Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK0386

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
11/800153-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 21-jarige vrouw veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden wegens het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen. Verdachte heeft een overstekende voetgangster op een zebrapad niet gezien, doordat zij met een (deels) beslagen voorruit over het zebrapad reed.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/103

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/800153-09

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] in 1988,

wonende te [adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 1 oktober 2009.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het primair ten laste gelegde bewezen achtend, in die zin dat verdachte zeer onoplettend gereden zou hebben - gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor hetgeen onder primair en subsidiair ten laste is gelegd en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van hetgeen onder meer subsidiair ten laste is gelegd. Voorts heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 29 december 2008 te Leerdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Koningin Emmalaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, te rijden,

-terwijl verdachte pas korte tijd in het bezit was van een rijbewijs (d.d. 17 januari 2007 werd aan verdachte een rijbewijs afgegeven), en aldus kan worden aangemerkt als beginnend bestuurder-

immers was de voorruit van het door haar verdachte bestuurde motorrijtuig, gedeeltelijk (aan de binnen- en/of

buitenzijde) beslagen (ijswaas) en/of bevroren,

waardoor zij onvoldoende, zicht had op het verkeer dat haar van links en rechts en van voren naderde,

en

heeft zij verdachte onvoldoende rekening gehouden met de (weers)omstandigheden ter plaatse,

en

zich (gezien vanuit de richting van de Spoorstraat/rijrichting verdachte) een aantal meters voor de kruising Watertorenstraat/Oranje Nassaulaan/Koningin Emmalaan, (ter hoogte van perceelnummer 64), op de Koningin Emmalaan aldaar een voetgangersoversteekplaats was aangebracht, welke voetgangersoversteekplaats ter plaatse werd aangeduid middels een (verlicht) bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, genoemd bord was boven de weg, ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats geplaatst,

en

terwijl op die voetgangersoversteekplaats een voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer]) doende was, die door hem, verdachte bereden weg (de Koningin Emmalaan) over te steken,

en

is zij toen niet tijdig gestopt en is zij niet uitgeweken voor een voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer]), die doende was een voetgangersoversteekplaats over te steken,

en

heeft zij verdachte de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig niet zodanig aangepast, dat zij verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en

heeft zij verdachte, de zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats bevindende/overstekende voetgangster (het slachtoffer) niet laten voorgaan, als gesteld in artikel 49 lid 2 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,

waarna het door haar verdachte bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen die overstekende voetgangster (het slachtoffer),

terzake van welk ongeval die voetgangster [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Bewijsoverwegingen

4.3.1

Bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het tenlastegelegde roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend rijden - kan worden bewezen, komt het volgens vaste rechtspraak aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende kunnen vaststellen.

Verdachte heeft met haar personenauto gereden op de Koningin Emmalaan in Leerdam. Zij was ter plaatse goed bekend met de verkeerssituatie omdat zij daar regelmatig kwam. Verdachte wist dat er na een scherpe bocht naar links een als dusdanig aangeduide en herkenbare voetgangersoversteekplaats was gelegen. Op de voetgangersoversteekplaats is zij met haar auto tegen een voetgangster (het slachtoffer) gebotst, die bezig was over te steken. Verdachte heeft verklaard de voetgangster in het geheel niet te hebben gezien.

De rechtbank leidt hieruit allereerst af dat verdachte de voetgangster ten onrechte geen voorrang heeft gegeven. Daarmee valt het handelen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank reeds aan te merken als onvoorzichtig en onoplettend.

Dat ook sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid baseert de rechtbank op de navolgende feiten en omstandigheden.

Onder normale (weers)omstandigheden heeft een bestuurder ter plaatse na voornoemde scherpe bocht een geheel vrij zicht van bijna 60 meter tot aan de voetgangersoversteekplaats. Op het betreffende tijdstip was de buitentemperatuur ongeveer -4 graden Celsius en was het donker. De straatverlichting en het bord dat de voetgangersoversteekplaats aanduidde, waren ontstoken. Er was geen sprake van zichtbelemmerende weersomstandigheden.

Verdachte heeft in het voorbereidend onderzoek tegenover de politie verklaard dat onderweg de binnenzijde van de voorruit van haar auto iets beslagen raakte maar dat het niet zo was dat zij daardoor helemaal niets meer zag. Ter terechtzitting heeft zij bovendien verklaard dat zij onderweg de voorruit van de auto heeft besproeid en dat daardoor een vorm van aanslag, een soort bevriezing, op de randen van de voorruit - het gedeelte dat niet door de ruitenwissers wordt geveegd - is ontstaan. Deze aanslag/bevriezing was echter niet zodanig dat zij daardoor helemaal geen zicht meer had door de voorruit.

Onder voornoemde omstandigheden is verdachte in haar auto de voetgangersoversteekplaats genaderd en is zij deze opgereden. Vervolgens heeft zij het van links komende slachtoffer, dat op de oversteekplaats liep, geen voorrang verleend en is zij met de rechterzijde van haar auto tegen het slachtoffer gebotst. Zij heeft daarmee haar auto niet tijdig tot stilstand gebracht. Verdachte heeft verklaard dat zij slechts een zwarte schim heeft gezien en vervolgens heeft geremd. Uit het proces-verbaal verkeersongeval-analyse van de politie blijkt dat het slachtoffer op het moment van de botsing de oversteekplaats nagenoeg geheel was overgestoken.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte onder normale omstandigheden de voetgangster op de oversteekplaats tijdig moet hebben kunnen zien. Verdachte heeft er echter voor gekozen om in het donker te blijven rijden met een beperkt zicht vanuit de voorruit van de auto en onder die omstandigheden de oversteekplaats op te rijden zonder zich er voldoende van te vergewissen of dit veilig was. Zij heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig en oplettend gereden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

4.3.2

Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat het slachtoffer direct na de botsing op 29 december 2008 in bewusteloze toestand en met zware verwondingen naar het ziekenhuis is gebracht. Uit de verklaring van de dochter van het slachtoffer en de brief van het Rivas d.d. 12 maart 2009 blijkt dat het slachtoffer - (nog steeds) in comatueuze toestand - op 12 februari 2009 vanuit het ziekenhuis is overgebracht naar een verpleeghuis. Vanwege de zeer slechte levensprognose en minimale kwaliteit van leven is op enig moment aldaar besloten de behandeling van het slachtoffer vanwege medisch zinloos handelen te staken. Het slachtoffer is als gevolg daarvan op 25 februari 2009 overleden.

Het vorenstaande vindt bevestiging in het verslag van de lijkschouwer d.d. 25 februari 2009.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer is toe te rekenen aan het door verdachte veroorzaakte en te wijten verkeersongeval.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER WORDT GEDOOD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurster van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden en heeft daardoor een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt tengevolge waarvan een dodelijk slachtoffer is gevallen.

Verdachte is, terwijl zij in het donker reed en het zicht door haar voorruit was beperkt als gevolg van een aanslag op die voorruit, een voetgangersoversteekplaats genaderd en is deze opgereden. Zij heeft daarbij geen voorrang verleend aan een overstekende voetgangster omdat zij deze in het geheel niet heeft gezien. Vervolgens is verdachte met haar auto tegen de voetgangster aangebotst. Gebleken is dat het slachtoffer de oversteekplaats nagenoeg geheel was overgestoken alvorens zij door de auto van verdachte is geraakt en meegesleurd. Verdachte heeft nog getracht om tijdig te stoppen maar dat is helaas niet gelukt. Als gevolg van haar opgelopen verwondingen door de botsing is het slachtoffer na enige tijd overleden.

Het verwijt dat verdachte met name valt te maken, is dat zij het beperkte zicht vanuit haar auto geheel verkeerd heeft ingeschat en haar verdere verkeersgedrag daarop onvoldoende heeft aangepast. Daar komt bij dat van verdachte, gelet op het feit dat zij de situatie ter plaatse goed kende, in een dergelijke bijzondere situatie extra oplettendheid en voorzichtigheid mocht worden verwacht. Verdachte is daarin echter ernstig tekort geschoten.

De rechtbank houdt rekening met de mate van schuld van verdachte aan het ongeval en enerzijds met de fatale gevolgen van dat ongeval maar ook anderzijds met het feit dat verdachte haar leven wederom zal moeten oppakken en daarbij zal moeten leven met de gedachte, dat zij verantwoordelijk is voor de dood van een medemens.

De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter terechtzitting zijn gebleken. In het bijzonder betrekt de rechtbank in haar afwegingen dat verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat verdachte ten behoeve van haar werkzaamheden op het bezit van haar rijbewijs is aangewezen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een forse taakstraf geheel passend en geboden. Gelet op de genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank de geïndiceerde ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen met een daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaar.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

een TAAKSTRAF voor de duur van TWEEHONDERD (200) UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis;

een ONTZEGGING van de BEVOEGDHEID TOT HET BESTUREN VAN MOTORRIJTUIGEN voor de duur van ACHT (8) MAANDEN,

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij een rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE (2) JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Hello, voorzitter,

mr. W.P.M. Jurgens en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 oktober 2009.

Mr. Schönfeld is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE 1: De tenlastelegging

1.

zij op of omstreeks 29 december 2008 te Leerdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Koningin Emmalaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden,

-terwijl verdachte pas korte tijd in het bezit was van een rijbewijs (d.d. 17 januari 2007 werd aan verdachte een rijbewijs afgegeven), en aldus kan worden aangemerkt als beginnend bestuurder - immers was/waren de ruit(en) van het door haar verdachte bestuurde motorrijtuig, nagenoeg geheel, althans gedeeltelijk (aan de binnen- en/of buitenzijde) beslagen (ijswaas) en/of bevroren, waardoor zij geen, althans onvoldoende, zicht had op het verkeer dat haar van links en/of rechts en/of van voren naderde,

en/of

heeft zij verdachte onvoldoende rekening gehouden met de (weers)omstandigheden ter plaatse,

en/of

zich (gezien vanuit de richting van de Spoorstraat/rijrichting verdachte) een aantal meters voor de kruising Watertorenstraat/Oranje Nassaulaan/Koningin Emmalaan, (ter hoogte van perceelnummer 64), op de Koningin Emmalaan aldaar een voetgangersoversteekplaats was aangebracht, welke voetgangersoversteekplaats ter plaatse werd aangeduid middels een (verlicht) bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, genoemd bord was boven de weg, ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats geplaatst,

en/of

terwijl op die voetgangersoversteekplaats een voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer]) doende was, die door hem, verdachte bereden weg (de Koningin Emmalaan) over te steken,

en/of

heeft zij verdachte toen en daar geen, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of is zij toen niet, althans niet tijdig gestopt en/of is zij niet, althans onvoldoende uitgeweken voor een voetgangster, die doende was een voetgangersoversteekplaats over te steken,

en/of

heeft zij verdachte de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig niet zodanig aangepast, dat zij verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of

heeft zij verdachte, de zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats bevindende/overstekende voetgangster niet laten voorgaan, als gesteld in artikel 49 lid 2 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,

waarna het door haar verdachte bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met die overstekende voetgangster, terzake van welk ongeval [slachtoffer] is overleden;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 29 december 2008 te Leerdam als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Koningin Emmalaan,

-terwijl verdachte pas korte tijd in het bezit was van een rijbewijs (d.d. 17 januari 2007 werd aan verdachte een rijbewijs afgegeven), en aldus kan worden aangemerkt als beginnend bestuurder- immers was/waren de ruit(en) van het door verdachte bestuurde motorrijtuig, (aan de binnen- en/of buitenzijde) nagenoeg geheel, althans gedeeltelijk beslagen (ijswaas) en/of bevroren,

waardoor zij geen, althans onvoldoende zicht had op het verkeer dat haar van links en/of rechts en/of van voren naderde,

en/of

heeft zij onvoldoende rekening gehouden met de (weers)omstandigheden ter plaatse,

en/of

zich voor de kruising (gezien vanuit de richting van de Spoorstraat) een aantal meters voor de kruising tertorenstraat/Oranje Nassaulaan/Koningin Emmalaan, (ter hoogte van perceelnummer 64), een voetgangersoversteekplaats was aangebracht, welke voetgangersoversteekplaats ter plaatse werd aangeduid middels een (verlicht) bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, genoemd bord was boven de weg, ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats geplaatst,

en/of

terwijl op die voetgangersoversteekplaats een voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer]) doende was, die door hem, verdachte bereden weg (de Koningin Emmalaan) over te steken,

en/of

heeft zij verdachte toen en daar geen, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of is zij toen niet, althans niet tijdig gestopt en/of is zij niet, althans onvoldoende uitgeweken voor een voetgangster, die doende was een voetgangersoversteekplaats over te steken,

en/of

heeft zij verdachte de snelheid van het door haar bestuurde motorrijtuig niet zodanig aangepast, dat zij verdachte in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of

heeft zij verdachte, de zich op of nabij die voetgangersoversteekplaats bevindende/overstekende voetgangster niet laten voorgaan, als gesteld in artikel 49 lid 2 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,

waarna het door haar verdachte bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met die overstekende voetgangster,

terzake van welk ongeval [slachtoffer] is overleden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 29 december 2008 te Leerdam als bestuurder van een auto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Koningin Emmalaan, een voetgangster, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of

die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht, althans ter zake van welke ongeval [slachtoffer] is overleden.

Parketnummer: 11/800153-09

Vonnis d.d. 15 oktober 2009