Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK5118

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
AWB 07/96 en AWB 07/97
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5763, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waterschapsomslag. Het waterschap heeft geen aparte omslagklassen ingesteld voor de dijkpercelen van eiser. Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat de op de fysieke gesteldheid van de dijkpercelen betrekking hebbende verschillen in hoedanigheid en ligging nopen tot het instellen van aparte omslagklassen. Verweerder is niet in zijn bewijslast geslaagd om aannemelijk te maken dat deze verschillen niet bestaan, althans niet van dien aard zijn dat ter voorkoming van onevenredig voor- of nadeel omslagklassen moeten worden ingesteld. In de rapporten waarop verweerder zich in dat kader beroept, is enkel rekening gehouden met de hogere ligging van de dijken en niet met andere liggingsaspecten (zoals de schuine helling van de dijken) dan wel met de hoedanigheid van de dijken. De Omslagverordening leidt voor eiser tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De aanslagen zijn vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2612
Belastingblad 2010/94

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/96 en 07/97

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[naam],

gevestigd te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te 's Gravenhage,

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Hollandse Delta, verweerder,

gemachtigde: mr. J.K. Lanser.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 31 mei 2005 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2005 172 op één biljet verenigde aanslagen in de waterschapsomslagen (omslagheffing ongebouwd) opgelegd voor de aldaar vermelde, in Nieuw- en Zuid-Beijerland gelegen, objecten.

Met dagtekening 28 februari 2006 heeft verweerder aan eiser voor 114 van deze objecten aanslagen voor het belastingjaar 2006 opgelegd.

Tegen deze aanslagen heeft eiser, voor zover de aanslagen betrekking hebben op de dijken van eiser, bij brieven van 7 juni 2005, respectievelijk 3 maart 2006, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraken op bezwaar van 20 december 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft eiser bij brief van 26 januari 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Bij brief van 16 maart 2007 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld.

De zaken zijn op 10 april 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van J. Verhagen, rentmeester van eiser.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 110 van de Waterschapswet besluit het algemeen bestuur van het waterschap tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet, zoals dat luidde ten tijde in geding, kan het algemeen bestuur, met betrekking tot de bepaling van de heffingmaatstaf, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, een verordening vaststellen waarin omslagklassen voor onroerende zaken worden ingesteld om te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging leiden tot onevenredig voor- of nadeel voor de omslagplichtigen. Voorzover zodanige verschillen leiden tot een verschil in belang van meer dan 50% of van minder dan 25% wordt dat verschil in elk geval aangemerkt als onevenredig onderscheidenlijk niet onevenredig.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Omslagverordening waterschap Hollandse Delta 2005 (hierna: de Verordening) wordt met betrekking tot de taken van het waterschap inzake waterkering, waterkwantiteit en wegen, onder de naam omslag ongebouwd, een waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een ongebouwde onroerende zaak aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat hetgeen wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak niet in aanmerking wordt genomen.

Ingevolge artikel 7 van de Verordening wordt de omslag ongebouwd, bedoeld in artikel 3 van de Verordening, niet geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht aan eiser is opgelegd. In het kader van de fusie van onder meer het waterschap De Grote Waard tot het waterschap Hollandse Delta op 1 januari 2005 is door [naam] onderzocht of aanleiding bestond voor het instellen van een aparte omslagklasse voor dijken. Uit dit onderzoek is gebleken dat de dijken van eiser belang hebben bij de waterbeheersingstaak en dat hiervoor dientengevolge geen aparte omslagklasse hoeft te worden vastgesteld. In het arrest waarop eiser zich beroept, heeft de Hoge Raad enkel geoordeeld dat het waterschap De Groote Waard onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen aanleiding bestond voor het vaststellen van aparte omslagklassen. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat er een verplichting bestaat tot het instellen van aparte omslagklassen voor dijken. In het verweerschrift voert verweerder aan dat uit het, met het oog op dit arrest, opgestelde rapport van [naam] uit 2002 blijkt dat de belangrijkste reden voor het afwijkende voorzieningenniveau van de dijken is gelegen in de hoogteligging van de dijken. Dit leidt tot een nadeel van 22%-32%. De activiteiten schapenhouderij en natuurbescherming komen, zo stelt verweerder, binnen het waterschap ook voor op lager gelegen percelen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad voert verweerder aan dat, nu het nadeel van eiser niet boven 50% is gelegen, verweerder niet verplicht was een aparte omslagklasse in te stellen. Daarnaast blijkt uit een rapport van

[naam] uit 2004 dat alle binnen het waterschap gelegen secundaire en overige waterkeringen volledig in de omslag dienen te worden betrokken daar de hoogte van deze keringen lager is dan de ontwerphoogte van de, bij het waterschap in beheer en onderhoud zijnde, primaire waterkeringen. Verweerder betoogt dat het geschil uit 1995 in de kern een bewijstechnische kwestie was, waarbij het waterschap indertijd niet in de bewijslast is geslaagd. Met de overgelegde deskundigenrapporten is het standpunt van verweerder thans voldoende aannemelijk gemaakt, terwijl eiser zijn stellingen geenszins heeft onderbouwd, aldus verweerder.

