Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK1900

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
71553 HA ZA 07-2497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijsopdracht, waardering getuigenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 71553 / HA ZA 07-2497

Vonnis van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2009

in de zaak van

mr. Pieter van Riessen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ECM Krimpen B.V.,

wonende te Gouda,

eiser,

advocaat mr. P. van Riessen,

tegen

[gedaagde]

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. F.J. Hommersom.

Partijen worden hieronder aangeduid als de curator en [gedaagde].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 mei 2008 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 november 2008;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2009;

- conclusie na enquête van [gedaagde];

- conclusie na enquête van de curator.

1.2. De conclusie na enquête van de curator bevat nieuwe stellingen en een productie. Op grond van artikel 111 Rv. rust op de curator de verplichting bij dagvaarding de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig aan te voeren. Nadien zijn bij gelegenheid van de enquête door de curator nog nieuwe stukken gepresenteerd, welke zijn gehecht aan het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2009. Daarop is bepaald dat [gedaagde] ook nog een stuk in het geding mocht brengen bij conclusie na enquête. Vervolgens heeft de curator bij antwoordconclusie na enquête, het laatste processtuk in deze procedure, een nieuwe productie en nieuwe stellingen naar voren gebracht. Dit is in strijd met de goede procesorde. Laatstgenoemde productie en stellingen bij antwoordconclusie na enquête worden dan ook buiten beschouwing gelaten. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Bij vonnis van 7 mei 2008 is aan [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat het schip krachtens wilsovereenstemming tussen ECM en hem in april 2004 aan hem in eigendom is overgedragen.

2.2. [belanghebbende], bestuurder van ECM, heeft verklaard: “Medio april 2004 heb ik met

[gedaagde] een overeenkomst gesloten. Dat ging mondeling. Kort daarna is het schip geregistreerd bij het kadaster. De registratie is gedaan als veiligheid voor [gedaagde] zodat vaststond dat hij de betalingen had gedaan en dat hij toen eigenaar was.(..) In april 2004 was het voor mij duidelijk dat de eigendom over ging naar [gedaagde]. Daarna zou de registratie gebeuren. Voor mij is dat een bekende manier om de eigendom van een schip over te dragen. (..) Op 21 maart 2006 heb ik met de heer van Riessen gesproken. Ik heb daar gezegd dat [gedaagde] eigenaar was en ook betaald had. Ik kan onmogelijk iets anders hebben gezegd. Ik kan mij niet herinneren dat over het eigendomsbewijs is gesproken. Voor mij is de registratie het eigendomsbewijs. Daarnaast had [gedaagde] ook immers alle rekeningen betaald. Dus dat is ook voor mij voldoende bewijs. Op de vraag van de heer Van Riessen of ik bij die bespreking gezegd heb dat de eigendom niet was overgegaan omdat die nog bij mijzelf lag, moet ik u zeggen dat ik mij dat niet kan herinneren.” [gedaagde] heeft verklaard: “Wij hadden samen afgesproken in april dat de eigendom naar mij over ging. Wij hebben dat niet schriftelijk vastgelegd.”

Uit deze verklaringen volgt dat [belanghebbende] en [gedaagde] een mondelinge overeenkomst hebben gesloten inhoudende dat de eigendom van het schip is overgegaan naar [gedaagde] in april 2004.

2.3. De curator heeft verklaard: “Na het faillissement op 21 juli 2004 heb ik verschillende malen met [belanghebbende] gesproken over het scheepje van [gedaagde]. Op 21 maart 2006 heb ik tezamen met mijn kantoorgenoot Gijsbertsen met [belanghebbende] gesproken op zijn kantoor. Er zijn toen een aantal punten aan de orde geweest waaronder de vraag wie eigenaar was van het scheepje. [belanghebbende] antwoordde desgevraagd dat de eigendom niet was overgedragen en dat dit naar zijn mening pas aan de orde was als de volledige koopsom was betaald en de eigendomspapieren waren overgedragen.”

Gijsbertsen, kantoorgenoot van de curator, heeft verklaard: “Op 21 maart 2006 heb ik samen met Van Riessen een gesprek gehad met [belanghebbende] op zijn werf. We hebben toen gesproken over de email van 22 juli 2004 en de email van 25 juli 2004 van [gedaagde] over de boot. [belanghebbende] heeft op de vraag of [gedaagde] eigenaar was van de boot geantwoord dat hij geen eigenaar was want de boot was nog niet af, er was nog niet geheel betaald, het eigendomsbewijs was nog niet aan [gedaagde] overhandigd en het CE keurmerk was nog niet verstrekt. Wij ontvingen toen van [belanghebbende] het eigendomsbewijs in tweevoud. Dit was wel door hem maar niet door [gedaagde] ondertekend. De ruimte voor de handtekening van [gedaagde] was leeg. (..) Wij hebben de vraag of de boot in eigendom aan [gedaagde] was overgedragen herhaaldelijk gesteld in het gesprek van 21 maart 2006.”

Uit de verklaringen van de curator en Gijsbertsen blijkt dat zij niets kunnen verklaren over hetgeen [gedaagde] en [belanghebbende] hebben besproken in april 2004. Voor zover zij verklaren over mededelingen van [belanghebbende] op 21 maart 2006 (bijna twee jaar later) worden deze door [belanghebbende] uitdrukkelijk weersproken (sub 2.2.). Bovendien heeft [belanghebbende] na het gesprek met [gedaagde] in april 2004 meegewerkt aan registratie van de boot bij het kadaster op 29 april 2004, waarbij [gedaagde] als eigenaar is vermeld. Het door [belanghebbende] getekende eigendomsbewijs bevestigt dat [belanghebbende] de eigendom van de boot wilde overdragen aan [gedaagde].

De verklaring van Gijsbertsen is overigens afgelegd met behulp van aantekeningen die bij elke vraag werden geraadpleegd. De rechtbank heeft Gijsbertsen verzocht deze aantekeningen weg te leggen, doch hij heeft dat geweigerd. Omdat de aard en herkomst van deze aantekeningen onduidelijk zijn gebleven kan niet worden vastgesteld dat Gijsbertsen heeft verklaard uit eigen waarneming (artikel 163 Rv).

2.4. Op grond van het vorenstaande is [gedaagde] geslaagd in zijn bewijsopdracht en wordt de vordering van de curator afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de curator worden veroordeeld in de proceskosten welke aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op

€ 2.034,= (4,5 punten x € 452,=) en € 251,= griffierecht.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten groot € 2.285,=,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.?