van 5 maart 2007, dat is gegeven door het gemandateerde lid ir. F.D.A.C. Mulder.

Uit het Reglement, gelezen in samenhang met het hierboven genoemde besluit van de raad van de gemeente Alblasserdam van 20 december 2005, volgt dat het gemandateerde lid van de welstandscommissie een algemeen mandaat heeft om positief te adviseren over regulier vergunningsplichtige bouwplannen, waarbij het aan de desbetreffende gemandateerde wordt overgelaten om te bepalen of sprake is van een situatie waarin hij dient terug te koppelen naar de voltallige welstandscommissie. Voor zover een zodanig mandaat in strijd met de rechtszekerheid zou moeten worden geacht, dan wel zou moeten worden geoordeeld dat in dit geval de gemandateerde ten onrechte geen aanleiding heeft gezien terug te koppelen naar de voltallige welstandcommissie, is de rechtbank van oordeel dat het gebrek is geheeld met de toelichting door de secretaris die daarin namens de voltallige welstandscommissie het gegeven stempeladvies bevestigt.

2.4.9. Het vorenoverwogene in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft kunnen verlenen en de bouwvergunning terecht en op goede gronden heeft verleend.

De beroepen zijn ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

2.5. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

-verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. P. Putters en H.A.B. van Dorst-Tatomir, leden, in aanwezigheid van mr. C.J. Booij, griffier, en door de voorzitter ondertekend.

De griffier is buiten staat De voorzitter,

de uitspraak mede te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op: