Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ5245

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
227329 CP EXPL 09-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pacht

Beschikking Grondkamer uit 1971 met toestemming voor aangaan tijdelijke pachtovereenkomst gebaseerd op verzoek in verband met verbreding oever Noord, opgenomen in pachtovereenkomst. Staat beschouwt pachtovereenkomst voor bepaalde tijd als geeindigd, zich beroepend op beschikking. Staat wil thans getijdenstructuur in polder creeren. Pachtkamer oordeelt dat er wel sprake is van enig verband tussen beschikking grondkamer destijds en voorgenomen werkzaamheden nu: Staat mocht pachtovereenkomst als van rechtswege beeindigd beschouwen.

Reconventie: ontruiming percelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/39

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 227329 CP EXPL 09-1

vonnis van de pachtkamer te Dordrecht van 16 juli 2009

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. D.M.H.M. van Dijk

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, directie Domeinen),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde in conventie, tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. F. Sepmeijer.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser in conventie] respectievelijk de Staat.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 6 januari 2009;

2. de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie;

3. het tussenvonnis van 26 maart 2009 waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. de mondelinge behandeling van 12 juni 2009;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1. [eiser in conventie] als pachter en de Staat als verpachter hebben twee pachtovereenkomsten gesloten met betrekking tot een aantal percelen in Hendrik Ido Ambacht en Ridderkerk. De eerste overeenkomst is aangegaan voor de periode vanaf 1 maart 2007 tot en met 29 februari 2008, door de grondkamer goedgekeurd op 24 augustus 2007. De tweede overeenkomst is aangegaan voor de periode vanaf 1 februari 2007 tot en met 31 januari 2008, door de grondkamer goedgekeurd op 24 augustus 2007. Voorafgaand aan deze overeenkomsten hebben tussen (de rechtsvoorganger van) [eiser in conventie] en de Staat verschillende soortgelijke overeenkomsten bestaan.

De verpachte percelen zijn gelegen in de [naam] die gelegen is aan de rivier de Noord. [eiser in conventie] heeft de percelen op dit moment nog feitelijk in gebruik en deze percelen maken een substantieel deel uit van het bedrijf van [eiser in conventie].

1.2. In artikel 8 van beide overeenkomsten is opgenomen dat de pachtovereenkomsten gelden voor de overeengekomen tijd. Dit is een beding als bedoeld in artikel 62a Pachtwet (oud), thans artikel 7:385a BW. In de artikelen 8 wordt verwezen naar een beschikking van de grondkamer Zuid-West van 23 juli 1971. In deze beschikking is het volgende opgenomen:

“...dat de Grondkamer bij onderzoek is gebleken, dat de door verpachter aan de te verpachten objecten gegeven bestemming voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden van openbaar nut het opnemen in de overeenkomsten van de bedingen als bedoeld in artikel 62, onder a, b, c en d, van de Pachtwet, redelijkerwijs noodzakelijk kan maken.”

1.3. De reden dat de Staat in 1971 heeft verzocht om goedkeuring van het aangaan van overeenkomsten voor korte duur was gelegen in het feit dat de betreffende percelen betrokken waren bij de werken tot realisering van de ter plaatse ontworpen linkernormaallijn van de Noord. Deze linkernormaallijn is nooit gerealiseerd.

1.4. Bij brief van 25 september 2007 heeft de Staat aan [eiser in conventie] medegedeeld dat de verpachte gronden zullen worden overgedragen aan de Dienst Landelijk Gebied en dat de pachtovereenkomsten per 1 maart 2008 respectievelijk 1 februari 2008 niet meer worden verlengd. [eiser in conventie] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De door hem in 2008 overgemaakte pachtpenningen zijn door de staat teruggestort. Bij brief van

3 november 2008 heeft de Staat [eiser in conventie] gesommeerd het gebruik van het gepachte per 1 januari 2009 te staken en de percelen op te leveren.

1.5. De Staat is voornemens de verpachte percelen te bestemmen voor nieuwe getijden¬natuur. Hiertoe dienen oeverwerkzaamheden te worden uitgevoerd. Ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden dienen nog andere gronden te worden verworven.

2. De vordering in conventie

2.1. [eiser in conventie] vordert een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten pacht¬overeenkomsten reguliere pachtovereenkomsten zijn en dat de in artikel 2 van die overeen¬komsten overeengekomen duur eindigt op 31 januari 2013 respectievelijk 29 februari 2013. Tevens vordert [eiser in conventie] de proceskosten.

2.2. [eiser in conventie] stelt dat de pachtovereenkomsten dienen te worden gekwalificeerd als reguliere pachtovereenkomsten, zodat de hierin genoemde eenjarige termijnen geen rechtsgevolg hebben en de overeenkomsten een looptijd van zes jaren hebben. [eiser in conventie] voert hiervoor aan dat de Staat misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid het beding in artikel 8 van de overeenkomsten op te nemen en daaraan de conclusie te verbinden dat de overeengekomen termijn van een jaar daad¬werkelijk op 1 maart 2008 respectievelijk

1 februari 2008 is geëindigd. Voorts stelt [eiser in conventie] dat er geen enkel verband bestaat tussen de bestemming waarop de goedkeuring van de grond¬kamer betrekking heeft en de bestemming die de Staat thans wil realiseren.

3. Het verweer in conventie

3.1. De Staat betwist dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. [eiser in conventie] kende ten tijde van het aangaan van de overeenkomst de plannen van de Staat en heeft desalniettemin geen bezwaar gemaakt tegen het aangaan van de overeenkomst voor de duur van één jaar. Bovendien bestaat er wel enig verband tussen de beschikking van de grondkamer en de thans voorgenomen oeverwerkzaamheden. De overeenkomsten zijn dan ook van rechtswege geëindigd.

4. De voorwaardelijke eis in reconventie

4.1. Voor zover de vorderingen van [eiser in conventie] afgewezen worden, vordert de Staat

-samengevat- ontruiming van de thans nog bij [eiser in conventie] in gebruik zijnde percelen van de Staat. Tevens vordert de Staat een gebruiksvergoeding van € 436,- respectievelijk € 687,- per maand voor deze percelen over de periode van 1 maart 2008 respectievelijk 1 februari 2008 tot het moment dat de percelen zijn ontruimd.

Beoordeling van het geschil

In conventie

5. De in de artikelen 8 van de pachtovereenkomsten opgenomen bepaling is gebaseerd op de rechtsgeldige beschikking van de grondkamer van 23 juli 1971. Naar het oordeel van de pachtkamer is geen sprake van misbruik van bevoegdheid aan de kant van de Staat door het opnemen van deze bepaling in de overeenkomsten, aangezien niet gezegd kan worden dat er geen enkel verband bestaat tussen de bestemming op grond waarvan de grondkamer destijds de beschikking heeft gegeven en de bestemming die de Staat thans aan de gronden in geschil wil geven. Niet weersproken is immers dat de bestemming waarop de goedkeuring van de grondkamer van 1971 betrekking heeft, ziet op de verbreding van de linkeroever van de rivier de Noord en dat de Staat die bestemming thans wil realiseren tegen de achtergrond van de herstructurering van de [naam polder], in welk kader diverse werkzaamheden zullen worden verricht aan de linkeroever van de Noord. Het gaat thans om het creëren van een getijdenstructuur in de [naam polder] in verband waarmee de kade rond deze polder (deels) wordt verwijderd, waardoor de rivier weer ruimte krijgt, zoals de Staat onweersproken heeft gesteld. De pachtkamer leidt daaruit af dat het thans primair gaat om een creëren van een getijdenstructuur in de [naam polder], echter dat daarnaast het rivierbeheer mede een rol speelt.

6. Aangezien er sprake is van een verband tussen de werkzaamheden waarop de beschikking van de grondkamer in 1971 zag en de werkzaamheden die de Staat thans wenst uit te voeren, wordt geoordeeld dat de Staat gerechtigd was de artikelen 8 in de overeenkomsten op te nemen en dat zij de overeenkomsten per 1 maart 2008 respectievelijk 1 februari 2008 als van rechtswege beëindigd mocht beschouwen.

7. De vorderingen van [eiser in conventie] worden derhalve afgewezen en [eiser in conventie] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

In voorwaardelijke reconventie

8. Aangezien in conventie is geoordeeld dat de pachtovereenkomsten tussen [eiser in conventie] en de Staat van rechtswege zijn geëindigd per 1 maart 2008 respectievelijk 1 februari 2008, ligt de vordering in reconventie tot ontruiming voor toewijzing gereed. Gelet op het feit dat de Staat nog diverse andere percelen dient te verwerven alvorens zij kan overgaan tot uitvoering van zijn plannen en anderzijds het belang van [eiser in conventie] om over de percelen te kunnen beschikken tot het einde van het seizoen, wordt de gevorderde ontruimingstermijn naar redelijkheid en billijkheid bepaald op 1 december 2009.

9. [eiser in conventie] heeft niet betwist dat de gevorderde gebruiksvergoedingen voor de percelen is gerelateerd aan de in het verleden betaalde pachtprijs, zodat deze bedragen zullen worden toegewezen.

