Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ6334

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
11-510415-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft negen keer geschoten op de groep van zes mannen. Twee slachtoffers zijn door kogels getroffen in hun benen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510415-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1971,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de Amsterdam PPC, te Amsterdam (FOBA).

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 12 februari 2009 en 13 augustus 2009. Op 26 februari 2009 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in deze zaak. Als tussenbeslissing heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Tevens heeft de rechtbank bevolen dat verdachte ter observatie zou worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht. De rechtbank heeft inmiddels het rapport van het PBC ontvangen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde feit onder meer bewijsverweren gevoerd en vrijspraak bepleit en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit vanwege noodweer dan wel noodweerexces. Voorts heeft de verdediging een strafmaat verweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partijen

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], [adres].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van:

- € 263,95, ter zake van materiële schadevergoeding en

- € 1.000,-, ter zake van immateriële schadevergoeding,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Voorts heeft zich als benadeelde partij schriftelijk in het geding [benadeelde partij 2], [adres].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 1.925,-, ter zake van immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd ten aanzien van beide benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 03 november 2008 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en een of meerdere anderen van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en anderen heeft geschoten, waardoor die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] door een of meerdere kogel(s) in hun be(e)n(en) zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 03 november 2008 te Dordrecht een vuurwapen van categorie III, en munitie van categorie III, te weten meerdere kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat aan alle elementen van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan en dat verdachte bovendien heeft gehandeld in een hevige gemoedstoestand. Voorts heeft de raadsman betoogd er dat geen sprake was van culpa in causa. Verdachte was gaan zitten kijken, maar niet met de bedoeling het geweld te provoceren of aan te gaan. Hij droeg het wapen alleen bij zich uit een oogpunt van zelfverdediging. Hij heeft de gevaarlijke situatie niet zelf gecreëerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 41, eerste lid Sr, is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen verdachte of een ander, ofwel dat sprake is geweest van een "noodweersituatie". Voorts kan volgens vaste rechtspraak een beroep op noodweer onder omstandigheden ook slagen in het geval van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat:

- verdachte gewaarschuwd was dat er mogelijk iets zou gebeuren en hij zelf naar die plaats is toegegaan;

- verdachte zich ten tijde van het incident op straat bevond;

- verdachte eerst "hey hey" heeft geroepen naar de groep mannen (waaronder [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]) die aan de andere kant van de straat stonden;

- verdachte vervolgens op voornoemde groep mannen is afgerend en is gaan schieten op de groep;

- de mannen op wie verdachte schoot toen allen zijn weggerend.

Niet gezegd kan worden dat onder de bovenvermelde omstandigheden verdachte op het moment dat hij begon te schieten zich bevond in een situatie van (dreigend gevaar voor) wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. Er was immers geen sprake van een concrete dreigende actie in de richting van verdachte. Verdachte had niets te maken met de mogelijk dreigende situatie, maar is zich er wel vanuit zichzelf mee gaan bemoeien. Bovendien had verdachte de mogelijkheid om weg te lopen.

Gelet hierop wordt het beroep op noodweer verworpen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

POGING TOT DOODSLAG, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het beroep op noodweerexces

De verdediging heeft een beroep op noodweerexces gedaan met betrekking tot het onder 1. bewezenverklaarde.

Het is vaste jurisprudentie dat noodweerexces een noodweersituatie veronderstelt. Alvorens de grenzen van de noodzakelijke verdediging te overschrijden moet de dader zich binnen die begrenzing hebben bevonden. De rechtbank heeft onder 5 overwogen dat het beroep op noodweer van de verdediging niet slaagt wegens het ontbreken van een noodweersituatie of een onmiddellijke dreiging daartoe. Nu er geen sprake is van een (dreigende) noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces niet.

6.2 Rapport van de deskundigen

Psychiater J.M.J.F. Offermans en psycholoog J.M. Oudejans van het PBC hebben over verdachte een rapport uitgebracht op 6 augustus 2009. Uit dit rapport blijkt dat deze deskundigen van mening zijn dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, maar in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. De deskundigen concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundigen voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank volgt de conclusies van dr. B.A. Blansjaar, psychiater, en drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid niet. Deze conclusies zijn besproken in voornoemd tussenvonnis van de rechtbank. Hun conclusie dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar respectievelijk geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet door de feiten zoals die uit het dossier blijken en de persoon en persoonlijkheid en ziekte van verdachte zoals blijkt het onderzoek van henzelf, maar ook van het PBC, gedragen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 3 november 2008 heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Een aantal dagen daarvoor had een ruzie plaatsgevonden tussen [verdachte] - een vriend van verdachte - en ene [naam]. Op 3 november 2008 was [naam] met een paar vrienden op zoek naar [verdachte]. Op straat sprak de groep van [naam] een groep van drie mannen, onder wie [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1], aan met de vraag waar [verdachte] woonde.

Verdachte was op dat moment in dezelfde straat aanwezig en heeft geprobeerd [verdachte] te waarschuwen door te schreeuwen dat hij niet naar buiten moest komen. Kort daarop heeft verdachte negen keer geschoten op de groep van zes mannen. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn door kogels getroffen in hun benen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Hierdoor is de rechtsorde geschokt en is de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. De algemene ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven, naast het fysieke letsel, nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat ook de ooggetuigen nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden. Bij de schietpartij heeft verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden gehad en gebruikt, hetgeen gevaar heeft opgeleverd en tot aanvaardbare risico's voor de veiligheid van personen heeft geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur voor deze feiten passend en geboden.

Wat de persoon van de verdachte betreft heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het rapport hierboven onder 6.2 vermeld. De psycholoog en de psychiater hebben daarin onder meer onderstaand advies gegeven.

"Door het geringe verband tussen betrokkenes ziekelijke stoornis en het tenlastegelegde valt er geen uitspraak te doen over een recidivegevaar op basis van een stoornis. Wel kan nogmaals worden opgemerkt dat er nooit - niet bij het onderhavige tenlastegelegde, maar ook bij enkele eerdere gewelddadige feiten - een duidelijk verband heeft bestaan tussen betrokkenes gewelddadig handelen en de paranoïde psychotische belevingen, waar betrokkene wel duidelijk mee te kampen heeft. Een behandeling en begeleiding van betrokkene vanuit een strafrechterlijk kader om het recidivegevaar terug te dringen is dan ook niet geïndiceerd. Wel moge duidelijk zijn, dat betrokkene los van de onderhavige tenlastegelegde feiten een vanuit psychiatrisch oogpunt ernstig zieke man is, die gebaat is bij verdere hulp en zorg vanuit een GGZ-instelling, waarbij de behandeling al naargelang betrokkenes functioneren klinisch dan wel poliklinisch en eventueel gedwongen (binnen een civielrechtelijk kader) dan wel vrijwillig voortgezet zal dienen te worden. Van belang zal vooral zijn dat betrokkene medicatie blijft innemen en zich onthoudt van middelengebruik."

De rechtbank zal dit advies van de deskundigen volgen en mede ten grondslag leggen aan de uiteindelijke strafoplegging.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, noodzakelijk is.

Het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank heeft daarbij in het voordeel van verdachte mee laten meewegen dat verdachte vanaf zijn eerste verhoor bij de politie bekennende en consistente verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn aandeel in de schietpartij en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf laten meewegen de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het delict.

De rechtbank heeft een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd, omdat zij van oordeel is dat de psychische behandeling, in een vrijwillig of civielrechtelijk kader, van verdachte niet te laat moet starten, maar ook als flinke stok achter de deur om verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een bijzondere voorwaarde. Gezien verdachtes persoon zoals die uit de feiten en de rapportage naar voren komt heeft behandeling en begeleiding vanuit een strafrechtelijk kader weinig zin.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechtmatige eigenaren gevorderd.

7.3 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave aan de rechtmatige eigenaren gelasten van de onder hen inbeslaggenomen voorwerpen, omdat die naar het oordeel van de rechtbank niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder hen in beslag zijn genomen.

7.4 De vordering van de benadeelde patijen

De benadeelde partijen zijn ontvankelijk in de vorderingen, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partijen rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 4.1 bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toewijzen tot een bedrag van € 1.263,95

(€ 263,95 materiële schadevergoeding en € 1.000,- immateriële schadevergoeding), omdat de vordering voldoende onderbouwd en juist voorkomt.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- , ter zake immateriële schadevergoeding, omdat dat deel van de vordering voldoende onderbouwd en juist voorkomt. De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Naast toewijzing van deze civiele vorderingen zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoedingen telkens tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaren van de onder hen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* 1) 1 stk kleding kl: blauw;

* 2) 1 stk kleding kl: wit;

* 3) 1 stk kleding kl: blauw (schoen);

* 4) 1 stk kleding kl: zwart;

* 5) 1 stk kleding kl: blauw (spijkerbroek met zwarte riem);

* 6) 1 stk kleding kl: grijs (grijs met zwart shirt / gele boord);

* 7) 1 stk kleding kl: zwart (vest met ritssluiting);

* 8) 2 stk kleding kl; wit (1 paar witte Nike air sportschoenen);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van € 263,95 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van € 1.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], € 1.263,95 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van € 1.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], € 1.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter,

mr. M.A. Waals en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. D.L. Spierings griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 augustus 2009.

Mr. M.R.J. Schönfeld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 03 november 2008 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een of meerdere ander(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of ander(en) heeft geschoten, waardoor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]

door een of meerdere kogel(s) in hun be(e)n(en) zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 november 2008 te Dordrecht een (vuur)wapen van categorie III, en/of munitie van categorie III, te weten een of meerdere kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/510415-08

Vonnis d.d. 27 augustus 2009