Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2818

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
11-510002-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2032, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende ruim zes jaar, grotendeels samen met een ander, bezig gehouden met de verkoop van cocaïne in Dordrecht en Zwijndrecht. Daarnaast heeft verdachte het geld dat hij verdiende structureel witgewassen en heeft hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510002-09

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1981,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 30 juni 2009.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 maart 2009 dat zich in het dossier bevindt. Hieruit is gebleken dat verdachte op 25 maart 2005 door de Politierechter in Dordrecht is veroordeeld voor een Opiumdelict. De rechtbank heeft ambtshalve onderzoek gedaan naar deze veroordeling vanwege het feit dat de officier van justitie mogelijk niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens handelen in strijd met het gestelde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft op basis van het dossier behorende bij de veroordeling van 25 maart 2005 geconstateerd dat het gaat om een veroordeling waarbij de tenlastelegging luidde dat er sprake was van het opzettelijk aanwezig hebben van 1,67 gram cocaïne.

Nu dit niet hetzelfde feit betreft als het onder 1. tenlastegelegde - te weten verkopen / afleveren / verstrekken / vervoeren van cocaïne - heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van handelen in strijd met het gestelde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten een bewijsverweer gevoerd.

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde feit heeft de verdediging gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de periode vóór december 2005. Verder heeft de raadsman betoogd dat de rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] anders is dan door de officier van justitie wordt aangegeven in die zin dat de rol van deze medeverdachte niet onderschat dient te worden.

Ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde feit heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit voor zover is tenlastegelegd 'ongeveer 11 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 1]'.

Ten aanzien van de onder 2., 4. en 5. tenlastegelegde feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

onder 2. tenlastegelegde medeplegen

De rechtbank heeft met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met een ander of anderen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van dat feit.

onder 3. tenlastegelegde feit partieel

Naar het oordeel van de rechtbank is wat aan de verdachte onder 3. ten laste is gelegd niet geheel bewezen, omdat ten aanzien van het onderdeel 'ongeveer 11 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 1]' niet op basis van wettig bewijs is vast komen te staan dat verdachte deze cocaïne aanwezig heeft gehad, ook niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen. De verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken van dat feit.

onder 5. tenlastegelegde feit

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank de aan verdachte onder 5. ten laste gelegde bedreiging niet bewezen, omdat de rechtbank uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben ontkend dat zij (of één van hen) een vuurwapen hebben getoond. Aangever en getuige van deze bedreiging hebben beiden twee verklaringen afgelegd. Hun eerste verklaringen weken van elkaar af. Bij hun tweede verklaring weken zij vervolgens beiden op onderdelen af van hun eerdere verklaring.

Naar het oordeel van de rechtbank roepen de verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, zoveel twijfel op over de vraag of verdachte dan wel zijn medeverdachte nu een vuurwapen heeft getoond, dat zij niet tot overtuiging kunnen leiden.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1A.

in de periode van 01 januari 2003 tot en met 30 juni 2005 te Dordrecht en Zwijndrecht, meermalen ,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1B.

in de periode van 1 juli 2005 tot en met 17 maart 2009 te Dordrecht en Zwijndrecht, meermalen, tezamen en in vereniging met een andere persoon, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 14 februari 2009 tot en met 17 maart 2009 te Dordrecht en Zwijndrecht, een (vuur)wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool van het merk FN Herstal, type HP 35, kaliber 9mm Luger, en voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad;

3A.

op 17 maart 2009 te Dordrecht , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

-ongeveer 31 gram cocaïne in een auto van het merk Peugeot voorzien van het kenteken [kenteken];

3B.

op 17 maart 2009 te Dordrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

-ongeveer 1307 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 3];

4.

in de periode van 1 juli 2005 tot en met 16 maart 2009, te Dordrecht, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen, voorwerpen, te weten (telkens) een of meer bedragen aan contant geld,

verworven en van dat geld voornoemd, gebruik gemaakt (door met dat geld uitgaven te doen ten behoeve van het levensonderhoud van hem verdachte en bijdragen te leveren aan het huishouden van [medeverdachte 3] en het betalen van vakantiereizen), terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (te weten: de handel in verdovende middelen)

en

op 17 maart 2009, te Dordrecht, voorwerpen, te weten:

-(in een woning gelegen aan de [adres 2]), een bedrag aan contant geld, ter grootte van ongeveer 95.745 euro en

-(in een woning gelegen aan het [adres 3]), een bedrag aan contant geld, ter grootte van ongeveer 19.640 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (te weten: de handel in verdovende middelen).

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

onder 1. tenlastegelegde feit

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde feit heeft de verdediging gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de periode vóór december 2005. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zelf ter terechtzitting nauwkeurig heeft verklaard over het tijdstip waarop hij is begonnen met dealen en dat verdachte als gevolg van specifieke omstandigheden ook nog concreet weet hoe alles verlopen is. Voorts heeft verdachte gesteld dat getuigen mogelijk over een langere periode van dealen verklaren, omdat hij zelf heeft gezegd dat hij al langer dan tien jaar bezig was. Volgens verdachte deed hij dit om afnemers duidelijk te maken dat hij ervaren was en om hen op deze wijze gerust te stellen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. In het dossier bevinden zich onder meer verklaringen van afnemers.

Afnemer 1 (in eind proces-verbaal onder nummer 1.27.1) heeft in mei 2009 verklaard dat zij voor het eerst acht à negen jaar geleden bij verdachte cocaïne heeft gekocht.

Afnemer 2 (in eind proces-verbaal onder nummer 1.28.1) heeft in mei 2009 verklaard dat hij zeker een jaar of zes tot acht geleden voor het eerst cocaïne bij verdachte heeft gekocht.

Afnemer 3 (in eind proces-verbaal onder nummer 1.15.5) heeft verklaard dat hij al sinds 2003 cocaïne koopt bij verdachte.

Deze personen hebben verdachte herkend aan de hand van foto's die hen door de politie zijn getoond. Voorts hebben zij allen gedetailleerd en uit eigen wetenschap verklaard. Zij zijn daarbij dus niet uitgegaan van verklaringen van verdachte zelf. Daarnaast acht de rechtbank de verklaringen van deze afnemers die concreet verklaren over het kopen van cocaïne bij verdachte, en zichzelf daarmee belasten, betrouwbaar.

De stelligheid waarmee de diverse afnemers verdachte op aan hen getoonde (politie)foto's herkennen en de overeenkomsten in de verklaringen over de werkwijze van verdachte leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich vanaf 1 januari 2003 schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1. tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde feit aangevoerd dat aangaande de rolverdeling tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de rol van deze medeverdachte niet onderschat dient te worden. Voor zover de raadsman hiermee heeft willen betogen dat de medeverdachte [medeverdachte 1] aangemerkt kan worden als medepleger, merkt de rechtbank hierover het volgende op.

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde feit het medeplegen in de periode vanaf 1 juli 2005 tot en met 17 maart 2009 bewezen. Gedurende die periode heeft verdachte tezamen en in vereniging achtereenvolgens met respectievelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gedeald. Daarvóór, dus in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2005, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte met een ander heeft samengewerkt bij wat hem onder 1. ten laste is gelegd.

onder 3. tenlastegelegde feit

Bij het onder 3. tenlastegelegde feit acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake was van een medepleger voor zover het betreft de 'ongeveer 1307 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 3]'. Voor dit onderdeel heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zonder mededader - en dus alleen - gehandeld in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Voor het overige dat onder 3. ten laste is gelegd en bewezenverklaard is wel sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met een ander.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1A.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

1B.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

2.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

3A.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

3B.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

4.

VAN HET PLEGEN VAN WITWASSEN EEN GEWOONTE MAKEN

EN

WITWASSEN, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende ruim zes jaar, grotendeels samen met een ander, bezig gehouden met de verkoop van cocaïne in Dordrecht en Zwijndrecht. Hij heeft op deze wijze een belangrijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van het harddrugscircuit in deze gemeenten. De afnemers konden zeven dagen per week telefonisch contact opnemen met verdachte, waarop de cocaïne bij hen thuis of op een elders afgesproken plaats bezorgd werd. Op de dag dat verdachte werd aangehouden in de auto met medeverdachte, hadden zij een voorraad cocaïne op zak. De één bewaarde de pakjes met halve grammen, de andere droeg de hele grammen cocaïne bij zich.

Gedurende geruime tijd heeft verdachte gebruik gemaakt van een zogenaamd 'safehouse'. Achtereenvolgens werd bij verschillende personen in huis een kluis geplaatst waarin een drugsvoorraad en de opbrengsten van de cocaïneverkoop bewaard werden. Verdachte was de enige die toegang had tot deze kluis. Na aanhouding van verdachte zijn in deze kluis, naast ruim 1,3 kilo cocaïne, onder andere ook een vuurwapen en daarvoor geschikte patronen aangetroffen. Verdachte heeft dit pistool met munitie onbevoegd voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie creëert het risico van het gebruik van die wapens, met alle gevolgen van dien.

Verdachte is door de handel in cocaïne medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Het geld dat verdachte verdiende met de handel in verdovende middelen heeft hij witgewassen, onder andere door het bekostigen van verre vakantiereizen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten, wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Op het moment dat verdachte aangehouden werd, is rond de Eur 115.000,- aan contant geld aangetroffen verspreid over twee woningen.

Over verdachte is geen voorlichtingsrapportage opgemaakt.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij eerder is veroordeeld voor het aanwezig hebben van een stof vermeld op lijst I van de Opiumwet.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting, vastgesteld door het Landelijk Overleg Voorzitters van Strafsectoren (LOVS) inzake opzettelijke overtreding van artikel 2 onder B van de Opiumwet, is bepaald dat voor het met enige regelmaat dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs gedurende een periode van zes tot twaalf maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden geïndiceerd is, uitgaande van een alleen opererende dader.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim zes jaar gehandeld in harddrugs. Dit rechtvaardigt op zich al de oplegging van een jarenlange gevangenisstraf. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte bijna vier jaar lang samen met een ander dealde in cocaïne. Daarnaast heeft verdachte het geld dat hij verdiende structureel witgewassen en heeft hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Omdat de rechtbank tot een andere - mindere - bewezenverklaring komt, zal zij de op te leggen straf beperken tot een gevangenisstraf van zes jaar. Deze straf doet in voldoende mate recht aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en aan de persoon van de verdachte.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte en bij diverse doorzoekingen zijn goederen inbeslaggenomen. Deze goederen zijn voorzien van een volgnummer en opgenomen in een proces-verbaal van inbeslaggenomen goederen d.d. 25 juni 2009. Hierna zal met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen verwezen worden naar de volgnummers zoals deze in het voornoemde proces-verbaal te vinden zijn.

7.3 De verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende volgnummers gevorderd:

- C1 tot en met C9;

- C8.1 tot en met C8.12;

- C8.14 en C8.15;

- C8.18;

- C8.22.

De verdediging heeft zich over de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen niet uitgelaten.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat deze inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte toebehoorden en dat met behulp daarvan de onder 1. en 2. bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan. Daarmee is aan de wettelijke eis als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht voldaan. De rechtbank zal deze voorwerpen dan ook verbeurd verklaren.

7.4 De onttrekking aan het verkeer

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende volgnummers gevorderd:

- C8.13;

- C8.16 en C8.17;

- C8.19 tot en met C8.21;

- C8.23 tot en met C8.29;

- C8.31 en C8.32;

- 2.

De verdediging heeft zich over de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen niet uitgelaten.

Voor zover deze inbeslaggenomen voorwerpen betrekking hebben op verdovende middelen, worden deze op grond van artikel 13a Opiumwet onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting kunnen vaststellen dat met behulp van de overige inbeslaggenomen voorwerpen de onder 1. en 2. bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan. Voorts is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet. Daarmee is aan de wettelijke eis als bedoeld in artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht voldaan. De rechtbank zal deze voorwerpen dan ook onttrekken aan het verkeer.

7.5 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgnummers:

- D1 tot en met D9;

- 5 tot en met 10;

- 12 en 13,

omdat deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 5. ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgnummers:

C1 enveloppen;

C2 enveloppen;

C3 marmeren tegel;

C4 mixer;

C5 plastictas met verpakkingsmateriaal;

C6 weegschaal;

C7 marmeren tegel;

C8 kluis;

C9 buisje en pijpje en wit poeder;

C8.1 GSM;

C8.2 GSM;

C8.3 flesje;

C8.4 batterijen;

C8.5 visitekaartjes;

C8.6 visitekaartjes;

C8.7 weegschaal;

C8.8 isolatieband;

C8.9 weegschaal;

C8.10 weegschaal;

C8.11 koffiemaler;

C8.12 weegschaal;

C8.14 papieren;

C8.15 huurovereenkomst;

C8.18 hamer;

C8.22 tasje;

- onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgnummers:

C8.13 cocaïne;

C8.16 patronen;

C8.17 patronen;

C8.19 Manitol;

C8.20 vuurwapen;

C8.21 patronen;

C8.23 wit poeder;

C8.24 wit poeder;

C8.25 cocaïne;

C8.26 cocaïne;

C8.27 cocaïne;

C8.28 cocaïne;

C8.29 cocaïne;

C8.31 MDMA;

C8.32 cocaïne;

2 cocaïne;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerpen met de volgnummers:

D1 huurovereenkomst;

D2 sleutelbos;

D3 GSM;

D4 GSM;

D5 GSM;

D6 GSM;

D7 autolader voor GSM;

D8 briefje;

D9 DVD recorder;

5 ploegdienst rooster;

6 2 gouden ringen;

7 sleutels aan een bos;

8 horloge;

9 armband;

10 bankpas;

12 GSM;

13 GSM.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.R. Roukema, voorzitter,

mr. W.P.M. Jurgens en mr. K. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr.drs. D.L. Spierings griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2009.

Mr. W.P.M. Jurgens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 17 maart 2009 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland meermalen althans eenmaal,(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer andere perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 17 maart 2009 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een (vuur)wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool van het merk FN Herstal, type HP 35, kaliber 9mm luger, en/of voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 17 maart 2009 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten;

-ongeveer 31 gram cocaïne in een auto van het merk Peugot voorzien van het kenteken [kenteken] en/of

-ongeveer 1307 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 3] en/of

-ongeveer 11 gram cocaïne in een woning gelegen aan het [adres 1]

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 16 maart 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (telkens) een of meer bedrag(en) aan contant geld , verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat geld voornoemd, gebruik gemaakt (door met dat geld uitgaven te doen ten behoeve van het levensonderhoud van hem verdachte en/of (een) bijdrage(n) te leveren aan het huishouden van van [medeverdachte 3] en/of het betalen/boeken van vakantiereizen), terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (te weten; de handel in verdovende middelen)

en/of

hij op of omstreeks 17 maart 2009, te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten;

-(in een woning gelegen aan de [adres 2]), (een) bedrag(en) aan contant geld, ter groote van ongeveer 95.745 euro en/of

-(in een woning gelegen aan het [adres 3]), (een) bedrag(en) aan contant geld, ter groote van ongeveer 19.640 euro,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (te weten; de handel in verdovende middelen);

5.

hij op of omstreeks 25 juni 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [medeverdachte 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of diens mededader opzettelijk dreigend;

-de auto waarin hij, verdachte, en of diens mededader, gezeten was/waren, tot stilstand gebracht naast de auto waarin die [medeverdachte 2] op dat moment reed en/of daarbij een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) getoond en/of gericht op

die [medeverdachte 2] en/of

-(vervolgens) de auto, waarin die [medeverdachte 2] (verder) reed, achtervolgd, althans (hinderlijk) gevolgd en/of

-daarbij het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) (opnieuw) heeft/ hebben getoond aan die [medeverdachte 2] en/of diens medepassagier;

Parketnummer: 11/510002-09

Vonnis d.d. 14 juli 2009