Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK5117

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
AWB 07-431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag verontreinigingsheffing is rechtsgeldig. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om de bevoegdheid van de ondertekenaar van het aangifteformulier in twijfel te trekken. De bestreden aanslag heeft betrekking op belastingjaar 2004 en is berekend op basis van de resultaten van vier afvalwateronderzoeken die in 2004 zijn verricht. De overdracht van activiteiten heeft plaatsvonden per 1 januari 2005. De juridische fusie van 1 april 2006 maakt niet dat de aanslag enkel gericht had kunnen worden aan eiseres. Het vaststellen van een aanslag ten name van een niet meer bestaande rechtspersoon is niet meer dan het constateren dat op die rechtspersoon voor het desbetreffende belastingjaar een belastingschuld heeft gerust. Dat de aanslag is opgelegd na de fusie maakt dit niet anders nu deze fusie niet tot gevolg heeft dat eiseres de belastingplichtige voor de voor het belastingjaar 2004 verschuldigde belasting is geworden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/45 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/431

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[naam]., als rechtsop[naam]van [naam] en [naam].,

gevestigd te Dordrecht, eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van het Waterschap Hollandse Delta, verweerder,

gemachtigde: mr. J.K. Lanser.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 31 oktober 2006 heeft ve[naam]aan [naam] & [naam]. te [woonplaats] ([naam]naam]) voor het jaar 2004 een aanslag waterschapsbelastingen ter zake van verontreinigingsheffing opgelegd,

ten bedrage van € 123.381,60, voor het object [ad[woonplaats]]

Tegen deze aanslag heeft eiseres, als rechtsopvolgster van [naam], bij brief van

11 december 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiseres bij brief en faxbericht van 1 mei 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 10 april 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 110 van de Waterschapswet besluit het algemeen bestuur van het waterschap tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 18, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: WVO) is een kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlakte water waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is.

De bestreden aanslag is gebaseerd op de Verordening verontreinigingsheffing Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden 2004 (hierna: Verordening verontreinigingsheffing).De verordening is op 6 november 2003 vastgesteld door de verenigde vergadering van het Zuiveringsschap.

De Verordening verontreinigingsheffing luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht

Onder de naam verontreinigingsheffing wordt, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven ter zake van het direct brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringstechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is.

Aan de heffing kunnen worden onderworpen:

a. terzake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte: degene die gebruik heeft van die ruimte;

b. terzake van het afvoeren van stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringstechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringstechnisch werk in beheer is;

c. terzake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen afvoert.

(..)

Artikel 5 Heffingsjaar

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf - algemeen

Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

(..)

2.2. Eiseres stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en voert daartoe het volgende aan. Het is niet duidelijk of het SVHW optreedt namens het waterschap Hollandse Delta. Voorts blijkt noch uit het primaire besluit, noch uit de uitspraak op bezwaar op basis van welke wet- en regelgeving de aanslag is opgelegd.

Het is eiseres niet bekend wie op welke datum aangifte heeft gedaan namens [naam] over het belastingjaar 2004. De gegevens waarop het SVHW zich baseert zijn eiseres onbekend en niet ingediend of traceerbaar door [naam]. Voorts betwist eiseres uitdrukkelijk dat de door [naam] in belastingjaar 2004 veroorzaakte verontreiniging een dusdanige omvang had dat deze de opgelegde aanslag rechtvaardigt. De aanslag verontreinigingsheffing over eerdere belastingjaren bedroeg € 20.000,- à € 30.000,-.

Nu [naam] haar onderneming, inclusief handelsnaam [naam], eind 2004 heeft overgedragen aan een derde, bestaat het vermoeden dat die overnemer aangifte heeft gedaan. Deze was hiertoe echter niet bevoegd daar niet de aandelen van [naam] maar enkel bepaalde activa zijn overgedragen. Daarbij had, nu [naam] door een juridische fusie is opgegaan in eiseres, de aanslag niet gericht kunnen worden aan [naam], maar enkel aan eiseres. Dit betekent, aldus eiseres, dat de aanslag dient te worden vernietigd, althans als een obscuur libel dient te worden beschouwd.

2.3. De uitspraak op bezwaar strekt tot handhaving van de beschikking. Verweerder heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ingevolge artikel 11 van de AWR mag een vordering worden opgelegd binnen drie jaar na afloop van het tijdvak waarover voor de vordering belasting verschuldigd was. In de stellingen van eiseres worden geen redenen gevonden voor het oordeel dat de vervuilingswaarde van het afvalwater onjuist is vastgesteld. In het verweerschrift voert verweerder aan dat het waterschap Hollandse Delta met ingang van 1 januari 2005 deelnemer is in het SVHW. Op 17 februari 2005 is de directeur van het SVHW door het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap aangewezen als heffingsambtenaar van het waterschap. Het aangifteformulier is, aldus verweerder, op 31 maart 2005 aan [naam] toegezonden en ingevuld door de plantmanager. Verweerder is niet gebleken dat deze persoon hiertoe onbevoegd was. Voorts zijn alle gevraagde gegevens, waaronder ook het klantnummer van het waterleidingsbedrijf, ingevuld. De definitieve aanslag is, zo voert verweerder aan, berekend op basis van resultaten van vier, in opdracht van [naam] uitgevoerde, afvalwateronderzoeken en van buiten de meetvoorziening om geloosde hoeveelheden huishoudelijk afvalwater en koelwater.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van hetgeen door eiseres is gesteld ten aanzien van de bevoegdheid van het SVHW is de rechtbank uit de dossierstukken gebleken dat uit een fusie van onder meer het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden per 1 januari 2005 het waterschap Hollandse Delta is ontstaan (hierna: het waterschap), waarbij de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeheer is overgegaan naar het waterschap.

