Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ9878

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
226071 CV EXPL 08-8918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie of last ter incasso is hier niet relevant.

Verkeerde partij gedagvaard. Er is geen rechtsplicht om alle weren voorafgaand aan een procedure al kenbaar te maken.

Geen rechtsverwerking door enkel stilzitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 226071 CV EXPL 08-8918

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 1 oktober 2009

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigde mr. L.E.M. Charlier;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IHC Merwede Holding B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Sliedrecht,

gedaagde,

gemachtigde mr. M. Timpert-de Vries.

Partijen worden hierna aangeduid als SVB respectievelijk IHC Holding.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 9 december 2008;

2. de conclusie van antwoord;

3. de conclusie van repliek;

4. de conclusie van dupliek;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

Op 11 januari 2007 is bij [de heer X] (hierna: [de heer X]) door een longarts de diagnose maligne mesothelioom vastgesteld. Op 18 januari 2007 is namens [de heer X] door Stichting Instituut Asbestslachtoffers een brief gestuurd met als onderwerp aansprakelijkstelling wegens blootstelling van [de heer X], als werknemer, aan asbest. De brief is beantwoord door Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. (hierna: Allianz). Allianz deelt in haar brief, kort samengevat, mee:

-dat zij optreedt namens haar verzekerde IHC Holland B.V.;

-dat volgens de aansprakelijkstelling [de heer X] blootgesteld zou zijn aan asbest in de jaren 1957-1962;

-dat daarom de verjaringstermijn van 30 jaar in beginsel is verstreken en

-dat eerst nog getoetst moet worden aan de jurisprudentie van de Hoge Raad om te bezien of het beroep op deze verjaringstermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Allianz heeft in haar brief van 8 mei 2007 aan Stichting Instituut Asbestslachtoffers

medegedeeld dat zij haar beroep op verjaring van de vordering handhaaft.

[de heer X] is overleden op 25 november 2007.

De vordering

SVB vordert, na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I: te verklaren voor recht dat IHC Holding aansprakelijk is voor de door erven [de heer X]

(SVB) geleden en nog te lijden schade ex art. 6:106 en 6:107 8W, zowel materieel als immaterieel; voorts dat IHC Holding aansprakelijk is voor de door de erven [de heer X] geleden schade ex art. 6:108 8W;

en voorts

II: IHC Holding te veroordelen tot betaling aan SVB van:

1. een voorschot onder algemene titel groot € 54.133,00;

2. de door [de heer X] en zijn erven geleden en nog te lijden schade, zowel materieel

als immaterieel, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. de wettelijke rente over voornoemde schade vanaf de datum der diagnose, te

weten 16 januari 2007, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. de kosten van dit geding. IHC Holding dient als de in het ongelijk te stellen partij ex

artikel 237 Rv. in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorts zal IHC Holding de

wettelijke rente over de proceskosten dienen te voldoen indien zij deze kosten

niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis zal hebben voldaan. Die

wettelijke rente dient te worden voldaan vanaf 14 dagen na dagtekening van het

vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

SVB stelt, voor zover thans van belang, het volgende.

aansprakelijkheid

SVB stelt dat IHC Holding aansprakelijk is voor de door [de heer X] geleden schade die het gevolg is van het blootstellen van [de heer X] aan asbest toen hij werknemer was van (een rechtsvoorganger van) IHC Holding.

cessie ter incasso

SVB stelt dat zij krachtens een door de erven van [de heer X] ondertekende schriftelijke cessie ter incasso gerechtigd is om onderhavige procedure te voeren.

de juiste rechtspersoon in rechte betrokken?

SVB erkent in repliek dat gedaagde IHC Holding niet de rechtsopvolger is van de onderneming bij wie [de heer X] werkzaam was toen hij aan asbest werd blootgesteld. Toch is volgens SVB IHC Holding aansprakelijk te houden, op grond van het volgende:

-[de heer X] is blootgesteld aan asbest toen hij werknemer was van een bedrijf genaamd “J&K Smits’s Machinefabrieken N.V.”

-gegevens over J&K Smits’s Machinefabrieken N.V. zijn nu niet meer te vinden in het Handelsregister. Het Handelsregister voldoet dus niet.

-Volgens [de heer X] en volgens getuigen is IHC Holland B.V. de rechtsopvolger van J&K Smits’s Machinefabrieken N.V.,

-immers is J&K Smits’s Machinefabrieken N.V. op 1 januari 1973 geïntegreerd in IHC Holland BV.

-IHC Holding is de moedermaatschappij (enig aandeelhouder en bestuurder) van IHC Holland B.V.

-noch IHC Holding noch Allianz heeft bij leven van [de heer X] het verweer gevoerd dat de verkeerde partij werd aangesproken. Ook toen [de heer X] was overleden maar de procedure nog niet aanhangig was gemaakt is dit verweer niet gevoerd.

-IHC Holding is voorafgaand aan deze procedure expliciet verzocht om aan te geven of zij de juiste wederpartij is, maar IHC Holding heeft niet geantwoord. Daardoor is SVB op het verkeerde been gezet.

-als SVB een nieuwe gerechtelijke procedure zou moeten aanvangen dan vervalt, nu [de heer X] inmiddels is overleden, de vordering tot vergoeding van smartengeld ex art. 6:106 BW. Een dergelijke vordering moet bij leven tegen de juiste persoon worden aangezegd, bij gebreke waarvan de vordering niet onder algemene titel overgaat op de erfgenamen.

-IHC Holding heeft haar recht verwerkt om aan te voeren dat zij niet de juiste wederpartij is.

-IHC Holding is, mede gelet op het voorgaande, als moedermaatschappij verantwoordelijk te houden voor het handelen van haar dochterondernemingen.

Het verweer

IHC Holding voert het volgende aan:

-SVB is niet gerechtigd om onderhavige procedure te voeren. Uit de “akte van cessie” blijkt niet dat de vordering is overgegaan in het vermogen van SVB, zodat van cessie geen sprake is.

-SVB heeft niet de juiste wederpartij gedaagd: IHC Holding is niet de (rechtsopvolger van de) gestelde werkgever van [de heer X].

-De vordering is verjaard nu de verjaringstermijn van 30 jaar is overschreden (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 Van Hese/ De Schelde).

-Betwist wordt dat sprake is van schade die is geleden in de uitoefening van werkzaamheden.

-Betwist wordt dat een zorgplicht is geschonden.

-De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure moet worden afgewezen:

SVB maakt niet aannemelijk dat sprake is van schade of ander nadeel en de gevorderde verklaring voor recht is te onduidelijk, althans is een zodanige verklaring slechts mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden, die zich hier niet voordoen.

-IHC Holding betwist de omvang van de gestelde schade en van verschuldigdheid van wettelijke rente vanaf 16 januari 2007.

Beoordeling van het geschil

Het verweer als zou SVB niet gerechtigd zijn om onderhavige procedure te voeren faalt. Met de gebezigde term “cessie ter incasso” kan ofwel bedoeld zijn een vordering die door erven [de heer X] is overgedragen aan SVB (cessie), ofwel een last aan SVB om de vordering op eigen naam te incasseren (lastgeving ter incasso). Om welke van de twee rechtsfiguren het gaat is een kwestie van uitleg, maar hier irrelevant. In beide gevallen is immers SVB gerechtigd om onderhavige procedure te voeren. Dat IHC Holding enig rechtens te respecteren belang heeft bij het voeren van het verweer, bijvoorbeeld omdat IHC Holding jegens SVB wel een vordering kan verrekenen maar jegens erven [de heer X] niet, valt uit het verweer van IHC Holding niet af te leiden.

Het verweer dat de verkeerde wederpartij is gedaagd slaagt. Het is (uiteindelijk) ook het eigen standpunt van SVB dat niet gedaagde IHC Holding, maar dochteronderneming IHC Holland B.V. de rechtsopvolger is van het bedrijf waar [de heer X] als werknemer bloot zou zijn gesteld aan asbest. Op IHC Holding rust geen rechtsplicht om al haar weren kenbaar te maken reeds voordat de procedure aanhangig is gemaakt. Het nalaten van IHC Holding om dit verweer te voeren voordat de procedure aanhangig was levert geen rechtsverwerking op. Daarvoor is meer nodig dan stilzitten van IHC Holding. Er bestaat geen grond om te oordelen dat IHC Holding aansprakelijk is te houden voor eventuele schade die door haar dochteronderneming is veroorzaakt. Daarbij zij aangetekend dat Allianz al in haar brief van 12 februari 2007, waarop SVB zich beroept, schreef dat zij optrad namens dochtermaatschappij IHC Holland B.V. Dan ligt niet zonder meer voor de hand dat SVB besluit om de moedermaatschappij IHC Holding in rechte te betrekken. Overigens beroept SVB zich op getuigen die eveneens verklaren dat het IHC Holland B.V. is die de rechtsopvolger van de toenmalige werkgever van [de heer X] is. Voor zover het Handelsregister onvolledig is kan dat niet aan IHC Holding worden toegerekend, althans valt uit de stellingen van SVB niet af te leiden dat die onvolledigheid aan IHC Holding is toe te rekenen.

De vordering wordt afgewezen. SVB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in een vergoeding van de door IHC Holding gemaakte proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt SVB, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van IHC Holding bepaald op € 1.200 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en anders te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

1 oktober 2009, in aanwezigheid van de griffier.