Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK3061

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kluwen van rechtspersonen door familieleden, die via marktkramen kaas verkopen.

Wie heeft te gelden als de aanvrager van de standplaatsvergunning en aan wie moet de standplaatsvergunning worden geacht te zijn verleend?

Intrekking standplaatsvergunning nadat is gebleken dat rechtspersoon die heeft aangevraagd en aan wie werd verleend, niet langer bestaat. Familielid dat namens die rechtspersoon stelt te hebben aangevraagd en die als gemachtigde in de verleende standplaatsvergunning wordt genoemd, claimt standplaatsvergunning ten behoeve van eigen eenmansbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: [nummer] en AWB [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Conijnenberg, advocaat te Gorinchem.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 17 februari 2009, verzonden 18 februari 2009, heeft verweerder de standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op de locatie [adres] voor [benaming] [naam] / [naam] ingetrokken en geweigerd deze te zetten op naam van De [benaming] gedreven voor rekening van [naam].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 26 februari 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 26 februari 2009, ontvangen op 5 maart 2009, heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Bij uitspraak van 31 maart 2009, procedurenummer AWB 09/274, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 24 juni 2009, verzonden 8 juli 2009, heeft verweerder verzoekers bezwaar tegen de intrekking van de standplaatsvergunning niet-ontvankelijk en tegen de weigering de standplaatsvergunning om te zetten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [naam] [benaming] B.V. bij brief van 29 juli 2009, ingekomen op 31 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 juli 2009, ingekomen op 31 juli 2008, is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 20 augustus 2009 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.2. Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.1.3. Op 30 oktober 2008 heeft de raad van de gemeente Gorinchem de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Gorinchem 2008 (hierna: APV) vastgesteld, die vervolgens op 15 november 2008 in werking is getreden.

Artikel 1:4 van de APV bepaalt:

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Ingevolge artikel 1:5 van de APV is de vergunning is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel 1:6 van de APV bepaalt dat de vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet worden of zijn nagekomen;

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

e. de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben (standplaatsvergunning).

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit van 17 februari 2009. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de standplaatsvergunning per 1 januari 2009 is aangevraagd en verleend aan de onderneming [naam], met als handelsnaam "[benaming] [naam]". Deze onderneming heeft een onjuist adres vermeld en bestond ten tijde van de aanvraag niet meer. Omdat zij in de aanvraag onjuiste informatie heeft verstrekt, meent verweerder de standplaatsvergunning voor deze onderneming terecht te hebben ingetrokken. Verweerder is van opvatting dat, nu is gebleken dat verzoeker niet verbonden is met de onderneming [naam]. en hij daarom geen belang heeft bij een beslissing over die onderneming, zijn bezwaar voor zover gericht tegen de intrekking van de standplaatsvergunning van die onderneming niet-ontvankelijk is. Dat verzoekers eenmansbedrijf, handelsnaam "De [benaming]", in 2005 en 2006 houder van de standplaatsvergunning is geweest en voor 2007 feitelijk een overdracht heeft plaatsgevonden van de standplaatsvergunning van dat eenmansbedrijf aan [naam], doet daaraan volgens verweerder niet af.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat met de brief van 10 december 2008 waarin wordt meegedeeld dat het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel moet worden gewijzigd in het inschrijfnummer [nummer] dat behoort bij verzoekers eenmansbedrijf, handelsnaam "De [benaming]", feitelijk is getracht de standplaatsvergunning 2009 over te dragen van de onderneming [naam]. aan dat eenmansbedrijf. Overdracht van de standplaatsvergunning is in strijd met artikel 1:5 van de APV en voorwaarde 13 van de verleende vergunning. Verweerder dient conform zijn beleid de standplaatsvergunning 2009 voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op deze locatie opnieuw toe te kennen volgens de rangorde van de daarvoor gehanteerde wachtlijst. Verzoekers bezwaar voor zover gericht tegen de weigering tot omzetting van de standplaatsvergunning 2009 op naam van zijn eenmansbedrijf is daarom ongegrond.

2.3. Standpunt verzoeker

Verzoeker betoogt dat verweerder hem in persoon voor 2004 de standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op deze locatie heeft verleend en deze standplaatsvergunning daarna per jaar voor hem in persoon heeft verlengd, ongeacht de onderneming. Verweerder heeft de vergunningen immers steeds op verzoekers persoonlijke naam gesteld en verstuurd naar zijn woonadres in plaats van de adressen van de desbetreffende ondernemingen. Tevens heeft verweerder de met verzoeker gelieerde ondernemingen destijds van de wachtlijst gehaald. Er kan dan ook geen sprake zijn van een tussentijdse wisseling van tenaamstelling van de standplaatsvergunningen. Verder betoogt verzoeker dat verweerders standpunt dat hij niet verbonden is met [naam]. en [naam] onjuist is, want die ondernemingen zijn zijn eigendom. Ten slotte betoogt verzoeker dat hij met zijn brief van 10 december 2008 slechts een fout in het in de aanvraag voor 2009 vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel heeft willen herstellen. Daarmee heeft verzoeker geen overdracht van de standplaatsvergunning beoogd, aangezien de standplaatsvergunning stond en bleef staan op naam van zijn persoon. Verweerder had dan ook niet de standplaatsvergunning die al vanaf 2004 aan hem werd verleend, mogen intrekken zonder verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze daarop te geven.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb volgt dat een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van een besluit uitsluitend kan worden beoordeeld in relatie tot een beroep dat zich daartegen eveneens richt. Het verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker in persoon ingediend. Het beroep is ingesteld door [naam] [benaming] B.V, waarbij als aanspreekpunt voor die rechtspersoon naam en adres van verzoeker in persoon zijn vermeld. Bij brief van 12 augustus 2009 heeft de griffier van de rechtbank [naam] [benaming] B.V. verzocht om een uittreksel van het handelsregister en verder een schriftelijke volmacht voor de als aanspreekpunt vermelde persoon van verzoeker. Daarbij heeft de griffier [naam] [benaming] B.V. in de gelegenheid gesteld deze stukken uiterlijk 17 augustus 2009 te overleggen. [naam] [benaming] B.V. heeft de gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijn overgelegd. De voorzieningenrechter ziet hierin grond om het beroep als zijnde ingesteld door verzoeker in persoon aan te merken. Er is derhalve sprake van een verzoek om voorlopige voorziening dat samenhangt met een beroep ingesteld door dezelfde verzoeker tegen hetzelfde besluit.

2.4.2. Anders dan verzoeker meent, is thans slechts in geschil het besluit tot handhaving van de intrekking en de weigering tot omzetting van de standplaatsvergunning 2009. Voor zover verzoeker van opvatting is dat verweerder de standplaatsvergunning 2009 ten onrechte niet aan hem in persoon dan wel aan zijn eenmansbedrijf heeft verleend, had hij tegen het besluit tot verlening van die standplaatsvergunning van 3 december 2008 moeten opkomen. Nu dat niet is gebeurd, staat dat besluit in rechte vast.

2.4.3. Partijen verschillen van inzicht over de vraag aan wie bij besluit van 3 december 2008 de standplaatsvergunning 2009 is verleend en daarmee op welke (rechts)persoon de intrekking daarvan bij besluit van 17 februari 2009 ziet.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt in een geval als hier, waar betrokkenen zich wisselend presenteren als (natuurlijke en rechts)personen met vrijwel gelijkluidende namen, doorslaggevende betekenis toe aan de door de aanvrager verstrekte gegevens en met name aan het voor de aanvrager vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel. Het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel dat op de aanvraag om een standplaats per 1 januari 2009 is vermeld, betreft de buitenlandse rechtspersoon [naam]. met de handelsnaam "[benaming] [naam]". De handelsnaam van (onder meer) die onderneming is als afzender in de aanvraag vermeld, zodat deze onderneming als aanvrager heeft te gelden. Er is niet gebleken dat verweerder heeft bedoeld de vergunning in afwijking van de aanvraag te verlenen. Dat verweerder bij het toezenden van de vergunning in de veronderstelling verkeerde dat de natuurlijke persoon [naam] gemachtigde was van deze onderneming en de vergunning aan diens adres heeft toegezonden, is niet onbegrijpelijk en doet aan het vorenstaande niet af. Geconcludeerd moet worden dat de standplaatsvergunning 2009 bij besluit van 3 december 2008 is verleend aan [naam], met de handelsnaam "[benaming] [naam]". Het besluit tot intrekking van de standplaatsvergunning 2009 van 17 februari 2009 dat thans aan de orde is, kan derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens slechts betrekking hebben op de onderneming [naam]. met de handelsnaam "[benaming] [naam]".

2.4.4. Naar uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2009 blijkt, heeft verzoeker ter zitting van 17 maart 2009 verklaard niet betrokken te zijn bij de onderneming [naam]. met de handelsnaam "[benaming] [naam]". Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt van betrokkenheid van verzoeker bij die onderneming evenmin. Ook in de verdere bezwaarprocedure, zoals tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften, heeft verzoeker geen blijk gegeven van betrokkenheid bij deze onderneming. Verweerder heeft zich op grond van deze gegevens in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker vanwege het ontbreken van betrokkenheid bij die onderneming geen belanghebbende is bij de intrekking van de standplaatsvergunning 2009 voor [naam]. met de handelsnaam "[benaming] [naam]".

In beroep betoogt verzoeker voor het eerst dat hij eigenaar is van [naam]. Verzoeker heeft ter onderbouwing van dat betoog stukken, gedateerd 31 mei 2007, overgelegd waaruit volgt dat hij op enig moment een belang van 4% had in de onderneming [naam]. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij tevens volledig eigenaar is van Lion Management Ltd, een onderneming die volgens diezelfde stukken op enig moment de andere 96% van de aandelen van [naam]. bezat. Daargelaten dat niet valt in te zien dat verzoeker deze stukken niet eerder in de procedure had kunnen overleggen, overweegt de voorzieningenrechter daarover het volgende.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderneming [naam]. ten tijde van de aanvraag en de verlening van de standplaatsvergunning 2009 niet langer bestond. Verzoeker heeft dit standpunt niet weersproken. Uit zowel het uittreksel van de Kamer van Koophandel als de door verzoeker overgelegde stukken volgt dat [naam]. in 2007 werd opgeheven. Voor zover dus al verzoeker op enig moment een belang zou hebben gehad bij besluiten van verweerder ten aanzien van die onderneming, was dat belang van verzoeker ten tijde van het thans aan de orde zijnde besluit van 17 februari 2009 vanwege de opheffing van die onderneming in ieder geval komen te vervallen. Verweerder heeft derhalve ook hierom verzoeker terecht niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb aangemerkt bij de intrekking van de standplaatsvergunning 2009 van [naam]. met de handelsnaam "[benaming] [naam]".

2.4.5. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag van 3 december 2008 alsnog als ingediend door verzoekers eenmansbedrijf aan te merken zodat verweerder om die reden de standplaatsvergunning 2009 bij besluit van 17 februari 2009 had behoren om te zetten op naam van die onderneming. Het betoog van verzoeker dat in de aanvraag om een standplaatsvergunning per 2009 een kennelijke fout is geslopen doordat daarin een inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel is vermeld dat niet bij de aanvragende onderneming behoorde, is, mede gelet op de gelijkluidende aanvragen voor 2007 en 2008 en de overige omstandigheden van het geval, niet aannemelijk en betreft daarenboven een fout, die voor zover al aannemelijk gemaakt, voor rekening en risico van de maker behoort te blijven. Verweerder heeft daarom terecht verzoekers bezwaar tegen de weigering de standplaatsvergunning 2009 op naam van diens eenmansbedrijf te zetten, ongegrond verklaard.

2.4.6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid ingevolge artikel 8:86 van de Awb en onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep van verzoeker. De voorzieningenrechter verklaart dat beroep ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

2.4.7. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. N.M. Zandbergen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,