Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3865

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
11/800730-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep verontschuldigbare onmacht. De rechtbank overweegt dat een beroep op de afwezigheid van alle schuld pas kan worden aangenomen als blijkt dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Als zich een zogenaamde hypo zou hebben voorgedaan, wat op grond van het dossier niet onomstotelijk vaststaat, dan treft verdachte alleen dan geen blaam als hij deze niet had voelen aankomen en ook niet daarop bedacht had behoeven te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep om deze reden geen kans van slagen heeft. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij zich al niet lekker voelde voordat hij in de auto stapte. En ook dat de symptomen van duizeligheid en misselijkheid die hij voor het rijden ervoer leken op de symptomen die hij bij een eerdere hypo had. Verdachte is desondanks toch gaan rijden, omdat hij graag naar huis wilde.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat verdachte zich zelf in deze toestand heeft gebracht, nu hij wist dat alcohol en diabetes een slechte combinatie is.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/13

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/800730-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 november 2009

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren in 1951,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsvrouw mr. M.F.A. van Pelt, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 november 2009, waarbij de officier van justitie mr. M.H.A. Paapen, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 20 december 2007 te Papendrecht:

Primair: onder invloed van alcohol als bestuurder van een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel zodanig lichamelijk letsel dat tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair: onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd en/of als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Zij baseert zich hierbij op het proces-verbaal verkeersongevallen, de verklaring van het slachtoffer, de verklaring van verdachte, de getuigenverklaring, de medische stukken en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. De officier van justitie acht het gelet op de NFI-rapportage niet aannemelijk dat verdachte maar drie alcohol consumpties heeft genoten. De officier van justitie kwalificeert het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, nu hij onder invloed van alcohol, ongecontroleerd heeft gereden, slingerde, een vluchtheuvel heeft geraakt en de controle over zijn voertuig is kwijtgeraakt.

De officier van justitie kan achteraf niet vaststellen of verdachte tijdens het rijden een zogenaamde hypo heeft gehad. Zij acht dit niet van belang nu verdachte met de wetenschap van zijn diabetes toch heeft gedronken en dus een te groot risico heeft genomen door vervolgens aan het verkeer deel te nemen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit voor het primair ten laste gelegde.

Zij heeft met betrekking tot de vrijspraak aangevoerd dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 nu er sprake is van slechts één enkele verkeersovertreding. Daarbij staat naar de mening van de verdediging de mogelijkheid open dat het hoge alcoholgehalte is veroorzaakt door aantoonbaar gebruik van medicijnen althans door het hebben van een hypo. Tenslotte ontbreekt het voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet noodzakelijke causale verband tussen het ongeval en het letsel van het slachtoffer. Ten aanzien van het zwaar lichamelijke letsel is er onvoldoende bewijs en ten aanzien van de tijdelijke verhindering in de normale bezigheden is het de vraag of dit het gevolg is van het ongeval. Uit de ingediende vordering benadeelde partij blijkt immers dat het slachtoffer eind januari 2008 op haar schouder is gevallen.

Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het primaire feit komen dan dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare onmacht. Deze onmacht ligt naar de mening van de verdediging in de mogelijkheid dat verdachte tijdens het rijden een zogenaamde ‘ hypo’ heeft gehad als gevolg van zijn recentelijk ontdekte suikerziekte.

Ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Ook hier heeft de verdediging aangevoerd dat het alcoholgehalte van verdachte onvoldoende is vast te stellen door het hebben van een hypo.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 20 december 2007 heeft er omstreeks 20.00 uur een ongeval plaatsgevonden op de Burgemeester Keijzerweg te Papendrecht. Bij dit ongeval waren twee personenauto’s betrokken bestuurd door respectievelijk [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) en [slachtoffer] ( hierna te noemen: slachtoffer). Verdachte reed over de Burgemeester Keijzerweg, komende uit de richting van de rotonde van de Ketelweg. Verdachte was onder invloed van alcohol. Hij reed over een verkeersdrempel en kwam op de tegengestelde weghelft terecht. Doordat hij niet zoveel mogelijk rechts hield, ontstond tussen hem en het hem op dezelfde weg tegemoetkomende slachtoffer een aanrijding. Er is geen infrastructurele oorzaak aangetoond welke aan het ongeval ten grondslag kan hebben gelegen1.

De verbalisanten hebben verdachte op 20 december 2007 om 20.10 uur voor het eerst aangesproken. Zij zagen dat verdachte zich aan zijn auto moest vasthouden om niet ten val te komen. Zij hoorden dat verdachte erg warrig en met dubbele tong sprak en zij roken dat zijn adem naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook. Ook hoorden zij verdachte zeggen dat hij gedronken had en de aanrijding niet had gemerkt. Zij merkten dat verdachte steeds stemmingswisselingen had, veel last had van hik en van transpiratie.

Om 20.13 uur die avond werd van verdachte gevorderd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek. Als resultaat van deze test werd een alcohol indicatie boven de wettelijke grens vastgesteld, te weten F= 650 ugl / l en hoger.

Op 20 december 2007 om 20.58 uur werd aan verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft zich daarna onder leiding van een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken aan dit onderzoek onderworpen.

Dit onderzoek vond plaats op 20 december 2007 om 20.59 uur waarbij gebruik werd gemaakt van een ademanalyse apparaat dat ingevolge het Besluit Alcoholonderzoeken is aangewezen door de Minister van Justitie en welk apparaat geldig is tot 9 april 2007.

Dit onderzoek heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek waarvan het resultaat 845 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg2.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 20 december 2007 omstreeks 20.00 uur in haar personenauto reed op de Burgemeester Keijzerweg te Papendrecht in de richting van de Ketelweg. Vlak voor de rotonde reed zij op haar eigen weghelft. Zij zag op dat moment vanaf de rotonde een auto aankomen welke op haar weghelft reed. Zij reed naar links om de auto te ontwijken maar dit was niet ver genoeg. Zij zag en voelde daarop dat zij geraakt werd door de tegemoetkomende auto3.

Als gevolg van deze aanrijding heeft het slachtoffer nekklachten, schouderklachten en knieklachten. Sinds de aanrijding heeft zij als gevolg van deze klachten niet meer kunnen werken als winkelbediende in een supermarkt. Het slachtoffer is daarvoor onder behandeling bij een arbo-arts4. Uit de stukken van de arbo-arts blijkt dat het slachtoffer beperkingen heeft aan onder andere de linkerschouder, welke zijn veroorzaakt door een frontale botsing door een spookrijder5.

Getuige [getuige ] heeft verklaard dat hij op 20 december 2007 op de Ketelweg reed in de richting van de Burgemeester Keijzerweg te Papendrecht. Hij zag een personenauto vanaf een bedrijf de Ketelweg opdraaien. Dit ging volgens hem ongecontroleerd en hard. De auto reed hevig slingerend voor hem op de Ketelweg. Hij zag dat de auto de rotonde opreed en een vluchtheuvel over reed. De vonken kwamen daarbij onder de auto vandaan. Hij zag vervolgens dat de auto op de verkeerde weghelft terecht kwam en daar tegen een hem tegemoetkomende auto opreed6.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 5 februari 2009 verklaard dat hij duizelig was en zich niet goed voelde toen hij op 20 december 2007 van zijn werk wegreed. Het was een nieuwe verkeerssituatie rond de Ketelweg en de Burgemeester Keijzerweg te Papendrecht en verdachte zag de rotonde niet goed. Verdachte reed verkeerd over de vluchtheuvel, hoorde een dreun, kwam op de verkeerde weghelft terecht en botste tegen het slachtoffer aan met zijn auto. Verdachte kwam van de kerstborrel van zijn werk waar hij alcohol had genuttigd7.

De verdachte sluit uit dat hij meer heeft gedronken dan twee bier en één wijn.

