Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ3034

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
67634 / HA ZA 06-2782
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7513, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers - onder wie de Belangenvereniging Funderingsproblematiek - stellen de Gemeente aansprakelijk voor door hen geleden funderingsschade als gevolg van paalrot. Eisers stellen dat de schade aan de houten funderingen is ontstaan door lekkende en daardoor drainerende rioleringen en dat de Gemeente daarvoor aansprakelijk is omdat zij haar verplichtingen als rioolbeheerster niet of onvoldoende zou zijn nagekomen. De vorderingen worden afgewezen. Niet is gebleken dat Gemeente laks is geweest in haar rioleringsbeleid, dat zij adviezen van deskundigen zou hebben genegeerd of dat zij maatregelen heeft genomen die zij niet had moeten nemen. Gelet op de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en de middelen die tot haar beschikking staan, is de Gemeente niet beneden de zorg van een goed beheerder gebleven. De Gemeente is niet schadeplichtig omdat niet vast is komen te staan dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 98
O&A 2009, 75

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67634 / HA ZA 06-2782

Vonnis van 22 juli 2009

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Dordrecht,

2. [eiser 2],

wonende te Dordrecht,

3. [eiser 3a] en [eiser 3b],

beiden wonende te Dordrecht,

4. [eiser 4],

wonende te New York, Verenigde Staten van Amerika,

5. de BELANGEN VERENIGING FUNDERINGS PROBLEMATIEK,

zetelend te Dordrecht,

eisers,

advocaat mr. J.A. Visser,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DORDRECHT,

zetelend te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. V.J. Groot.

Partijen zullen hierna eisers en de Gemeente genoemd worden. Afzonderlijk zullen eisers als [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3a], [eiser 3b], [eiser 4] en de Belangenvereniging aangeduid worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek tevens akte houdende wijziging en vermeerdering van eis;

- de conclusie van dupliek;

- de akte uitlaten producties van eisers;

- de door partijen in het geding gebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser 1] is eigenaresse van een parterrewoning aan de [adres 1] 114 te Dordrecht. [eiser 2] is eigenaresse van de daarboven gelegen woning aan de [adres 1] 116 te Dordrecht. [eiser 3a] en [eiser 3b] zijn eigenaar, ieder voor de onverdeelde helft, van een door hen bewoonde woning aan de [adres 2] 31 te Dordrecht. [eiser 4] is eigenaar van een woning aan de [adres 3] 10-12 te Dordrecht.

2.2. Het zogenaamde ‘aandachtsgebied funderingen’ (verder aan te duiden als: het aandachtsgebied), ter grootte van 4,2 km², beslaat de wijken Oud en Nieuw Krispijn, de 19e Eeuwse Schil en het Reeland (Land van Valk en Vogelbuurt) in de Gemeente. De in 2.1 genoemde woningen van eisers 1 tot en met 4 zijn gelegen in het aandachtsgebied.

2.3. In opdracht van de Gemeente heeft Wareco Amsterdam B.V. (hierna: Wareco) grond- en wateronderzoeken gedaan en de resultaten daarvan neergelegd in diverse rapporten betreffende grondwater- en funderingsonderzoek in de Gemeente opgesteld. Op 3 april 2001 heeft de Gemeente een ‘Beleidsplan Funderingsaanpak’ vastgesteld. Conform dit beleidsplan heeft de Gemeente onderzoek laten doen naar de situatie van de funderingen in het aandachtsgebied. Dit onderzoek is door drie onderzoekbureaus, te weten Wareco, Gemeentewerken Rotterdam en Fugro Ingenieursbureau B.V. (hierna: Fugro), uitgevoerd. Op grond van voornoemd beleidsplan is tevens een subsidieverordening ingesteld, welke inhoudt dat inwoners van het aandachtsgebied in aanmerking kunnen komen voor een subsidie ten behoeve van funderingsherstel. Daarnaast heeft de Gemeente een regeling getroffen met betrekking tot een verlaging van de WOZ-waarde van de panden in het aandachtsgebied.

2.4. Bij brief van 17 oktober 2000 (productie 9 bij dagvaarding) heeft de Gemeente de bewoners van het aandachtsgebied geïnformeerd over, kort gezegd, het (mogelijk) optreden van paalrot als gevolg van droogstand door te lage grondwaterstanden.

2.5. De Belangenvereniging is opgericht bij akte van 2 mei 2001 en heeft als statutaire doelstelling:

‘(…) het behartigen van de belangen van de (deel)gerechtigden in de eigendom van de registergoederen te Dordrecht ter verkrijging van een optimale schadeloosstelling voor onder meer de kosten van de keuring en het herstel van de funderingen, alsmede de gevolgschade van de uitvoering van de herstelwerkzaamheden en van het niet tijdige herstel alsmede de kosten voor het behoud van (de waarde van) de betreffende registergoederen te Dordrecht. Tevens stelt zij zich tot doel om preventieve actie te ondernemen ter voorkoming of beperking van schade aan de funderingen van de betreffende registergoederen. (…)’

2.6. Bij brief van 12 juli 2002 (productie 2 bij dagvaarding) is -onder meer- namens de Belangenvereniging de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden doordat de funderingen van hun woningen vergaan zijn dan wel zijn gaan verzakken en herstel behoeven als gevolg van een te lage grondwaterstand. Bij brieven van 21 september 2004, 15 juli 2005, 17 oktober 2005, 15 juli 2006, 24 augustus 2006 en 27 september 2006 is deze aansprakelijkheidstelling herhaald, waarbij telkens gevoegd een lijst met (nieuwe) leden. Blijkens deze lijsten zijn [eiser 2], [eiser 3a], [eiser 3b] en [eiser 4] lid van de Belangenvereniging. Bij brief van 26 oktober 2005 heeft de Gemeente aansprakelijkheid afgewezen.

2.7. In opdracht van de Belangenvereniging heeft TNO Bouw en Ondergrond (hierna: TNO) op 16 mei 2006 een rapport uitgebracht genaamd ‘Onderzoek naar funderingsschade door lage grondwaterstanden in Dordrecht’. Dit rapport bevat conclusies op basis van een onderzoek naar de oorzaken van funderingsschade aan houten paalfunderingen van woningen in het aandachtsgebied. Specifiek is onderzoek gedaan naar funderingsschade op de in 2.1 genoemde locaties. TNO concludeert dat de houten funderingen van die woningen door schimmel zijn aangetast, welke aantasting zou zijn veroorzaakt door droogstand. Deze droogstand -aldus TNO- kan uitsluitend zijn veroorzaakt door lekkende straatriolen. Ten aanzien van het rioolbeheer van de Gemeente is TNO van mening dat de Gemeente in een aantal gevallen bij de aanleg van drainage ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het niveau van de bovenkant van het funderingshout, zodat hierdoor droogstand en funderingsschade is ontstaan.

3. De vordering

3.1. Eisers vorderen (na wijziging en vermeerdering van eis) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. (1) voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers 1 tot en met 4, jegens de leden van eiseres sub 5 en de personen tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt, door tekort te schieten in de nakoming van de op de Gemeente rustende verplichtingen als beheerster van het open water in de bebouwde kom en als eigenaresse en beheerster van de riolering in de nabijheid van de aan eisers 1 tot en met 4, jegens de leden van eiseres sub 5 en de personen tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt, toebehorende panden te Dordrecht (als omschreven in de dagvaarding);

(2) voor recht verklaart dat de Gemeente jegens eisers 1 tot en met 4 aansprakelijk is voor als gevolg van die tekortkoming opgetreden schade aan de woningen [adres 1] 114 en 116, [adres 3] 10-12 en [adres 2] 31 te Dordrecht;

b. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eiser 1] van de door haar geleden schade als gevolg van de aantasting van de houten paalfundering van de woning [adres 1] 114 te Dordrecht, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

c. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eiser 2] van de door haar geleden schade als gevolg van de aantasting van de houten paalfundering van de woning [adres 1] 116 te Dordrecht, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eiser 3a] en [eiser 3b] van de door hen geleden schade als gevolg van de aantasting van de houten paalfundering van de woning [adres 2] 31 te Dordrecht, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

e. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eiser 4] van de door hem geleden schade als gevolg van de aantasting van de houten paalfundering van de woning [adres 3] 10-12 te Dordrecht, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

f. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan de Belangenvereniging, althans eisers sub 1 tot en met 4, van een bedrag van € 56.250,74, zijnde de kosten gemoeid met het opstellen van het TNO-rapport d.d. 16 mei 2006, alsmede een bedrag van € 5.950 zijnde de kosten gemoeid met het opstellen van de Notitie van TNO d.d. 16 november 2007;

g. de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan eisers van de door hen gemaakte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, in totaal begroot op

€ 27.585,35;

h. de Gemeente veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure;

i. de Gemeente veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de algehele voldoening over de bedragen hiervoor genoemd sub f, g en h.

3.2. Aan hun vorderingen leggen eisers zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag.

Er is sprake van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW, nu het rioleringssysteem zodanige lekkages vertoont dat sprake is van grondwaterpeilverlaging in de directe omgeving van die riolering. Als gevolg van dit gebrek in de riolering treedt gevaar op voor het ontstaan van paalrot aan de houten paalfunderingen in de directe omgeving van de lekkages van het riool. Dit gevaar heeft zich blijkens de TNO-rapportage bij de woningen van de eisers sub 1 tot en met 4 verwezenlijkt. De Gemeente is als beheerster van het rioolsysteem aansprakelijk voor dit tekortschietend rioolbeheer.

Subsidiair stellen eisers dat de Gemeente aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:162 BW, nu de Gemeente als rioolbeheerster tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen. Het onrechtmatig handelen van de Gemeente door het niet nakomen van haar verplichtingen als rioolbeheerster blijkt uit het volgende (blz. 9 e.v. dagvaarding):

- De Gemeente heeft zich er niet van vergewist dat rioollekkages als oorzaak voor de lage grondwaterstanden konden worden uitgesloten (zie blz. 88 TNO-rapport);

- op een aantal plaatsen is de door de Gemeente bepaalde instelhoogte van de drainage lager dan de bovenkant van het funderingshout waardoor droogstand optreedt;

- de Gemeente heeft eigenaren van bestaande woningen met hoger gelegen funderingen niet (tijdig) geïnformeerd over de nieuwe lagere niveaus van de bovenkant van het funderingshout;

- evenmin heeft de Gemeente de perceeleigenaren in Dordrecht (tijdig) geïnformeerd over de verlaging van het openwaterpeil;

- pas bij brief van 17 oktober 2000 heeft de Gemeente de bewoners in het aandachtsgebied geïnformeerd over het droogstandsprobleem;

- in het TNO-rapport is geconstateerd dat het riool niet in alle straten waar rioollekkages en droogstandsrisico werd gesignaleerd is vernieuwd;

- de Gemeente heeft ervoor gekozen pas in 2002 funderingsonderzoek te laten uitvoeren.

3.3. Kort gezegd is de Gemeente tekortgeschoten in haar verplichtingen als rioolbeheerster en heeft zij haar informatieplicht jegens de woningeigenaren veronachtzaamd. De Gemeente heeft willens en wetens nagelaten zodanige maatregelen te nemen dat de droogstand van de paalfunderingen van de woningen werd voorkomen of opgeheven. Voorts heeft de Gemeente nagelaten de woningeigenaren in het aandachtsgebied te informeren omtrent de lekkende riolen en de daaruit voortvloeiende droogstandsrisico’s.

Het verweer

3.4. De Gemeente heeft ten verwere in het algemeen het volgende aangevoerd:

(2.23 conclusie van antwoord en 3.23 conclusie van dupliek)

- de Gemeente kan niet aansprakelijk worden gehouden voor schade die het gevolg is van de droogstand van funderingspalen als gevolg van natuurlijke omstandigheden;

- de Gemeente kan niet aansprakelijk worden gehouden voor schade die het gevolg is van het niveau van het funderingshout, waarbij onvoldoende rekening is gehouden met de natuurlijke fluctuatie van het niveau van het grondwater en/of het lokale open waterpeil;

- de verantwoordelijkheid voor het grondwaterpeil binnen de gemeentegrenzen ligt in de in deze zaak relevante periode niet bij de Gemeente;

- woningeigenaren dragen zelf de verantwoordelijkheid voor het grondwaterpeil c.q. de ontwatering van het eigen perceel, alsmede voor het in goede staat hebben en houden van hun opstallen inclusief fundering.

3.5. Voorts heeft de Gemeente ten aanzien van de primaire grondslag van de vorderingen, artikel 6:174 BW, opgemerkt dat uit hoofde van dit artikel sprake moet zijn van een situatie waarin een opstal gevaar oplevert voor personen of zaken, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Bovendien is voornoemd artikel niet toepasselijk op feiten die voor 1 januari 1992 reeds waren voltooid. Voorts betwist de Gemeente dat sprake is van een gebrek in de zin van voornoemd artikel. Niet is komen vast te staan dat de riolering in de gegeven omstandigheden niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. (6.12 conclusie van antwoord)

3.6. Met betrekking tot de relativiteit heeft de Gemeente aangevoerd dat op haar weliswaar een zorgplicht rust, maar dat deze er niet toe strekt of gericht dient te zijn op het voorkómen van schade als door de woningeigenaren is geleden. Hierdoor ontbreekt volgens de Gemeente de krachtens artikel 6:163 vereiste relativiteit (conclusie van antwoord 7). Dit geldt ten aanzien van beide verwijten die eisers de Gemeente maken: het vermeend tekortschieten in het rioolbeheer en de geschonden informatieplicht.

3.7. Met betrekking tot de vorderingen van eisers 1 tot en met 4 heeft de Gemeente het volgende aangevoerd:

In het algemeen kan niet worden gesteld dat het enkele feit dat een riolering oud is met zich brengt dat deze gebrekkig is of dat de Gemeente enige zorgplicht heeft geschonden. Die zorgplicht heeft de Gemeente niet geschonden. In veel gevallen was het vervangen van de lekke riolen niet voldoende en was de schade reeds ingetreden zodat funderingsherstel reeds noodzakelijk was. De Gemeente heeft daarbij aangevoerd dat zij bij de in dit kader te nemen beleidsbeslissingen tevens rekening diende te houden met andere belangen en dat zij prioriteiten diende (en ook mocht) stellen.

Er bestaat voorts geen causaal verband, nu de schade in de betreffende locaties niet is veroorzaakt door een drainerende werking van de riolering. Op deze locaties is de schade primair veroorzaakt door andere factoren dan vermeende gebreken in de riolering, zoals intrinsieke gebrekkigheid van de fundering door onvoldoende geotechnische draagkracht en onjuiste funderingsverlaging in het verleden. Voorts is niet alleen sprake van schimmelaantasting van de paalfundering, maar ook en vooral van bacteriële aantasting, welke niet door droogstand van de palen wordt veroorzaakt.

De schade is te wijten aan omstandigheden die in de risicosfeer liggen van de eigenaren. Voor zover al sprake zou zijn van enig nalatig handelen door de Gemeente, dan moet de vergoedingsplicht van de Gemeente op de voet van artikel 6:101 BW nihil worden geacht.

3.8. Ten aanzien van de gevorderde verklaring van recht jegens de leden van de Belangenvereniging en de personen tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt beroept de Gemeente zich op niet-ontvankelijkheid, nu een notariële akte met daarin de statuten van de Belangenvereniging niet is overgelegd en de vordering jegens “de personen tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt” te ruim is omschreven. Daarnaast is de Belangenvereniging geen vastomlijnde groep personen.

3.9. Ten slotte beroept de Gemeente zich op verjaring van de vorderingen, nu schadevergoedingsvorderingen op overheidslichamen verjaren door verloop van vijf jaar. In ieder geval is de vordering van [eiser 1] verjaard, nu de verjaringstermijn van haar vordering niet is gestuit.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. De Gemeente heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de vordering van de Belangenvereniging vanwege het ontbreken van een notariële akte met de statuten van de Belangenvereniging. Nu de Gemeente bij conclusie van antwoord onder 51 zelf heeft aangevoerd dat de Belangenvereniging een vereniging is die is opgericht met het aldaar omschreven doel en het ontvankelijkheidsverweer eerst bij conclusie van dupliek -en deswege tardief- naar voren is gebracht, zal het worden gepasseerd.

4.2. De gevorderde verklaring voor recht jegens de personen tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt is te weinig bepaald en reeds daarom niet toewijsbaar.

Verjaring

4.3. De Gemeente heeft zich tegen de vordering verweerd met een beroep op verjaring ingevolge art. 1 van de Wet van 31 oktober 1924, houdende voorschriften nopens de verjaring van geldvorderingen ten laste van het Rijk, de provinciën, de gemeenten en de waterschappen en veenpolders (hierna: de verjaringswet van 1924). Dit artikel bepaalde dat rechtsvorderingen ter zake van geldschulden van overheidslichamen en waterschap verjaren door verloop van 5 jaren na de 31ste december van het jaar, waarin de schuld opvorderbaar is geworden. Tot aan de arresten HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 286 en 287 was het vaste jurisprudentie dat voor de aanvang van de verjaringstermijn, gekoppeld als deze is aan de "opvorderbaarheid" van de vordering, beslissend is het tijdstip waarop de bevoegdheid is ontstaan om onmiddellijk de nakoming van de verbintenis te eisen, ongeacht of de schuldeiser op dat tijdstip reeds met het bestaan van de verbintenis bekend was. Wat betreft vorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt dit tijdstip samen met het moment waarop de vordering is ontstaan, dat wil zeggen met het moment waarop de schade is geleden, onverschillig of de schuldeiser bekend was met de schade en zijn vordering. In de hiervoor genoemde arresten van 9 oktober 1992 is een uitzondering aanvaard op de regel dat onbekendheid met de schade de aanvang van de verjaring niet opschort; deze uitzondering is aanvaard in gevallen van bodemverontreiniging en daarmee op één lijn te stellen vormen van schade die naar hun aard gedurende lange tijd een voor een ieder verborgen karakter hebben. Dit verborgen karakter vormt voor de opvorderbaarheid een beletsel dat voor rekening van de overheid behoort te komen.

4.4. Uitgaande van de veronderstelling dat sprake is van causaal verband tussen een drainerende werking van lekke riolering, de daarmee gepaard gaande grondwaterverlaging en het ontstaan van schade aan funderingen, is in dit geval sprake is van een voor een ieder verborgen karakter van de schade, dat gedurende lange tijd heeft bestaan. Wellicht dat in het algemeen reeds geruime tijd bekend was welke gevolgen droogstand kon hebben voor houten funderingen, dit hoeft echter niet te betekenen dat in de onderhavige specifieke gevallen de bewoners van dit fenomeen op de hoogte waren, laat staan dat zij wisten dat dit probleem mogelijk bij hun woningen aan de orde zou zijn en nog minder dat die droogstand veroorzaakt zou kunnen zijn door lekke rioleringen, waarvoor de Gemeente aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Op grond van de verjaringswet van 1924 kan het beroep op verjaring dus niet slagen.

4.5. Ook op grond van artikel 3:310 lid 1 BW, dat bepaalt dat ‘een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt’, faalt het beroep van de Gemeente op verjaring van de vorderingen van eisers. De Gemeente heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die -mits bewezen- zouden moeten leiden tot het oordeel dat eisers reeds vóór 2000 wisten dat bij hun woningen mogelijk sprake was van paalrot. Niets wijst erop dat eisers, voordat zij door de Gemeente bij brief van 17 oktober 2000 op de hoogte werden gesteld van de lage grondwaterstand en de gevolgen die dit kon hebben voor de houten palenfundering, wisten dat dit probleem hen mogelijk trof en dat de Gemeente voor eventuele funderingsschade aansprakelijk zou kunnen zijn. De rechtbank overweegt in dit verband op dat de Gemeente in voornoemde brief geen melding maakt van de invloed die lekke rioleringen (kunnen) hebben op de grondwaterstand, zodat eisers van die mogelijke oorzaak van een verlaging van de grondwaterstand en de daaruit eventueel volgende aansprakelijkheid van de Gemeente niet op de hoogte hoefden te zijn. Het standpunt van de Gemeente dat de wetenschap van de bewoners blijkt uit het feit dat in een (ver) verleden bij enkele panden paalkopverlaging is toegepast, deelt de rechtbank niet. Immers, de reden van die paalkopverlaging is niet bekend en gesteld noch gebleken is dat destijds reeds sprake was van drainage als gevolg van lekke rioleringen, en nog minder dat bewoners daarvan wisten.

4.6. Ten aanzien van de vordering van eiseres sub 1, [eiser 1], geldt het volgende. Ervan uitgaande dat de bewoners van de betreffende panden niet eerder dan bij ontvangst van de brief van de Gemeente van 17 oktober 2000, doch in ieder geval bij oprichting van de Belangenvereniging d.d. 2 mei 2001, op de hoogte waren van een mogelijk funderingsprobleem, is de verjaringstermijn vanaf laatstgenoemde datum gaan lopen. Niet is komen vast te staan dat de verjaring door [eiser 1] is gestuit, zodat haar vordering in ieder geval na 2 mei 2006 is verjaard. Uit de bijgevoegde ledenlijsten van de aansprakelijkheidsstellingen blijkt immers niet dat deze namens haar zijn uitgegaan, nu haar naam niet op die lijsten voorkomt. Het standpunt van eisers dat [eiser 1] geacht kan worden lid te zijn van de Belangenvereniging kan zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet worden gevolgd. De vordering van [eiser 1] zal op grond van het voorgaande worden afgewezen.

Artikel 6:174 BW

4.7. Ingevolge artikel 6:174 lid 1 BW is -kortgezegd- de bezitter van een opstal aansprakelijk voor de gebreken aan die opstal, indien het door die gebreken veroorzaakte gevaar voor personen of zaken zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

Uitgaande van bekendheid bij de Gemeente met het onderhavige probleem (drainerende werking van lekkende riolen, hetgeen droogstand en daardoor paalrot aan houten funderingen kan veroorzaken) zal eerst worden beoordeeld of op de voet van artikel 6:162 BW aansprakelijkheid bestaat. Indien de vordering op die grondslag niet kan slagen om andere redenen dan onbekend zijn met het gevaar als gevolg van ondeugdelijke riolering, zal niet meer worden toegekomen aan beoordeling van de vordering op de grondslag van artikel 6:174 BW.

Artikel 6:162 BW

4.8. Het gaat hier om de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld dan wel tekort is geschoten in haar verplichtingen als rioolbeheerster alsook onzorgvuldig jegens eisers heeft gehandeld en haar informatieplicht jegens eisers heeft veronachtzaamd, zoals eisers stellen en de Gemeente betwist.

4.9. Als onbetwist staat vast dat de Gemeente een zorgplicht heeft met betrekking tot het in goede staat hebben en houden van het rioleringsstelsel binnen haar grenzen. Het gaat hier om een inspanningsverplichting van de Gemeente. Gelet op het feit dat een slecht functionerende riolering verstrekkende gevolgen kan hebben, waaronder het optreden van funderingsschade als gevolg van een drainerende werking van lekkende riolen, ziet deze zorgplicht naast een adequate afvoer van afvalwater tevens op het voorkomen van bijkomende consequenties van een slecht onderhouden riolering, zoals mogelijk optredende funderingsschade als gevolg van paalrot. In die zin gaat het beroep van de Gemeente op het ontbreken van relativiteit ex artikel 6:163 BW niet op.

4.10. De vraag in dit verband is of de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld of nalatig is geweest in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht met betrekking tot een goed functionerend rioolstelsel. Het enkele feit dat de ondeugdelijke staat van de riolering tot schade heeft geleid leidt echter niet reeds tot de gevolgtrekking dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

4.11. Met betrekking tot een onderhoudsverplichting als de onderhavige dient vooropgesteld te worden dat de Gemeente bij de wijze waarop zij de aan haar opgedragen taken vervult een zekere marge van beleidsvrijheid toekomt. Deze beleidsvrijheid gaat echter niet zover dat het optreden van de Gemeente slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. De maatstaf waaraan de Gemeente dient te voldoen is of de Gemeente, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en de middelen die tot haar beschikking staan, de zorg van een goed beheerder in acht heeft genomen. Het antwoord op de vraag hoever de onderhoudsplicht van de Gemeente gaat ter vermijding van overlast en schade door gebrekkige rioleringen, hangt af van verschillende factoren [Hoge Raad 9 oktober 1981, NJ 1982, 332 (Bargerbeekarrest)], zoals in dit geval:

a. het aantal, de aard en de lengte van de rioleringen waarvan het onderhoud ten laste van de Gemeente komt;

b. de middelen (financiële en andere) die de Gemeente voor het nakomen van haar verplichtingen ten dienste staan;

c. het aantal panden en de spreiding daarvan over de Gemeente, waarvan de Gemeente weet of moet weten dat zij wegens de aard van hun funderingen bijzonder kwetsbaar zijn voor dalingen van het grondwaterpeil, alsmede in hoeverre deze bijzondere kwetsbaarheid voortvloeit uit aan de eigenaren toe te rekenen omstandigheden;

een en ander binnen de marges van de bindende voorschriften waarin de Gemeente kan opereren en in aanmerking nemende de verschillende belangen waarmee zij bij de uitvoering van haar beleid rekening moet houden.

4.12. Bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente overeenkomstig deze maatstaf heeft gehandeld zal worden uitgegaan van de hierna in 4.13 en 4.14 te bespreken, door eisers niet, althans onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden.

4.13. De rioleringsplannen van de Gemeente bestrijken telkens een periode van vijf jaar. Aan deze rioleringsplannen -die jaarlijks worden geactualiseerd- liggen alle beschikbare onderzoeksgegevens ten grondslag. De Gemeente beheert ongeveer 575 km zogeheten ‘vrijvervalriolering’ en daarnaast andere rioleringsvoorzieningen. Van deze riolering dateert ongeveer 160 km van vóór 1970. Gelet op die ouderdom is dit de categorie waarbij in beginsel rekening moet worden gehouden met de noodzaak tot onderhoud, renovatie of vervanging. Met het inspecteren van deze riolering en vervolgens het nemen van de noodzakelijke maatregelen op basis van dit onderzoek is, gelet op de omvang van de riolering, veel tijd gemoeid. De Gemeente heeft -onbetwist- aangevoerd dat thans jaarlijks ongeveer 20 km wordt geïnspecteerd en dat ruim 4 km riolering per jaar wordt vervangen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het beschikbare budget, overlast door de renovatie en coördinatie van verschillende projecten.

4.14. Voorts dient bij het uitvoeren van een deugdelijk rioolbeleid rekening te worden gehouden met diverse, soms tegenstrijdige, belangen. In dit verband kan van het volgende worden uitgegaan. Als onbetwist staat vast dat riolering die vóór de jaren zestig is aangelegd veelal een drainerende werking vertoont, waardoor het grondwaterpeil kan verlagen. Dit kan schade toebrengen aan houten funderingen, doordat de palen waarop de woningen zijn gefundeerd worden aangetast door schimmel. Vernieuwing van die riolering leidt in het algemeen tot een verhoging van de grondwaterstand, wat tot wateroverlast kan leiden. In de wijken in het ‘aandachtsgebied funderingen’ is zowel sprake van paalfunderingen als van funderingen op staal, dikwijls op kleine afstand van elkaar. Deze funderingswijzen vereisen een verschillende aanpak, nu op staal gefundeerde woningen in tegenstelling tot paalfunderingen juist baat hebben bij extra drainage ter voorkoming van wateroverlast. Dit leidt ertoe dat bij het onderhoud en het renoveren van de riolering niet alleen rekening moet worden gehouden met het mogelijk optreden van paalrot als gevolg van lekke rioleringen, maar tevens met het mogelijk optreden van wateroverlast.

Verder kunnen er gevallen zijn waar de funderingsschade al zodanige vormen heeft aangenomen dat vervanging van de fundering geboden is. Rioolvernieuwing op korte termijn heeft dan geen prioriteit. In dat soort gevallen is het gerechtvaardigd dat ervoor wordt gekozen eerst rioolrenovatie te verrichten op die plaatsen waar de funderingsschade nog niet onherstelbaar is. Kortom, het gaat hier om een complex probleem waarbij vele afwegingen moeten worden gemaakt.

4.15. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of de Gemeente zich naar behoren heeft gekweten van haar zorgplicht ten aanzien van het rioleringsbeleid. Zoals eerder is overwogen kan het enkele feit dat paalrot is opgetreden bij de onderhavige woningen -nog los van de vraag of deze al dan niet door droogstand als gevolg van lekkende riolen is veroorzaakt- niet reeds de conclusie dragen dat de Gemeente haar zorgplicht niet, althans onvoldoende is nagekomen. Om tot die gevolgtrekking te kunnen komen acht de rechtbank van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of de Gemeente die maatregelen heeft genomen die van haar in de gegeven omstandigheden gevergd mochten worden, en voorts of zij de door de onderzoeks-bureaus gedane aanbevelingen in voldoende mate heeft opgevolgd en, zo niet, of daarvoor een gegronde reden bestond.

4.16. Eisers vorderen onder a (1) een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens -onder meer- de leden van de Belangenvereniging.

Ten aanzien van dit onderdeel van de vordering geldt dat, ook als wordt uitgegaan van de hypothese dat de schade aan de fundering is veroorzaakt door (een) lekkende riolering(en)

-hetgeen niet zonder meer vaststaat- , eisers onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die -mits bewezen- tot het oordeel zouden moeten leiden dat de Gemeente nalatig is geweest in haar zorgverplichting. Uit de door eisers overgelegde stukken, waaronder het rapport en de notitie van TNO, kan zulks in ieder geval niet worden afgeleid. Dat de Gemeente ‘stil is blijven zitten’ waar actie geboden was, dat zij slechts keer op keer onderzoeken zou hebben gelast, en anderzijds dat zij de op grond van die onderzoeken gedane aanbevelingen naast zich neer zou hebben gelegd, blijkt niet uit hetgeen (overigens) door eisers in dit verband is aangevoerd.

4.17. Uit het door de Gemeente gemotiveerde en gedocumenteerde betoog, door eisers slechts op onderdelen bestreden, komt niet naar voren dat de Gemeente een laks beleid heeft gevoerd op het gebied van rioolbeheer. Uit de stukken blijkt dat de Gemeente het nodige heeft gedaan bij het in kaart brengen van de voorliggende problemen en het vervolgens op basis van de aldus verkregen gegevens bepalen en uitvoeren van het beleid. Bij dit beleid dienen prioriteiten te worden gesteld en keuzes te worden gemaakt. Mocht het al zo zijn dat de gemaakte keuzes en prioriteiten in het nadeel van eisers hebben gewerkt, dan leidt dit nog niet tot het oordeel dat de Gemeente, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en de middelen die tot haar beschikking staan, niet de zorg van een goed beheerder in acht heeft genomen. Zoals in 2.3 is vermeld heeft de Gemeente bovendien een subsidieregeling ingesteld, waarbij zij (een gedeelte van) de schade voor haar rekening neemt. Hiermee heeft de Gemeente aangetoond zich de belangen van bewoners aan te trekken.

4.18. Eisers hebben voorts niet concreet aangegeven welke maatregelen de Gemeente niet heeft genomen die zij wel had moeten nemen en ook niet wat zij ten onrechte wél heeft gedaan, waar zij dat had moeten nalaten.

4.19. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde verklaring voor recht jegens de leden van de Belangenvereniging zal worden afgewezen.

Vorderingen eisers 2 tot en met 4

4.20. Met betrekking tot de vorderingen van eisers 2 tot en met 4 geldt het volgende. Partijen verschillen van mening over de vraag of de gestelde schade op de onderhavige locaties is veroorzaakt door een drainerende riolering. Om de precieze schadeoorzaak vast te stellen zou eerst moeten worden bepaald of de fundering is aangetast door erosiebacterie (welke haar oorzaak niet hoeft te vinden in droogstand) of door schimmel. Is er sprake van door schimmel aangetaste funderingen, waarbij in het algemeen kan worden aangenomen dat die door droogstand is ontstaan, dan dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of die droogstand is veroorzaakt door drainerende riolering of door een andere mogelijke oorzaak (zoals fluctuerend openwaterpeil of een ondeugdelijke aanleg van de fundering door een te hoge instelling van het bovenste funderingshout).

4.21. Bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente de op haar rustende zorgplicht in de onderhavige gevallen heeft geschonden zal worden uitgegaan van hetgeen de door de Gemeente ingeschakelde onderzoeksbureaus haar in dat kader hebben geadviseerd. De Gemeente mocht uitgaan van de door deze bureaus gegeven adviezen, tenzij zij wist of behoorde te weten dat die adviezen onjuist waren, maar dat het geval is, is niet gesteld of gebleken. De vraag naar de oorzaak van de funderingsschade in de concrete gevallen zal derhalve in het midden worden gelaten, nu van de Gemeente niet verwacht hoefde te worden –en partijen stellen dat ook niet- dat zij zelfstandig, dus buiten de bevindingen van de onderzoeksbureaus om, onderzoek zou hebben moeten doen naar een mogelijk verband tussen funderingsschade en lekkende rioleringen. Voornoemd uitgangspunt blijkt ook uit een rapport van Wareco, genaamd ‘Prioriteitenstelling rioolvervanging in het kader van funderingsproblematiek’, d.d. 11 april 2002 (productie 8 bij conclusie van repliek), waarin onder meer het volgende is vermeld:

‘(…)

Het doel van het onderzoek is, op basis van beschikbare gegevens, een aan het riool gerelateerde risicoanalyse te maken van funderingsschade door droogstand. Op basis hiervan kan een volgorde voor de rioolvervanging aangegeven worden naar aflopend risico op schade. Voor deze analyse is als uitgangspunt gekozen dat lage grondwaterstanden veroorzaakt worden door drainerende riolering. In werkelijkheid zal het voorkomen van lage grondwaterstanden meerdere oorzaken kunnen hebben. Er is ten behoeve van dit onderzoek geen specifiek onderzoek naar de relatie tussen lage grondwaterstanden en riolering uitgevoerd. (…)’

4.22. In het hierna volgende zal de rechtbank de concrete gevallen van de eisers 2 tot en met 4 nader beoordelen. Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het ook hierbij om de vraag of de Gemeente, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en de middelen die tot haar beschikking staan, de zorg van een goed beheerder in acht heeft genomen.

[adres 3] 10-12 ([eiser 4])

4.23. Eisers stellen het volgende: de Gemeente heeft weliswaar in 1977 de riolering in deze straat vernieuwd doch zij heeft ten onrechte een oud riool niet verwijderd. Dit oude riool veroorzaakt volgens eisers de droogstand bij het pand [adres 3] 10-12. Zij baseren zich daarbij op het TNO-rapport (zie 2.7). De Gemeente voert aan dat er op haar geen plicht rustte destijds het oude riool, dat volgens haar een zogenaamd schoonwaterriool betreft, te verwijderen.

4.24. In een rapport van Gemeentewerken Gemeente Rotterdam getiteld “[adres 3] 10-12 Funderingsonderzoek (2e fase)” d.d. 10 april 2003 (productie 11 bij conclusie van antwoord), staat onder meer het volgende vermeld:

‘(pagina 7)

(…) Gezien het draagvermogen van de houten paalfundering, houdt dit in, dat de panden niet stabiel zijn gefundeerd. Dit leidt tot zeer actieve scheurvorming in de verschillende panden. Hieruit blijkt dat het netto draagvermogen van de houten palen niet toereikend is voor de belasting. Er is sprake van overbelasting van de fundering (…)

Advies

Op grond van de resultaten uit het 1e fase onderzoek en de uitgevoerde opname wordt geadviseerd de fundering van de gehele bouweenheid volledig te vervangen. De plaatselijke niet toelaatbare houtspanning ter plaatse van de achtergevel, de sterke aantasting van de houten paalfundering en de actieve scheurvorming in de panden duiden op een instabiele fundering.(…)

(pagina 12)

(…) Bij pand 10/12 is er aan de achterzijde scheurvorming te zien. Bij de uitbouw aan de achterzijde is in het verleden aan twee palen paalkopverlaging toegepast. Hierdoor is de scheurvorming van pand 10/12 aan de buitenkant gestopt. Inwendig zet de scheurvorming echter door. (…)’

4.25. Uit genoemd rapport blijkt niet dat de Gemeente is geadviseerd de door eisers genoemde rioolstreng te verwijderen of dat deze rioolstreng als “urgent” is aangeduid zodat de Gemeente daaruit haar conclusies diende te trekken. Wel kan worden opgemaakt uit dit rapport dat de onderzoekers van mening waren dat de panden niet deugdelijk waren gefundeerd en dat zij adviseren de fundering geheel te vervangen.

4.26. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Gemeente niet nalatig is geweest, nu niet is gebleken dat zij adviezen heeft genegeerd of dat er feiten en omstandigheden bestonden op grond waarvan zij redelijkerwijs had moeten beslissen de betreffende rioolstreng te verwijderen. Buiten de vraag of de schade hier is ontstaan door lekkende rioleringen is duidelijk dat de fundering geheel moet worden vervangen. Rioolvernieuwing/ -herstel heeft dan, gelet op hetgeen onder 4.14 is overwogen, op deze locatie geen prioriteit. Van schending van de zorgplicht door de Gemeente is derhalve geen sprake, zodat er geen grond voor aansprakelijkheid is. De vorderingen voor zover deze zien op de [adres 3] 10/12 ([eiser 4]) zullen derhalve worden afgewezen.

[adres 2] 31 ([eiser 3a] en [eiser 3b])

4.27. Eisers stellen dat de Gemeente ten onrechte heeft nagelaten tot rioolvervanging over te gaan. De Gemeente had zich moeten realiseren dat ook in genoemde straat sprake zou kunnen zijn van een te lage grondwaterstand als gevolg van een lekke riolering. Verder verwijten zij de Gemeente dat zij heeft aangekondigd dat de riolering ter plaatse in 2000 zou worden aangepakt, maar is dat eerst in 2007 daadwerkelijk gebeurd.

De Gemeente is van mening dat op haar geen plicht rustte enige actie te ondernemen. Er was op grond van hetgeen bekend was uit de onderzoeken geen aanleiding op korte termijn een gebrek in de riolering te verhelpen.

4.28. Een rapport van Wareco Amsterdam B.V. (hierna: Wareco) over het gebied waarin de betreffende straat is gelegen, d.d. 6 april 1990 (productie 12 bij conclusie van antwoord), genaamd ‘Grondwateronderzoek Singels Oost, Dordrecht’ –welk rapport eisers overigens zelf ook aanhalen in dit verband- vermeldt onder meer het volgende:

‘(pagina 14)

Conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek

(…)

De freatische grondwaterstand wordt op een aantal plaatsen sterk verlaagd tot beneden het open-waterpeil van NAP -1,00 m. Waarschijnlijk zijn rioollekkages hiervan de oorzaak. Het is aannemelijk dat het rioollekkages betreft in de volgende straten:

- Cornelis van Beverenstraat,

- Nicolaas Maessingel,

- Burgemeester de Raadtsingel,

- Ferdinand Bolsingel,

- Oranjepark,

- Toulonselaan,

- Vrieseweg.

Vermoedelijk treedt als gevolg van de sterk verlaagde grondwaterstanden op sommige plaatsen in het gebied droogstand van de houten paalfunderingen op. Uit een archiefonderzoek naar de hoogte van het bovenste funderingshout is gebleken dat zeer waarschijnlijk droogstand optreedt in de volgende straten:

- de Burgemeester de Raadtsingel,

- de Dubbeldamseweg,

- de Ferdinand Bolsingel,

- het Oranjepark,

- de Toulonselaan,

- de Vrieseweg.

Aanbevolen wordt deze funderingen met behulp van ontgravingen nader te onderzoeken.

(…)’

4.29. Een rapport van Gemeentewerken Gemeente Rotterdam genaamd ‘[adres 2] 27/29 en 31/33 funderingsonderzoek (1e fase)’ d.d. 1 juli 2002 (productie 13 bij conclusie van antwoord), vermeldt onder meer het volgende:

‘(pagina 10)

4.3 Funderingsinspectie

(…)

De geïnspecteerde palen behorende bij pand 27/29 zijn verlaagd met een metselwerk poer. Volgens de archiefgegevens is dit in 1954 uitgevoerd. (…) Bij de geïnspecteerde palen van dit pand lag de bovenkant van de houten palen op N.A.P. -1.40 m en N.A.P. -1.90 m. De grondwaterstand in de put lag tijdens de funderingsinspectie op NAP -1,15 m. (…) Er is geen schimmelaantasting geconstateerd.

(pagina 11)

Bij pand 31/33 is de bovenkant van de houten paalfundering op NAP -0,70 m aangetroffen. De grondwaterstand in de put lag tijdens de funderingsinspectie op NAP-1,00m. (…) Het langshout is geheel weggerot. Tevens is hier lichte schimmelaantasting geconstateerd. (…)’

4.30. In een rapport van Gemeentewerken Gemeente Rotterdam genaamd ‘[adres 2] 27/29 en 31/33 funderingsonderzoek (2e fase)’ d.d. 7 april 2003 (productie 14 bij conclusie van antwoord), staat onder meer het volgende vermeld:

‘(pagina 7)

Aan de voorzijde is, door het aanbrengen van zand t.b.v. de straten, de negatieve kleef het hoogst. In combinatie met de belastingen uit de bovenbouw leidt dit tot een forse belasting van de palen. In het verleden heeft dit geresulteerd in zettingen, o.a. naar voren en naar links toe. Deze scheefstanden hebben, vooral in nr. 31/33, geleid tot scheurvorming. Het is derhalve legitiem te veronderstellen dat het geotechnisch draagvermogen van de houten fundering niet voldoende is. (…)

Advies

Uit het uitgevoerde funderingsonderzoek blijkt dat de thans aanwezige houten paalfundering niet de vereiste stabiliserende functie vervult t.a.v. het pand. In het funderingshout is zowel een erosiebacterie (EB) als schimmelaantasting aangetroffen. De schimmelaantasting is ontstaan door het (periodiek) droogstaan van het funderingshout. Tevens is gemengd gebruik gemaakt van vuren- en grenenhout voor de palen. Grenen palen zijn meer gevoelig voor aantasting door EB. Het vervangen van de paalkoppen, voor zover dit in het verleden nog niet is gedaan, is in dit geval niet afdoende, daar de draagkracht van de palen niet voldoende is om de stabiliteit te waarborgen. (…)

Op grond van de resultaten uit het 1e faseonderzoek, de opname en de gewichtsberekening wordt geadviseerd om de fundering volledig te vervangen. (…)’

4.31. Gelet op de bevindingen en aanbevelingen in genoemde rapporten komt de rechtbank tot het oordeel dat de Gemeente in het onderhavige geval niet nalatig is geweest. De stellingen van eisers bieden ook hier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de Gemeente zou zijn tekortgeschoten in haar zorgplicht. Uit de hiervoor genoemde rapporten noch anderszins is immers gebleken dat de Gemeente adviezen in de wind heeft geslagen of dat zij ten onrechte voorrang heeft verleend aan rioolvernieuwing op andere locaties, zoals die in de rapporten is genoemd. Ook dit onderdeel van de vordering ligt derhalve voor afwijzing gereed.

[adres 1] 116 ([eiser 2])

4.32. Volgens eisers kan de Gemeente worden verweten dat zij de straatriolering langs de [adres 1] niet heeft hersteld/vernieuwd. Zij stellen dat de nabij gelegen riolering, welke uit 1930 dateert, nooit is vernieuwd. De te lage grondwaterstand ter plekke zou volgens eisers zijn veroorzaakt door de lekkages in dit straatriool. Ondanks dat ook Wareco hiervoor heeft gewaarschuwd heeft de Gemeente geen actie ondernomen om het gebrek te herstellen, zo stellen eisers.

4.33. De Gemeente betoogt dat geen van de Wareco-rapporten aanleiding gaf om op korte termijn een mogelijk gebrek aan de riolering te verhelpen en deze riolering te vervangen. De schade zou zijn veroorzaakt door bacteriële aantasting en een lage grondwaterstand door het lage openwaterpeil ter plaatse.

4.34. Een rapport van Wareco getiteld ‘Grondwateronderzoek Indische buurt-west, Dordrecht’, d.d. 25 november 1991 (productie 15 bij conclusie van antwoord), vermeldt onder 4.4.:

‘(…)

In de omgeving van het Sumatraplein en in de Ceramstraat worden (gedurende de hele meetperiode) lage grondwaterstanden gemeten. Deze lage grondwaterstanden worden waarschijnlijk veroorzaakt door de drainerende werking van lekke rioolbuizen. Niet uitgesloten wordt dat het schoonwaterriool ø 800 mm in de [adres 1] plaatselijk lekken vertoont. Bij lekken in dit schoonwaterriool fungeert deze als drainage met een drainageniveau van NAP -2,0 m.’

voorts onder 5.2:

‘In 5.1 is toegelicht dat niet op voorhand te voorspellen is waar als gevolg van droogstand aantasting van de houten paalfunderingen optreedt. Gezien de ernstige situatie met betrekking tot de droogstand wordt aanbevolen een aanvullend funderingsonderzoek in bovengenoemde straten uit te voeren. Het aanvullend onderzoek dient in eerste instantie gericht te zijn op de mate en ernst van de door droogstand veroorzaakte aantasting van het funderingshout.’

en onder 5.4:

‘De riolering in de [adres 1] en de Ceramstraat is niet opgenomen in de planning van de rioolvervanging. Juist in deze riolering komen waarschijnlijk ernstige lekkages voor. Indien in de toekomst wordt overgegaan tot vervanging van deze riolen zal dit gevolgen hebben voor de grondwaterstand in het onderzoeksgebied. Naar verwachting zal de grondwaterstand op enkele plaatsen meer dan 0,60 m stijgen. (…)’

Onder ‘7. Samenvatting en aanbevelingen’ wordt onder meer het volgende vermeld:

‘(…) Tengevolge van de lage grondwaterstanden ten noorden van de [adres 1] treedt in dit deel van het onderzoeksgebied op grote schaal droogstand van houten paalfunderingen op. Geadviseerd wordt om in dit deel van het onderzoeksgebied een inventariserend funderingsonderzoek uit te voeren. Dit aanvullend onderzoek dient in eerste instantie gericht te zijn op de mate en ernst van de door droogstand veroorzaakte aantasting van het funderingshout.’

