Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3771

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
11/720056-09, 11/720207-09 (ttz gev) en 11/720564-09 (ttz gev) PROMIS
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt Salduz-verweer en oordeelt binnentreding ter inbeslagneming rechtmatig. Minderjarige verdachte wordt voor een winkeldiefstal, verduistering en verboden wapenbezit veroordeeld tot een gedragsbeïnvloedende maatregel van 9 maanden, die onder meer bestaat uit een intensieve begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een aantal trainingen. De vervangende jeugddetentie bedraagt eveneens 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/720056-09, 11/720207-09 (ttz gev) en 11/720564-09 (ttz gev) [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 november 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsman mr. T.M. Briggeman, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de kinderrechter de zaak met parketnummer 11/720564-09 naar deze kamer verwezen.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 oktober 2009, waarbij de officier van justitie mr. M. van den Berg, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering zijn de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

Feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair: een grote hoeveelheid chips en nootjes heeft gestolen uit een vrachtwagen dan wel die chips en nootjes heeft geheeld dan wel die chips en nootjes heeft verduisterd;

Feit 3: samen met een ander flessen sterke drank heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaardingen voldoen aan alle wettelijke eisen en zijn dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt de diefstal van de chips en nootjes niet bewezen en heeft gevorderd verdachte hiervoor vrij te spreken. De officier van justitie acht wel bewezen dat verdachte de chips en nootjes heeft geheeld. Bovendien acht hij bewezen dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad en samen met een ander flessen sterke drank heeft weggenomen.

Ten aanzien van feit 1 (voorhanden hebben van een vuurwapen) baseert de officier van justitie zich op het aantreffen van het wapen in de slaapkamer van verdachte, het technisch onderzoek van het wapen en de verklaring van verdachte tegenover de politie.

Het bewijs dat verdachte chips en nootjes heeft geheeld wordt volgens de officier van justitie gevormd door de aangifte van diefstal door Pepsico International, het aantreffen van chips en nootjes in de slaapkamer van verdachte, en de verklaring van verdachte tegenover de politie.

De officier van justitie acht de diefstal van de flessen sterke drank bewezen op basis van de aangifte door slijterij Dirck III, en de verklaringen van verdachte en zijn mededader.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de diefstal van de flessen sterke drank heeft de raadsman geen verweer gevoerd. Voor wat betreft de overige feiten heeft de raadsman ter zitting verzocht de behandeling uit te stellen voor het horen van getuigen. Voor het geval de rechtbank dit verzoek niet zou toestaan, heeft de raadsman verweren gevoerd, die zouden moeten leiden tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal zich hierna uitlaten over het verzoek tot het horen van getuigen en tevens de gevoerde verweren bespreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van de informatie die heeft geleid tot het onderzoek naar de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Daarom heeft hij verzocht de behandeling van deze zaak aan te houden om de chef van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: C.I.E.) en de C.I.E.-officier van justitie als getuigen te laten horen. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting afgewezen, omdat zij dit niet noodzakelijk vond. De beraadslaging na sluiting van het onderzoek heeft niet tot een ander oordeel van de rechtbank geleid.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de chips en nootjes heeft gestolen dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling van die chips en nootjes, omdat het wettig bewijs daarvoor ontbreekt. Verdachte zal dus worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

De bespreking hierna van de door de raadsman gevoerde verweren hebben daarom alleen betrekking op feit 1 (het voorhanden hebben van een vuurwapen) en feit 2 meer subsidiair (verduistering van een grote hoeveelheid chips en nootjes).

Salduz-verweer:

De raadsman heeft aangevoerd -met verwijzing naar de Salduz-jurisprudentie- dat de verklaringen van verdachte bij de politie moeten worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte is immers niet gewezen op zijn recht om, voorafgaande aan het eerste verhoor, een advocaat te raadplegen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) waarborgt -voor zover hier van belang- het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (inzake Salduz tegen Turkije) is de omvang van dat recht nader omlijnd, in die zin dat het recht op een eerlijke behandeling zich uitstrekt tot het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek, dus bij de verhoren door de politie.

Op 30 juni 2009 is de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk door de Hoge Raad toegelicht (LJN: BH3079). In de kern houdt die laatstbedoelde rechtspraak een stelsel van instructienormen in voor politie en justitie: de aangehouden verdachte dient voorafgaand aan diens eerste verhoor door de politie te worden gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen en in beginsel moet hem de gelegenheid geboden worden dat recht te verwezenlijken, nog voordat dat verhoor wordt gehouden.

Voor zaken waarin het eerste politieverhoor plaatsvond voordat de Hoge Raad arrest heeft gewezen, zoals in de zaken tegen verdachte, ligt dit anders. In die zaken heeft de politie geen rekening kunnen houden met de door de Hoge Raad geformuleerde eisen. In die zaken dient alleen tot bewijsuitsluiting te worden overgegaan als de uitspraken van het Europese Hof daartoe dwingen. En die uitspraken dwingen niet tot een rigoureuze bewijsuitsluiting in alle gevallen waarin bij het eerste politieverhoor inbreuk is gemaakt op verdachtes recht op het raadplegen van een advocaat. Daarbij is vooral van belang dat het gebruik van de verklaring niet in strijd komt met artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijke behandeling) indien aangenomen kan worden dat de verdachte zijn verklaring in vrijheid aflegde. Op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte zijn verklaringen bij de politie niet in vrijheid heeft afgelegd.

Dit verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat het vuurwapen en de chips zijn aangetroffen na een onrechtmatige binnentreding door de politie. Ten aanzien van de chips zou er geen machtiging tot binnentreding zijn en evenmin zou er sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld waarop die binnentreding zou zijn gebaseerd. In het dossier ligt een machtiging op grond van de Wet wapens en munitie, maar vervolgens is de woning betreden zonder toestemming van de hoofdbewoner. Bovendien is de politie pas drie dagen na verkregen informatie over het vuurwapen tot actie overgegaan. Dit alles zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de binnentreding rechtmatig is geweest.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de processen-verbaal van politie (dossiernummer PL1820/09-500905, pagina 14 en dossiernummer PL1820/09-500690, pagina 20) blijkt dat in januari 2009 bij de C.I.E. Zuid-Holland-Zuid informatie is binnengekomen dat verdachte in het bezit zou zijn van een vuurwapen en een grote partij chips zou hebben weggenomen uit een vrachtwagen in Alblasserdam. Door de C.I.E.-chef is de verstrekte informatie als betrouwbaar aangemerkt. Bovendien was op 26 november 2008 aangifte gedaan van diefstal van een grote hoeveelheid chips en nootjes vanuit een bestelauto in Alblasserdam (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1820/09-500690, pagina 22).

Op 18 januari 2009 om 09.18 uur heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij een paar dozen chips had gevonden en dat er nog een paar dozen thuis zouden staan. Hij verklaarde verder er geen moeite mee te hebben dat de politie op zijn kamer zou gaan kijken (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1820/09-500690, pagina 32).

Op 18 januari 2009 is door de hulpofficier van justitie een machtiging verleend tot het binnentreden van de woning van verdachte, met als doel een doorzoeking ter inbeslagneming van een wapen (proces-verbaal van politie, dossiernummer PL1820/09-500905, pagina 16). Op 18 januari 2009 om 11.38 uur is de politie binnengetreden in de woning van verdachte en is op de slaapkamer van verdachte een wapen aangetroffen. Bovendien werd een grote hoeveelheid chips aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslagneming van het wapen rechtmatig heeft plaatsgevonden, gelet op de machtiging, die op grond van betrouwbare informatie is verleend. Ook ten aanzien van de chips is niet van een onrechtmatigheid gebleken. De informatie is betrouwbaar gebleken, er was sprake van een aangifte en de verdachte had zelf al verklaard dat er dozen chips in zijn woning stonden. De politie was op grond van de verleende machtiging rechtmatig in de woning aanwezig en heeft de dozen chips daar aangetroffen.

Het bewijs is naar het oordeel van de rechtbank dus rechtmatig verkregen. Dat de binnentreding eerst drie dagen na de verkregen informatie heeft plaatsgevonden doet aan dit oordeel niet af.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Feit 1

Het verslag van binnentreden in de woning van verdachte aan de Mauritsstraat 20 in Alblasserdam vermeldt dat op 18 januari 2009 in de slaapkamer van verdachte een wapen wordt aangetroffen van het merk Blow F92. Uit technisch onderzoek is komen vast te staan dat dit wapen een knal-gaspistool betreft met als serienummer 7-045744 en dat dit een vuurwapen is in de zin van categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft op 18 januari 2009 tegenover de politie verklaard dat hij wist dat het wapen onder zijn bed lag en dat hij dat wapen maximaal twee weken geleden (rechtbank: 4 januari 2009) bij iemand anders had gepakt.

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 januari 2009 in Alblasserdam het genoemde vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Feit 2

Op 26 november 2008 is namens Pepsico International aangifte gedaan van diefstal van een grote hoeveelheid dozen chips. De diefstal zou zijn gepleegd tussen 21 en 24 november 2008 en aan niemand was recht of toestemming gegeven dit feit te plegen. Op 18 januari 2009 worden in de woning van verdachte in Alblasserdam 40 dozen chips en 2 grote plastic zakken met zakjes chips aangetroffen. Verdachte heeft op 18 januari 2009 tegenover de politie verklaard dat hij ongeveer twee maanden geleden (rechtbank: november 2008) meerdere dozen chips heeft gevonden een paar straten bij zijn woning vandaan. Daarnaast heeft hij verklaard dat als je iets vindt dat je dat dan niet hoort te pakken.

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 21 november 2008 tot en met 18 januari 2009 in Alblasserdam opzettelijk een grote hoeveelheid chips heeft verduisterd.

Feit 3

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander flessen sterke drank heeft gestolen, op grond van de inhoud van de volgende wettige bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte

- de aangifte namens Dirck III Slijterij

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

Op grond van het bepaalde in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank ten aanzien van dit feit met een opgave van de bewijsmiddelen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (parketnummer 11/720056-09)

in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 januari 2009 te Alblasserdam een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een knal-gaspistool (merk: Blow, type: F 92, serienummer 7-045744), voorhanden heeft gehad;

2. (parketnummer 11/720207-09) (meer subsidiair)

in de periode van 21 november 2008 tot en met 18 januari 2009 te Alblasserdam opzettelijk een grote hoeveelheid chips , toebehorende aan Pepsico International, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevonden voorwerpen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3. (parketnummer 11/720564-09)

op 23 april 2009 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen flessen sterke drank, toebehorende aan Dirck III .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

2. meer subsidiair

VERDUISTERING

3.

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM).

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft het opleggen van de GBM gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, evenals op grond van de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten een winkeldiefstal, verduistering van een grote hoeveelheid chips en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Vooral de diefstal en de verduistering zijn feiten die voor ergernis en financiële schade zorgen voor de benadeelden. Illegaal wapenbezit is een ernstig feit, waartegen streng dient te worden opgetreden.

Verdachte is geen onbekende van justitie. Uit zijn strafblad blijkt dat hij al eerder door de strafrechter is veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Dit heeft hem kennelijk niet kunnen tegenhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook het opgelegde toezicht door de jeugdreclassering heeft dit niet kunnen voorkomen.

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld welke afdoening een passende reactie vormt op de door verdachte gepleegde feiten, met voldoende waarborgen om de kans op herhaling in de toekomst zo veel mogelijk te beperken.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een onderzoek ingesteld en heeft daarover op 21 oktober 2009 gerapporteerd. De Raad is van mening dat hulpverlening voor verdachte aangewezen is om een positieve wending aan zijn leven te geven en om te voorkomen dat hij in herhaling vervalt. Hiervoor zou een strak geregisseerd programma nodig zijn, dat onder meer zou moeten bestaan uit intensieve begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van een GBM en het volgen van trainingen.

Binnen de aan verdachte opgelegde ondertoezichtstelling, geldend tot zijn meerderjarigheid, bestaan onvoldoende mogelijkheden om verdachte de benodigde begeleiding en/of behandeling te bieden. Bovendien, zo stelt de Raad, heeft verdachte een duidelijke 'stok achter de deur' nodig, wat niet mogelijk is binnen de ondertoezichtstelling.

De rechtbank is het eens met het advies van de Raad, mede gelet op de onderbouwing daarvan. Zij is van oordeel dat de ernst van de begane misdrijven en de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf aanleiding geven tot het opleggen van een GBM, en dat bovendien die maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Aan de in artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht omschreven vereisten is voldaan.

De rechtbank zal verdachte dan ook een GBM opleggen, in de vorm zoals de Raad die heeft voorgesteld. Verdachte heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met deze maatregel.

De rechtbank hecht er aan verdachte mee te geven dat hij goed dient te beseffen dat de hulpverlening in de vorm van de GBM een kans biedt om een goede wending aan zijn leven te geven.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde maatregel berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77w, 77wc, 77gg, 310, 311, 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2. primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- legt op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de tijd van 9 maanden, bestaande uit:

- een intensieve begeleiding door en het gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland-Zuid

- het volgen van een Equiptraining bij Het Dok in Breda

- het meewerken aan begeleiding en een loopbaantraject door de Jobcoach Jeugd van SDW Roosendaal

- het naleven van wekelijkse urinecontroles en het volgen van gesprekken bij Novadic-Kentron;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 9 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter tevens kinderrechter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2009.

Door afwezigheid is mr. Edelhauser-van Vlijmen voornoemd buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 januari 2009 te Alblasserdam een (vuur)wapen van categorie III onder 1, te weten een knal-gaspistool (merk: Blow, type: F 92, serienummer 7-045744), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. primair

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2008 tot en met 24 november 2008 te Alblasserdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een vrachtwagen heeft weggenomen een grote hoeveelheid chips en/of nootjes (ongeveer 135 dozen ter waarde van 1300 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Pepsico International, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2008 tot en met 18 januari 2009 te Alblasserdam, in elk geval in Nederland, een grote hoeveelheid chips en/of nootjes (ongeveer 135 dozen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die dozen chips en/of nootjes nootjes wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

2. meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2008 tot en met 18 januari 2009 te Alblasserdam opzettelijk een grote hoeveelheid chips en/of nootjes (ongeveer 135 dozen ter waarde van 1300 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Pepsico International, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevonden voorwerp(en), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 23 april 2009 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) fles(sen) sterke drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dirck III en/of Dirk van den Broek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Parketnummers: 11/720056-09, 11/720207-09 en 11/720564-09

Vonnis d.d. 12 november 2009