Op verzoek van de verdediging is in opdracht van de rechtbank een toxicologisch rapport door het Nederlands Forensisch Instituut uitgebracht. Uit dit rapport komt naar voren dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat bij een persoon die drie standaard glazen alcoholhoudende drank heeft gedronken in een periode van ongeveer vier uur, een ademonderzoeksresultaat wordt verkregen van 845 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Verder geeft suikerziekte geen aanleiding tot het vrijkomen van alcohol in het lichaam en ook niet tot een verstoring van de ademanalyse. Suikerziekte beïnvloedt ook niet de snelheid waarmee alcohol uit het lichaam wordt verwijderd. Het is volgens het rapport zeer onwaarschijnlijk dan wel onmogelijk dat een diabeet waarbij het bloedsuikergehalte onder controle is, een ademalcoholgehalte van 845 microgram kan hebben, terwijl hij minder dan de daarbij behorende hoeveelheid alcoholhoudende drank heeft genuttigd. Alleen bij zeer sterk ontregelde patiënten met de daarbij behorende klinische verschijnselen, kan de alcohol bloedconcentratie door bijvoorbeeld uitdrogingsverschijnselen mogelijk iets hoger zijn dan bij personen zonder uitdrogingsverschijnselen8.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande het primaire feit wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend gereden nu hij onder invloed van alcohol met zijn auto over een verkeersdrempel is gereden ten gevolge waarvan hij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en tegen een tegenligger is aangereden. Aan deze tegenligger werd hierdoor zodanig lichamelijk letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen term verkeersdrempel dat er in het dossier wisselend wordt gesproken over een verkeersdrempel dan wel over een vluchtheuvel waar verdachte over heen is gereden. Ongeacht de benaming is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen zoals hierboven opgenomen, naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat deze drempel/heuvel dient om verschillende weghelften te scheiden en niet bedoeld is om met een voertuig over heen te rijden9. De rechtbank merkt deze handeling van verdachte dan ook aan als verkeersfout.

De rechtbank baseert haar oordeel ten aanzien van het alcoholgehalte van de adem van verdachte op het proces-verbaal rijden onder invloed en het voltooide ademonderzoek van verdachte waarbij een alcoholgehalte van 845 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht is gemeten, alsmede op het deskundigenrapport. Naar het oordeel van de rechtbank staat aan de hand van het voltooide ademonderzoek voldoende vast dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 845 microgram bedroeg, wat bijna vier keer de toegestane hoeveelheid betreft. De rechtbank heeft in het deskundigenrapport geen aanwijzingen gevonden dat dit hoge alcoholgehalte van de adem van verdachte door iets anders zou kunnen zijn veroorzaakt dan door de inname van alcohol.

De rechtbank acht hierbij van belang dat als er al sprake geweest zou zijn van een zogenaamde hypo bij verdachte, zoals aangevoerd door de verdediging, het niet aannemelijk is dat daardoor de alcohol bloedconcentratie van verdachte in zo’n hoge mate afwijkt van de opgevoerde alcoholinname als nu het geval is. Alleen bij zeer ontregelde patiënten kan de alcohol bloedconcentratie immers iets hoger zijn dan bij personen zonder uitdrogingsverschijnselen. Hoewel de specifieke persoonlijke omstandigheden van verdachte niet zijn meegewogen door de deskundige, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte zodanig ontregeld was dat hieruit het hoge alcoholgehalte verklaard zou kunnen worden. Verdachte stond immers al een half jaar onder medisch toezicht en gebruikte ook medicijnen voor zijn diabetes.

De rechtbank verwerpt hiermee het verweer van de verdediging dat het alcoholgehalte van verdachte niet kan worden vastgesteld.

Dat verdachte als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden terwijl hij kennelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, merkt de rechtbank eveneens aan als verkeersfout.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich hiermee tenminste schuldig gemaakt aan twee verkeersfouten, waardoor het handelen van verdachte valt onder de reikwijdte van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat er slecht sprake is van een enkele verkeersovertreding.

Ten aanzien van het lichamelijk letsel baseert de rechtbank zich op de verklaring van het slachtoffer en de stukken van de arbo-arts. De rechtbank acht onvoldoende bewijs voorhanden voor zwaar lichamelijk letsel en zij zal verdachte voor dat gedeelte vrijspreken. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Door de verdediging is aangevoerd dat het causaal verband tussen het verkeersongeval en het letsel van het slachtoffer onvoldoende overtuigend is, nu het slachtoffer eind januari 2008 ook op haar schouder is gevallen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Daargelaten dat uit de stukken van de arbo-arts niet blijkt dat het slachtoffer beperkingen heeft als gevolg van nieuw letsel, blijkt voldoende dat het slachtoffer in ieder geval tot eind januari 2008 niet heeft kunnen werken. Hiermee is wel degelijk sprake van een verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden voor langere duur.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 20 december 2007 te Papendrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Keijzerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, te rijden, immers

heeft, hij, terwijl hij aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, komende vanaf de rotonde van de Ketelweg, bij het oprijden van de Burgemeester Keijzerweg met het door hem bestuurde motorrijtuig over een verkeersdrempel

gereden

waarna hij vervolgens is terecht gekomen op de weghelft die was bestemd voor

het hem tegemoetkomende verkeer

alwaar een aanrijding is ontstaan, tussen het hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een hem tegemoetkomende personenauto

tengevolge waarvan een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand

als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Primair

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER LICHAMELIJK LETSEL WORDT TOEGEBRACHT EN DE SCHULDIGE VERKEERDE IN DE TOESTAND, BEDOELD IN ARTIKEL 8, TWEEDE LID VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond verontschuldigbare onmacht. Deze onmacht ligt naar de mening van de verdediging in de mogelijkheid dat verdachte tijdens het rijden een zogenaamde ‘ hypo’ heeft gehad als gevolg van zijn recentelijk ontdekte suikerziekte, waardoor hij de controle over zijn voertuig is kwijtgeraakt.

De rechtbank overweegt dat een beroep op de afwezigheid van alle schuld pas kan worden aangenomen als blijkt dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Als zich een zogenaamde hypo zou hebben voorgedaan, wat op grond van het dossier niet onomstotelijk vaststaat, dan treft verdachte alleen dan geen blaam als hij deze niet had voelen aankomen en ook niet daarop bedacht had behoeven te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep om deze reden geen kans van slagen heeft. Verdachte heeft immers ter terechtzitting van 5 februari 2009 en 5 november 2009 verklaard dat hij zich al niet lekker voelde voordat hij in de auto stapte. En ook dat de symptomen van duizeligheid en misselijkheid die hij voor het rijden ervoer leken op de symptomen die hij bij een eerdere hypo had. Verdachte is desondanks toch gaan rijden, omdat hij graag naar huis wilde.

De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen sprake kan zijn van verontschuldigbare onmacht en zij verwerpt het verweer. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verdachte zich zelf in deze toestand heeft gebracht, nu hij wist dat alcohol en diabetes een slechte combinatie is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft hierbij aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor soortgelijke feiten. Omdat verdachte first-offender is en het feit dateert uit 2007, ziet de officier van justitie ruimte om verdachte in plaats van een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het lange tijdsverloop tussen het feit en de afdoening, welk niet geheel aan verdachte te wijten is. Het opnieuw inhouden van het rijbewijs acht de verdediging gelet op dit tijdsverloop niet nodig. Zeker niet nu verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en dit na inname eerst door de officier van justitie en vervolgens door het CBR al geruime tijd kwijt is geweest.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte ging na de kerstborrel op 20 december 2007 van zijn werk op weg naar huis. Vlak bij zijn werk reed verdachte over een verkeersdrempel heen waarna hij op de verkeerde weghelft terecht kwam. Hij is op deze verkeerde weghelft tegen een tegenligger aan gereden. Na een ademonderzoek is gebleken dat verdachte bijna vier keer de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed had. Verdachte is ondanks dat hij zich bij het instappen al niet lekker voelde toch geen rijden. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Alcohol is doodsoorzaak nummer één in het verkeer. De gevolgen voor de slachtoffers van dronken rijgedrag zijn vaak enorm. Zo ook voor het slachtoffer in deze zaak. Zij kan door haar letsel langere tijd haar werk en hobby’s niet uitoefenen.

De richtlijn voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 met dit alcoholpromillage en letsel bedraagt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden.

Bij het bepalen van de soort en hoogte van de straf houdt de rechtbank niet alleen rekening met de aard en ernst van het feit maar ook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt er tevens rekening mee dat het rijbewijs van verdachte niet alleen negen maanden door justitie ingevorderd is geweest maar ook nog geruime tijd nadien door het CBR. Verdachte heeft pas in april 2009 zijn rijbewijs terug ontvangen, wat betekent dat hij het bijna 16 maanden kwijt is geweest.

De rechtbank acht deze tijd, gelet op het ruime tijdsverloop tussen het feit en de berechting daarvan, voldoende. De rechtbank zal gelet daarop afwijken van de richtlijn. Ook het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank gezien bedoeld tijdsverloop niet passend meer. De rechtbank zal daarom in plaats van een maand gevangenisstraf een werkstraf op leggen van 60 uur, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Omdat verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en zich hierdoor nog dagelijks in het verkeer begeeft, acht de rechtbank het wel noodzakelijk een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen. Dit om verdachte te doordringen van de verantwoordelijkheid die hij elke dag weer in het verkeer heeft.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en bijkomende straf berusten op de artikelen 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van achttien (18) maanden, waarvan negen (9) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest geheel in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.R. Roukema, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 november 2009.

mrs. Heijnen en Schönfeld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 20 december 2007 te Papendrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Keijzerweg, zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft, hij terwijl hij aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde komende vanaf de rotonde van de Ketelweg, bij het oprijden van de de Burgemeester Keijzerweg de controle over het door hem bestuurde

motorrijtuig verloren

en/of

is hij met het door hem bestuurde motorrijtuig over/tegen een verkeersdrempel gereden

waarna hij vervolgens is terecht gekomen op de weghelft die was bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer

alwaar een aanrijding en/of botsing is ontstaan, tussen het hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een hem tegemoetkomende personenauto

tengevolge waarvan een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (linker)schouderklachten, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mochtof zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2007 te Papendrecht als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 845 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

en/of

hij op of omstreeks 20 december 2007 te Papendrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Burgermeester Keijzerweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar en/of hinder op

die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, immersheeft, hij komende vanaf de rotonde van de Ketelweg, bij het oprijden van de de Burgemeester Keijzerweg de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren

en/of

is hij met het door hem bestuurde motorrijtuig over/tegen een verkeersdrempel gereden

waarna hij vervolgens is terecht gekomen op de weghelft die was bestemd voor

het hem tegemoetkomende verkeer

alwaar een aanrijding en/of botsing is ontstaan, tussen het hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig en een hem tegemoetkomende personenauto.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

1 Het proces-verbaal inclusief de registratieset en situatieschets, d.d. 20 december 2007, opgenomen in het eind proces-verbaal PL1820/07-508069 d.d. 21 december 2007, van de politie Zuid-Holland-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt en ongenummerd.

2 Het proces-verbaal van rijden onder invloed inclusief de als bijlage bijgevoegde afdruk van adem-analysetnummer 071220017, d.d. 20 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal verhoor, d.d. 21 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd eindproces-verbaal.

4 Het aanvullende proces-verbaal van verhoor, d.d. 14 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en los bijgevoegd bij het onder voetnoot 1 genoemd eindproces-verbaal.

5 De geschriften te weten de probleemanalyses van de arbo-arts d.d. 17 januari 2008, 8 februari 2008, 7 maart 2008, 11 april 2008, 10 juni 2008 en 1 juli 2008, los bijgevoegd bij het onder voetnoot 1 genoemde eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal verhoor van getuige, d.d. 20 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend.

8 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 juni 2009.

9 Zie noot 1, situatieschets.