2.3 Eiser kan zich met de aanslag niet verenigen. Eiser betoogt, onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof 's Gravenhage van 22 april 1998 en een arrest van de Hoge Raad van 1 november 2000, dat een aanslag van het waterschap De Groote Waard voor het belastingjaar 1995, waarbij de dijken voor het volle tarief waren aangeslagen, geen stand kon houden daar sprake was van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Het waterschap De Groote Waard heeft de aanslagen ter zake van de belastingjaren 1995 tot en met 2000 aan eiser terugbetaald en heeft ter zake de belastingjaren 2001 tot en met 2004 in het geheel geen aanslagen opgelegd ten aanzien van de dijken. Desondanks heeft het waterschap Hollandse Delta, rechtsopvolger van waterschap De Groote Waard, zonder enige toelichting de dijken voor de belastingjaren 2005 en 2006 voor het volle tarief aangeslagen. Nu het rapport van [naam] uit 2004 ten aanzien van de waterkeringszorg in het geheel niet ingaat op de ongebouwde dijkpercelen die een minder belang kunnen hebben bij de uitoefening van waterkeringszorg kan, naar eiser meent, in zoverre worden vastgesteld dat het Waterschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in dat opzicht door eiser gestelde verschillen niet bestaan, althans niet van dien aard zijn dat aparte omslagklassen dienden te worden ingesteld. Voorts wordt in het rapport ten aanzien van het waterkwantititeitsbeheer enkel gesproken over de hogere ligging van de dijken en niet over de hoedanigheid ervan, terwijl eiser zich in de procedure uit 1995 ook heeft beroepen op de hoedanigheid van de dijkpercelen. Nu het waterschap zich beroept op dit rapport kan, zo stelt eiser, ook inzake het waterkwantiteitsbeheer worden vastgesteld dat het waterschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door eiser gestelde verschillen niet bestaan althans dat deze verschillen niet behoefden te leiden tot aparte omslagklassen.

2.4 De rechtbank overweegt het volgende.

2.4.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, het navolgende vast komen te staan.

Uit een fusie van de alsdan bestaande waterschappen en het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden is op 1 januari 2005 het waterschap Hollandse Delta ontstaan. In het kader van deze fusie is, onder meer, de Verordening vastgesteld. Onderdeel van het vaststellen van de bij de Verordening behorende Omslagklassenverordening waterschap Hollandse Delta 2005 was het vaststellen van omslagklassen. Aan [naam] is de opdracht gegeven tot een onderzoek naar de noodzaak van het instellen van omslagklassen binnen het taakgebied van het nieuwe Waterschap. Volgend op dit rapport heeft verweerder besloten eiser aan te slaan voor de eigendom van de hem toebehorende en binnen het taakgebied van het waterschap gelegen dijkpercelen zonder een aparte omslagklasse in te stellen voor deze dijkpercelen. Dit in afwijking van de praktijk tot op dat moment, in die zin dat de rechtsvoorganger van het waterschap, waterschap De Groote Waard, volgend op een arrest van de Hoge Raad van 1 november 2000, de ontvangen waterschapsbelasting over de jaren 1995-2000 aan eiser heeft terugbetaald en voor de jaren 2001-2004 heeft afgezien van het opleggen van aanslagen waterschapsbelasting ter zake van de dijkpercelen.

2.4.2. Gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is tussen partijen met name in geschil of verweerder terecht aanslagen in de waterschapsbelasting aan eiser heeft opgelegd voor de hem toebehorende dijkpercelen, dan wel de vraag of verweerder had moeten besluiten tot het instellen van aparte omslagklassen voor deze dijkpercelen ten aanzien van de taken waterkeringszorg, waterkwantiteitsbeheer en wegenzorg.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat, zoals volgt uit bestendige jurisprudentie, de belastingrechter belastingverordeningen slechts marginaal toetst. Dit betekent dat in het kader van het onderhavige geschil slechts dan plaats is voor een ingrijpen door de rechtbank indien de toepassing van de Verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing zou leiden die de wetgever bij de toekenning van de verordende bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad (Kamerstukken II 1988/1989 19 995, nr. 6 blz. 66 en 70).

In navolging van het arrest van de Hoge Raad waarop eiser zich beroept (Hoge Raad

1 november 2000, LJN: AA7992), overweegt de rechtbank in dat kader dat het stelsel van

artikel 120 van de Waterschapswet inhoudt dat de heffingsmaatstaf voor de omslagen ter zake van alle onroerende zaken binnen de categorie ongebouwd in beginsel dezelfde is en dat een waterschap alleen gehouden is om omslagklassen binnen die categorie in te stellen indien verschillen in hoedanigheid of ligging leiden tot onevenredig voor- of nadeel.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever, bij de in het artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet vermelde verschillen in hoedanigheid of ligging heeft gedoeld heeft op de fysieke gesteldheid van het gebied van het waterschap (Kamerstukken II 19 995, nr. 6,

blz. 65).

Uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad volgt voorts dat indien een belastingplichtige aannemelijk maakt dat op de fysieke gesteldheid van een onroerende zaak betrekking hebbende verschillen in hoedanigheid en ligging nopen tot het instellen van omslagklassen, het waterschap aannemelijk dient te maken dat óf die verschillen niet bestaan óf dat zij niet van dien aard zijn dat ter voorkoming van onevenredig voor- of nadeel voor de belastingplichtigen omslagklassen moeten worden ingesteld.

In hetgeen dienaangaande door eiser naar voren is gebracht - met name hetgeen door eiser is betoogd in zijn nadere reactie van 9 oktober 2007 en ter zitting ten aanzien van de functie van de dijken (secundaire waterkering, landschaps- en natuurbeheer) en de beperkte gebruiksmogelijkheden opgelegd door deze functie - ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de dijken, afgezien van de hoogteligging, waarover partijen het eens zijn, wat betreft hoedanigheid en ligging een zodanig specifiek karakter en een zodanige specifieke functie hebben, dat op verweerder de voornoemde bewijslast is komen te rusten.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in deze bewijslast geslaagd.

Verweerder baseert zijn betoog dat geen noodzaak bestaat tot het instellen van aparte omslagklassen op twee rapporten van [naam], het rapport 'Kostentoedeling omslagklassen opgebouwde dijkpercelen' van 9 juli 2002, opgesteld naar aanleiding van het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 1 november 2000 (hierna: rapport uit 2002) en het rapport 'Omslagklassen Waterschap Hollandse Delta i.o.', opgesteld op 22 november 2004 in het kader van de oprichting van het waterschap Hollandse Delta per 1 januari 2005 (hierna: rapport uit 2004).

De rechtbank acht noch de afzonderlijke rapporten, noch de rapporten tezamen voldoende onderbouwing voor verweerders standpunt.

Het rapport uit 2002 ziet, blijkens de inleiding, enkel op de taak waterkwantiteitsbeheer, de taken waterkeringszorg en wegenzorg zijn buiten beschouwing gebleven.

De conclusies in het rapport zijn voorts gebaseerd op de hoogteligging van de dijken. De conclusie van de opstellers van het rapport dat het verschil in hoedanigheid leidt tot een verschil van 22%-32% blijkt gebaseerd op de hogere ligging van de dijkpercelen en niet op de hoedanigheid ervan in de zin van de voornoemde jurisprudentie.

Uit het rapport blijkt niet dat de opstellers ervan oog hebben gehad voor de andere door eiser naar vorengebrachte liggingsaspecten (zoals de schuine helling van de dijken), dan wel voor de hoedanigheid van de dijken.

Daarbij heeft verweerder, desgevraagd, ter zitting, onvoldoende inzicht kunnen verschaffen in de bestuurlijke afweging waartoe de verschillen in waterkwantiteitsbeheer volgens het rapport uit 2002 noopte.

Ook het rapport uit 2004 overtuigt niet. In dit rapport, blijkens de inleiding betrekking hebbende op de taken waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer, wordt de taak wegenzorg wederom buiten beschouwing gelaten. Het verwijst voor wat waterkwantiteitsbeheer betreft enkel in algemene bewoordingen naar het rapport uit 2002. Voorts wordt in het rapport slechts in algemene zin verwoord dat in specifieke gevallen verschillen in hoedanigheid en ligging kunnen leiden tot onevenredig voor- of nadeel en blijkt niet dat op enige wijze de specifieke hoedanigheidskenmerken van de dijkpercelen van eiser bij het verrichte onderzoek in aanmerking zijn genomen.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. De Verordening leidt voor eiser tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De opgelegde aanslagen dienen te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage.

Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand worden op grond van het Bpb vastgesteld op € 810,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke uiteenzetting volgend op het verweerschrift)

De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die voor vergoeding op grond van het Bpb in aanmerking komen.

De rechtbank ziet tevens aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht zal vergoeden.

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar van 20 december 2006;

-vernietigt de aanslagen (aanslagnummers: [nummer] en [nummer]);

-veroordeelt verweerder in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep

redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden bepaald op € 810,- ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 562,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, in aanwezigheid van H. Nummerdor, griffier en door de rechter ondertekend.

De griffier is buiten De rechter,

staat deze uitspraak mede

te ondertekenen