Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3198

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/1228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Medewerking aan bouwplan tot oprichting van vier bedrijfspanden bestemd voor grootschalige detailhandel op gronden met bestemming “Bedrijven”, niet zijnde detailhandel.

Binnenplanse vrijstelling voor gebruik ten behoeve van grootschalige detailhandel en overschrijding van toegestane bouwhoogte. Vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor bouwen buiten bouwvlak en op gronden met dubbelbestemming “Waterstaatsdoeleinden”.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende de verleende binnenplanse vrijstelling heeft onderbouwd op het punt dat grootschalige detailhandel op deze bedrijfslocatie, gelet op het thans geldende gemeentelijk en provinciale beleid inzake perifere detailhandel, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk is. De voorzieningenrechter betwijfelt verder of verweerder bevoegd was vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. De voorzieningenrechter overweegt dat als expliciete randvoorwaarde voor toepassing van de provinciale lijst is opgenomen dat voor alle bedrijfsterreinen geldt dat het vestigen van detailhandel is uitgesloten. In dat licht lijkt het de voorzieningenrechter niet logisch dat toch medewerking aan het vestigen van detailhandel op bedrijfsterreinen kan worden verleend door vrijstelling van bouwvoorschriften te verlenen krachtens de in de provinciale lijst opgenomen categorie “Bedrijfsterreinen: het bouwen van bedrijfsgebouwen”. De voorzieningenrechter acht niet uitgesloten dat het bouwen van bedrijfsgebouwen op bedrijfsterreinen als bedoeld in die categorie, beperkt is tot gebouwen ten behoeve van bedrijven, niet zijnde detailhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1228

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: A. Menhart, juridisch adviseur te Beesd,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam, verweerder,

gemachtigden: L. Elsen en P.H.M. Zethof, werkzaam bij de gemeente Leerdam.

Derde partij:

[naam], gevestigd te [woonplaats], vergunninghoudster.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 18 juni 2008 heeft vergunninghoudster bouwvergunning eerste fase en vrijstelling gevraagd voor het oprichten van vier bedrijfspanden met winkelfunctie aan de [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 17 maart 2009, verzonden 20 maart 2009, heeft verweerder vergunninghoudster vrijstelling en bouwvergunning eerste fase voor het bouwplan verleend, waarbij is bepaald dat de bedrijfspanden mogen worden gebruikt voor nader genoemde, grootschalige detailhandel.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 1 mei 2009, ter post bezorgd op diezelfde datum, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 24 september 2009 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Bij besluiten van 29 september 2009, bekend gemaakt op 1 oktober 2009, heeft verweerder naar aanleiding van verzoekers bezwaar de verleende vrijstelling en de verleende bouwvergunning gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker, onder verwijzing naar deze wijzigingsbesluiten, ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft verzoeker bij brief van 9 oktober 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 14 oktober 2009 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Namens vergunninghoudster is verschenen [naam]

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt, indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

2.1.2. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) komen te vervallen.

Artikel 9.5.1 van de Invoeringswet WRO bepaalt bij wijze van overgangsrecht:

De Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen vóór dat tijdstip.

Artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro bepaalt bij wijze van overgangsrecht:

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO kan worden ingediend.

Artikel 9.1.7, tweede lid, van de Invoeringswet Wro bepaalt bij wijze van overgangsrecht: Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Artikel 9.1.10 van de Invoeringswet WRO bepaalt bij wijze van overgangsrecht:

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2.1.3. Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zoals die wet luidde ten tijde van de bouwaanvraag, moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c van toepassing is.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals die wet luidde ten tijde van de bouwaanvraag, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet, zoals die wet luidde ten tijde van de aanvraag, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

2.1.4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [naam], vastgesteld in 1990. De gronden waar het bouwplan is voorzien, heeft hierin de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Twee panden zijn binnen het in het bestemmingsplan gegeven bouwvlak geprojecteerd, twee panden bevinden zich buiten het in het bestemmingsplan gegeven bouwvlak en zijn tevens gedeeltelijk geprojecteerd op gronden met de dubbelbestemming "Waterstaatsdoeleinden".

