Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3207

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/1233 en AWB 09/1234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag aanlegvergunning parkeerplaats. Aanleg parkeerplaats in strijd met bestemmingsplan, zodat verweerder de aanvraag tevens als aanvraag om een projectbesluit te nemen heeft aangemerkt.

Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep tegen het genomen projectbesluit.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers kan worden verweten geen zienswijzen tegen het ontwerp van het projectbesluit te hebben ingediend, zodat hun beroep tegen het vastgestelde projectbesluit niet-ontvankelijk is.

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de verleende aanlegvergunning.

De voorzieningrechter overweegt daarover het volgende. Volgens de voorschriften van het projectbesluit mag een parkeerplaats op de betrokken gronden worden gerealiseerd en is niet langer een aanlegvergunning daarvoor benodigd. Verweerder heeft zijn vaststelling van het projectbesluit op 12 augustus 2009 in het huis-aan-huisblad gepubliceerd en daarmee overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Awb bekend gemaakt. Uit artikel 3.11, tweede lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wro trad het projectbesluit vervolgens in beginsel in werking met ingang van de dag na die waarop de termijn om daartegen beroep in te stellen verstreek. In dit geval dienden echter verzoekers binnen de beroepstermijn met betrekking tot het projectbesluit een verzoek om voorlopige voorziening in. Ingevolge artikel 8.4, tweede lid, van de Wro werd daarmee de werking van het projectbesluit opgeschort totdat op het verzoek om voorlopige voorziening werd beslist. Bij uitspraak van heden heeft de voorzieningenrechter op dat verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers beslist, zodat het projectbesluit daarmee in werking is getreden. De aanleg van de parkeerplaats kan op grond van het in werking getreden projectbesluit zonder aanlegvergunning worden gerealiseerd, omdat het projectbesluit de planvoorschriften van het bestemmingsplan die gelden voor de betrokken gronden, opzij zet. Nu als gevolg van de inwerkingtreding van het projectbesluit niet langer een aanlegvergunning voor de aanleg van de parkeerplaats is vereist, hebben verzoekers geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren door verweerder tegen de verleende aanlegvergunning. Het bezwaar van verzoekers daartegen zal dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de aanlegvergunning moet daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/1233 en AWB 09/1234

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam] e.a., wonende te [woonplaats], verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 1 oktober 2008 heeft de gemeente Leerdam verweerder om een aanlegvergunning gevraagd voor de aanleg van een parkeerplaats in het dijktalud van de [adres] ter hoogte van de [adres] te [woonplaats] (hierna: de parkeerplaats).

Op 10 juni 2009 heeft verweerder zijn voornemen om een projectbesluit te nemen ten behoeve van de aanleg van de parkeerplaats gepubliceerd.

Tegen het ontwerp van het projectbesluit zijn geen zienswijzen ingediend.

Bij besluit van 11 augustus 2009, gepubliceerd op 12 augustus 2009, heeft verweerder het projectbesluit overeenkomstig zijn voornemen vastgesteld.

Bij een tweede besluit van 11 augustus 2009, verzonden op 12 augustus 2009, heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn projectbesluit, aanlegvergunning voor de aanleg van de parkeerplaats verleend.

Bij brief van 23 september 2009 hebben verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de aanlegvergunning.

Bij een tweede brief van 23 september 2009 hebben verzoekers bij de rechtbank Dordrecht beroep ingesteld tegen het projectbesluit.

Bij een derde brief van 23 september 2009 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van zowel de aanlegvergunning als het projectbesluit.

De verzoeken om voorlopige voorziening zijn op 30 september 2009 ter zitting behandeld.

Van verzoekers is [naam] in persoon verschenen.

Namens verweerder is verschenen [naam 1], vergezeld van [naam 2], [naam 3] en [naam 4]

Namens de gemeente Leerdam als begunstigde van het projectbesluit en de aanlegvergunning is verschenen C. Uittenbogaard, projectleider.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.2. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) komen te vervallen.

Ingevolge artikel 9.1.4 in samenhang gelezen met artikel 9.1.6 van de Invoeringswet Wro blijven de vóór de invoering van de Wro in bestemmingsplannen neergelegde planvoorschriften ook onder de Wro van kracht.