Het waterschap is per 1 januari 2005 deelnemer in het SVHW. Bij besluit van

17 februari 2005 is de directeur van het SVHW aangewezen als heffingsambtenaar van het waterschap. Aldus is de aanslag bevoegd vastgesteld en is de uitspraak op bezwaar bevoegd gedaan.

De kennelijke stelling van eiseres dat de aanslag te laat is opgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 11, derde lid, van de AWR volgt dat verweerder gedurende drie jaren na het ontstaan van een belastingschuld de bevoegdheid heeft tot het vaststellen van een aanslag.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

Per 31 december 2004 heeft [naam] haar activiteiten verkocht aan [naam] [naa[naam] (hierna: [naam] [naam]). Op 1 april 2006 heeft een juridische fusie plaatsgevonden[naam]naam] en eiseres, waarbij eiseres, als verkrijgende rechtspersoon, het gehele vermo[naam]naam] onder algemene titel heeft verkregen en [naam] van rechtswege is opgehouden te bestaan.

Volgend op een aangifte daterend van 26 april 2005 is op 31 oktober 2006 de bestreden aanslag verontreinigingsheffing opgelegd aan [naam]. Eiseres heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

Bij haar navolgende overwegingen neemt de rechtbank de voornoemde feiten en omstandigheden als uitgangspunt.

Anders dan eiseres stelt, kan de opgelegde aanslag wel als rechtsgeldig worden aangemerkt.

Verweerder heeft aan [naam] een aangifteformulier verontreinigingsheffing 2004 toegezonden en dit aangifteformulier is, ondertekend door [naam], plantmanager en volledig ingevuld, terugontvangen. Aldus is voldaan aan het in artikel 8, eerste lid, onder a, van de AWR neergelegde vereiste dat de in de uitnodiging (het aangifteformulier) gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud dienen te worden verstrekt.

Gelet hierop, alsmede op de inhoud van het aangifteformulier, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de bevoegdheid van de ondertekenaar in twijfel te trekken.

Nu eiseres haar stellingen dat het aangifteformulier door een onbevoegde derde is ingevuld onvoldoende heeft onderbouwd - eiseres had bijvoorbeeld inzicht kunnen geven in de dienstbetrekking tussen de ondertekenaar en [naam] danwel [naam] [naam] - kan deze stelling aan vorenstaande niet afdoen.

Hoewel, zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend, het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder had gelegen een onderzoek te verrichten naar de op het aangifteformulier vermelde bijzonderheid 'overgang naar andere eigenaar, inkrimping van activiteiten per 1 januari 2005', leidt het ontbreken van een onderzoek niet tot een gegrond beroep nu dit onderzoek tot geen andere conclusie had kunnen leiden dan dat [naam] belastingschuldige was voor het belastingjaar 2004. Immers, eerst per 1 januari 2005 heeft [naam] haar activiteiten verkocht aan [naam] [naam] en eerst per 1 april 2006 is de juridische fusie tussen [naam] en eiseres tot stand gekomen.

Voorts is de rechtbank uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de definitieve aanslag met name is berekend op basis van de resultaten van vier afvalwateronderzoeken die in 2004 in opdracht van [naam] zijn verricht en de vuillast van buiten de meetvoorziening om geloosde hoeveelheden huishoudelijk afvalwater en koelwater. Uit de door verweerder overgelegde (en bij brief van 16 november 2006 door verweerder aan eiseres toegezonden) specificatie blijkt dat de door verweerder berekende eenheden slechts in beperkte mate afwijken van de door middel van het aangifteformulier aan verweerder kenbaar gemaakte eenheden. Ook in dat opzicht heeft verweerder derhalve geen vraagtekens hoeven stellen bij de gedane aangifte. De stelling van eiseres dat de aanslag sterk afwijkt van voorgaande jaren kan, reeds bij gebrek aan een onderbouwing ervan, niet leiden tot een ander oordeel.

Het kennelijke betoog van eiseres dat de aanslag niet gericht had kunnen worden aan [naam], maar enkel aan eiseres, volgt de rechtbank niet.

In navolging van de Hoge Raad (onder meer arrest van 19 september 2003, LJN: AK 8288) overweegt de rechtbank dat het vaststellen van een aanslag ten name van een niet meer bestaande rechtspersoon in wezen niets anders is dan het constateren dat op die rechtspersoon in het desbetreffende jaar een belastingschuld heeft gerust. De opgelegde aanslag heeft betrekking op belastingjaar 2004 en tussen partijen is niet in geschil dat [naam] in het jaar 2004 belastingplichtig was voor de verontreinigingsheffing. Aldus was [naam] de belastingschuldige en is de aanslag terecht ten name van [naam] gesteld en niet ten name van eiseres, die immers eerst sinds 1 april 2006 de rechtsopvolgster van [naam] is. Aan dit oordeel doet niet af dat de aanslag is opgelegd op 31 oktober 2006, dat wil zeggen ná de juridische fusie tussen [naam] en eiseres, nu deze fusie niet tot gevolg heeft dat eiseres de belastingplichtige voor de voor het belastingjaar 2004 verschuldigde belasting is geworden.

Nu ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven voor een ander oordeel, is het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, in aanwezigheid van H. Nummerdor, griffier en door de rechter ondertekend.

De griffier is buiten De rechter,

staat deze uitspraak mede

te ondertekenen