4.35. Een rapportage van Wareco met als titel ‘Funderingsonderzoek [adres 1] 98-116 en Riouwstraat 104-136 te Dordrecht’, d.d. 17 oktober 2002 (productie 16 bij conclusie van antwoord), vermeldt onder meer het volgende:

‘5.4. Houtonderzoek

(…)

Alle palen zijn aan de buitenzijde bacterieel aangetast. Bij paal A van Riouwstraat 104 en paal B van [adres 1] 104 wordt, naast de bacteriële aantasting, door het laboratorium melding gemaakt van schimmelsporen in de houtmonster. Gezien de aangetroffen droogstand en/of minimale grondwaterdekking tijdens het onderzoek wordt verwacht dat de schimmelsporen ontstaan zijn door droogstand van de palen.

6. Analyse, beoordeling fundering

(…)

Acht van de elf geïnspecteerde palen worden als goed gekwalificeerd. Drie palen worden als redelijk gekwalificeerd.

Er is droogstandschade aangetroffen. Er is ook droogstand bij het onderzoek vastgesteld. (…)

7. Conclusie en advies

Voor het voldoende functioneren van de fundering onder deze panden, uitgaande van een minimale handhavingstermijn van 25 jaar, zijn geen maatregelen ter verbetering van de fundering noodzakelijk.

(…)

Het is, gezien de lage grondwaterstanden in het wegcunet, aannemelijk dat op dit moment grondwaterafstroming plaatsvindt naar het wegcunet. Het ligt dan ook in de lijn om te onderzoeken of de mogelijke noodzakelijke maatregelen op het vlak van grondwaterstandverhogende maatregelen in het wegcunet kunnen liggen. Om te bepalen of maatregelen in het wegcunet voldoende effect zullen hebben op de hoogte van de grondwaterstand ter plaatse van de panden, wordt voorgesteld enkele peilbuizen rond de panden aan te brengen en periodiek de grondwaterstand op te nemen. (…)’

4.36. Een rapportage van Wareco, genaamd ‘Tweede fase funderingsonderzoek [adres 1] 110 tot en met 116’, d.d. 26 november 2004 (productie 17 bij conclusie van antwoord), vermeldt onder meer het volgende:

‘(…) De conclusie voor de panden [adres 1] 110/112 en 114/116 is aangepast.

Samenvatting

Wareco Amsterdam bv heeft geadviseerd voor de panden [adres 1] 110 tot en met 116 een herstelplan op te laten stellen. De reden voor het funderingsherstel is met name de actieve scheurvorming en de aangetroffen aantasting van de paalkoppen bij het pand 114/116 en de droogstand van de aanwezige vuren en grenen houten palen. (…)’

4.37. Een ‘Eindrapportage monitoring Riouwstraat 104-136 en Reeweg-Oost 98-116 te Dordrecht’ van Wareco (productie 14 bij de conclusie van repliek), d.d. 9 november 2006 vermeldt als ‘Analyse en conclusie’:

‘Uitgaande van een ongewijzigde grondwatersituatie bij de panden zal enkele maanden per jaar droogstand van het bovenste funderingshout optreden. Bij een deel van het blok is sprake van vrijwel permanente droogstand van het bovenste funderingshout. Voortgaande aantasting van het funderingshout is hiervan het gevolg. Voor behoud van de fundering zijn binnen een periode van 15 jaar maatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen kunnen bestaan uit plaatselijke grondwaterstandverhoging of uit volledig funderingsherstel.’

4.38. Uit het voorgaande blijkt dat lange tijd (tot 2002/2003) is gewacht met funderingsonderzoek, hoewel Wareco daartoe reeds in 1991 adviseerde. Het funderingsonderzoek wijst echter niet uit dat maatregelen in verband met de riolering worden geadviseerd. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat niet is komen vast te staan dat de Gemeente is tekortgeschoten in haar zorgplicht van rioolbeheerder. Ook dit onderdeel van de vordering zal op grond van het voorgaande worden afgewezen.

Informatieplicht

4.39. Eisers verwijten de Gemeente voorts dat zij hen niet heeft geïnformeerd over de kans op funderingsschade door droogstand. De rechtbank overweegt hieromtrent dat een causaal verband tussen het beweerdelijk niet nakomen van haar waarschuwingsplicht door de Gemeente en de gestelde schade ontbreekt. Gesteld noch gebleken is dat eisers, in het geval zij wél voor 2000 zouden zijn geïnformeerd door de Gemeente, de nodige maatregelen zouden hebben getroffen om die schade te beperken. Als onbetwist staat vast dat zij in ieder geval vanaf 2000 op de hoogte waren van het droogstandrisico, zodat zij -als een gewaarschuwd eigenaar- reeds toen maatregelen hadden kunnen treffen.

Verder stellen eiseres dat, indien de Gemeente hen wel tijdig zou hebben geïnformeerd over de kans op funderingsschade door droogstand, een aantal van hen hun woning niet had gekocht of niet voor dezelfde prijs als waarvoor zij hebben aangekocht. Deze stelling wordt gepasseerd, nu eisers onvoldoende concreet hebben gesteld om welke personen c.q. om welke woningen het gaat.

Slot

4.40. Al het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Eisers zullen als in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van dit geding aan de zijde van de Gemeente worden veroordeeld.

4.41. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. De rechtbank is ambtshalve bekend met het door de Rekenkamer Dordrecht uitgebrachte rapport “Palen boven water”, welk rapport op 19 mei 2009 aan de Gemeenteraad is aangeboden. Dit rapport is voor deze procedure niet relevant, nu daarin niet aan de orde was de voor de onderhavige procedure relevante vraag of de Gemeente, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en de middelen die tot haar beschikking staan, de zorg van een goed beheerder met betrekking tot het rioolstelsel in acht heeft genomen.

5. De beslissing

De rechtbank

I. wijst de vorderingen jegens de Gemeente af;

II. veroordeelt eisers hoofdelijk, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.975,-- aan vast recht en € 904,-- aan salaris voor de advocaat;

III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter, mr. A. Eerdhuijzen en mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken door mr. J. Visser op 22 juli 2009.?