2.1.3. De parkeerplaats is bedoeld voor parkeren van dagrecreanten en van bewoners van [adres] en [adres]. Op de plaats waar de parkeerplaats is voorzien, geldt het bestemmingsplan "Landelijk gebied Kedichem" 1995. De gronden hebben daarin deels de bestemming "Natuurgebied" (N), deels "Recreatieve doeleinden" met nadere aanduiding "dagrecreatie" (Rd), deels "Verkeersdoeleinden" (V), en tevens de dubbelbestemming "Primaire waterkering".

Artikel 14, "Natuurgebied (N)", van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover van belang:

1. De gronden op de kaart aangewezen voor natuurgebied zijn bestemd voor het behoud en de versterking van de aldaar voorkomende landschappelijke en natuurlijke waarden alsmede voor natuurontwikkeling.

(...)

4. Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeerplaatsen (...).

(...)

Artikel 19, "Recreatieve doeleinden (R)", van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover van belang:

1. De gronden op de kaart aangewezen voor Recreatieve doeleinden (R) zijn bestemd voor recreatie, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de subbestemming Rd de gronden zijn bestemd voor dagrecreatie; (...).

2. Op en boven deze gronden zijn in verband met de in lid 1 genoemde bestemming toelaatbaar: a. voor zover het betreft de gronden met de subbestemming Rd: (...) ontsluitingswegen (...); een parkeerterrein; (...).

(...)

Artikel 24, "Verkeersdoeleinden (V)", van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover van belang:

1. De gronden op de kaart aangewezen voor Verkeersdoeleinden (V) zonder subbestemming zijn bestemd voor wegen, (...) parkeerplaatsen, (...).

(...)

Artikel 27 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan bepaalt, voor zover van belang:

1. De gronden op de kaart aangewezen voor Primaire waterkering zijn primair bestemd voor de waterkering door middel van dijken en kaden, alsmede de bijbehorende dijksloten.

(...)

4. Ter plaatse waar de in lid 1 bedoelde bestemming samenvalt met een andere bestemming, in verband waarmee voorschriften gelden ten aanzien van de aanleg of uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, zijn werken en werkzaamheden - voor zover deze ten dienste van de in lid 1 genoemde doeleinden strekken - toelaatbaar, indien en voor zover ten gevolge van die werken of werkzaamheden de in het geding zijnde waarden en belangen in verhouding tot het waterkeringsbelang niet onevenredig worden aangetast.

(...)

2.1.4. Artikel 3.10 van de Wro bepaalt:

1. De gemeenteraad kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

(...)

4. De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro wordt onder projectbesluit verstaan: besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

Artikel 3.11, eerste lid, van de Wro bepaalt:

1. Op de voorbereiding van een projectbesluit is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat

a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerp met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld;

b. de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijktijdig met de daar bedoelde plaatsing langs elektronische weg wordt toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het besluit in het geding zijn, aan de betrokken waterschapsbesturen en aan de besturen van bij het besluit een belang hebbende gemeenten;

c. kennisgeving tevens geschiedt aan diegenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van de in het ontwerp-besluit begrepen gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden;

d. door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit naar voren kunnen worden gebracht;

e. binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging wordt beslist omtrent vaststelling van het projectbesluit.

Artikel 3.11, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 3.8, derde lid, van de Wro bepaalt:

De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Awb zijn op een besluit tot vaststelling van het projectbesluit de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.

Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

2.1.5. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van afdeling 3.4 van de Awb naar voren heeft gebracht.

2.1.6. Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro moet de aanlegvergunning worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3.5.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening wordt een aanvraag om een aanlegvergunning die slechts kan worden ingewilligd na het nemen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wro, geacht mede een verzoek in te houden om zodanig projectbesluit.

2.1.7. Ingevolge artikel 3.11, tweede lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wro treedt het besluit tot vaststelling van het projectbesluit in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

Ingevolge artikel 8.4, tweede lid, van de Wro wordt, indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

Ingevolge artikel 3.16, vierde lid, van de Wro treedt de aanlegvergunning in werking met ingang van de zevende week nadat zij bekend is gemaakt, onverminderd het bepaalde in artikel 8.4, derde lid.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wro wordt, indien gedurende de bezwaartermijn met betrekking tot een besluit tot het verlenen van een aanlegvergunning een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

2.2. Beoordeling van de geschillen door de voorzieningenrechter

2.2.1. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers niet kan worden verweten geen zienswijzen tegen het ontwerp van het projectbesluit ten behoeve van de aanleg van de parkeerplaats te hebben ingediend.

Verweerder heeft het ontwerp van het projectbesluit op 10 juni 2009 gepubliceerd in het huis-aan-huisblad en digitaal op de website van de gemeente Leerdam. Vanaf 11 juni 2009 heeft verweerder het ontwerp van het projectbesluit gedurende 6 weken ter inzage gelegd.

Voorafgaand hieraan zijn verzoekers op 9 februari 2009 uitgenodigd door de gemeente Leerdam voor een informatieavond over de aan te leggen parkeerplaats. De gemeente Leerdam heeft verder een aantal verzoekers er per mail op gewezen dat een procedure tot het nemen van een projectbesluit ten behoeve van de parkeerplaats werd opgestart en tevens geïnformeerd over het tijdstip waarop het ontwerp van het projectbesluit ter inzage werd gelegd. Verzoekers konden dan ook redelijkerwijs op de hoogte zijn van de terinzagelegging van het ontwerp van het projectbesluit. Verzoeker [naam] die ter zitting is verschenen, heeft verklaard dat verzoekers wel van de terinzagelegging van het ontwerp van het projectbesluit op de hoogte waren, maar niet de moeite hebben genomen om daartegen een zienswijze in te dienen. [naam] heeft verklaard dat verzoekers murw waren van alle plannen over de parkeerplaats en meenden dat hun opvattingen daarover bij verweerder afdoende bekend waren. Deze omstandigheden maken echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat van verzoekers niet kon worden gevergd een schriftelijke zienswijze in te dienen.

Uit het voorgaande volgt dat, nu verzoekers redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze tegen het ontwerp van het projectbesluit te hebben ingediend, voor hen geen beroep open staat tegen het projectbesluit.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 8:86 van de Awb en onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep. Het beroep van verzoekers is niet-ontvankelijk.

Nu daarmee met betrekking tot het projectbesluit is beslist in de hoofdzaak, is geen sprake meer van een geding ter zake waarvan, in afwachting van de beslissing daarin, een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het projectbesluit wordt daarom afgewezen.

2.2.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor de aanleg van de parkeerplaats volgens het geldende bestemmingsplan alleen een aanlegvergunning is vereist voor zover die parkeerplaats is geprojecteerd op gronden met de bestemming "Natuurgebied".

De voorzieningrechter stelt voorts vast dat volgens de voorschriften van het projectbesluit een parkeerplaats op de betrokken gronden mag worden gerealiseerd en niet langer een aanlegvergunning daarvoor benodigd is.

Verweerder heeft zijn vaststelling van het projectbesluit op 12 augustus 2009 in het huis-aan-huisblad gepubliceerd en daarmee overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Awb bekend gemaakt. Uit artikel 3.11, tweede lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wro trad het projectbesluit vervolgens in beginsel in werking met ingang van de dag na die waarop de termijn om daartegen beroep in te stellen verstreek, dus op 24 september 2009. In dit geval dienden echter verzoekers binnen de beroepstermijn met betrekking tot het projectbesluit een verzoek om voorlopige voorziening in. Ingevolge artikel 8.4, tweede lid, van de Wro werd daarmee de werking van het projectbesluit opgeschort totdat op het verzoek om voorlopige voorziening werd beslist.

Bij uitspraak van heden heeft de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers beslist, zodat het projectbesluit daarmee in werking is getreden.

De aanleg van de parkeerplaats kan op grond van het in werking getreden projectbesluit zonder aanlegvergunning worden gerealiseerd, omdat het projectbesluit de planvoorschriften van het bestemmingsplan die gelden voor de betrokken gronden, opzij zet.

Nu als gevolg van de inwerkingtreding van het projectbesluit niet langer een aanlegvergunning voor de aanleg van de parkeerplaats is vereist, hebben verzoekers geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren door verweerder tegen de daarvoor verleende aanlegvergunning. Het bezwaar van verzoekers daartegen zal dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de aanlegvergunning moet daarom worden afgewezen.

2.2.3. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

2.2.4. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep tegen het projectbesluit niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het projectbesluit af;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van de aanlegvergunning af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 1 oktober 2009

Afschrift verzonden op: