Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BK0078

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
11-800027-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft geen voorrang verleend op Arkelsedijk te Gorinchem. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken van een extra omstandigheid die wijst op ander verwijtbaar verkeersgedrag van verdachte dan de enkele verkeersfout. Nu de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet kan afleiden dat er sprake is geweest van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zal zij verdachte vrijspreken van het primaire feit. Nietigheid van dagvaarding subsidiaire feit. Promis.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 5
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/102

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/800027-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1971,

wonende [adres en woonplaats].

Raadsman mr. P.F.W.A. van Dam, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 september 2009, waarbij de officier van justitie mr. M.H.A. Paapen, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Een nabestaande van het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: met zijn motorrijtuig met aanhanger roekeloos of zeer onvoorzichtig rijdend een ongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander is omgekomen;

subsidiair: met zijn motorrijtuig met aanhanger rijdend op de Arkelsedijk de kruising is genaderd met een gelet op de situatie en de op hem rustende voorrangsplicht te hoge snelheid en tegen een fietser is aangereden, waardoor deze is overleden;

meer subsidiair: geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersbord, inhoudende het gebod tot het verlenen van voorrang.

De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor waar aan welke eisen de tenlastelegging moet voldoen. Het moet gaan om een opgave van het feit, met vermelding van tijd en plaats waar het zou zijn begaan. Ook de omstandigheden waaronder het feit begaan zou zijn moeten worden vermeld. Kort gezegd houden deze eisen in dat de tenlastelegging duidelijk moet zijn, niet innerlijk tegenstrijdig mag zijn en voldoende feitelijk moet zijn. Daarnaast moet de tenlastelegging naar een bepaalde delictsomschrijving verwijzen.

Bij de beoordeling van de dagvaarding op de geldigheid komt de rechtbank tot de conclusie dat niet aan alle eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.

De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie, gezien de gebruikelijke opbouw van de tenlastelegging en de verwijzing naar de wettelijke voorschriften, aan verdachte primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, subsidiair overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en meer subsidiair overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ten laste heeft willen leggen.

Anders dan aan de hand van de voornoemde opbouw van de tenlastelegging en de verwijzing naar artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is het subsidiaire feit naar het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk. Uit de tekst van dit feit blijkt immers alleen onder welke omstandigheden verdachte op 8 september 2008 op de Arkelsedijk te Gorinchem heeft gereden en niet welk verwijt dit oplevert. Dat verdachte zich daarbij, in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt en/of kan worden veroorzaakt, of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd en/of kan worden gehinderd, zoals de officier van justitie het kennelijk bedoeld heeft, ontbreekt in de kern van het tenlastegelegde.

Met het ontbreken van dit essentiële bestanddeel van de delictsomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank niet meer duidelijk welk feit subsidiair aan verdachte verweten wordt. Het enkel opnemen van de omstandigheden is onvoldoende, nu deze zelfde omstandigheden ook kunnen vallen onder het bereik van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en niet specifiek zijn toe te schrijven aan artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank is van oordeel dat, met het ontbreken van dit bestanddeel, ten aanzien van het subsidiaire feit geen sprake meer is van opgave van het feit in de zin van artikel 261 van het wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal de dagvaarding daarom voor het subsidiaire feit nietig verklaren.

De dagvaarding voldoet voor het overige wel aan de wettelijke eisen en is geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen. Dat verdachte zonder goed te kijken de kruising is opgereden en niet is gestopt terwijl dat hij dat wel had moeten doen, betekent volgens haar dat verdachte zeer onoplettend heeft gehandeld. Deze onoplettendheid is naar de mening van de officier van justitie zodanig dat zij gekwalificeerd kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie acht daarbij van belang dat verdachte is doorgereden zonder te stoppen, terwijl hij ruim voldoende zicht had in zijn cabine en ter plaatse zeer bekend was met de verkeerssituatie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft,

met verwijzing naar de vaste jurisprudentie op dit gebied, daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft een fout begaan door geen voorrang te verlenen aan de op de voorrangsweg rijdende fietser, maar het enkele begaan van deze verkeersovertreding is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het primaire feit te komen. Er zijn naar de mening van de verdediging geen bijkomende omstandigheden uit het dossier gebleken die tot een andere conclusie kunnen leiden.

De verdediging heeft ook vrijspraak bepleit voor het subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat snelheid niet van invloed is geweest op het ongeval en dat het bord B6 RVV 1990 en/of de haaientanden niet met zich brengen dat er een verplichting is tot stoppen. Daarnaast staat het naar de mening van de verdediging niet vast dat de fietser daadwerkelijk van links kwam. Ten slotte geldt volgens de verdediging ook ten aanzien van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 dat het enkel maken van een verkeersfout niet voldoende is om te kunnen spreken van gevaar of hinder in de zin van dat artikel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van primaire feit

Het staat vast dat verdachte op 8 september 2008 op de Arkelsedijk te Gorinchem geen voorrang heeft verleend aan een op een voorrangsweg rijdende fietser. In die zin is het ongeval dat daardoor heeft plaatsgevonden in het dagelijkse spraakgebruik de “schuld” van verdachte. In het recht wordt aan de term ‘ schuld’ echter een andere betekenis gegeven en daaraan worden zwaardere eisen gesteld. In artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bevat de schuld de grove of aanmerkelijke onachtzaamheid, onvoorzichtigheid of nalatigheid. Voor een bewezenverklaring daarvan is meer nodig dan het verwaarlozen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normale oplettende bestuurder mag worden verwacht.

De Hoge Raad heeft in 2004 (NJ2005, 252) een arrest gewezen waarin is overwogen dat in het algemeen niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van dit artikel. Met andere woorden, hoe erg het gevolg ook is, dat er een persoon is overleden, dit maakt niet dat er juridisch gezien automatisch sprake is van schuld. Deze schuld moet worden gevormd door alle omstandigheden waaronder het ongeval plaats vond.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank ten aanzien van de omstandigheden het volgende gebleken.

Verdachte reed op 8 september 2008 met zijn motorrijtuig met beperkte snelheid (inclusief oplegger) over de Arkelsedijk te Gorinchem richting de T-kruising met de Stoep van Ceelen. De Stoep van Ceelen is een voorrangsweg, waar een fietser op reed.

Aan verdachte werd op de Arkelsedijk door middel van een voorrangsbord (Bord B6) en haaientanden op de weg kenbaar gemaakt dat hij een voorrangsweg naderde. Verdachte was ook bekend met deze situatie omdat hij hier voor zijn werk meerdere keren per dag met zijn wagen met oplegger reed.

Verdachte is ongeveer 20 meter voor de kruising gestopt om voor de eerste keer te kijken of hij met zijn voertuig rechtsaf kon slaan. Verdachte is daarna opgetrokken en richting de kruising gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij hierbij maximaal 7 à 10 kilometer reed.

Verdachte heeft vervolgens weer links en rechts gekeken of het kruispunt vrij was en hij is de kruising opgereden om rechtsaf te slaan. Toen verdachte met de neus van zijn trekker het kruisingsvlak opreed zag hij plotseling een fietser voor zijn cabine. Verdachte heeft daarop volop geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht. Verdachte kon echter niet meer voorkomen dat de fietser werd geraakt. Verdachte heeft er geen verklaring voor waarom hij de fietser niet eerder heeft gezien. Het uitzicht vanaf de plek van verdachte op de kruising was volledig vrij en er zijn geen zichtbeperkende obstakels op de kruising waargenomen. Uit een rijproef met het voertuig van verdachte en aangetroffen sporen op het wegdek is het aannemelijk geworden dat snelheid niet van invloed is geweest op het ongeval.

Uit de aangetroffen sporen op het wegdek is het wel aannemelijk geworden dat het voertuig van verdachte niet heeft stilgestaan voor het kruispunt, wat er op zou duiden dat verdachte waarschijnlijk in één beweging en zonder stil te staan het kruispunt is opgereden.

Verdachte heeft dit ook niet ontkend. Hij is, naar eigen zeggen, na de stilstand 20 meter voor de kruising weer zachtjes opgetrokken, en na gekeken te hebben of het kruispunt vrij was, als ware het kruispunt opgerold.

De rechtbank komt aan de hand van het bovenstaande tot de conclusie dat verdachte door een verkeersfout een ongeval met zeer ernstige gevolgen heeft veroorzaakt. Verdachte heeft geen voorrang verleend, waar hij dit wel had moeten doen. Er is dus sprake geweest van onvoldoende oplettendheid aan de kant van verdachte.

De Hoge Raad heeft sinds het genoemde arrest uit 2004 haar overwegingen herhaald en toegespitst op soortgelijke zaken als de onderhavige (NJ 2008, 440, 441).

Hieruit valt af te leiden dat de ‘enkele omstandigheid’ dat verdachte de verkeersdeelnemer die hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel hij die wél had kunnen zien, onvoldoende is voor het bewijs van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid. Een falende waarneming alleen is dus onvoldoende voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er moet meer bij komen. Het niet zien, waar dat wel had gemoeten, moet het gevolg zijn van ander verwijtbaar verkeersgedrag van verdachte (NJ 2008, 571). Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken van een extra omstandigheid die wijst op ander verwijtbaar verkeersgedrag van verdachte dan de enkele verkeersfout. De rechtbank gaat ervan uit dat de snelheid waarmee verdachte reed niet van invloed is geweest op het ongeval. Dat verdachte in een doorgaande beweging de kruising is opgereden doet hieraan niet af. Deze manoeuvre is immers terug te voeren op het feit dat verdachte de fietser niet heeft gezien. Tenslotte zijn er ook onvoldoende aanwijzingen te vinden dat de verklaring van verdachte ten aanzien van het links en rechts kijken, niet juist zou zijn.

Nu de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet kan afleiden dat er sprake is geweest van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zal zij verdachte vrijspreken van het primaire feit.

Gelet op de partiële nietigheid van de dagvaarding komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van het subsidiaire feit.

Ten aanzien van het meer subsidiaire feit

De rechtbank acht het meer subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 29 september 2009;

- het proces-verbaal ongevalsanalyse1.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

meer subsidiair

op 08 september 2008 te Gorinchem als bestuurder van een motorrijtuig met beperkte snelheid, inclusief oplegger, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Arkelsedijk, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Stoep van Ceelen, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op die kruisende weg rijdende fiets niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, waarbij letsel aan een persoon is ontstaan ten gevolge waarvan deze is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

meer subsidiair

OVERTREDING VAN ARTIKEL 62 JO BORD B6 REGLEMENT VERKEERSREGELS EN VERKEERSTEKENS 1990.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primaire en subsidiaire feit. De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het ongeval heeft ook op verdachte een enorme impact gehad. Verdachte heeft voor zijn werk zijn rijbewijs nodig en zal met een (deels) onvoorwaardelijke rijontzegging zijn baan verliezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft rijdende op de Arkelsedijk te Gorinchem bij het rechts afslaan naar de Stoep van Ceelen geen voorrang verleend aan een op de voorrangsweg rijdende fietser. Hierdoor is een botsing ontstaan met deze fietser. Deze fietser is dezelfde dag aan zijn verwondingen overleden in het ziekenhuis.

De gevolgen van dit handelen van verdachte zijn verschrikkelijk. De nabestaanden moeten verder leven met het verdriet om het verlies van hun echtgenoot en vader. Het is begrijpelijk dat zijn overlijden een niet op te vullen leegte heeft achtergelaten. Verdachte zal evenwel ook moeten leven met de gevolgen van dit noodlottige ongeval en de wetenschap dat door zijn toedoen een man is overleden.

De rechtbank ziet zich in dergelijke zaken voor de moeilijke taak het recht juist toe te passen en een daarbij behorende straf op te leggen, zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden.

Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het primair ten laste gelegde feit en zij de dagvaarding gedeeltelijk nietig zal verklaren voor het subsidiaire feit, komt zij slechts toe aan een bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit.

Dit betreft een overtreding, waar volgens vaste richtlijnen een geldboete voor wordt opgelegd. De rechtbank zal verdachte daarom conform deze richtlijnen veroordelen tot een geldboete van € 150,00.

Omdat verdachte zich voor zijn werk nog dagelijks in het verkeer bevindt, acht de rechtbank ook de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden noodzakelijk. Omdat verdachte voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs, ziet de rechtbank voldoende reden deze ontzegging voorwaardelijk op te leggen. Deze straf dient als waarschuwing aan verdachte en om hem meer bewust te maken van de verantwoordelijkheid die hij te allen tijde als verkeersdeelnemer heeft, vooral wanneer hij met zijn wagen met aanhanger door de bebouwde kom rijdt.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op het subsidiaire feit;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van EUR 150,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van drie (3) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. drs. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 oktober 2009.

Mr. drs. T.F. van der Lugt is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 08 september 2008 te Gorinchem als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (met aanhangwagen), daarmede

rijdende over de weg, de Arkelsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te

rijden,

immers heeft verdachte, rijdende op de Arkelsedijk, -terwijl op de Arkelsedijk

voor de (overzichtelijke) kruising met de Stoep van Ceelen bord B6 van bijlage

I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en er

direct voor de kruising op het wegdek haaientanden waren aangebracht- een op

de voorrangsweg, de Stoep van Ceelen, rijdende fietser, die de kruising met de

Arkelsedijk (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan,

en/of

heeft hij toen en aldaar gezien vanuit zijn zitplaats in het door hem

bestuurde motorrijtuig met aanhangwagen een ruim zicht naar voren en/of naar

op zij en/of naar achteren gehad, immers de cabine van het motorrijtuig was

zodanig opgebouwd dat deze rondom voornoemde zitplaats (volledig) was voorzien

van een of meer (grote) ruit(en),

en/of

heeft hij toen en aldaar dat kruispunt genaderd met een gelet op de situatie

en de op hem verdachte rustende voorrangsplicht te hoge snelheid en aldus

rijdend genoemd van links komende, op een voorrangsweg rijdende fietser, niet

opgemerkt en voornoemd kruispunt is opgereden teneinde rechtsaf de Stoep van

Ceelen op te rijden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan de van links

komende fietser, zulks op een zodanig moment dat een aanrijding met de fietser

onvermijdelijk was

en/of

heeft hij toen en aldaar niet, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of

is hij toen aldaar niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans onvoldoende

uitgeweken, terwijl een op de voorrangsweg, de Stoep van Ceelen, rijdende

fietser de kruising met de Arkelsedijk (dicht) genaderd was,

en/of

heeft hij niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik op het

verkeer en/of de weg gehouden

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietser is

aangereden en/of gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffe]) is overleden;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 september 2008 te Gorinchem als bestuurder van een

motorrijtuig (motorrijtuig met beperkte snelheid, inclusief oplegger), daarmee

rijdende op de weg, de Arkelsedijk,

immers heeft verdachte, rijdende op de Arkelsedijk, -terwijl op de Arkelsedijk

voor de (overzichtelijke) kruising met de Stoep van Ceelen bord B6 van bijlage

I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst en er

direct voor de kruising op het wegdek haaientanden waren aangebracht- een op

de voorrangsweg, de Stoep van Ceelen, rijdende fietser, die de kruising met de

Arkelsedijk (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan,

en/of

heeft hij toen en aldaar gezien vanuit zijn zitplaats in het door hem

bestuurde motorrijtuig met aanhangwagen een ruim zicht naar voren en/of naar

op zij en/of naar achteren gehad, immers de cabine van het motorrijtuig was

zodanig opgebouwd dat deze rondom voornoemde zitplaats (volledig) was voorzien

van een of meer (grote) ruit(en),

en/of

heeft hij toen en aldaar dat kruispunt genaderd met een gelet op de situatie

en de op hem verdachte rustende voorrangsplicht te hoge snelheid en aldus

rijdend genoemd van links komende, op een voorrangsweg rijdende fietser, niet

opgemerkt en voornoemd kruispunt is opgereden teneinde rechtsaf de Stoep van

Ceelen op te rijden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan de van links

komende fietser, zulks op een zodanig moment dat een aanrijding met de fietser

onvermijdelijk was

en/of

heeft hij toen en aldaar niet, althans onvoldoende snelheid verminderd en/of

is hij toen aldaar niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans onvoldoende

uitgeweken, terwijl een op de voorrangsweg, de Stoep van Ceelen, rijdende

fietser de kruising met de Arkelsedijk (dicht) genaderd was,

en/of

heeft hij niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik op het

verkeer en/of de weg gehouden

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietser is

aangereden en/of gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) is overleden

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd,

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 september 2008 te Gorinchem als bestuurder van een

motorrijtuig (met beperkte snelheid, inclusief oplegger), op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Arkelsedijk, ter plaatse waar voor een

kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Stoep van

Ceelen, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan

bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat

verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op

die kruisende weg rijdende fietser niet in staat heeft gesteld ongehinderd

zijn weg te vervolgen, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan

goederen is toegebracht;

1 Het proces-verbaal ongevalsanalyse met bijlagen, d.d. 26 oktober 2008, opgenomen in het eind proces-verbaal PL1820/08-098957 van de politie Zuid-Holland-Zuid, in de wettelijke vorm opgemaakt en ongenummerd.