Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ7683

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
77194 / HA ZA 08-2543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderneming heeft vorderingen stil verpand aan de bank. Onderneming gaat failliet. De bank deelt de verpanding mee en vordert betaling van een debiteur van de failliet. Die debiteur beroept zich op verrekening. De bank beroept zich daartegenover op een eerdere verrekening.

Vragen die aan de orde zijn: heeft de failliet een verrekeningsverklaring afgelegd (artikel 6:127 BW) en is artikel 6:130 BW van toepassing?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 37
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 127
Burgerlijk Wetboek Boek 6 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77194 / HA ZA 08-2543

Vonnis in verzet van 16 september 2009

in de zaak van

COOPERATIEVE RABOBANK AMERSTREEK U.A.,

gevestigd te Oosterhout,

oorspronkelijk eiseres,

advocaat mr. V.J. Groot,

tegen

[gedaagde],

wonende te Alblasserdam,

oorspronkelijk gedaagde,

advocaat mr. J.A. Visser.

Partijen zullen hierna de Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 oktober 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 10 december 2008

- de conclusie van antwoord in oppositie van de Rabobank

- de conclusie van repliek in oppositie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] monteert dak- en gevelsystemen.

2.2. Zwart Bouwelementen B.V. (verder: Zwart) is een aannemer op het gebied van gevel- en dakbeplating.

2.3. In april 2005 heeft Zwart de vorderingen op haar debiteuren (stil) verpand aan de Rabobank.

2.4. Tussen Zwart als aannemer, en [gedaagde] als onderaannemer zijn overeenkomsten gesloten met betrekking tot projecten in Dirksland en Leiderdorp.

2.5. [gedaagde] heeft in 2006 en 2007 diverse facturen gestuurd aan Zwart.

2.6. Zwart heeft diverse facturen gestuurd aan [gedaagde], onder meer:

3 oktober 2006 nr. (500)60668 betreft Dirksland € 270, 02

26 oktober 2006 nr. 60720 betreft Dirksland € 9.300, --

18 december 2006 nr. 60854 betreft Dirksland € 2.670, --

23 februari 2007 nr. 70094 betreft Leiderdorp € 3.920, --

-------------

€ 16.160,02

2.7. Op deze facturen staat als betalingstermijn 30 dagen na factuurdatum.

2.8. Op 25 september 2007 is Zwart failliet verklaard.

2.9. Bij brief van 27 september 2007 heeft de Lage Landen (onderdeel van de Rabobank Groep) aan [gedaagde] meegedeeld dat Zwart haar vorderingen aan de Rabobank heeft verpand. Zij heeft tegelijkertijd om betaling van de hierboven omschreven vier facturen verzocht.

2.10. Bij brief van 25 januari 2008 is [gedaagde] namens de curator gesommeerd tot betaling van het door de Lage Landen bedoelde bedrag van € 16.160, 02.

2.11. Bij het verstekvonnis van 13 augustus 2008 zijn de vorderingen van de Rabobank toegewezen behoudens de buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 918, 80.

3. De oorspronkelijke vordering

3.1. De Rabobank heeft gevorderd, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van:

- € 16.160, 02 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag te berekenen over iedere afzonderlijke factuur,

- € 904, -- aan buitengerechtelijke incassokosten,

- de proceskosten met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, en met de nakosten en wettelijke rente daarover.

De Rabobank heeft haar vordering gebaseerd op de volgende stellingen.

3.2. Zwart heeft diensten geleverd aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft de daarvoor door Zwart verzonden facturen 60668, 60720, 60854 en 70094 niet betaald. [gedaagde] is in verzuim.

3.3. De wettelijke handelsrente is verschuldigd met ingang van de 31e dag na de factuurdata. De buitengerechtelijke incassokosten zijn berekend conform Rapport Voorwerk II.

4. De vordering in oppositie

4.1. [gedaagde] vordert in het verzet dat hij zal worden ontheven van de tegen hem uitgesproken veroordeling, met veroordeling van de Rabobank in de kosten van het verzet.

[gedaagde] voert het volgende aan.

4.2. De betreffende facturen zijn betaald door middel van verrekening. [gedaagde] heeft die facturen zowel voor als na het faillissement verrekend met een vordering van [gedaagde] op Zwart van € 31.885, --. Na deze verrekening heeft [gedaagde] nog een vordering van

€ 15.724, 98 op Zwart. [gedaagde] heeft dit voorafgaand aan deze procedure aan de curator meegedeeld en herhaald bij brief van 21 juli 2008 aan de advocaat van de Rabo.

4.3. [gedaagde] is het bedrag van € 3.920, -- van factuur 70094 niet verschuldigd.

4.4. De redelijkheid en billijkheid verzet zich ertegen dat [gedaagde] nog enig bedrag aan de Rabobank moet betalen, nu [gedaagde] nog een aanzienlijk bedrag van Zwart te vorderen heeft en in geldnood verkeert. [gedaagde] schort, voor zover nodig, zijn verplichtingen jegens Zwart en de Rabobank op.

4.5. De Rabobank heeft [gedaagde] nodeloos op kosten gejaagd doordat zij haar vordering pas bij conclusie van antwoord in oppositie heeft onderbouwd. Daarom moet zij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beoordeling

Vordering Zwart van € 16.160, 02

5.1. De Rabobank stelt dat [gedaagde] € 16.160, 02 verschuldigd is geraakt aan Zwart. [gedaagde] betwist dat hij het daarin opgenomen bedrag van € 3.920, -- van factuur 70094 is verschuldigd. Dat verweer wordt verworpen vanwege het volgende.

5.2. De Rabobank stelt dat [gedaagde] dit bedrag is verschuldigd omdat [gedaagde], door een eigen fout, in tijdnood kwam en Zwart in overleg met [gedaagde] extra personeel heeft ingehuurd. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag aanvankelijk niet betwist, hij erkent dat de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd en hij beroept zich op verrekening van onder meer deze factuur met zijn eigen facturen. Gezien deze feiten had [gedaagde] zijn betwisting van de door de Rabo gestelde aansprakelijkheid voor de betreffende kosten nader moeten toelichten en onderbouwen. Die toelichting en onderbouwing ontbreekt. Het verweer wordt daarom gepasseerd.

5.3. Dit leidt ertoe dat vast staat dat [gedaagde] € 16.160, 02 aan Zwart verschuldigd is geraakt. [gedaagde] voert echter aan dat hij dit door middel van verrekening heeft betaald. Dat verweer zal vervolgens worden beoordeeld.

Betaald door [gedaagde]?

5.4. De Rabobank heeft een overzicht in het geding gebracht van vorderingen die Zwart en [gedaagde], volgens de Rabobank, op enig moment op elkaar hadden (productie 6 Rabobank). De standpunten van partijen ten aanzien van verrekening kunnen worden geïllustreerd aan de hand van dat overzicht. Daarom wordt dat overzicht hieronder schematisch weergegeven. Verderop in dit vonnis wordt, zover nodig, beoordeeld of het overzicht wel correct is.

Per partij staan de oudste facturen bovenaan.

Vorderingen van Zwart op [gedaagde]

a) Facturen Zwart m.b.t. Dirksland € 29.845, --

b) Facturen Zwart m.b.t. Dirksland en Leiderdorp* € 16.160, 02

---------------

Totaal € 46.005, 02

Vorderingen van [gedaagde] op Zwart

c) Facturen van [gedaagde] m.b.t. Dirksland € 29.845, --

d) Facturen [gedaagde] m.b.t. Leiderdorp € 9.010, --

e) Facturen [gedaagde] m.b.t. Leiderdorp € 2.040, --

----------------

Totaal € 40.895, --

* De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat met de omschrijving “meubelboulevard” in productie 6 wordt bedoeld het project Leiderdorp.

5.5. De Rabobank stelt dat Zwart in juni 2007 per bank aan [gedaagde]

€ 9.010, -- heeft betaald ter voldoening van de facturen d. Die, met bankafschriften onderbouwde, stelling is door [gedaagde] niet betwist. Die betaling staat daarmee vast. Na aftrek van die betaling resteerde een vordering van [gedaagde] van in totaal € 31.885, --.

5.6. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] houdt in dat hij die vordering van

€ 31. 885, -- (facturen c en e) voor en na het faillissement heeft verrekend met de vordering uit de dagvaarding groot € 16.160, 02 (facturen b). De Rabobank erkent dat Zwart

€ 31.885, -- verschuldigd is geraakt aan [gedaagde] en zij betwist niet dat [gedaagde] zich voor en na het faillissement op verrekening heeft beroepen. Dat [gedaagde] zich voor het faillissement heeft beroepen op verrekening staat dus als feit vast.

5.7. De Rabobank brengt daar echter tegenin dat er al eerder is verrekend. Volgens haar zijn toen de facturen a en c ter hoogte van € 29.845, -- verrekend. Na die verrekening en de, vaststaande, bankbetaling resteerde als vordering van Zwart (nu de Rabobank) een bedrag van € 16.160, 02 en als vordering van [gedaagde] een bedrag van € 2.040, --.

5.8. Als juist is wat de Rabobank stelt, was de vordering van [gedaagde] van € 31.885, -- al voor het grootste deel teniet gegaan toen [gedaagde] zich op verrekening beriep, terwijl Zwart toen een veel grotere vordering had. Verrekening door [gedaagde] kan dan dus (m.u.v. maximaal € 2.040, --) niet tot betaling van zijn resterende schuld hebben geleid.

5.9. [gedaagde] betwist die oudste verrekening. Dat verweer slaagt niet op basis van de volgende overwegingen.

5.10. Verrekening vindt plaats door een verklaring van de debiteur aan zijn crediteur dat hij zijn schuld met een vordering verrekent (artikel 6:127 BW). Aan de inhoud van een verrekeningsverklaring worden nagenoeg geen bijzondere eisen gesteld. Zo’n verklaring kan schriftelijk, maar ook mondeling worden afgelegd en zelfs uit gedragingen worden opgemaakt (artikel 3:37 BW).

5.11. [gedaagde] voert aan dat hem niets bekend is van de door de Rabobank gestelde verrekening. Hij bedoelt kennelijk dat de in artikel 6:127 BW bedoelde verklaring destijds niet door Zwart is afgelegd. Echter, partijen zijn het er over eens dat de overeenkomst met betrekking tot Dirksland inhield dat [gedaagde] bovenop de afgesproken aanneemsom meerwerk in rekening kon brengen en dat Zwart haar monteurs kon verrekenen. In die overeenkomst lag dus al besloten dat er verrekend zou kunnen gaan worden. Partijen zijn het er voorts over eens dat is afgesproken om aan het eind van het project Dirksland met elkaar te bespreken wàt er nog verrekend moest worden. Dat gesprek heeft alleen niet plaatsgevonden, omdat Zwart failliet ging.

5.12. Naar het oordeel van de rechtbank moet uit deze vaststaande feiten niet alleen worden afgeleid dat partijen hebben afgesproken of bevestigd dat zij verrekeningsbevoegd waren, maar ook dat zij destijds over en weer hebben verklaard dat zij hun vorderingen Dirksland ook daadwerkelijk gingen verrekenen. Het verweer dat Zwart geen verrekeningsverklaring heeft afgelegd slaagt daarom niet. Voor zover destijds onvoldoende duidelijk was welke vorderingen over en weer in de verrekening waren betrokken, geldt de volgorde van artikel 6: 43 lid 2 en 44 lid 1 (artikel 6: 137 BW). Uit het overzicht van de Rabobank blijkt dat volgens haar met de eerste verrekening de oudste vorderingen als eerste zijn verrekend. Dat is niet in strijd met de hier bedoelde bepalingen.

5.13. De conclusie is dat het beroep van de Rabobank op de eerdere verrekening wordt gehonoreerd.

5.14. Vervolgens is de vraag aan de orde of die verrekening wel het door de Rabobank gestelde resultaat heeft gehad en dus, met andere woorden, of het overzicht van haar productie 6 wel juist is.

Productie 6 correct?

5.15. [gedaagde] voert aan dat in dit overzicht niet alle facturen van [gedaagde] aan Zwart zijn opgenomen. Hij deelt echter niet mee welke facturen ontbreken, laat staan dat hij dit verweer onderbouwt met facturen. Daarom wordt het verworpen.

5.16. In zijn laatste conclusie voert [gedaagde] ook nog aan dat een aantal van de facturen van Zwart per bank is betaald, waarbij hij verwijst naar opmerkingen in zijn eigen productie 6. In die productie staat echter niet dat enige factuur van Zwart door [gedaagde] is betaald. Ook dit verweer slaagt dus niet.

5.17. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de in het overzicht opgenomen vorderingen. Na de oudste verrekening resteerde dus aan de zijde van Zwart een vordering van € 16.160, 02 en aan de zijde van [gedaagde] een vordering van € 2.040, --.

Verrekening € 2.040,--

5.18. Het beroep van [gedaagde] op de (latere) verrekening slaagt voor zover het zijn resterende vordering van € 2.040, -- betreft.

5.19. De Rabo brengt daar weliswaar tegenin dat deze verrekening afstuit op het bepaalde in artikel 6:130 BW, omdat deze vordering niet voor de verpanding is opgekomen of opeisbaar is geworden. Artikel 6:130 BW is in dit geval echter niet van toepassing. Dat artikel geldt pas vanaf het moment dat de verpanding is meegedeeld. In dit geval is de verpanding bij brief van 27 september 2007 aan [gedaagde] meegedeeld. Dat was na het faillissement. [gedaagde] heeft echter vóór het faillissement verrekend. De verrekende vorderingen bestonden dus al niet meer toen de verpanding werd meegedeeld.

5.20. Bovendien geldt dat ook als artikel 6:130 BW wel van toepassing zou zijn, aan de eisen van die bepaling is voldaan. Volgens die bepaling is [gedaagde] bevoegd een tegenvordering op Zwart tegen te werpen aan de Rabobank als de vorderingen over en weer uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Aan dat vereiste is voldaan, zoals [gedaagde] terecht stelt, nu de restant vorderingen van beide partijen mede betrekking hadden op Leiderdorp.

5.21. Het gevolg is dat het beroep van [gedaagde] op verrekening tot € 2.040, -- slaagt en dat de vordering van de Rabobank tot € 14.120, 02 kan worden toegewezen.

Rente, incassokosten en proceskosten

5.22. De wettelijke handels rente, die niet is betwist, is toewijsbaar als gevorderd.

5.23. De Rabobank heeft haar vordering betreffende de buitengerechtelijke incassokosten niet nader toegelicht. Daarom handhaaft de rechtbank de afwijzing van die vordering. Hetzelfde geldt voor de afgewezen nakosten.

5.24. De rechtbank ziet geen reden om de Rabobank in de proceskosten van [gedaagde] te veroordelen. De vordering van de Rabobank was bij inleidende dagvaarding voldoende gemotiveerd. De nadere onderbouwing werd pas noodzakelijk door het later aangevoerde (onderbouwde) verrekeningsverweer van [gedaagde].

5.25. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. De kosten van de verstekprocedure worden begroot op de in het verstekvonnis begrote kosten. De kosten van de verzetprocedure worden aan de zijde van de Rabobank begroot op:

- vast recht 0,0

- salaris advocaat 904 (2 punt × tarief EUR 452)

------

Totaal EUR 904

5.26. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. Het toewijsbare deel van de vorderingen van de Rabobank zal als volgt worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. vernietigt het door deze rechtbank op 13 augustus 2008 onder zaaknummer / rolnummer 76094 / HA ZA 08-2398 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

6.2. veroordeelt [gedaagde] om aan de Rabobank te betalen een bedrag van EUR 14.120,02 (veertienduizendéénhonderdtwintig euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover, als bedoeld in art. 6: 119a BW, telkens vanaf de vervaldata (30 dagen na factuurdata) van de facturen tot de voldoening,

6.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op EUR 918, 80 en in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op EUR 904,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis,

6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2009.?