Ingevolge artikel 1, onder m, van de planvoorschriften wordt onder grootschalige detailhandel verstaan:

1. bedrijven die door de aard en/of omvang van de aangeboden artikelen niet of nauwelijks in traditionele winkelgebieden zijn in te passen. Het gaat daarbij om:

- detailhandel in brand en explosiegevaarlijke goederen;

- detailhandel in auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen;

- tuincentra.

2. bedrijven waarvan de vestiging in traditionele winkelgebieden de voorkeur heeft maar die daar moeilijk inpasbaar zijn en waarvan vestiging elders derhalve niet uitgesloten mag worden geacht. Het betreft branches met volumineuze artikelen die een groot verkoopoppervlak vergen zoals:

- bouwmarkten;

- grootschalige meubelbedrijven.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van die voorschriften als volgt gemeten: hoogte van een gebouw: van bovenkant goot, boeiboord of druiplijn tot aan het gemiddelde maaiveldpeil van het aansluitend afgewerkt terrein.

Artikel 5 "Bedrijfsdoeleinden" van de planvoorschriften bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Gronden aangewezen voor bedrijfsdoeleinden, zijn - met inachtneming van het bepaalde in artikel - 15 bestemd voor:

- handels- en bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van detailhandel (...);

- (...)

- ontsluitingswegen, parkeerplaatsen, alsmede groenvoorzieningen en waterpartijen, een en ander met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen (...).

2. Op de tot bedrijfsdoeleinden bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken;

(...)

c. de hoogte der gebouwen ten hoogste bedraagt: 8 meter;

(...)

e. de afstand van gebouwen gemeten uit de perceelsgrens ten opzichte van de kant van ontsluitingswegen tenminste bedraagt: 10 meter, behoudens indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan reeds een kleinere afstand aanwezig was;

f. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens of de meest van de weg afgekeerde perceelsgrens tenminste bedraagt: 3 meter, behoudens indien ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan reeds een kleinere afstand aanwezig was;

(...)

4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van:

a. het bepaalde in lid 1 ten behoeve van grootschalige detailhandel, als bedoeld onder artikel 1 sub m onder 1;

(...)

d. het bepaalde in lid 2 onder c voor een goothoogte tot ten hoogste: 15 meter;

(...)

8. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomst het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het plan te wijzigen ten behoeve van het toelaten van grootschalige detailhandel als bedoeld onder artikel 1 sub m onder 2, mits vooraf een distributie-planologisch onderzoek heeft plaatsgevonden en vooraf overleg is gevoerd met de Rijksconsulent Economische Zaken.

Artikel 15 "Waterstaatsdoeleinden (dubbelbestemming)" bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Gronden aangewezen voor waterstaatsdoeleinden (dubbelbestemming) zijn primair bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, alsmede secundair, voorzover samenvallend, voor de andere op de plankaart aangegeven bestemmingen als vervat in de artikelen: 5. Bedrijfsdoeleinden;

(...).

2. Op de tot waterstaatsdoeleinden (dubbelbestemming) bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming Waterstaatsdoeleinden, alsmede bouwwerken ten dienste van de in de aanhef opgesomde secundaire bestemmingen, voorzover het waterstaatsbelang zich hiertegen niet verzet, met dien verstande dat: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste bedraagt: 5 meter; b. ten behoeve van het bouwen van bouwwerken ten dienste van de secundaire bestemmingen de beheerder wordt gehoord.

2.1.5. Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalt, voor zover hier van belang:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.1.6. Bij besluit van 9 oktober 2007, gepubliceerd in het Provinciaal blad van Zuid-Holland van 24 oktober 2007, hebben gedeputeerde staten van de Provincie Zuid-Holland een lijst van categorieën van gevallen vastgesteld als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de provinciale lijst 2007).

Voor zover hier van belang, is voor categorie B van de provinciale lijst 2007, onder het kopje "Algemeen", het volgende bepaald:

"Hierna staan een aantal situaties limitatief opgesomd waarin b en w vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen verlenen. De lijst is opgesteld op basis van het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de nota Regels voor Ruimte. Bij de onderbouwing van de plannen dient dan ook tevens aandacht te worden besteed aan de in Regels voor Ruimte onder het aspect "proces" genoemde onderwerpen. Tevens zijn de begripsomschrijvingen uit de Regels voor Ruimte van toepassing, voor zover in de lijst geen eigen omschrijvingen zijn opgenomen. Gebieden en situaties waarin specifiek provinciale betrokkenheid is gewenst, zijn uitgezonderd of aan randvoorwaarden gebonden. (...)"

In de provinciale lijst 2007 is bepaald dat het begrip "Bedrijfsterrein" ziet op de gebieden die in de streekplannen zijn aangeduid met "Bestaand bedrijfsterrein". Op basis van het Streekplan Zuid-Holland Oost 2004 dient het gebied waarin het in het geding zijnde perceel is gelegen, te worden aangemerkt als "Bedrijventerrein".

Voor "Bedrijfsterreinen" geldt ingevolge de provinciale lijst 2007 dat vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden verleend voor (voor zover hier van belang): het bouwen van bedrijfsgebouwen.

Vrijstelling kan op grond van de provinciale lijst 2007 niet worden verleend, voor zover van belang:

(...)

- In geval van strijd met een goedgekeurd regionaal structuurplan of met ander goedgekeurd regionaal ruimtelijk beleid;

(...)

De volgende randvoorwaarden zijn voor toepassing in de provinciale lijst 2007 opgenomen, voor zover van belang:

(...)

- Detailhandelsvoorzieningen - met uitzondering van buurt- en gemakswinkels - dienen te worden gerealiseerd in de centra van steden, dorpen en wijken. Bij nieuwe voorzieningen is regionale afstemming nodig en mag geen structurele aantasting van het voorzieningenniveau elders optreden. Detailhandels- of vrijetijdsvoorzieningen van meer dan 1000 m2 mogen slechts worden gerealiseerd indien sprake is van een positief advies van het Regionaal Economisch Overleg.

(...)

- Voor alle bedrijfsterreinen geldt dat het vestigen van zelfstandige kantoren en detailhandel is uitgesloten. (...).

(...)

- Voor bodemkwaliteit dient te worden uitgegaan van de nota "Gezamenlijk bodemsaneringsbeleid".

(...)

2.1.7. Op 8 maart 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland de nota "Regels voor Ruimte" vastgesteld, die is gewijzigd per 1 januari 2007.

In hoofdstuk 2 (Economie, mobiliteit en samenleving), paragraaf 2.2 (Toetsingskader), van Regels voor Ruimte heeft de provincie Zuid-Holland haar voorwaarden aan ruimtelijke plannen met betrekking tot economie en mobiliteit neergelegd.

Onder "Proces" is daarover bepaald, voor zover van belang, dat een advies van het Regionaal Economische Overleg (REO) is vereist bij plannen die, al dan niet in samenhang met andere plannen, voorzien in detailhandel met een bedrijfsvloeroppervlak (bvo) van 1000 m2 of meer.

Onder "Bedrijventerreinen" is daarover bepaald, voor zover van belang, dat op een bedrijventerrein geen detailhandel mag worden toegelaten, behoudens het gestelde onder detailhandel.

Onder "Detailhandel" is daarover bepaald, voor zover van belang:

"* Nieuwe voorzieningen dienen regionaal te worden afgestemd op de verzorgingsfunctie en het inwonertal van steden en dorpen, waarbij rekening moet worden gehouden met de effecten op de functie van nabijgelegen centra.

* Nieuwe voorzieningen mogen niet leiden tot een structurele aantasting van het voorzieningenniveau elders.

* Nieuwe voorzieningen moeten worden gerealiseerd in de centra van steden, dorpen en wijken. Een uitzondering hierop is mogelijk in geval van onder meer de volgende gevallen: (...); detailhandel in brand en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in zeer volumineuze goederen, auto's, keukens, badkamers, boten, motoren,caravans, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen; tuincentra; (...).

* Nieuwe perifere detailhandel is alleen toegestaan indien het om reeds elders in de gemeente gevestigde bedrijven gaat, of wanneer het terrein in een regionale of provinciale structuurvisie detailhandel is aangewezen als opvanglocatie voor grootschalige detailhandel.

(...)"

2.1.8. In de Nota Economie 2008-2014 gemeente Leerdam "De koppeling van cultuur en economie" vastgesteld op 28 mei 2008 valt op pagina 19, "Richtlijnen voor perifere detailhandel en magazijnverkopen", te lezen:

"Bij besluitvorming over perifere detailhandel in Leerdam hanteren we de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland. In deze Nota economie nemen we de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland één op één over. De opstelling van de provincie is in deze dus bepalend."

2.2. De bestreden besluiten

Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat verweerder op goede gronden binnenplans vrijstelling heeft verleend voor het gebruik van de te bouwen panden voor grootschalige detailhandel, als bedoeld in artikel 1, sub m, onder 1, van de planvoorschriften. Aan de bestreden besluiten ligt voorts ten grondslag dat verweerder op goede gronden binnenplans vrijstelling heeft verleend voor overschrijding met 1 meter van de maximaal toegestane bouwhoogte van 8 meter. Aan de bestreden besluiten ligt voorts ten grondslag dat verweerder op goede gronden vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend voor twee panden die buiten het in het bestemmingsplan gegeven bouwvlak zijn geprojecteerd en tevens gedeeltelijk staan op gronden met de dubbelbestemming

"Waterstaatsdoeleinden". Verweerder is van opvatting dat hij bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden besluiten mocht komen.

2.3. Standpunt verzoeker

Verzoeker betoogt dat de verleende vrijstelling voor grootschalige detailhandel ter plaatse onvoldoende is onderbouwd. Volgens verzoeker is toelating van detailhandel op bedrijventerreinen in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid en was daarvoor positief advies van het REO ZHZ vereist.

Verder betoogt verzoeker dat de in het bouwplan voorziene parkeerplaatsen tegen de erfgrens met zijn perceel onevenredig veel hinder voor hem met zich brengen als gevolg van inschijnende koplampen en motorlawaai.

Verzoeker betoogt voorts dat de hoogtematen in het bouwplan ten onrechte niet zijn bepaald vanaf het oorspronkelijke maaiveld. Door de thans aangebrachte zandlaag op het maaiveld zal de feitelijke hoogte van het bouwplan hoger uitvallen dan in de verleende vrijstelling wordt gesteld. Ook betwijfelt verzoeker of de sanering van het terrein wel deugdelijk wordt uitgevoerd. Volgens verzoeker zijn er bij de werkzaamheden tot nu toe resten van accu's en asbest aan de oppervlakte gekomen en is er, in afwijking van het saneringsplan, geen folie aangebracht. Ten slotte acht verzoeker het vergunde gebruik niet gewaarborgd.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van vier bedrijfspanden aan de [adres] 26 op het terrein van een voormalige accufabriek. Het opgestelde saneringsplan voor het terrein is akkoord bevonden door de Provincie Zuid-Holland. Verzoeker woont naast dit terrein aan de [adres] 28. De bedrijfspanden hebben twee verdiepingen en zijn 9 meter hoog (nok- en goothoogte). Het pand dat is voorzien direct naast het perceel van verzoeker, staat binnen het bouwvlak op een afstand van 15 meter van de erfscheiding tussen beide percelen. Tegen deze erfscheiding zullen parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

Momenteel vinden saneringswerkzaamheden plaats op het terrein en is zand opgebracht om de grond te doen inklinken. De bouw zal op 9 november 2009 beginnen, zodat een spoedeisend belang een beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2.4.2. Hetgeen verzoeker betoogt in verband met de aangebrachte ophoging van het maaiveld, kan geen doel treffen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende komen vast te staan dat het peil voor het bouwplan is bepaald ter hoogte van 0,2 meter boven de kruin van de weg. Voor zover dat hoger zou zijn dan het volgens de planvoorschriften te hanteren peil, moet dat worden geacht te zijn begrepen in de verleende vrijstelling krachtens artikel 4, aanhef en onder d, van de planvoorschriften voor overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte. De vraag of de feitelijke bouw overeenkomstig het vergunde peil van 0,2 meter boven de kruin van de weg plaatsvindt, is een vraag die niet kan worden beoordeeld in een procedure die de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunning betreft.

Ook de vragen die verzoeker heeft opgeworpen over de wijze van saneren, hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunning en kunnen in deze procedure om die reden niet worden beoordeeld.

Hetzelfde geldt voor de vrees die verzoeker heeft geuit over de ingebruikname van de panden voor andere vormen van detailhandel dan is vergund. Ter beoordeling staat thans alleen het vergunde gebruik.

2.4.3. Het betoog van verzoeker dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat vrijstelling voor grootschalige detailhandel op deze bedrijfslocatie uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk is, treft doel.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de herontwikkeling past in de Nota Economie 2008-2014 gemeente Leerdam "De koppeling van cultuur en economie".

De voorzieningenrechter gaat er bij de beoordeling van het geschil van uit dat deze nota als beleidsregel door de bestuursorganen van de gemeente Leerdam is vastgesteld. In de Nota Economie 2008-2014 gemeente Leerdam "De koppeling van cultuur en economie" is vastgelegd dat bij besluitvorming over perifere detailhandel in Leerdam de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland worden gehanteerd en dat de opstelling van de provincie daarin bepalend is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zonder nadere motivering op voorhand niet valt in te zien dat met het omvormen hier van bedrijfslocatie naar locatie voor een specifiek soort perifere detailhandel wordt voldaan aan de voorwaarden die de Provincie Zuid-Holland terzake heeft gesteld in "Regels voor Ruimte" en die een op een worden overgenomen in de nota. Deze voorwaarden bieden veeleer aanknopingspunten om te betwijfelen dat de door verweerder vergunde herontwikkeling past binnen het provinciale beleid.

Ter zitting heeft verweerder betoogd dat hij bij het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften voor grootschalige detailhandel als bedoeld in artikel 1, sub m, onder 1, van de planvoorschriften niet het provinciaal beleid voor perifere detailhandel behoefde te betrekken, omdat de afwegingen van de Provincie Zuid-Holland om wel of niet deze vorm van perifere detailhandel op deze bedrijfslocatie toe te laten in de gegeven binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid moeten worden geacht te zijn verdisconteerd. Dit betoog laat echter onverlet dat verweerder bij het nemen van een besluit met toepassing van die bevoegdheid in ieder geval zijn eigen vigerende beleid dient te betrekken, dat, zoals hiervóór is overwogen, een overname betreft van het provinciale beleid terzake. Niet valt in te zien waarom dat beleid niet van toepassing zou zijn bij de belangenafweging in het kader van een binnenplanse vrijstelling.

Op 12 september 2008 heeft verweerder het Regionaal Economisch Overleg Zuid-Holland Zuid (hierna: REO ZHZ) om advies gevraagd over het ontwikkelen van het in het geding zijnde terrein tot Perifere Detailhandel Vestiging (PDV). De adviesaanvraag is op 25 november 2008 door verweerder ingetrokken. Bij brief van 20 maart 2009 heeft het REO ZHZ verweerder meegedeeld de door verweerder gegeven redenen voor het intrekken van de adviesaanvraag niet te delen en van opvatting te zijn dat op basis van de huidige regionale visie PDV geen uitbreiding van PDV in Leerdam is gewenst.

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat een advies van het REO ZHZ niet was benodigd, nu het bouwplan vier afzonderlijke panden betreft die zich slechts lenen voor vestiging van grootschalige detailhandel met ieder een bvo van minder dan 1000 m2. Ook dat standpunt van verweerder kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden teruggevoerd op het provinciale beleid inzake perifere detailhandel op bedrijventerreinen. De kern van dat beleid is immers dat detailhandel behouden moet blijven in kernen van steden, dorpen en wijken. In dat verband komt doorslaggevende betekenis toe aan het aantal m2 bvo dat buiten die kernen voor detailhandel beschikbaar komt en niet aan het aantal m2 bvo dat per ondernemer ter beschikking wordt gesteld. Terzijde merkt de voorzieningenrechter op dat uit het bouwplan niet valt op te maken dat de vier gebouwen worden gebruikt ten behoeve van vier verschillende gebruikers. Doordat de gebruikers onbekend waren, kon ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voorts niet beoordeeld worden hoe het bouwplan zich verhoudt tot het provinciale en daarmee ook het gemeentelijke beleid.

2.4.4. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoeker dat grootschalige detailhandel op bedrijfslocaties in strijd is met provinciaal beleid mede aldus, dat verzoeker

bedoelt te betogen dat de verleende vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO niet past binnen de algemene toepassingsvoorwaarden van de provinciale lijst 2007. Indien dat betoog zou slagen, betekent dat dat verweerder niet bevoegd was vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor het bouwplan te verlenen.

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de verleende vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO niet ziet op gebruik voor detailhandel en maar slechts op vrijstelling van bouwvoorschriften die in de weg staan aan het mogelijk maken van de gewenste bedrijfsbebouwing op een bedrijventerrein. De bevoegdheid daarvoor vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen is volgens verweerder te vinden in de categorie "Bedrijfsterreinen: het bouwen van bedrijfsgebouwen" van de provinciale lijst 2007.

De vraag of verweerder in dit geval bevoegd was vrijstelling van bouwvoorschriften te verlenen op grond van deze categorie van de provinciale lijst 2007 leent zich niet voor beantwoording in de onderhavige procedure. Wel ziet de voorzieningenrechter op voorhand aanknopingspunten te betwijfelen of het standpunt van verweerder steun vindt in de provinciale lijst 2007. Voor toepassing van de provinciale lijst is als expliciete randvoorwaarde gesteld dat voor alle bedrijfsterreinen geldt dat het vestigen van detailhandel is uitgesloten. In dat licht lijkt niet logisch dat toch medewerking aan het vestigen van detailhandel op bedrijfsterreinen kan worden verleend door vrijstelling van bouwvoorschriften te verlenen krachtens de categorie "Bedrijfsterreinen: het bouwen van bedrijfsgebouwen". De voorzieningenrechter acht niet uitgesloten dat het bouwen van bedrijfsgebouwen op bedrijfsterreinen als bedoeld in die categorie, beperkt is tot gebouwen ten behoeve van bedrijven, niet zijnde detailhandel.

2.4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking komt.

De voorzieningenrechter schorst de beslissing op bezwaar van 1 oktober 2009, schorst de naar aanleiding van het bezwaar bij besluiten van 29 september 2009 gewijzigd vastgestelde vrijstelling en bouwvergunning eerste fase en schorst het primaire besluit van 17 maart 2009 tot verlenen van vrijstelling en bouwvergunning eerste fase.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, in samenhang met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door verzoeker voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- te vergoeden.

De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt in verband met zijn verzoek om voorlopige voorziening.

Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat besluit luidde vóór 1 oktober 2009, worden de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

2.4.6. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst de beslissing op bezwaar van 1 oktober 2009;

- schorst de naar aanleiding van het bezwaar bij besluiten van 29 september 2009 gewijzigd vastgestelde vrijstelling en bouwvergunning eerste fase;

- schorst het primaire besluit van 17 maart 2009 tot verlenen van vrijstelling en bouwvergunning eerste fase;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met zijn verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 28 oktober 2009

Afschrift verzonden op: