Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ8362

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/67
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissend voor de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn bezwaar is het antwoord op de vraag of aannemelijk is gemaakt dat het bezwaarschrift voor afloop van de bezwaartermijn ter post is aangeboden. De rechtbank stelt voorop dat zij bij het vaststellen van het tijdstip van terpostbezorging uitgaat van de door de TNT aangebrachte poststempel. De enveloppe waarin het bezwaarschrift is toegezonden is bij verweerder niet bewaard gebleven. De rechtbank is van oordeel dat het zoek raken van de enveloppe, met daarop de als bewijs dienende poststempel, een omstandigheid is die niet aan eiser kan worden toegerekend en voor rekening van verweerder dient te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/67

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser] wonende te [woonplaats] eiser,

tegen

Belastingdienst / Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 11 april 2008 de aan eiser toekende huurtoeslag over het jaar 2006 op nihil gesteld.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 mei 2008, binnengekomen op 27 mei 2008, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 januari 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat tot versnelde behandeling van het beroep wordt overgegaan.

De zaak is op 17 april 2009 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 1 van de Grondwet (hierna: GW) worden allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, voor zover thans van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Awir worden onder inkomensafhankelijke regelingen verstaan bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Awir wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid en onder a, van de Awir, zoals dat artikellid destijds luidde, is het toetsingsinkomen, indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is of wordt opgenomen of zoals dat bij beschikking is of wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 12 van de Awir blijft voor de toepassing van dit hoofdstuk titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing en zijn artikel 3:40 en de hoofdstukken 4, 6 en 7 van die wet niet van toepassing op de verrekeningsbeschikking als bedoeld in artikel 30, en de aanmaning en het dwangbevel als bedoeld in artikel 32.

2.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de nihilstelling van de aan eiser toegekende huurtoeslag over 2006 gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op grond van de bepalingen van de Awir terecht is geconcludeerd dat het voor de vaststelling van de huurtoeslag - anders dan eiser wil - niet relevant is in welke periode van het jaar het inkomen is genoten. Voorts stelt verweerder dat eisers beroep op het in artikel 1 van de GW neergelegde gelijkheidsbeginsel niet opgaat, omdat in artikel 12 van de Awir expliciet staat vermeld dat de wettelijke regeling met betrekking tot subsidies niet van toepassing is op inkomensafhankelijke regelingen. Volgens verweerder is dan ook geen sprake van een gelijke situatie.

2.3. Eiser kan zich met het besluit van verweerder niet verenigen en heeft aangevoerd dat verweerder wetsartikelen boven de GW plaatst, maar dat de GW boven alle wetten staat en dat artikel 12 van de Awir dan ook niet van toepassing is op zijn bezwaarschrift. Voorts stelt eiser dat oud-minister Herfkens ten onrechte een tegemoetkoming voor woonlasten heeft ontvangen, maar deze niet hoefde terug te betalen. Volgens eiser zou het niet terecht en in strijd met artikel 1 van de GW zijn wanneer hij dan wel ten onrechte uitgekeerde toeslagen moet terug betalen.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

Vaststaat dat het primaire besluit van 11 april 2008 op dezelfde dag aan eiser is verzonden, althans dit is door eiser niet betwist, zodat de bezwaartermijn liep van 12 april 2008 tot en met 23 mei 2008. Pas op 27 mei 2008 is een op 23 mei 2008 gedateerd bezwaarschrift door verweerder ontvangen.

Als weersproken staat vast dat het bezwaarschrift ter post is verzonden. Beslissend voor de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn bezwaar is het antwoord op de vraag of aannemelijk is gemaakt dat het bezwaarschrift voor afloop van de bezwaartermijn ter post is aangeboden. De rechtbank stelt voorop dat zij bij het vaststellen van het tijdstip van terpostbezorging uitgaat van de door de TNT aangebrachte poststempel.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de enveloppe waarin het bezwaarschrift is toegezonden bij verweerder niet bewaard is gebleven. De rechtbank is van oordeel dat het zoek raken van de enveloppe, met daarop de als bewijs dienende poststempel, een omstandigheid is die niet aan eiser kan worden toegerekend en voor rekening van verweerder dient te blijven. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder eiser terecht heeft ontvangen in zijn bezwaar.

De rechtbank komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Door eiser wordt niet betwist dat zijn inkomen over 2006 € 20.034,- was en dat hij derhalve geen recht had op de aan hem bij wijze van bevoorschotting toegekende huurtoeslag. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij niet langer de stelling inneemt dat de Awir in strijd is met de Grondwet. De rechtbank ziet zich dan ook thans alleen voor de vraag gesteld of verweerder met het terug vorderen van de huurtoeslag in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

Overeenkomstig vaste jurisprudentie is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel wanneer er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden en er voor de ongelijke behandeling geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Daarbij moet het gaan om besluiten van hetzelfde bestuursorgaan of aan hetzelfde bestuursorgaan toe te rekenen besluiten op basis van dezelfde regeling.

Onweersproken staat vast dat de toelage aan oud-minister Herfkens is verstrekt door de Minister van Buitenlandse Zaken, een ander bestuursorgaan dan verweerder op grondslag van een andere regeling dan in het geschil aan de orde. Reeds hierom gaat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet op. De rechtbank kan dan ook de vraag of overigens de situaties vergelijkbaar zijn in het midden laten.

Gelet op het vorenstaande dient eisers beroep ongegrond te worden verklaard.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. M.A.C. Prins en

C.J. van der Wilt, leden, en door de voorzitter en mr. N.M. Zandbergen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,