Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK0719

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
11-510108-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ4787, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 30-jarige man wegens zware mishandeling van zijn vriendin tot een gevangenisstraf van 5 jaar. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een mes in haar gezicht gesneden. Het handelen van verdachte was gericht op de verminking van het slachtoffer. Een verminking in het gelaat waarmee deze jonge vrouw dagelijks wordt geconfronteerd. Dit getuigt van een wreedheid die de rechtbank in strafverzwarende zin heeft meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510108-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

thans gedetineerd in de PI Rijnmond - HvB De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

Raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 oktober 2009, waarbij de officier van justitie mr. D. van der Sluis, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van haar recht een slachtofferverklaring op te stellen, welke verklaring ter terechtzitting is voorgehouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: heeft geprobeerd - al dan niet met voorbedachten rade - zijn vriendin [slachtoffer] te doden

Subsidiair: zijn vriendin [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar met een mes in haar gelaat te steken/snijden.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer], die op het moment van het gebeuren had te gelden als zijn levensgezel, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De officier van justitie baseert zich daarbij - onder meer - op de aangifte van [slachtoffer] waarin zij verdachte aanduidt als degene die haar op de avond van

19 februari 2009 met een stanleymes in haar gezicht heeft gesneden, op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten die reageerden op de 112 melding van het slachtoffer en haar met een bloedend gelaat in een bushokje aantroffen en een medische verklaring betreffende het door het slachtoffer opgelopen letsel. De officier van justitie heeft voorts verwezen naar steunbewijs gelegen in diverse processen-verbaal met daarin gerelateerd camerabeelden, zendmastgegevens van de mobiele telefoon van verdachte, uitgelezen gegevens uit de mobiele telefoon van verdachte, verklaringen van diverse getuigen en aangetroffen biologische sporen, welke bewijsmiddelen de lezing van het slachtoffer over het verloop van de avond van 19 februari 2009 ondersteunen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is en er op grond van de stukken in het dossier geen overtuiging te bekomen is. De verdediging stelt dat het slachtoffer de enige bron is die verdachte aanwijst als degene die haar met een mes in haar gezicht zou hebben gesneden en dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. De verdediging wijst ter illustratie van deze stelling op de omstandigheid dat het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte vlak voor het delict aan het bellen was met zijn oom, hetgeen daderschap van verdachte niet bepaald waarschijnlijk maakt omdat hij daarmee opsporingstechnisch een risico zou hebben gelopen. De verklaringen van het slachtoffer over het stanleymes zouden voorts op meerdere punten onbegrijpelijk zijn terwijl het er op lijkt dat het slachtoffer, door over het mes te beginnen, het mes aan verdachte heeft willen koppelen om hem verdacht te maken. De verdediging wijst er voorts op dat het slachtoffer haar verklaringen gaandeweg 'aandikt', dat er - in tegenstelling tot wat zij heeft verklaard - geen chatgesprek op haar computer is aangetroffen waarin verdachte berouw zou hebben getoond over zijn gedrag, dat de beschuldiging van het slachtoffer over door verdachte beleend kapitaal bij juwelier Goldberg van Eur 400.000 onjuist bleek te zijn en een door het slachtoffer aangeduide getuige zelf verklaart niets van de zaak te weten. De verdediging wijst tenslotte op de omstandigheid dat het slachtoffer bij de rechter-commissaris aanvankelijk heeft ontkend dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat hij zijn vrouw moest vermoorden maar dat zij later heeft toegegeven dat zij dit best gezegd zou kunnen hebben. Volgens de verklaring van het slachtoffer speelde zij een spel omdat zij van verdachte af wilde. De verdediging betoogt voorts dat de diverse getuigenverklaringen en het beeldmateriaal niet kan bijdragen aan het bewijs nu het vage en algemene omschrijvingen betreft en in geen van die verklaringen verdachte specifiek wordt herkend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op de avond van 19 februari 2009 ontvangt de gemeenschappelijke meldkamer van de politie om 22.15 uur een 112-melding van een vrouw die zegt dat zij op de Krommedijk te Dordrecht door haar vriend in het gezicht is gesneden. De verbalisanten die op de melding reageerden verklaren dat zij om 22.17 uur ter plaatse zijn gekomen en op de bedoelde locatie in het bushokje [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) aantroffen en dat zij gekleed was in een zwarte jas, een zwarte legging en schoenen en een blauw spijkerrokje. Verbalisanten verklaren ook dat in het gelaat van het slachtoffer onder meer een grote diepe snede zichtbaar was van de haargrens tot aan de bovenlip, welke zo breed was opengereten dat de schedel zichtbaar was, alsmede een kleinere verticale snede in het linkerooglid. Op vragen van de verbalisanten over wat er was voorgevallen verklaarde het slachtoffer "Ik ben in mijn gezicht gesneden, dat heeft mijn vriend gedaan, [verdachte]. Hij heeft een witte jas aan en is weggerend in de richting van het station". Het slachtoffer heeft vervolgens het bewustzijn verloren en is met een ambulance vervoerd naar het ziekenhuis waar zij dezelfde avond aan haar verwondingen is geopereerd. In het ziekenhuis is het volgende letsel waargenomen:

- snijwond onder de linkerduim;

- schaafwond op de linkerknie;

- blauw oog links;

- snijwond onder linkeroog;

- snijwond onder rechterlip, 2 cm;

- snijwond vanaf voorhoofd haargrens in rechte lijn naar de bovenlip en door de lip, hierbij ook rechterooglid snijwond;

Opgemerkt wordt dat deze wonden goed bij een stanleymes kunnen passen omdat het rechte sneden zijn.

Het slachtoffer verklaart in haar aangifte dat zij sinds 16 maanden een relatie heeft met verdachte en dat zij op de avond van 19 februari 2009 door verdachte, een vriend van verdachte en diens neef is opgehaald van het NS-station te Dordrecht, waarna ze naar een oom en tante van verdachte in Papendrecht zijn gereden en daar wat hebben gegeten. Zij verklaart dat de auto op de terugweg is gestopt bij het BP-station aan de Provincialeweg te Dordrecht en dat zij en verdachte van daaruit in de richting van het station zijn gelopen waar ze rond 20.30 uur in een cafetaria op de hoek Krommedijk/Transvaalstraat hebben gezeten. Verdachte bevestigt in zijn verklaring bij de politie dat hij het slachtoffer heeft opgehaald bij het station Dordrecht, dat ze daarna wat hebben gegeten bij zijn oom in Papendrecht en dat ze in een cafetaria in de buurt van het station hebben gezeten. Een getuige, die op de avond van 19 februari 2009, werkzaam was in cafetaria 'De Smulhoek', gevestigd op de hoek Krommedijk/Transvaalstraat te Dordrecht, bevestigt dat op die avond rond 21.00 uur een man en een vrouw in de snackbar zijn geweest, dat zij mogelijk van Marokkaanse of Turkse komaf waren, dat de vrouw gekleed was in een zwarte jas en een spijkerrokje en de man in een wit of crèmekleurig gewatteerd jack met golvende banen gestikt. Uit deze verklaringen en hetgeen het slachtoffer heeft verklaard toen zij werd aangetroffen door de politie leidt de rechtbank in ieder geval af dat het slachtoffer en verdachte op de avond van 19 februari 2009 in de cafetaria zijn geweest en dat verdachte die avond een witte jas droeg.

Het slachtoffer verklaart in haar aangifte dat zij in de cafetaria tegen verdachte heeft gezegd dat zij de relatie wilde beëindigen maar dat hij zei dat hij haar niet zou laten gaan. Vervolgens is het slachtoffer in de richting van de bushalte gelopen en daar op een bankje gaan zitten. Het slachtoffer verklaart dat verdachte tegenover haar is gaan staan en er toen een discussie ontstond over het beëindigen van de relatie. Het slachtoffer beschrijft dat verdachte haar op enig moment aan de haren trok en haar een kopstoot gaf waardoor zij op de grond viel. Daarna zag zij dat verdachte een beweging naar haar gezicht maakte waarop zij direct erge pijn voelde en voelde dat haar oog volliep. Het slachtoffer verklaart dat zij een volgende poging heeft afgeweerd met haar hand, dat zij heeft geschreeuwd en dat verdachte vervolgens is weggerend. Een buurtbewoonster verklaart dat zij rond 22.15 uur een vrouw hoorde gillen en dat zij vervolgens vanuit haar badkamerraam naar buiten keek waar ze, vanaf de bushalte een man in een lichtkleurige jas zag wegrennen in de richting van de spoorwegovergang. Het verhaal van het slachtoffer ten aanzien van de aanwezigheid van verdachte in het bushokje vindt steun in de in het dossier aanwezige beeldweergave, gemaakt vanuit een bus van Arriva, waarop te zien is dat zich twee personen bevinden in de bushalte Eemsteynplein waarvan één staat en is gekleed in een witte jas, en dat deze persoon gekeerd staat naar een zittend persoon in het donker gekleed.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tussen 20.00 - 20.30 uur naar het station is gelopen en daar de eerste trein naar Tilburg heeft genomen. Deze verklaring is in tegenspraak met de zendmastgegevens waaruit blijkt dat de mobiele telefoon van verdachte om 21.14 uur, 21.34 uur en 21.39 uur een zendmast gelegen aan de Krommedijk (binnen de reikwijdte van het bushokje) aanstraalt. Daarmee geconfronteerd heeft verdachte hiervoor geen redelijke verklaring kunnen geven. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij vanuit de cafetaria tussen 20.00 en 20.30 uur naar het station is gelopen en daar de eerste trein naar Tilburg heeft genomen om die reden ongeloofwaardig.