10. [eiser in conventie] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Aangezien de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie, zal aan gemachtigdensalaris een half punt worden toegekend.

Beslissing

De pachtkamer:

in conventie:

wijst de vorderingen van [eiser in conventie] af;

veroordeelt [eiser in conventie] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 400,00;

in reconventie:

veroordeelt [eiser in conventie] om voor 1 december 2009:

A - de nieuwe kade van de [naam polder] langs de [X] van de Noord, kadastraal bekend gemeente Hendrik Ido Ambacht, sectie [X], nummer [X] gedeeltelijk, groot ongeveer 3.75.00 ha (voor zover gelegen voor de percelen bouwland sectie [X], nummers [X], [X], [X], [X] en [X];

- de percelen kadastraal bekend gemeente Hendrik Ido Ambacht, sectie [X], nummers [X] en [X], beide gedeeltelijk, respectievelijk groot ongeveer 8.86.50 ha en 1.30.00 ha;

- de bermen van de in de [naam polder] gelegen harde weg, kadastraal bekend gemeente Hendrik Ido Ambacht, sectie [X], nummer [X], alsmede het onverhard gedeelte van genoemd perceel, samen groot ongeveer 1.00.00 ha;

- de oppervlakte bouw- en grasland gelegen nabij de Molendijk, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie [X], nummer [X] gedeeltelijk, groot ongeveer 0.40.00 ha;

- het perceel bouwland gelegen in de [naam polder] langs de linkeroever van de Noord, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie [X], nummer [X] gedeeltelijk, groot ongeveer 1.10.00 ha, alsmede het rivierwaarts van gemeld perceel gelegen dijkgedeelte van de polder met een gedeelte van de ter plaatse aanwezige veerdam, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie [X], nummer [X], [X] en [X], alle gedeeltelijk, groot ongeveer 1.04.00 ha;

een en ander omschreven in de als productie 8 aan de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie gehechte pachtovereenkomst met al die en wat zich daarop van de zijde van [eiser in conventie] mag bevinden te ontruimen en te verlaten en de hiervoor genoemde kade en percelen, na ontruiming en verlating, niet wederom zonder toestemming van de Staat te betreden en/of geheel en/of gedeeltelijk in gebruik te nemen, met machtiging van de Staat, om, indien en voor elke keer dat [eiser in conventie] in gebreke mocht blijven om aan voormelde veroordeling te voldoen, deze veroordeling op zijn kosten zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te realiseren;

B de twee percelen bouwland totaal groot ongeveer 19.09.80 ha, gelegen aan de [X] van de Noord en ten noorden van de Rijksweg [X] in de [naam polder], respectievelijk kadastraal bekend gemeente Hendrik Ido Ambacht sectie [X], nummers [X], [X], [X] (alle geheel) en behorende tot de gronden van de rivier de Noord, alsmede gemeente Ridderkerk sectie [X] nummer [X] gedeeltelijk en behorende tot de gronden van Rijksweg [X], een en ander omschreven in de als productie 9 aan de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie gehechte pachtovereenkomst met al die en wat zich daarop van de zijde van [eiser in conventie] mag bevinden te ontruimen en te verlaten en de hiervoor genoemde kade en percelen, na ontruiming en verlating, niet wederom zonder toestemming van de Staat te betreden en/of geheel en/of gedeeltelijk in gebruik te nemen, met machtiging van de Staat, om, indien en voor elke keer dat [eiser in conventie] in gebreke mocht blijven om aan voormelde veroordeling te voldoen, deze veroordeling op zijn kosten zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te realiseren;

veroordeelt [eiser in conventie] voorts tot betaling aan de Staat van een gebruiksvergoeding van € 436,- per maand ter zake van het gebruik van de hiervoor onder A bedoelde kade en percelen en verschuldigd over de periode gelegen tussen 1 maart 2008 en de feitelijke ontruiming hiervan, een en ander gerelateerd aan de duur van het feitelijke gebruik;

veroordeelt [eiser in conventie] voorts tot betaling aan de Staat van een gebruiksvergoeding van € 687,- per maand ter zake van het gebruik van de hiervoor onder B bedoelde percelen en verschuldigd over de periode gelegen tussen 1 februari 2008 en de feitelijke ontruiming hiervan, een en ander gerelateerd aan de duur van het feitelijke gebruik;

veroordeelt [eiser in conventie] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 100,00;

zowel in conventie als in reconventie:

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr.ir. A.J.E. Cartigny, voorzitter, dhr. P.G. Stehouwer en dhr. D. van den Heuvel, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2009, in aanwezigheid van de griffier.