De rechtbank acht het op grond van de voormelde bewijsmiddelen - in samenhang bezien - aannemelijk dat verdachte in de avond van 19 februari 2009 met het slachtoffer vanuit de cafetaria naar het bushokje is gelopen en haar daar, na een discussie en een worsteling, met een mes meerdere malen in haar gezicht heeft gesneden. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door het volgende.

Het slachtoffer heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte al eerder, in november 2008, met een stukje ijzer in haar linkerwang heeft gesneden toen zij de relatie wilde beëindigen, maar dat zij daar toen geen aangifte van heeft gedaan. De zwager van het slachtoffer heeft bevestigd dat verdachte dit destijds tegen hem heeft verteld en voorts dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij het slachtoffer voor het leven zou verminken als zij een relatie met een ander zou beginnen. Voorts bevindt zich in het dossier een weergave van een sms waarin verdachte op 19 februari 2009 om 11.00 uur en 14.39 uur het volgende bericht verstuurd naar het slachtoffer: "[naam slachtoffer], ik zal zeker niet vegeete jou je verrassing te geefe je weet dat je het hebt verdiend ik weet alles nu [naam slachtoffer] waarom zo un vieze manier niet vewagt van jou"

Verdachte heeft, geconfronteerd met dit bericht, verklaard dat hij een armband voor het slachtoffer had gekocht. De rechtbank acht deze verklaring mede gelet op de toonzetting van het bericht ongeloofwaardig. Veeleer kan uit het sms bericht worden afgeleid dat verdachte het slachtoffer een onaangename verrassing wilde bezorgen.

De verdediging heeft de geloofwaardigheid van het slachtoffer ter discussie gesteld, daarbij verwijzend naar allerlei onwaarschijnlijkheden en ongerijmdheden in haar verhaal, zoals hierboven omschreven. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Voor de beoordeling van deze zaak is slechts relevant de geloofwaardigheid van het slachtoffer ten aanzien van hetgeen is voorgevallen op de avond van 19 februari 2009. Zoals eerder opgemerkt heeft het slachtoffer in haar aangifte een gedetailleerd verslag gedaan van die avond. Dit verhaal wordt op zoveel punten ondersteund door getuigenverklaringen en beeldmateriaal, dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van het slachtoffer op dit punt. Daaraan doet niet af dat het slachtoffer haar verklaringen met het verstrijken van de tijd op details heeft aangevuld noch dat het slachtoffer en verdachte zich in een wederzijds destructieve relatie bevonden waarin de bejegening over en weer niet bij uitzondering een grimmig karakter droeg, zoals uit de stukken zou kunnen worden afgeleid.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] willens en wetens met een mes in haar gelaat heeft gesneden waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht dan ook het subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen. Niet kan worden gezegd dat verdachte met zijn handelingen het opzet heeft gehad - ook niet in voorwaardelijke zin - om het slachtoffer te doden zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord/doodslag.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

SUBSIDIAIR:

op 19 februari 2009 te Dordrecht aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: meerdere snijwonden in haar gelaat, waaronder één snijwond vanaf haar voorhoofd (haargrens) tot en met haar bovenlip), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen met een (stanley)mes, in

haar gelaat te snijden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

SUBSIDIAIR:

ZWARE MISHANDELING, BEGAAN TEGEN ZIJN LEVENSGEZEL.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in de avond van 19 februari 2009 zijn vriendin [slachtoffer] zwaar mishandeld door haar meerdere malen met een mes in haar gezicht te snijden. Het slachtoffer heeft daardoor meerdere diepe snijwonden in haar gelaat opgelopen. Het hoeft geen betoog dat de gevolgen van deze mishandeling voor het slachtoffer heel ingrijpend en langdurig zijn. Niet alleen heeft zij te kampen met blijvende ontsierende littekens in haar gezicht en het daaraan inherente medische traject om deze nadelige fysieke gevolgen zoveel als mogelijk te herstellen. Ook heeft het gebeuren ingrijpende gevolgen gehad voor het psychisch welzijn van het slachtoffer en haar sociale leven, zoals beschreven in de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring. Naast de gevolgen die het gebeuren heeft gehad voor het slachtoffer versterkt zulk gewelddadig optreden op straat de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij - gelet op de eerder onder 4.3 gememoreerde stukken - klaarblijkelijk een vooropgezet plan had om nu juist die ernstige gevolgen voor het slachtoffer te laten intreden indien zij zich anders gedroeg dan hij wilde. Verdachte heeft nimmer enige blijk van berouw getoond. Het handelen van verdachte was gericht op de verminking van het slachtoffer. Een verminking in het gelaat waarmee deze jonge vrouw dagelijks wordt geconfronteerd. Dit getuigt van een wreedheid die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.

De verdediging heeft de eis van de officier van justitie ter terechtzitting buitenproportioneel genoemd en heeft daarbij gewezen op uitspraken waarbij verdachten voor het veroorzaken van ontsierende letsels in het gezicht door mishandeling zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. De rechtbank overweegt dat het in de gevallen waar de verdediging op doelt gaat om uitgaansgeweld waarbij de strafverzwarende omstandigheid zoals hiervoor omschreven zich niet voordoet.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat het slachtoffer een relatie had met verdachte. Een positie die in de het geval van mishandeling op grond van de wet als strafverzwarende omstandigheid heeft te gelden.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar passend en geboden is.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], [adres en woonplaats] vordert een schadevergoeding van Eur 8.300 waarvan Eur 300,- ter zake van materiële schade en Eur 8.000 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij beperkt haar vordering tot het deel dat naar haar mening van zodanige eenvoudige aard is, dat het zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Zij behoudt zich het recht voor een resterend deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade, waarvan de benadeelde partij in dit geding vergoeding vordert, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Voor een resterend gedeelte van haar vordering is de benadeelde partij thans niet ontvankelijk omdat dit niet vast te stellen is.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

10 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 24c, 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten;

1 STK telefoon (GSM), merk: Samsung, kleur: grijs, volgnummer: 22;

1 STK broek, kleur: grijs, volgnummer: 23;

1 STK simkaart, merk: Orange, volgnummer: 24;

1 STK broek, merk: Versace, kleur: zwart, volgnummer: 25;

1 STK sok, kleur: wit, volgnummer: 26;

1 STK vest, merk: Esprit, kleur: zwart, volgnummer: 27;

1 STK kleding (anders), kleur: roze, volgnummer: 29;

2 STK schoen, merk: Friday, kleur: zwart, volgnummer: 30;

1 STK jas, kleur: zwart, volgnummer: 31.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres en woonplaats], van een bedrag van Eur 8.300,- waarvan Eur 300,- ter zake van materiële schade en Eur 8.000 ter zake van immateriële schade;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het resterende deel van haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], voornoemd, Eur 8.300 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 71 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens, voorzitter, mr. R.R. Roukema en mr. E.H. van der Steeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 oktober 2009.

mr. E.H. van der Steeg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en met voorbedachten rade, mevrouw [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] één of meerdere ma(a)l(en), in haar hoofd en/of haar gelaat, althans in haar lichaam, heeft gestoken en/of gesneden met een (stanley)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Dordrecht aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: één of meerdere snijwond(en) in haar hoofd en/of haar gelaat, waaronder één snijwond vanaf haar voorhoofd (haargrens) tot en met haar bovenlip), heeft toegebracht, door deze opzettelijk één of meerdere ma(a)l(en) met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar hoofd en/of haar gelaat, althans in haar lichaam, te steken en/of te snijden;

art 304 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/510108-09

Vonnis d.d. 20 oktober 2009